09-08-17

A.Louf : Heer,leer ons bidden

 

 

border Christus panto.gif

André Louf: HEER, leer ons bidden

 

bidden.jpg

EERSTE HOOFDSTUK

BIDDEN VANDAAG?
Over bidden weten we zo weinig. Het is een geheim waarvan we vermoeden dat het verborgen ligt, ergens diepweg bij de bronnen van het hart. Zoals andere mysteries van het mensenleven : de geboorte van een nieuw wezen, de liefde die ontluikt en opbloeit, de beproeving die haar hoogtepunt vindt in de dood, en dat wat op de dood volgt. Dit alles roept bij de mens gemengde gevoelens op. Verlangen en vrees, liefde en ontzag wisselen elkaar af. Zolang die waarden niet tot een persoonlijke waarde geworden zijn, zolang zij nog niet als een verworvenheid geassimileerd werden, blijft de mens verdeeld. Hij voelt tegelijkertijd een drang en een weerstand. Hij is aangetrokken en afgestoten. Over gebed schrijven was wel altijd moeilijk. Vandaag is het dat meer dan ooit. Zolang de mens het gebed niet ontvangen heeft als zijn geheime maar diepste kern, blijft het voor hem zeer moeilijk een oordeel over het gebed uit te spreken. Hij zal misschien dwepen met gebed, maar zijn woorden klinken vals en leeg. Of hij zal scherpe kritiek afgeven op het gebed, maar zijn heftige reactie verraadt vooral de verborgen behoefte waaraan zijn hart lijdt als aan een ongeneeslijke wonde. Deze dialectiek is typerend voor de Kerk van onze tijd.
Hoe meer het gebed door de een wordt afgebroken, hoe meer er door de ander over het gebed gevraagd wordt. Dit alles is onvermijdelijk en zelfs gezond. Het betekent vooral twee dingen : ten eerste, dat wij nog niet kunnen bidden. Ten tweede, dat wij ons dit eindelijk bewust zijn! Een oudvader – dit is een monnik uit de eerste eeuwen – legde eens aan zijn leerlingen een moeilijke kwestie voor. Allemaal probeerden ze de vraag te beantwoorden. Toen de laatste aan het woord kwam, zei hij : “Ik weet het niet”. De oudvader prees deze leerling, hij had het ware antwoord gegeven. 1 Want hoe vaak probeen we niet een gemakkelijk antwoord te vinden op de vragen, die het leven ons soms stelt. Om ons gezicht te redden of om ons geweten te sussen wordt iets geuit, zonder het ware antwoord te zijn. Te vlug zijn we tevreden. De leerling van de oudvader sprak de waarheid uit, hij wist het niet en nederig bekende hij zijn onwetendheid. het ware antwoord was het deemoedige ontzag voor het mysterie. Zo ook voor ons : de eerste en meest fundamentele waarheid over het gebed is te weten dat wij niet kunnen bidden. “Heer, leer ons bidden“ (Lc. 11,1).


Crisis
Vroeger, en het is nog niet zolang geleden, was dit niet zo evident. We leefden toen in een bepaalde zekerheid. Ook in de Kerk. De kerkelijke structuren zaten stevig in elkaar. De voorschriften en geboden waren klare taal. Soms voelden we ons er wel van ontslagen persoonlijk na te denken. Men dacht voor ons. De laatste jaren echter zien we een bepaalde evolutie in de maatschappij. Ook de Kerk is in de steigers gezet. het tweede Vaticaans Concilie heeft de geesten in beroering gebracht. Aggior-namento, experiënties, vernieuwing, woorden die vertrouwd in het oor klinken. Van een strikt persoonlijk opgevatte beleving van het christendom, zoekt men nu wegen om ook het gemeenschapsaspect meer in het daglicht te plaatsen. De hulp aan de naaste – de medemenselijkheid – vraagt alle aandacht. En het gebed, waartoe dient dat? En kunnen we nog bidden? Altijd heeft men zich vragen gesteld over het gebed. En steeds, toen men dacht een antwoord gevonden te hebben, bleek dit antwoord telkens weer inadequaat te zijn. Eens was de vraag vooral : “Wat is gebed?” Maar vandaag weten wij plots niet meer of wij nog bidden. Vroeger wisten we tenminste dat nog. Er was geen twijfel over bidden als zodanig. Gebed was toen een oefening tussen de andere, voorgeschreven en soms volgens alle regels der kunst voorgeschoteld zoals andere geestelijke oefeningen. Er waren gebedsmethodes bij de vleet. Men probeerde trouw te zijn, vaak met echte edelmoedigheid, aan wat men noemde, met min of meer nadruk op het bezittelijk voornaamwoord, mijn meditatie. En men sprak van het slagen van het gebed, of het tegendeel, het mislukken. Wat het ook werd – een authentiek gebed zal het zeker af en toe geweest zijn – het gebedsvocabularium was toen erg triomfantelijk geschakeerd. Het gebed leek een oefening te zijn waar, naast de genade, ook veel menselijk kunst- en vliegwerk aan te pas kwam. Maar vandaag is het opeens allemaal anders geworden : wij kunnen niet meer zeggen of wij nog bidden, zelfs niet of wij nog in de mogelijkheid tot gebed geloven. Vroeger was het gebed misschien veel te gemakkelijk, vandaag is het plots onzeglijk moeilijk geworden. Was het dan vroeger wel gebed? En hoe of waar bidden wij vandaag? Was het vroeger gebed? Hier blijven de meesten wel het antwoord schuldig. De formules, de methodes, de gebruiksaanwijzingen (tot de rubrieken toe van alle mogelijke gebedsvormen) die een dertig jaar geleden in zwang waren, zijn in onbruik geraakt, verwaarloosd, of in ieder geval grondig gewijzigd; soms ook radicaal door iets anders vervangen. Men dreunt geen gebeden meer op. Er heerst wantrouwen tegenover gebedsteksten ‘van buitenaf erop geplakt’ en het formalisme waartoe ze aanleiding kunnen geven. Maar men is even bang geworden voor het zogenaamde inwendig gebed. De meesten hebben er bovendien helemaal geen tijd meer voor. Wie wel tijd zou vinden is in de meeste gevallen niet in staat tot inwendige rust te komen. Indien een zwijgzaam en teruggetrokken temperament dit verstillen en stilblijven zou bevorderen, vraagt men zich toch nog af, met argwaan en soms met ironie, wat men dan wel bereikt als men meent te bidden. De kille muren van zijn eigen opgeslotenheid? De stormen van een gefrustreerd