06-08-17

Benedictus

border00014.jpg

Heiligenleven

De heilige Benedictus

Grondlegger van het monnikenwezen in het Westen

Benedictus heilige.jpg

Heilige Benedictus

 

De heilige Benedictus, de grondlegger van het monnikswezen in het Westen en de vader van de Europese cultuur. Hij werd rond 480 geboren in Nursia (Umbrië) als zoon van een lid van de landadel. De rampspoed van Europa had een hoogtepunt bereikt, de samenleving was vrijwel geheel uiteengevallen. De kerk was geïnfecteerd met ketterijen en scheuringen, en de opvolgers van Leo de Grote waren te zwakke figuren om daar met succes tegen op te treden. Het monnikendom‚ dat zoveel heiligen aan de kerk geschonken had, bewoog zich in neergaande lijn. Er was geen vorst die enige werkelijke macht bezat. Noord-Europa was nog heidens; Zuid-Europa en het christelijk Afrika werden geteisterd door de volksverhuizing die een vervolging meebracht, nog wreder en meedogenlozer dan indertijd onder de Romeinse keizers.
Temidden van deze duisternis verschijnt er één enkele kluizenaar, die tot een geestelijk krachtcentrum werd en die het licht onstak dat de volgende eeuwen zou gaan schijnen over heel Europa. Hij begon als een uiterst serieuze jongeman die uitging van het principe dat onze daden in overeenstemming moeten zijn met onze ideeën. Toch sloot hij zich niet af van anderen; we zien dat hij zelfs een bijzonder innige verhouding had met zijn zuster (misschien waren ze tweelingen), en met zijn voedster (zijn moeder was wellicht overleden). Deze vergezelde hem toen hij naar Rome werd gezonden om zijn studie te voltooien, maar het frivole milieu dat hij daar aantrof, stootte hem dermate af dat hij de stad zo snel mogelijk ontvluchtte.
Misschien is het niet eens zozeer de algemene toestand die hem afschrikt als wel de toestand in de kerk, want hij wendt zich niet tot een van de verschillende kloosters die er toen reeds in Rome bestonden. Het was de tijd dat de hoge plaatsen in de kerk voor geld werden verkocht. Er was geen hoogachting meer voor de priesters, de bisschop zelf werd beschuldigd van onzedelijke levenswandel. De kloosters waren verdeeld volgens de verschillende partijen en hielden er zelfs gewapende benden op na, zoals de edelen.
Toch gaat Benedictus niet naar zijn geboortestad terug, hij wilde ook breken met het oude leven. Maar hij is ook nog niet gereed voor het leven in de eenzaamheid; hij trekt naar Effida, een 50-tal kilometers ten oosten van Rome, waar een religieuze gemeenschap gevestigd is, zoals er vele in die tijd bestonden. Elk gezin leeft zelfstandig, maar men zoekt steun bij elkaar voor gemeenschappelijk gebed in een eigen kerkje. Daar vestigde hij zich met zijn verzorgster en daar kwam hij voor het eerst in de openbaarheid. Op zijn gebed gebeurde namelijk een wonder, op een heel simpele, huiselijke manier. Zijn huishoudster had namelijk van de buurvrouw een stenen zeef geleend en die door onachtzaamheid gebroken. Zij wist zich geen raad, het was dus blijkbaar een vrij kostbaar apparaat. En Benedictus toont de warme liefde die hij deze vrouw toedraagt: hij wordt zo door medelijden bewogen dat hij vanzelf zijn toevlucht neemt tot Diegene Die hem het naast staat, met het resultaat dat de zeef weer ongebroken is, zonder een spoor van beschadiging. Hoe innig moet hij reeds toen met God geleefd hebben, hoe diep moet zijn geloof geweest zijn en hoe grenzeloos zijn vertrouwen!
Het nieuwtje ging natuurlijk als een lopend vuurtje door deze kleine gemeenschap en de teruggetrokken jongen merkt met schrik dat hij wordt aangegaapt. Dit moet voor hem de doorslag gegeven hebben om de laatste banden te verbreken en het voorbeeld te volgen van de grote woestijnvaders. Hij verliet heimelijk Effida en trok enkele dagen naar het Noorden tot aan Subiaco. De Anio-rivier heeft daar een diep ravijn door de berg gesneden en halverwege in de bijna loodrechte bergwand vond Benedictus een grot die tenminste enige beschutting bood. Misschien was die hem gewezen door de monnik Romanos die hij in deze buurt ontmoette, en die beloofde hem van de allernoodzakelijkste voeding te voorzien. Deze monnik woonde in een klooster op de hoge oever, hij spaarde van het brood dat dagelijks verstrekt werd door zelf minder te eten, en die resten, waarschijnlijk eerst op de keukenoven gedroogd, zoals het nu nog onder andere op de Athos gebeurt, liet hij aan een touw naar beneden zakken, tot voor de ingang van de grot.