gemoed? Het nooit gevonden object van behoeften en lusten, tot in het oneindige en tot in de hemel toe geprojecteerd? Een karige troost, als we de moed kwijt zijn het alledaagse leven als een doodgewone mens nuchter te ondergaan en te verwerken? Goedkope gelatenheid als de dingen en de mensen ons overvragen? Is het gebed dan vlucht in het onwerkelijke, in droom, illusie of romantiek? Echt, wij weten het vandaag niet meer. Wij zijn elk spoor van gebed bijster geraakt. Wij zijn vastgelopen in het dode punt van een illusie, voor velen : een nulpunt. Goddank! Want nu kan het opnieuw beginnen. Dit nulpunt kan een keerzijde en een kentering betekenen. Want dit is juist de genade van onze tijd in onze Kerk van vandaag : dat wij het nu niet meer weten. Dat de steigers plots in elkaar gestort zijn en dat nu eindelijk blijkt hoe weinig er van de gevel overblijft of ooit bestaan heeft. En dat de Heer nu alles kan herbouwen, van de grond af. Van een oudvader bleef een diepzinnig woord bewaard : “Het gebed is nog niet volmaakt, zolang de monnik het zich nog bewust is en weet dat hij bidt” 2. Eén ding is zeker : weinigen bezondigen zich nog aan deze wetenschap. En reeds dit is een vrucht van de genade.
Honger naar gebed.
Hier ligt dan de paradox van een crisis die vruchtbaar kan worden. Hoe vervallen de gebedspraktijken ook zijn, nooit was de honger naar gebed groter dan vandaag, en heel speciaal onder de jongeren. De grote cultuurveranderingen die we heden meemaken heeft bij velen iets wakker geroepen. Wat? Vaak weten de mensen het zelf niet. Zij voelen een een drang, een honger naar een innerlijke ervaring. Dit drijft hen voort. Ze kunnen niet stil blijven zitten. Ze moeten er iets op vinden. Wat? Zouden drugs een antwoord geven? Een ruimere opvatting over de seksualiteit, geeft dat de bevrijding? Men probeert het, maar de monotonie van elke dag toont snel aan hoe voos dit alles is. Het gaat als met een ééndagsvlieg, die maar kort het daglicht ziet en dan weer sterft. Maar de honger blijft. Honger die niet gestild wordt en steeds meer knaagt. Heel speciaal voelen de jongeren dit aan. Die drang drukt zich vaak uit door naar den vreemde te trekken. Bij ons vinden ze geen antwoord meer, tenminste ze menen het niet meer te vinden. Overal ontmoet men ze vaak gemakkelijk herkenbaar. Ze trekken naar Taizé, waar ze hun tenten opslaan en spontaan met de broeders meebidden, elkaar hun ervaringen belijden. Want een ervaring, die hebben ze. Om haar te vinden laten ze veel achter, van ervaring tot ervaring trekken ze verder. Vergetend wat achter hen ligt, gaan ze steeds voort. Hier en daar op deze wereld zijn nog oorden overgebleven waar het gebed de ganse sfeer als het ware vult. Er zijn nog mensen die bidden zoals ze ademhalen. Wie ooit onder de blakende zon van het Athosgebergte sjouwde, vergeet nooit meer de biddende kluizenaars die hij er mocht ontmoeten, hun gelaat als een vlam en hun blik als vuur, diep-borend en toch zo oneindig zacht, zo heel teder. mensen die uit de diepste diepten van zichzelf op alles en iedereen toetreden, die in mensen en dingen het innerlijke vuur kunnen ontdekken – de ‘verborgen kern der dingen’ (Isaac de Syriër) – die hun diepste kern blootzien, in mateloze liefde en begrip. Naast eenzaten die bidden, kun je ook mensenmassa’s vinden die samen bidden. Drukbezette nachtofficies met stampvolle kerken, oud en jong samen, kun je vandaag nog, in Rusland of in Roemenië meemaken. Die honger naar gebed stuurt die zoekers soms ook uit naar het Verre Oosten. Honderden jonge westerlingen verblijven op het ogenblik in Indische of Japanse ashrams, met de bedoeling, onder leiding van een guru in de techniek van de beschouwing te worden ingewijd. Ook op het Westerse halfrond oogsten technieken als Zen en Yoga een ruime belangstelling. Kosten nog moeiten worden gespaard om het lichaam en de geest meester te worden. Men wil zich bevrijden om de geestelijke ervaring te ontvangen. Deze technieken zijn eigentijds een vorm van ascese, die de aandacht van de mens probeert af te leiden van het oppervlakkige en nutteloze om haar te concentreren op de kern van de dingen. Eerst en vooral op de diepste kern van de mens zelf. Hij moet tot een zekere harmonie komen met zijn diepste ik, en tegelijkertijd met de andere mensen en de ganse wereld. Tenslotte ook met God. Tenminste voor hem die gelooft. Deze ervaring is een echt zichzelf-worden. Zij is eerder zeldzaam en kan best met een wedergeboorte vergeleken worden. In Zen noemt ment haar de verlichting. In deze ervaring ontvangt men ook een zekere inwendige, beschouwende blik, die al het andere vanuit een nieuw oogpunt bekijkt. Deze natuurlijke ascese is ongetwijfeld van groot nut. Zij toont ons hoezeer lichaam en geest elkaar beïnvloeden. Is dit echter reeds gebed? Wordt het gebed ons niet door God zelf in Jezus Christus geschonken? Het gebed van de christen dringt ongetwijfeld veel dieper door : met de Zoon de Vader aanroepen, samen met Jezus God de Vader danken en lofzingen, Hem prijzen. Lichaam en geest die door de oefening vrijgemaakt zijn, drukken zich spontaan uit. Ineens voelt de mens van binnenuit tot en naar wie hij gekeerd is met heel zijn wezen. Als vanzelf komen woorden hem in de mond. Hij weet niet waar ze vandaan komen, maar hij erkent ze als zijn woorden. Hij kan ook eenvoudig stil zijn. Stilte, die niet als een gemis aan woorden is, maar boven de woorden uitgaat, een nieuwe vorm van dialoog is, waarin we alleen maar weten dat onze gehele persoon daar present is. Aanwezigheid in de meest sterke zin van het woord, aanwezigheid in liefde die de ander werkelijk doet kennen. Plots kan uit die stilte een uiteindelijke kreet opklinken, ons door de Geest ingegeven. Ons hart breekt open en roept uit : Abba, Vader.

TWEEDE HOOFDSTUK

WAARMEE BIDDEN?

De voornaamste reden waarom bidden vandaag zo moeilijk lijkt (en ook het spreken over het gebed), is dat we eigenlijk niet goed weten waarmee we moeten bidden. Waar vinden we in ons lichaam het gebedsorgaan? Onze lippen en onze mond zeggen gebeden op, ons verstand doet aan overweging en meditatie, onze geest en ons hart verheffen zich tot God. Deze taal is ons vertrouwd. Maar wat bedoelen we met deze begrippen? Lippen, mond, verstand , hart en ziel? Waarmee bidden we eigenlijk?
Het gebedsorgaan : ons hart
Elke mens heeft van de schepper een orgaan meegekregen dat in de eerste plaats bedoeld is om hem aan het bidden te zetten. In het scheppingsverhaal wordt verteld hoe God de mens schiep door hem zijn levensgeest in te blazen (Gen. 2,7) en – voegt S. Paulus er aan toe – de mens werd een levende ziel (1 Cor. 15,45). Adam was de voorafbeelding van Hem die komen moest : Jezus, de tweede Adam, naar wiens beeld de eerste mens geschapen is. Dit wil zeggen dat de relatie tot de H. Drieëenheid, Vader, Zoon en Heilige Geest, fundamenteel tot ons wezen behoort. De levensgeest van God is in ons de bron van het gebed.
In de loop van de eeuwen heeft dit orgaan, in uiteenlopende culturen en talen, zeer verschillende namen ontvangen. Maar eigenlijk bedoelen ze allemaal hetzelfde. Laten we overeenkomen om dit orgaan hier te noemen met de oudste naam die het ooit gekregen heeft, en die in de Bijbel een centrale plaats inneemt : het hart. In het Oude Testament duidt het hart het innerlijke van de mens aan. Het Nieuwe Testament zal op dit begrip verder bouwen en het vervolmaken.
De Heer is het die hart en nieren doorgrondt (Jer. 11,20), niets is voor Hem verborgen. “Heer, Gij doorgrondt en kent mij; Gij kent mijn zitten en mijn opstaan… Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten”(Ps. 138). Met het hart verlangt men : God vervult de wens van het hart (Ps. 20,3). Ook het karakter van de mens is volgens de Bijbel in dit centrum gelokaliseerd : uit het hart komen de gedachten voort, de zonden, de goede, en de slechte neigingen : afgunst en nijd, vreugde, vrede en barmhartigheid. het hart kan ook de gehele persoon uitdrukken, bijvoorbeeld in het gebod van Josua aan de Israëlieten, bij de in bezitneming van het beloofde land : “Volbrengt zeer nauwgezet het gebod en de Wet, welke Mozes, de knecht des Heren u geboden heeft : dat gij de Heer uw God zoudt liefhebben, in al zijn wegen wandelen, zijn geboden onderhouden, hem aanhangen, en Hem dienen met geheel uw hart en met geheel uw ziel” (Jos. 22,5).
Maar een deel van het uitverkoren volk heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven en heeft zijn hart verre van de Heer gekeerd : “Dit volk nadert Mijslechts met woorden en eert Mij met lippen terwijl zij hun hart verre van Mij houden” (Is. 29,13). De Israëlieten zijn verstokt van hart geworden (Ez. 2,3). Keer op keer wekt God profeten op die niet zullen aflaten deze afval te prediken : “Ook nu nog luidt het Woord des Heren : bekeert u tot Mij met uw ganse hart, met vasten en geween en met rouwgeklag. Scheurt uw hart en niet uw klederen” (Joël 2,12), want de Heer kan deze ontrouw niet aanzien. Hij die Israël met een eeuwige liefde bemint, is een jaloerse God. En de profeet laat ons zien hoe ook het hart van God zich omkeert en zijn barmhartigheid (erbarming-van-het-hart) opgewekt wordt (cf. Os. 11,8). Nooit zal Zijn liefde zich van Zijn volk afkeren : “Een kort ogenblik heb ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik mij over u, zegt uw Verlosser, de Heer” (Is. 54,7-8).
Juist als het joodse volk in de diepste ellende zit, de Babylonische gevangenschap, verkondigt de profeet Ezechiël een nieuw verbond : “Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw ongerechtigheden en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven” (Ez. 36, 25-27).
Alleen een hart van vlees kan echt kloppen, kan leven geven aan het hele lichaam. Pas in zo’n hart kan de Geest zijn intrek nemen en het hart, eens gesloten voor de overvloed der genade, opent zich opnieuw voor Zijn liefdesplan : zijn Wil, het Woord, de Geest.
Degene over wie Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, heeft ons dit Nieuwe Verbond gebracht. God zelf is tussenbeide gekomen om het hart van de mens te openen en het opnieuw ontvankelijk te maken voor Zijn Woord (Hand. 16,14). Ten hemel opgestegen heeft Hij ons een andere Parakleet gezonden (Jn. 14,16), die troost, sterkt en aanspoort, de Zalving die ons in alles onderricht (1 Joh. 2,27), de Heilige Geest die ons in herinnering brengt alles wat Jezus ons gezegd heeft (Joh. 14,26). “Als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is en uw hart gelooft dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden “(Rom. 10,9). Hart en lippen, inwendige overgave en uitwendige belijdenis, gaan hier reeds samen op hetzelfde ritme. Hier wordt straks ook het gebed geboren.
De zaligsprekingen vatten in enkele zinnen de geestelijke Wet van het Nieuwe Verbond samen : “Zalig de armen van geest… zalig zij die wenen… zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien” (Mt. 5, 3-12). Als niets ons hart meer verduistert, zal het geheel kunnen ontluiken voor het Licht, want God is Liefde en God is Licht.
Het is misschien duidelijk geworden dat het hart, in de aloude betekenis van het woord, niet ons discursief verstand is waarmee we redeneren; ook niet ons gevoelsleven, waarmee we ons afstemmen op de ander; ook niet de oppervlakkige gevoeligheid die we de sentimentaliteit noemen. Het hart is iets wat nog veel dieper in ons ligt, de diepste kern van ons zijn, de wortel van ons bestaan, of, omgekeerd, ons toppunt, wat de Franse mystici noemen ‘la fine pointe de l’âme’ of ‘la cime de l’esprit’.
In ons alledaagse leven blijft ons hart gewoonlijk verborgen. Het komt nauwelijks aan de oppervlakte van het bewustzijn. We vertoeven het meest en het liefst in onze uiterlijke zintuigen, in onze indrukken en gevoelens, in alles wat ons aantrekt of tegenstaat. En als we op een dieper niveau van onze persoon willen gaan leven dan komen we gewoonlijk in de abstractie terecht : we overwegen, we stellen samen, we vergelijken, we trekken logische conclusies. Maar ondertussen sluimert ons hart en klopt het nog niet op het ritme van de Geest. Jezus heeft het ons vaak verweten : ons hart is blind, verstokt en gesloten (Mc. 8,17). Het is traag en lui (Lc. 24,25), vol duisternis. Het wordt bezwaard in plezier en zorgen (Mt. 13,15). Ons hart moet besneden worden. “Besnijdt dan de voorhuid van uw harten, om de Heer uw God lief te hebben en Hem te dienen met uw ganse hart en uw ganse ziel” (Deut. 10, 12-22). Liefde tot God en tot de naaste zullen dan de vruchten zijn, want uit een goed hart komen goede vruchten voort (Mt. 7,17). Het is een grote opgave voor elke mens om de weg terug te vinden naar zijn hart. Hij is op speurtocht naar die ongekende, innerlijke ruimte. Hij is een pelgrim op zoek naar Zijn hart, naar zijn diepste wezen. Iedereen draagt in zich, volgens de wondermooie uitdrukking van de H. Petrus in zijn eerste brief, “de verborgen mens van het hart” (3,4). Hij is onze diepste werkelijkheid : hem zijn we zonder meer. Daar ontmoet God ons, en van daaruit alleen kunnen wij op onze beurt mensen ontmoeten. Daar spreekt God ons aan, en van daaruit kunnen wij ook de mensen aanspreken. Daar ontvangen we van van Hem een nieuw en nog ongekende naam, die Hij alleen kent, en die onze naam zal zijn voor eeuwig in zijn Liefde; en van daaruit alleen kunnen wij straks de naam van een ander noemen, in dezelfde Liefde.
Maar zover zijn we nog niet. Wij zijn slechts op weg naar ons hart. Maar de wondere wereld die ons daar wacht maakt het de grootste moeite waard.
In staat van gebed.
Want ons hart bevindt zich daar reeds in staat van gebed. Het gebed hebben we, samen met de genade, in ons doopsel ontvangen. Staat van genade, zoals we dit noemen, betekent immers op het niveau van ons hart staat van gebed. Daar, in de diepste diepten van onszelf hebben we sindsdien voortdurend contact met God. De Heilige Geest van God heeft er beslag op ons gelegd, heeft ons helemaal in bezit genomen; hij is de adem geworden van onze adem, en de Geest van onze geest. Hij neemt ons hart op sleeptouw naar die gekeerdheid tot God. Hij is de Geest die, volgens Paulus, zonder ophouden tot onze eigen geest spreekt, en getuigenis aflegt van het feit dat wij kinderen zijn van God. Voortdurend immers roept de Geest in ons en bidt Hij, Abba-Vader, in gesmeek en gezucht dat niet onder woorden te brengen is, maar geen ogenblik aflaat in ons hart (Rom. 8,15 ; Gal. 4,6).
Deze staat van gebed in ons dragen we altijd met ons mee, als een verborgen schat, waarvan we ons echter niet bewust zijn, of slechts ternauwernood. Ons hart draait ergens op volle toeren, maar wij voelen het niet. Wij zijn doof voor ons biddende hart, wij smaken de liefde niet, wij zien het licht niet waarin wij leven.