Hier leefde Benedictus ruim drie jaar een leven van grote ontberingen, in een bergklimaat dat veel ruwer was dan het warme Egypte, in een nauwe kloof waar zelden de zon in doordrong. Daarbij pakte hij zichzelf hard aan; hij heeft zelf aan zijn latere leerlingen verhaald hoe hij, toen hij door zijn herinneringen in verzoeking werd gebracht om weg te gaan naar een jonge vrouw die hij had gekend, zich in de doornen en brandnetels wentelde om door een uiterlijke brand het inwendige vuur te blussen.
Zijn dagen waren verder geheel gewijd aan gebed en meditatie en daar gaf hij zichzelf zo volkomen aan over dat hij alle besef van tijd verloor. Eens was Romanos geruime tijd verhinderd om het broodrantsoen te brengen naar de grot zodat Benedictus geheel verzwakte door gebrek aan voedsel. Toen kreeg een alleenwonende priester, die juist voor zichzelf een goed maal had bereid ter ere van Pasen, de ingeving dat er in de bergen een monnik woonde die honger leed. Ook hij moet een bijzonder mens geweest zijn, want zonder aarzelen pakte hij het feestmaal en ging op zoek tot hij Benedictus vond in zijn grot. Deze ontving hem met vreugde, ze baden samen en zegenden God en spraken lang over het ware leven. Tenslotte herinnerde de priester zich waarvoor hij eigenlijk gekomen was en hij nodigde de ander uit: ‘Kom, laten we gaan eten, want het is vandaag Pasen’. En Benedictus antwoordde: ‘Ja, het is inderdaad een paasdag om zulk bezoek te mogen ontvangen’. En toen moest de priester hem uitleggen dat het inderdaad het feest van de Opstanding was.
Dit was de aankondiging van een nieuwe fase in het leven van Benedictus. Nadat hij jarenlang niemand had gezien, werd hij nu ontdekt door herders, die hem in zijn vacht aanzagen voor een wild dier dat zij wilden doden, tot zij ontdekten dat het een man Gods was. Nu begonnen er ook anderen te komen, die hem voedsel brachten en met graagte luisterden naar de zo diep doorleefde woorden uit zijn mond. Ook de monniken uit een ander klooster van die streek kwamen bij hem om geestelijk voedsel, en toen hun abt gestorven was, baden zij Benedictus met de grootste aandrang om de leiding van hun gemeenschap op zich te nemen. Deze zei hun dat hun levenswandel en de zijne te zeer van elkaar verschilden om een goed samengaan mogelijk te maken, maar toen de anderen toch bleven aandringen gaf hij toe. Hij stelde orde op zaken, maar nog sneller dan hij voorzien had, liep het spaak en er werd zelfs een moordaanslag op hem gepleegd. Toen keerde hij weer naar zijn geliefde eenzaamheid terug.
Maar, zoals we telkens weer zien bij vele kloosterstichters, nadat een ziel in de eenzaamheid tot een zekere volmaaktheid is gekomen, gebruikt God die persoon om in anderen het geestelijk leven te doen ontvlammen. Er gaat van zulk een mens een onzichtbare energie uit, die onweerstaanbaar anderen tot zich trekt, die op weg zijn naar God. Ook rond Benedictus verzamelde zich een groep volgelingen die in zijn uitstraling wilden leven en hij zag zich genoodzaakt om voor hen onderkomens te bouwen. Zijn roem verspreidde zich snel in deze geestelijk uitgehongerde tijd. Priesters en leken, Romeinen en barbaren, overwinnaars en slachtoffers kwamen hem opzoeken.
Het leven dat hij met hen ging leiden was nog geheel in een experimenteel stadium; hij probeerde een tussenvorm van gemeenschappelijk en kluizenaarsleven uit, door een aantal kleine kloostertjes te bouwen, elk met een dozijn monniken onder een eigen overste, maar onder zijn supervisie.
Er volgde nu een idyllische periode van vurig geloof en frisse ondernemingslust waar de latere paus Gregorius de Grote met welbehagen over vertelt. De gemeenschap bloeide en groeide, maar gaf daardoor ook aanleiding tot jaloezie, zodat er niet alleen aanslagen op het leven van Benedictus zelf, maar ook op het moreel van zijn leerlingen werden gepleegd, omdat hij juist daardoor het smartelijkst zou worden getroffen. Voor Benedictus, die zelf ook al de beperktheid van deze levensvorm had ingezien, gaf dit de doorslag om nogmaals van richting te veranderen. Langzamerhand was in zijn geest de idee gerijpt om het gemeenschap-zijn op de meest consequente wijze te beleven, zoals hij dat geleerd had uit de Regels van de heilige Basilios de Grote. Met een groepje van zijn leerlingen die het meest volgens zijn ideeën gevormd waren, ging hij op zoek naar een geschikte plaats om een werkelijk gemeenschappelijk leven tot stand te brengen.