Want ons hart, ons echte hart, slaapt, en het moet wakker gemaakt worden, langzaamaan – een heel mensenleven lang. Bidden is daarom eigenlijk niet moeilijk. Het is ons allang gegeven. Maar zeer zelden is men zich van zijn eigen gebed bewust. Elke gebedstechniek is daarop afgestemd. Wij moeten bewust worden van wat we reeds ontvangen hebben, leren aanvoelen, onderscheiden, in de volle en rustige zekerheid van de Geest, dit gebed dat ergens diep in ons wortelt en werkt. Het moet aan de oppervlakte komen van ons bewustzijn. Het zal geleidelijk al onze vermogens doordrenken en inpalmen, geest, ziel en lichaam. Onze psyche en ook ons lichaam moeten gaan meetrillen op het ritme van dit gebed, zullen van binnenuit tot gebed aangeroerd worden, in gebed gezet worden, zoals een droge houtblok aan het branden gezet wordt. Een oudvader drukte dit kernachtig uit : “De ascese van de monnik : hout in lichterlaaie zetten”.
Het gebed is dan niets anders dan die onbewuste staat van gebed, die na verloop van tijd helemaal bewust geworden is. Gebed is de abundantia cordis, volgens het evangelische en Vlaamse spreekwoord : “waar het hart van vol is loopt de mond van over” (Mt. 12,34 ; Lc. 6,45). Gebed is een hart dat overloopt van vreugde, van eucharistia, van lof en dank. Het is de overvloed van een hart dat goed wakker is.
Wakker worden.
Voorwaarde daartoe is dan ook dat ons hart ontwaakt. Want zolang ons hart nog slaapt gaan we vergeefs op zoek naar het orgaan van het gebed in ons. We kunnen het langs verschillende kanten proberen, maar het resultaat is veelal ontmoedigend. Sommigen doen daarbij vooral een beroep op hun verbeelding, maar het gevaar is groot dat zij dan alleen maar verstrooidheid vinden. Anderen proberen het met hun religieus gevoel, maar vergaan algauw in sentimentaliteit. Weer anderen schakelen meer hun verstand in en proberen tot duidelijker inzichten te komen, maar hun gebed blijft dor en koud en komt uiteindelijk buiten hun concrete leven terecht. Verbeelding, gevoel en verstand zijn niet uit den boze. Maar ze kunnen slechts vrucht dragen wanneer, veel dieper in ons, ons hart wakker geworden is, en zij, aangevreten door de vlam van dit geestelijk vuur, zelf in gloed geraken. Elke methode voor gebed heeft slechts één objectief : het hart vinden en het wakker maken. Zij moet een vorm zijn van innerlijke waakzaamheid. Jezus zelf heeft reeds waken en bidden naast elkaar gezet. De formule ‘waakt en bidt’ klimt zeker tot Hem persoonlijk op (Mt. 26,41 ; Mc. 13,33). Slechts diepe en rustige aandacht kan ons brengen op het spoor van ons hart, en van het gebed daarin.
Al wakende moeten wij dus eerst de weg naar ons hart terug vinden om het vrij te maken en het te ontdoen van alles waarmee we het ingekapseld hebben. Hiertoe moeten we ons bekeren, tot inkeer komen, teruggaan tot het ware centrum van onze persoon, redire ad cor (cf. Is. 46,8), terugkeren naar het hart, zoals men het in de middeleeuwen zo graag zei. In het hart komen geest en lichaam samen, het is het middelpunt van ons wezen. Tot dit middelpunt teruggekeerd leven we op een dieper niveau, daar waar we in rust zijn, in harmonie met alles en allen, in de eerst plaats met onszelf. Deze terugkeer is inkeer. Zij schept ingetogenheid een ingekeerdheid. Zij doorsteekt tot ons diepste ik, tot het beeld van God in ons. Tot die ontologische kern, waar we voortdurend aan Gods scheppende hand ontspringen, en naar Zijn schoot terugvloeien. Bidden leert ons leven van binnen, inwendig leven. Iedere man van gebed heeft, zoals van de H. Bruno gezegd werd, een cor profundum, een grondeloos diep hart 3. De parabel van de verloren zoon wordt door enkele kerkvaders in deze zin uitgelegd (Lc. 15, 11-32) De jongste zoon eist zijn erfdeel op en vertrekt naar het buitenland, waar hij zijn geld verkwist in een losbandig leven. “Toen hij alles opgemaakt had, kwam er een felle hongersnood over dat land en hij begon gebrek te lijden… Toen kwam hij tot inkeer (lett. hij keerde in zich) en zei : Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed”. Paus Gregorius de Grote past de tekst toe op de H. Benedictus, de vader der westerse monniken, waarvan hij het kluizenaarsleven beschrijft : “Als de verloren zoon met zichzelf geweest was, vanwaar zou hij dan tot zich teruggekeerd zijn? Daarentegen heb ik van deze eerbiedwaardige man (Benedictus) kunnen zeggen, dat hij met zichzelf woonde (habitare secum), want voordurend op zichzelf wakende, bleef hij steeds in de tegenwoordigheid van zijn Schepper. Hij ondervroeg zich zonder ophouden en liet de blik van zijn hart niet naar buiten afleiden” 4. Deze tekst laat zien waar de H. Benedictus de rust vond. Hij vlucht niet naar buiten in een activiteit die hem van zijn echte werk afhoudt, maar voordurend keert hij zich tot zijn hart. Daar ligt zijn ware arbeid; de strijd tegen alles wat hem van zijn enig Goed wil afhouden. Een kartuizermonnik uit de twaalfde eeuw heeft dan ook kunnen zeggen : Niets doet de monnik meer zwoegen, dan niet te werken, (Nihil laboriosius est quam non laborare) 5 en zo vrij te blijven voor het gebed, te verstillen in Jezus en in zijn Woord. Met andere woorden van dezelfde kartuizer : zo wordt hij quietus Christo, stil en rustig voor Christus (Ep. 1) Dit was ook de enige zorg van Benedictus : zijn hart vrij te houden onder de blik van Hem die steunt en liefde schenkt.
Op deze ascese – en speciaal de wake – als gebedstechniek komen we verder in dit boek terug. Hier volstaan we met te onderlijnen dat het gebed reeds in ons hart gegeven is, zij het op een verborgen manier. Onwillekeurig komt hier het beeld van de schat in de akker. Dit beeld is inderdaad op het gebed toegepast geweest.. Een Cisterciënzermonnik uit de twaalfde eeuw, Guerricus van Igny, vergelijkt het hart met een akker. De akker van het hart moet omgespit worden : “O, wat een schat van goede werken, wat een rijkdom aan geestelijke vruchten zijn er verborgen in de akker van het mensenlichaam en hoeveel te meer nog in zijn hart, als hij het maar omspit en doorgraaft. Ik wil hiermee niet zoals Plato beweren, dat, alvorens in dit lichaam te wonen, de ziel reeds kennis had, die na in het vergeetboek geraakt te zijn en verborgen onder het gewicht der zinnen, daarna blootgelegd wordt door geestelijke lezing (disciplina) en ascese (labor). Maar ik bedoel dat de rede en het verstand die eigen zijn aan de mens, als ze geholpen worden door de genade, de bron kunnen worden van alle goede werken. Als ge u dus in uw hart keert, als ge uw lichaam onder handen neemt, wanhoop niet er schatten in te vinden die de moeite waard zijn” (Sermoen 1 voor Driekoningen). Een schat is dus in de akker van ons hart verborgen, en als de koopman van het evangelie zullen we alles moeten verkopen om die akker in bezit te kunnen nemen en de schat te kunnen opgraven. Soms geeft God ons een glimp op te vangen van die schat. Veel arbeid zal gevraagd worden om de akker te bewerken. Het gaat nu niet om het ontginnen van de aarde, door de Schepper aan de eerste mens toevertrouwd, een opdracht die nog steeds van kracht is. Maar het zweet des aanschijns wordt ook gevraagd om ons eigen innerlijk te ontginnen en dit braak liggende terrein in cultuur te brengen. Ons zwoegen zal echter beloond worden en meer dan dat : deze geestelijke arbeid zelf is reeds een vreugde en geeft ons de ware vrede.
Iemand wiens hart zo vrij geworden is, zal zijn hart kunnen beluisteren, het hart bidt reeds zonder dat wij het wisten. Wij kunnen als het ware ons hart op heterdaad van gebed betrappen. De geest van Jezus stamelt er ons het gebed al voor. Om ons aan dit gebed te kunnen overgeven, moeten we onszelf opgeven en geen muur meer willen optrekken tussen ons hart en ons ik. Wij zijn niet ons persoontje, de image, die we met zoveel moeite hebben opgebouwd. pas als we dit masker tegenover God hebben afgelegd, zullen we onze ware ik gaan ontdekken. Verwonderd zullen we opkijken, want hebben we ooit kunnen vermoeden hoe we in werkelijkheid waren en wat God voor ons had verkozen? Hoe mooi ons ware beeld is, dat God altijd al in zich draagt, en dat hij zozeer verlangt ons te tonen ! Uit liefde respecteerde Hij onze wil, en wachtte af. Dit beeld kan niets anders zijn dan de gelijkenis aan zijn Zoon, die ons het ware zoonschap voorgeleefd heeft, en die gehoorzaam geweest is aan de wil van de Vader, tot aan de dood aan het kruis. Van Zijn gebed, van Zijn strijden, leven en sterven, leren wij bidden.
Geleidelijk aan moeten we verder gaan op de weg naar het gebed. Steeds weer dezelfde techniek. Ons hart van zijn kapsels ontdoen; naar ons hart luisteren, daar waar het reeds bidt; onszelf overgeven aan dit gebed, totdat het gebed van de Geest ons eigen gebed wordt.
Zoals een monnik uit de byzantijnse middeleeuwen het leerde : “Wie zorgvuldig op zijn hart let en er geen andere beelden en fantasieën in toelaat, zal snel bemerken hoe zijn hart van nature licht voortbrengt. Zoals een kool in brand schiet, zoals vuur de kaars aansteekt, zo steekt God ons hart in vlam voor de beschouwing, Hij die sinds ons doopsel ons hart bewoont” 6.
Een monnik uit deze tijd gebruikte een ander beeld om hetzelfde te zeggen. Hij is een man van buitengewoon gebed, iemand die het gebed gewoonweg overrompeld heeft en hem voortdurend bezighoudt. Men vroeg hem hoe hij daartoe gekomen was. Zijn antwoord was dat hij het moeilijk kon verklaren. “Vandaag”zei hij, “heb ik de indruk dat ik het gebed al lange jaren in mijn hart droeg, maar toen wist ik het niet. Het was net als een bron, maar waarop toen een steen lag. Op een gegeven ogenblik heeft Jezus die steen weggenomen. toen is de bron aan het vloeien gegaan en vloeit nog steeds”.

DERDE HOOFDSTUK

HET GEBED VAN JEZUS

Het verlangen om te bidden kwam bij de leerlingen op toen zij Jezus zagen bidden. Zijn gebed werkte aanstekelijk : “Heer, leer ons bidden” (Lc. 11,1). Die gelegenheden werden hen niet gespaard. Jezus zal heel vaak gebeden hebben. Tot in het Nieuwe Testament dringen echo’s hiervan door. Soms bracht Hij zelfs de ganse nacht in gebed door (Lc. 6,12), geheel alleen in de eenzaamheid van een gebergte. De evangelist toont hoe, vóór elke grote gebeurtenis in het openbare leven van Jezus, Hij eerst een tijd in gebed doorbracht. Vooral het Lucas-evangelie legt hier de nadruk op. Alvorens een twaalftal leerlingen als apostel aan te stellen wordt vermeld hoe Jezus zich in het gebed voorbereidde. Een andere keer kiest Jezus drie leerlingen uit aan wie Hij voor een korte stonde zijn heerlijkheid zal openbaren. Hij voert ze een berg op, ze verlaten het gewoel van deze wereld en trekken de eenzaamheid in (Lc. 9, 28-36).
Jezus’ gebed neemt niet alleen een belangrijk deel van zijn tijd in beslag. Op zichzelf is zijn gebed al iets ongewoons, iets onuitsprekelijk nieuws. Nooit heeft een mens kunnen bidden zoals Jezus bad. Voor de allereerste keer heeft men een mensenwoord op Zijn lippen, de volheid van haar betekenis gevonden. Voor de allereerste keer ook heeft de Vader uit de mond van een mens, die werkelijk Zijn bloedeigen Zoon is, een woord beluisterd dat aan Zijn mateloze liefde op de meest menselijke manier beantwoordde.
Het gebed van Jezus is immers verbonden met het feit dat Jezus terzelfdertijd God en mens was, dat in Hem het Woord vlees is geworden. In zijn gebed als mens zal dus iets verwoord worden van wat leeft in de heilige Drieëenheid : de onuitsprekelijke band die Vader en Zoon op elkaar afstemmen. Woord en antwoord, Liefde en Weder-Liefde, Gave en Weder-Gave. De Zoon die aan de oerbron van de ader ontspringt, zonder ophouden in de schoot van de Vader verwijlt (Joh. 1,18) en steeds opnieuw naar die bron terugvloeit. In het gebed van Jezus is die goddelijke werkelijkheid op een unieke wijze aanwezig : de Liefde waarvan Hijzèlf de volheid draagt, de Wil van de Vader die Zijn enig voedsel is, de Heilige Geest die Hij van de Vader ontvangt. Tot aan de komst van Jezus bleef het gebed noodzakelijk binnen een zeer beperkte horizon hangen. Het was nog onmondig. In Jezus kan het nu uitgesproken worden, en bereikt het ineens zijn hoogste voltooiing. Dit is echter niet zo gemakkelijk geweest als het op het eerste zicht wel lijkt. Niet alleen omdat de menselijke woorden uit zichzelf al gebrekkig zijn, en dat het dus uiteraard al moeilijk was om voor deze onzeggelijke goddelijke werkelijkheid een aangepaste taal te scheppen. De moeilijkheid lag echter veel dieper. De menselijke natuur waarmee Jezus bekleed werd kende nog de sporen van de zonde. En de taal die hij als kleine jongen leerde stamelen droeg ook het stempel van de zonde mee. Zijwas niet zuiver, niet zoals het Woord van God is, “gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd’(Ps. 11,7), en zoals het gebed de mensenwoorden herschept. Zoals Jezus Zijn volmaakt-mens-zijn als het ware op onze zonde heeft moeten veroveren, zo heeft ook Jezus Zijn gebed, door stuntelige menselijke woorden heen, op onze weigering moeten afvechten. Hij zelf, als mens, moest leren bidden. En dat kon Hij alleen maar dáár waar Hij onze zonde het dichtst naderbij kwam, dit is in de bekoring.
De bekoring
Men kan niet schrijven over het gebed zonder te spreken over zonde en bekoring. Er is immers geen ander gebed mogelijk voor mensen dan het gebed dat ‘roept uit de diepten’ (Ps. 129,1) van de zwakheid, een gebed dat de raaklijn is op de cirkel van de zonde. Raaklijn, omdat ze tegelijkertijd de zonde raakt, en op het eigenste ogenblik de band van de zonde doorbreekt en aan haar kringloop ontspringt; dit in een elan van liefdevol vertrouwen op de Heer die, Hij alleen, uit de bekoring verlost. “Waakt en bidt, vermaande Jezus, opdat ge niet op de bekoring zoudt ingaan” (Mt. 26,41). En dit woord sprak Hij uit op het ogenblik dat Hij zelf juist kwam te ontsnappen aan de meest ernstige bekoring van Zijn leven, de bekoring die Zijn dood zou inluiden.
Jezus zelf was natuurlijk geen zondaar. Hij kon zelf niet zondigen omdat Hij God was. Maar als mens kreeg Hij toch met de zonde te doen. Dit was onontkoombaar. Het menselijke lichaam dat Hij had aangenomen, was nog een “vlees van zonde” (Col. 1,22 ; Rom. 8,3). Dit kon ook niet anders. De ganse mensheid wachtte immers op Jezus om van die zondigheid verlost te worden. Daarom moest Jezus met de mensen een eindweegs gaan tot dichtbij de zonde.
Alleen het geheim van Gods ‘te grote liefde’, zoals Paulus zich uitdrukt (Ef. 2,4) kan de dwaasheid van zulk avontuur enigszins verantwoorden. De oudste theologie uit het Nieuwe Testament probeerde dit geheim duidelijk te maken met het beeld van de dienaar van Jahweh uit de deutero-Isaias (Is. 42,1-4 ; 49,1-3 ; 50,4-9 ; 52,13 – 53,12). Uit liefde vernedert Jezus zich, in een duizelingwekkend afdalen, steeds dieper en dieper, tot onder de mensen en tot onder de zondaars. Zo openbaart Gods Liefde zich tegenover de zondaars. Zij neemt de trekken aan van de Dienaar. Vol geduld en nederigheid gaat God mee tot aan de zonde. In Jezus ontledigt Hij Zich van Zichzelf en wordt als het ware zondaar met de zondaars. Hij laat Zich onder de boosdoeners rekenen (Lc. 24,7).
De aloudste christelijke woordenschat heeft moeten zoeken naar een vocabularium om dit mysterie enigszins te verwoorden. Het Nieuwe Testament spreekt van ontlediging (Kenôsis), van vernedering, verlaging. Zo bijvoorbeeld in de christologische hymne van Fil. 2,5-8, waarvan men denkt dat ze een liturgisch stuk van vóór Paulus overneemt. Jezus was het beeld van God. Van oorsprong bezat Hij Gods gestalte, maar hij heeft er Zich van ontdaan, ontledigd (ekenôsen). Zo is Hij Dienaar geworden, de Dienaar van Jahweh. En mens geworden. Steeds lager daalde Hij af. Uiterlijk bevonden als een mens, heeft Hij zich nog dieper vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, en wel tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem op onuitsprekelijke wijze verheven, en Hem de Naam gegeven die is boven alle naam.
Op dit eigenste ogenblik heeft Jezus iets te maken gehad met onze zonde. Nog eens, niet dat er enige zonde in hem was. De brief van Johannes zegt het uitdrukkelijk : “er is geen zonde in Hem’(1 Joh. 3,5). Toch heeft Hij de zonde op zich genomen, doch in de dubbele betekenis van het werkwoord dragen zowel in het Hebreeuws, het Grieks, als in het Latijn (nasa, airein, tollere) : dragen en wegdragen. Hij heeft de zonde op Zich geladen, om de zonde weg te nemen. Elders gebruikt Paulus zelfs een meer gedurfde woordspeling : “Hem die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden” (2 Cor. 5,21). De woordspeling betreft hier de dubbele betekenis van het Griekse woord zonde (hamartia), tezelfdertijd zonde en zoenoffer voor de zonde. De betekenis is dan : alhoewel Hij geen zondaar was, heeft de Vader Hem tot zoenoffer voor de zonde gemaakt. Uit dit alles blijkt echter wel dat Jezus ook met de zonde te kampen had, dat Hij ergens aan de zonde verwant was. Hier kunnen we reeds uit afleiden dat ook Zijn gebed ergens de raaklijn zal zijn tussen de zonde en de barmhartigheid, dit is tussen onze zonde, waarvan Hij als mens de gevolgen op Zich droeg, en de barmhartigheid van de Vader waarvan Hij ook als mens, gans en geheel de openbaring was. Het gebed van Jezus is gans verweven met zijn taak als Verlosser. Hij is een tweede Adam. Dat wil zeggen dat Hij, als mens onder de mensen, met gans Zijn mensheid en met gans de mensheid, de weg moet terugvinden naar de Vader. Dezelfde weg die de eerst Adam weigerde in te slaan, en die nu versperd is door de engel met het vlammend zwaard (Gen. 3,24). Jezus zal nu als eerste deze weg opgaan. Daar waar Adam faalde, zal Hij de versperring proberen te doorbreken.