Deze plaats vond hij op de Monte Cassino, een bergknie op een strategische plaats aan de rand van de Italiaanse vlakte, waar ook inderdaad een Romeins fort gevestigd was geweest, evenals een tempel van Apollo, die bij de boeren nog heimelijk in gebruik was. Daardoor ontplooit zich in Benedictus een missiedrang en hij trekt door de boerendorpen om de mensen te onderrichten en tot het geloof te brengen. Tegelijk verzekert hij zich daardoor van hun hulp voor zijn grootse bouwplannen.
Er ontstaat nu een groot geheel van kerk, werkruimten, eetruimte, slaapzalen en boerderij. De ijzeren strengheid van het kluizenaarsleven wordt niet meer nagestreefd. Het wordt meer een soort ideaal gezin op grondslag van de liefde tot Christus en tot elkander. Het is nu rond 530, Benedictus is ongeveer 50 jaar oud, een man van buitengewone begaafdheid, op het hoogtepunt van zijn leven waar hij ongehinderd vorm kan geven aan het ideaal dat hem bezielt. Onder zijn leiding werkten onontwikkelde Gothen en verfijnde Romeinen eendrachtig samen. Geplaagde boeren vonden bij hem een toevlucht die hen daadkrachtig tegen de terreur van hun verdrukkers beschermde. Toen er hongersnood was, deelde hij de laatste voorraden van het klooster uit; maar de volgende morgen vonden de verontruste monniken 200 zakken meel voor de poort van het klooster, die daar door een onbekende waren neergezet.
En al zijn geestelijke ervaringen en zijn rijpe wijsheid bundelt hij nu in zijn ‘regel’, een boekje van 120 kleine pagina's, verdeeld over 73 onderwerpen, maar zo evenwichtig van samenstelling en zo diep doordacht dat het gedurende vele honderden jaren de enige monniksregel is gebleven in heel West-Europa, en die ook grote invloed heeft uitgeoefend op heel het staatkundig leven in de middeleeuwen. Die regel werd als het ware de grondwet van de nieuwe Europese beschaving die de Romeinse civilisatie welke nu vrijwel geheel vernietigd was, zou opvolgen. Op de grondslag van Christus’ woorden bouwde hij een sterk georganiseerde gemeenschap, die op eigen benen kon staan, afgeschermd tegen slechte invloeden van buiten; en van allerlei reddingsmiddelen voorzien wanneer er ergens iets verkeerd zou gaan. In allerlei toonaarden zijnde wijsheid, de menselijkheid, de gematigdheid en de juridische opbouw van deze regel geroemd.
Toch was dit eigenlijk maar een bijwerking, veroorzaakt door de goed doordachte organisatievorm die Benedictus aan zijn monniken schenkt. Dat deze vorm zulk een indruk heeft kunnen maken is te danken aan de geestelijke inhoud van de regel die tot elk goedwillend hart sprak. Het leidmotto van de regel is dit woord uit het 4e hoofdstuk: ‘Niets boven de liefde van Christus stellen’, en dit ‘niets’ bepaalt alle andere geboden en verboden die hij opnoemt. Deze zichzelf in niets ontziende liefde tot de Heer, is de vaste grondslag van het ware monniksleven, ja, van elk christelijk leven. En in heel het zo wisselende leven van Benedictus is dit de duidelijk herkenbare draad die al zijn daden tot meeslepende eenheid verbindt.
Die liefde wordt verwerkelijkt door spontane gehoorzaamheid, omdat we in de ander Christus achten. En ook wat gevraagd wordt, moet gericht zijn op die liefde. Dan is er geen onderscheid meer, want wie we ook zijn, we zijn allen één in Christus. Wie meer gaven heeft, zal ook meer moeten geven. Om die liefde wordt ook de zucht naar eigendom scherp bestreden. Om haar vragen wij vergeving als ook maar de mogelijkheid bestaat dat wij iets verkeerds hebben gedaan. Gastvrijheid staat in hoog aanzien, want in de gast wordt Christus Zelf opgenomen, zoals Hij ons dat geleerd heeft. Iets voor de gemeenschap mogen doen is geen recht maar een voorrecht. Taak van de overste is niet: heersen, maar: helpen.
Kort voor zijn sterven horen we het verhaal hoe deze imponerende persoonlijkheid, die bijna automatisch gehoorzaamheid afdwong van ieder die met hem in aanraking kwam, nog altijd de tedere liefde van zijn kindsheid bewaarde die hem verbond met zijn zuster Scholastica, die evenals haar broer het monastieke leven had gekozen. Zoals ieder jaar, kwam zij bij hem op bezoek, en zij ontmoetten elkaar dan in het gastenverblijf dat aan de voet van de steile kloosterberg gelegen was. Tegen de avond wilde Benedictus plichtsgetrouw naar het klooster terugkeren voor de nacht, ondanks haar dringend verzoek deze keer bij haar te blijven. Op haar gebed brak toen zulk een wolkbreuk los dat het onmogelijk was om de glibberige bergpaden te beklimmen, en zij brachten een laatste nacht met elkander door. Nauwelijks in haar klooster teruggekeerd, stierf eerst Scholastica. Daarop werd Benedictus ziek. Hij verzamelde zijn laatste krachten, liet zich naar de kapel brengen, waar hij de communie ontving. Hij liet zich door zijn broeders overeind houden en gaf toen onder gebed, staande met opgeheven handen, de geest, in 547.