Zo is Jezus de Archègos (Hebr. 2,10), de Leider die voorop gaat. Hij is de echte Prodromos (Hebr. 6,20), de Voorloper ; de Episkopos (1P. 2,25), Hij die voorgaat (letterlijk : de opzichter) ; de Prôtotokos (Apok. 1,5), de Eerstgeborene. In de volle zin van het woord, is hij de Prôtos, zoals de Apokalyps Hem noemt (1,17), de Eerste zonder meer. De eerste van Gods nieuwe schepping; Eersteling van Zijn wondere Liefde. Daarom gaat Jezus ook vóór in het gebed en in de strijd die de mens moet doorstaan om het gebed terug te vinden. Hij is de eerste echter Bidder, en van Hem alleen kunnen we leren bidden. Daarom moet Jezus ook in de bekoring komen te staan. Want om de weg naar de Vader voor de mensheid weer open te breken, moet Hij eerst zelf op deze weg komen staan. Dit is ‘de weg van alle vlees’, zoals men het noemt, de weg van onze menselijkheid en van het vlees der zonde. Hij moest gans aan ons gelijk worden want zoals de Kerkvaders het steeds herhalen na de H. Athanasius : “wat door Hem niet werd opgenomen, werd door Hem niet verlost”. Daarom treedt Hij ook de wereld van de zonde binnen en gaat Hij leven en sterven op het domein van de zonde zelf. Hij neemt een menselijk lichaam aan, een lichaam waarover de zonde heerst, met al de gevolgen daarvan. Dit opdat Hij de zonde op haar eigen terrein zou kunnen verslaan.
Dit is op een duidelijke manier in de Hebreeënbrief naar voren gebracht : “Omdat nu deze kinderen mensen zijn van vlees en bloed, heeft ook Hij ditzelfde bestaan willen delen om door Zijn dood de duivel, die de heerschappij over de dood bezat, te onttronen” (Hebr. 2,14). In het vlees en bloed van zijn mens-zijn moest Jezus tegenover de duivel komen te staan, en dit in de dood, dit is juist op dit terrein waarover de duivel zelf heerste.. Daarom moest Jezus door de grote bekoring van de dood heen, om door Zijn dood de duivel te overwinnen en de mensheid te verlossen. In Jezus werd de dood opengebroken naar het leven. Zij is geen dood meer ten dode, tenminste voor wie in Jezus gelooft. Zij is dood ten eeuwigen leven. De weg naar de Vader is weer vrij. Want Jezus zelf, in Zijn verrezen lichaam, is nu de Weg (Joh. 14,6). Niemand komt tot de Vader tenzij langs Hem.
Daarom is Hij mens geworden en geen engel (Hebr. 2, 14-18). Doodgewonene mens zoals alle mensen, en daarom ook met zwakheid omkleed (Hebr. 5,2). Hij is ook in de bekoring gaan staan om een begrijpende en barmhartige Hogepriester te worden die Zelf de beproeving doorstond en daarom in staat is hen te helpen die op hun beurt in de beproeving geraken (Hebr. 2,18). “Want we hebben geen hogepriester die niet met onze zwakheden kan meevoelen. Hijzelf werd immers op alle mogelijke manieren bekoord, in alles aan ons gelijk, uitgenomen de zonde”(Hebr. 4,15).
Het ganse leven van Jezus was een bekoring en een confrontatie met de ‘Prins van deze wereld’ (Joh. 12,31). De talloze genezingen die Hij bewerkte, de opstandingen uit de dood die Hij van Zijn Vader afsmeekte, de duivels die Hij uit bezetenen verjoeg, waren zovele tekenen van Zijn strijd tegen het kwaad. En ook Zijn gebed dat soms ganse nachten door opgedragen werd en waarvan we gerust kunnen veronderstellen dat het eigenlijk nooit afliet. “Er zijn immers duivels,” beweerde Jezus tegen zijn leerlingen, “die niet verjaagd kunnen worden tenzij door gebed en vasten” (Mt. 17,21). Deze strijd met de duivel kende zijn hoogtepunten in de grote bekoringen die het openbaar leven van Jezus omlijsten : de bekoring gedurende de veertigdaagse vasten in de woestijn, en de laatste bekoring in het Pascha-mysterie zelf, met haar twee etappes : de Hof van Olijven en de dood aan het kruis.
We moeten nu eventjes op deze bekoringen ingaan. Jezus doorstond ze immers al biddende. Zijn strijd – en zelfs Zijn doodstrijd – was een gebedsstrijd. En de overgave aan de Wil van Zijn Vader, waarop elke bekoring uitmondde, Zijn gehoorzaamheid dus, was een gebedsgehoorzaamheid. Zijn offer ook, dat Hij als Hogepriester in de bekoring en de overwinning opdroeg, was een offer van gebed. Ditzelfde offer dat Hij altijd verder celebreert in de Heerlijkheid. Op dit zelfde ogenblik is Hij ‘voor altijd levend om te bidden’ (Hebr. 7,25).
Gebedsgehoorzaamheid
Je kunt over gebed niet spreken zonder het te hebben over gehoorzaamheid. Met gehoorzaamheid bedoelen we hier niet de sociologische gehoorzaamheid die elk groepsleven betreft, van welke aard die groep ook mag zijn. Om het goed van de groep te bevorderen voelt ieder lid zich moreel verplicht te gehoorzamen aan de verantwoordelijke die het goed van de groep, samen met de anderen maar op een speciale manier, moet aanduiden en in concrete bevelen moet omzetten. We hebben natuurlijk geen bezwaren tegen deze gehoorzaamheid waarvan de noodzaak onmiddellijk voor de hand ligt overal waar een groep, zelfs een religieuze groep, in leven wil blijven en met goed gevolg optreden.
Onder gehoorzaamheid bedoelen we hier echter iets anders : het opgeven van zijn eigen verlangens en wensen – Mijn wil – voor de Wil van een ander – Uw Wil -, hier concreet voor de Wil van de Vader. Dit opgeven van zichzelf, dit wegcijferen van zijn eigen verlangens ten voordele van een ander, stelt hem die gehoorzaamt in een nieuwe verhouding tegenover die Ander. Gehoorzaamheid is taal en teken. Zij bewerkt ook iets in hem die gehoorzaamt. Ze zet zijn leven helemaal open voor het verlangen van een Ander, en bindt hem vast aan die Ander. Veel meer nog. Zij kan nieuw leven scheppen. Door iemand open te zetten voor een Ander, ver- Andert zij hem in de meest diepen zin van het woord. Zij is een nieuwe levenswijze, waarlangs iemand meer en meer los kan komen van zijn eigen beperktheid om op te gaan in de rijkdom van een Ander, en die rijkdom met Hem te delen. Dit veronderstelt natuurlijk dat de gehoorzaamheid vrij en spontaan is en nooit in slavernij ontaardt. Van beide kanten vraagt die een zuivere en grote liefde. Van de Liefde van zijn Vader was Jezus geheel en al zeker. In Zijn goddelijk persoon is er daarom geen aarzeling mogelijk tegenover de Wil van Zijn Vader. Hij is immers Amen, zoals de Apokalyps Hem noemt (3,14), dit wil zeggen : Ja, Vader (Mt. 11,26). Met gans zijn wezen beaamt Hij de Liefde van Zijn Vader. Daarom kan hij ook zeggen dat Hij hier beneden geen ander voedsel heeft dan de Wil te volbrengen van Zijn Vader (Joh. 4,34). Daartoe is Hij immers mens geworden (Joh. 6,38).
Maar hier begint de moeilijkheid. De Vader heeft aan Zijn Zoon een lichaam meegegeven opdat Jezus ook zou kunnen gehoorzamen als mens. Iets wat de mens sinds Adam niet meer kon. Die gehoorzaamheid van Jezus, door zijn menselijk lichaam heen, zal zelfs het Offer worden van het Nieuwe Verbond. Bij zijn intrede in de wereld sprak Jezus volgens de brief aan de Hebreeën : “Offers noch gaven hebt Gij gewild, maar een lichaam hebt Gij mij bereid. Zie, Ik kom om Uw wil te volbrengen” (10, 5-7).
Voor Jezus wordt dit een zeer pijnlijke ervaring. Onze verlossing bestaat immers juist hierin dat Zijn gehoorzaamheid als God nu ook een menselijke gestalte aanneemt, in een lichaam en in een psychologie die getekend zijn door de zonde. Aan dit drama zal Jezus ten onder gaan, zal Hij sterven en verrijzen. Zodra Hij maar even probeert die gehoorzaamheid in Zijn menselijkheid te beleven, barst het los. Zijn lichaam begeeft het, Hij zweet water en bloed, Hij sterft. Alleen de Vader kan Hem uit die dood verlossen en de diepere betekenis van alle gehoorzaamheid in Hem belichamen. Hij roept Hem weer ten leven. Hij bekleedt Zijn lichaam met Zijn eigen Heerlijkheid.
Deze bloedige confrontatie met de Wil van Zijn Vader in Zijn menselijk lichaam liep door het gebed heen : “niet Mijn wil, maar Uw Wil geschiede!” (Mt. 26,39). Al biddende heeft Jezus die strijd gestreden en werd Hij verhoord over de dood heen. Zijn gebed kon slechts roepen om gehoorzaamheid, en Zijn gehoorzaamheid was alles wat Hij bidden kon. Diep in Jezus, viel de Wil van de Vader samen met zijn vurigste verlangen naar bidden. Jezus was zelf, in Zijn meest intieme verhouding tot Zijn Vader, in de kern van Zijn wezen : gebedsgehoorzaamheid. Deze gehoorzaamheid vinden we daarom terug in één van de meest gebruikelijke formules van het gebed zoals Hijzèlf het aan zijn leerlingen voorsprak : Uw Wil geschiede op aarde zoals in de Hemel.
Om nog dieper door te dringen tot de gehoorzaamheid van Jezus en tot het geheim van Zijn gebed, blijven we even stilstaan bij die Wil van de Vader waaraan Jezus Zijn eigen wil opoffert. Begrijpen we wel goed wat de Wil van de Vader voor Jezus te betekenen had? Het concept Wil van God roept vandaag een zekere weerstand op, vooral als het gebruikt wordt met betrekking tot de gehoorzaamheid. In onze moderne talen werd die uitdrukking al lange jaren in een beperkte optiek gebruikt, die moeilijk toe te passen is op het Bijbelse begrip van gehoorzaamheid. Vandaag duidt de wil in de mens een vermogen aan dat niet te identificeren valt noch met het verstand, noch met het gevoelsleven. In het Nederlands is wil bijvoorbeeld verwant met wilskracht, dus met de mogelijkheid ons gevoelsleven en onze behoeft aan liefde in goede banen te leiden; dit niet zonder een zekere spanning en hardheid. Wil roept voor ons ook nog iets anders op, namelijk een beslissing. “Ik wil het zo”, in de mond van een overste, betekent : “Ik heb het zo besloten”. In zo’n context kunnen we onbewust afglijden naar een verkeerd begrip van de Wil van God : een mysterieuze kracht die mijn verstand en gevoel min of meer in bedwang houdt en zelfs eventueel kan tegenwerken ; een beslissing, met al het willekeurige dat dit kan inhouden ; een bevel dat ik tegen wil en dank moet opvolgen ook al zou ik het er niet mee eens zijn, ook al zou het me vreemd zijn en niets met mij te maken hebben. Het is niet uitgesloten dat in een zekere spiritualiteit ut de vorige eeuw la volonté de Dieu iets geworden was dat me even dreigend en willekeurig als het zwaard van Damocles boven het hoofd hing, iets waaraan ik niet zou ontsnappen en dat me treffen moest op het meest onbewaakte ogenblik.
Het Bijbelse begrip van de Wil van God heeft hiermee zeer weinig te maken. Wat de Vulgaat als volunta en beneplacitum vertaald heeft, klimt op tot het Griekse thèlèma of eudokia. Beide geven het Hebreeuwse rasôn weer (soms ook hps). Nu is die sfeer van die termen geheel anders: verlangen, begeerte, liefde, vreugde. Ook het verliefd zijn en de seksuele begeerte die de man bij de vrouw brengt, worden door dezelfde begrippen aangeduid.
Zo rust de Liefde (Wil) van God op het volk dat Hij in Zijn welbehagen voor zich uitkoos. De profeet Isaias bezingt met dezelfde woorden het heil van de berg Sion : “Gij zult een erekroon zijn in de hand van Jahweh, een Koninklijke diadeem in de hand van God. Men zal u niet langer ‘Verlatene’ noemen, en uw land niet ‘Verwoesting’. Neen, ge zult heten mijn ‘Welbehagen’, en uw land ‘gehuwde’! Want Jahweh heeft behagen in u en uw land wordt gehuwd. Zoals een jonge man zijn meisje trouwt, zal Hij, die u opbouwt, u huwen; en zoals de bruidegom zich verheugt in zijn bruid, zal uw God zich verheugen in u “ (Is. 62, 3-5). Mijn welbehagen staat voor hetzelfde Hebreeuwse woord dat de Vulgaat doorlopend met voluntas-Wil vertaalt. Die Wil van God betekent hier dus de vreugde van de Heer voor Zijn volk, de grote liefde die Hij gevoelt voor Zijn uitverkorene. Dit is Zijn thèlèma, zijn Wil : dat Hij het joodse volk liefheeft, ondanks de vele keren dat het ontrouw is geweest.
De volheid van diezelfde Liefde rust nu op Jezus. Hij is het liefdesverlangen van Zijn Vader, Zijn Welbehagen. In Hem komt de Vader als het ware tot rust. Dit is ongetwijfeld de zin van het , op één na, unieke woord dat de Vader uitspreekt in het Nieuwe Testament. Dit woord was voor Jezus bedoeld. Hij kreeg het te horen bij zijn doopsel en bij zijn gedaantewisseling. Met dit woord had de Vader ook alles gezegd wat Hij te zeggen had. Alle andere woorden zijn nu aan Jezus overgelaten. Wij vinden het, met enige varianten, terug in Mt. 3,17 en 17,5 ; in Mc. 1,11 ; Lc. 3,33 en in de tweede brief van Petrus 1,17. De vertaling zal luiden : “Gij zijt Mijn Zoon, Mijn Welbeminde, in U is Mijn liefde”. Achter het Griekse werkwoord eudokein staat hier weer zonder twijfel het semitische rasôn (wat ook door thèlèma-Wil weergegeven wordt). De Vader legt hier dus getuigenis af dat de volheid van Zijn Wil – in de betekenis van Liefde, verlangen, welbehagen – rust op Zijn welbeminde Zoon.
Zo is Jezus zelf de plaats bij uitstek waar God zich openbaart, de mens waar het thèlèma, het verlangen, de liefde en de Wil van de Vader duidelijk worden. Jezus is de epifanie van het welbehagen van de Vader. Kan het ook anders? Is Hij niet voor de eeuwen geboren uit de schoot van Zijn Vader, uit Zijn diepste begeerte en uit Zijn welige liefde? Thans, in de volheid van de tijden, heeft de welbeminde Zoon zich met het menselijke verenigd. Dit geboren worden uit de Vader moet hij nu op menselijke wijze uitdrukken. Dit wordt Zijn gehoorzaamheid. Hij moet die Vaderliefde door Zijn ganse mens-zijn laten stromen. Ze zal zijn menselijk lichaam en zijn psychologie helemaal moeten bezetten en inpalmen. De Liefde van de Vader wordt zo waar gemaakt en beaamt in de mensheid. Daar waar de eerste mens Neen gezegd had, zal Jezus, de nieuwe Mens, Ja zeggen. Hij zal zich de Wil van de Vader heel eigen maken. Hij moet de eerste mens worden in wie de volheid van Gods liefde werkelijkheid kan worden. Dat is Zijn gehoorzaamheid, dat is ook Zijn dood. En die twee zijn Zijn Liefde. Zo is ook Zijn gebed. Het is wel merkwaardig dat in de twee gevallen van Doopsel en gedaanteverandering, dit Woord van de Vader een antwoord was op het gebed van Jezus. Volgens zijn gewoonte is het Lucas die dit detail zorgvuldig aanstipt. Toen Jezus bad, ging de hemel open en weerklonk de stem van de Vader (Lc. 3,21). En Hij was opnieuw in gebed toen Zijn aangezicht plots van gedaante veranderde en zijn kleren wit werden als sneeuw (Lc. 9,29). Zijn gebed was tezelfdertijd liefdevolle overgave aan de Wil van Zijn Vader, en verdere openbaring van diezelfde Wil.
De meest pijnlijke confrontatie met de Wil van de Vader greep plaats in de hof van Getsemané. Hier werd het een bloedig gebed en evenzeer een een bloedige kamp. In vele, zeer oude handschriften zijn de meest realistische verzen van deze perikoop bij Lucas (22, 43-44) behoedzaam weggelaten. Menig kopiist zal geaarzeld hebben tegenover het beeld van zoveel ellende. Over de authenciteit van de geschrapte passage bestaat echter geen ernstige twijfel. Het is een hard ogenblik geweest voor Jezus. De Engel van Jahweh moet ertussen komen, zoals hij het deed in het Oude Testament op de beslissende momenten van Israëls geschiedenis, vooral in de veldslagen. Jezus strijdt immers, al biddende : “En door doodsangst bevangen, bad Hij nog vuriger”. Het woord agôna heeft hier een dubbele betekenis: angst, ellende, vertwijfeling; maar ook strijd. Geen van die twee hoeft hier uitgeschakeld te worden. Jezus komt te staan in de beslissende strijd en in grote angst, beide tot de dood toe. Het is de kamp van de gehoorzaamheid, maar ook van het gebed. Gebedsstrijd en gebedsgehoorzaamheid. Al biddende zal Jezus de gehoorzaamheid ontvangen van Zijn Vader en als het ware afdwingen van Zijn lichaam. Want Zijn lichaam doet eraan mee. Hoe vuriger hij bidt, hoe meer Zijn zweet als bloed op de grond neerdruppelt. Met hart en lichaam is Jezus in die strijd ingeschakeld en ondervindt Hij hoe zwak het menselijk vlees is, ook al is de geest vurig en sterk.