 

1-korintiers-13-3.jpg

Benedictus tekst.jpg

Het gemeenschapsleven: "U bent allen broeders"

 

Wat ze ook doen, de broeders en zusters moeten zich liefdevol en vreugdevol naar elkaar betonen. Degene die werkt zal zo spreken over degene die bidt: “De schatten die mijn broer bezit, heb ik ook, want we hebben ze gemeenschappelijk”. Van zijn kant zal degene die bidt over degene die leest zeggen: “Het profijt dat hij uit zijn lezen haalt, verrijkt ook mij”. En degene die werkt zal zeggen: “Het is in het belang van de gemeenschap dat ik deze dienst vervul”. De veelheid aan lichaamsdelen vormen slechts één lichaam en ze ondersteunen elkaar stilzwijgend doordat een ieder zijn taak vervult. Het oog ziet voor heel het lichaam; de hand werkt voor de andere ledematen; de voet draagt allen in het lopen; één ledemaat lijdt zo gauw een ander lijdt. Zo moeten broeders en zusters zich naar elkaar gedragen (Cf Rm 12, 4-5). Degene die bidt, veroordeelt niet degene die werkt, omdat hij niet bidt. Degene die werkt veroordeelt niet degene die bidt… Wie dient, zal anderen niet veroordelen. Daarentegen zal iedereen wat hij ook doet, handelen tot meerdere eer en glorie van God (cf. 1Kor 10,31 ; 2Kor 4,15)... Zo zullen een grote samenhang en een oprechte harmonie “banden van vrede” vormen (Ef 4,3), die hen zal verenigen en ze met transparantie en eenvoud onder de welwillende blik van God laat leven. Het belangrijkste is vanzelfsprekend de volharding in het gebed. Overigens wordt één ding behaald: ieder moet in zijn hart die schat bezitten die de levende en geestelijke aanwezigheid van de Heer is. Of hij nu werkt, bidt of leest, een ieder moet kunnen zeggen dat hij dat onvergankelijke goede bezit en dat is de heilige Geest.

(Benedictus)

De commentaren zijn gesloten.