Van deze beslissende strijd heeft het Nieuwe Testament nog een andere beschrijving bewaard. Zij is niet minder realistisch. Wij vinden er opnieuw zij aan zij, de strijd, de gehoorzaamheid en het gebed. Maar er duikt een nieuw en belangrijk element op : al biddend en strijdend wordt Jezus tot priester gezalfd. De tekst bevindt zich in de brief aan de Hebreeën 5, 7-10 : “In de dagen van zijn sterfelijk leven heeft Hij onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die hem uit de dood kon redden. Hij werd om zijn vroomheid verhoord : hoewel Gods Zoon, heeft Hij door zijn lijden gehoorzaamheid geleerd; en tot volkomenheid gebracht en door God uitgeroepen tot hogepriester naar de wijze van Melchizedek, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen oorzaak geworden van eeuwig heil”.
In deze tekst vinden we het priesterlijke vocabularium van de Hebreeënbrief terug. Jezus heeft gebeden opgedragen (prosferein). Zijn gehoorzaamheid en zijn kruisdood waren een offer, een hogepriesterlijke daad. Meer nog. Hij werd in deze gehoorzaamheid en in dit gebedsoffer tot priester gezalfd (teleiôtheis volgens de speciale betekenis van dit woord in de ganse brief) en als zodanig ook door de Vader uitgeroepen.
Dit gebeurde in lijden en bekoring. Van wat Hij geleden heeft, zegt de auteur, heeft Hij de gehoorzaamheid geleerd, ofschoon Hijzelf de Zoon van God was. Als mens moest Hij echter, zoals we reeds zagen, deze gehoorzaamheid van onze zonde afvechten. We kunnen hetzelfde zeggen van het gebed. In deze bekoring heeft Jezus leren bidden. Dit wil zeggen, dat hij slechts dáár, als mens zijn gebed en zijn Ja-woord van onze weigering heef kunnen afvechten. Hij moest het leren van deze wanhoop en vertwijfeling, en van de dood. Alleenluid geroep en tranen – het gebed van de uiterst ellende – hebben in de mens Jezus die grondeloze diepten uitgegraven van overgave en gehoorzaamheid, waarin de Wil van God, dit is de Liefde van de Vader, eindelijk volledig kon verwezenlijkt worden.
Hoe groot die bekoring geweest is en hoe nipt Jezus ze overwonnen heeft, kunnen we enigszins afleiden uit de wanhoopskreet die Hij, samen met de psalmist, aan Zijn lippen laat ontvallen : “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”. Jezus voelt plots het dwaze van Zijn dood aan en het onbegrijpelijke van de houding van Zijn Vader. Dit is de bekoring van de wanhoop. De soldaten hebben die kreet niet begrepen. Ze meenden dat hij Elias aanriep. Weinigen zullen toen bevroed hebben wat er in Hem omging. Misschien O.L. Vrouw onder het kruis en St. jan, de leerling die Hij liefhad? Hij riep niet Elias aan, maar vroeg aan Zijn eigen Vader waarom Hij Hem alleen liet. Dit is de sombere vraag van de mensheid, na het neen-woord van Adam. In de stem van Jezus kwam zo even de wanhoop van Adam aan het woord, die wanhoop die Jezus steeds als een mogelijkheid in zijn menselijk lichaam had meegedragen, en die plots in het zinloze aanschijn van de dood dreigde de overhand te nemen.
Zou Jezus dan echt gaan twijfelen aan de Liefde van Zijn Vader? De evangelisten hebben die twijfel niet op Zijn lippen gelegd. Maar we kunnen hem beluisteren in de verfijnde spot die de hogepriesters en schriftgeleerden Hem van onder het kruis toeschreeuwen : “Hij stelt vertrouwen in God. Laat die Hem nu bevrijden, als Hij behagen in Hem heeft. Hij heeft immers gezegd : Ik ben de Zoon van God!” (Mt. 27, 43). Dit is de meest grievende schimp, dit is de ergste bekoring. Aan Zijn kruis beluistert Jezus opnieuw het enige woord dat de Vader Hem hier beneden toesprak,zijn liefdesverklaring. Maar Hij hoort het nu op de lippen van Zijn eigen vijanden, als een verwijt en een uitdaging.
En toch zal de Vader Hem redden, want Jezus zal geloven tegen alle menselijke hoop in, dat de Vader ondanks alles Hem liefheeft. Niet zonder de dood, niet langs de dood om, maar door de dood heen, naar een nieuw leven. Dit is het wat Hij van het lijden en de dood leren moet. Dat de Vader Hem liefheeft, tot in de dood, ten eeuwigen leven. Uiteindelijk is het slechts in de dood, dat Jezus als mens kon leren hoezeer de Vader Hem liefhad. Pas in deze onmetelijke beproeving, aan de rand van zulke wanhoop, heeft Jezus al biddende het Ja kunnen uitspreken op de Wil van de Vader. Pas dáár heeft Hij al stervende kunnen gehoorzamen : “Vader in Uw handen leg Ik Mijn geest”(Lc. 23,46 ; Ps 31,6). Deze woorden die Hij aan dezelfde psalmist ontleent, betekenen dat Hij Zichzelf loslaat en Zich laat wegglijden in de dood. De stervende heeft steeds de neiging zich vast te klampen aan wat hij denkt leven te zijn. Ook Jezus kende die onvermijdelijke, als het ware ontologische kramp, die in elke mens een spoor is van de zonde en hem belet mee te gaan naar het nieuw leven dat in de dood gebaard moet worden en het levenslicht zal zien. In volledige overgave en weerstandsloosheid, zonder te zien, zonder te weten, ondanks het gevoel ten onder te gaan en door de dood verslonden worden, laat Jezus zichzelf los… in de handen van Zijn Vader.
Want Hij mondt niet in de dood uit, maar in de Liefde. En hij schenkt aan Zijn Vader Zijn eigen geest, dit wil zeggen Zijn ruah, het meest intieme dat de mens van God meegekregen heeft, zijn levensadem. Wat een mens in een liefdeskus aan andere mensen doorgeeft, hetzelfde geeft Jezus hier, stervende, aan Zijn Vader terug in een ultieme omhelzing. Meteen vindt Hij het antwoord op de liefdesverklaring van Zijn Vader : “Gij zijt mijn Zoon, mijn Welbeminde. In U is al mijn liefde”. Jezus had een gans mensenleven van doen om door te dringen tot de diepste werkelijkheid van deze woorden. En pas nu weet Hij het. Pas nu kan hij ècht bidden. Slechts in de dood zal Hij het lang gerijpte Ja-woord van Zijn eigen liefde voor de Vader in haar volheid kunnen uitspreken, en in vrede over alle wanhoop en twijfel heen. Zijn gebed is de liefdeskus waarin Hij Zijn laatste ademtocht uitblaast: “Vader, in Uw handen leg Ik Mijn geest”.
Indien Jezus aan deze bekoring had toegegeven, dan waren wij voor altijd in de dood gebleven, en zou de weg naar het gebed voor altijd versperd gebleven zijn. Nu is die weg weer open en vrij. Hij zelf is de Weg… en het Leven (Joh. 14,6).
‘Voor altijd levend om te bidden’ (Hebr. 7,25)
Dit was de taak van Jezus als Hogepriester van het Nieuwe Verbond, als Middelaar tussen Zijn Vader en de zondige mensheid : dat Hij als eerste de toegang tot het Heilige der Heiligen weer openmaakte.
Die weg heeft Hij gebaand, en die Weg is Hij zelf gegaan. Zoals de joodse Hogepriester eens per jaar door de voorhang het Heilige der Heiligen binnentrad, zo is Jezus ook, eens voor altijd, door de voorhang van de nieuw tempel in het Heilige der Heiligen binnengegaan. Die voorhang is zijn eigen vlees geweest, merkt de auteur van de Hebreeënbrief op(10,20), waar Hij doorheen trad al stervend en verrijzend. Zijn eigen lichaam, uit de doden verrezen is daarom de Weg geworden, ‘nieuw en levend’ waarlangs iedereen nu toegang heeft tot het heiligdom.
De tent van het Verbond en het heiligdom zijn nu ook geheel anders dan hun voorafbeelding uit de oud-testamentische liturgie. Zij zijn veel ‘groter en volmaakter, en niet het werk van mensenhanden’ (Hebr. 9,11). Dit heiligdom is de hemel zelf en de troon van de vader, aan wiens rechterhand onze Hogepriester plaats neemt om voor eeuwig daar onze Voorspreker te zijn (Hebr. 9,24). Het gebedsoffer – sacrificium laudis – dat Hij in gehoorzaamheid en de dood moest inzetten celebreert Hij nu voor immer in de hemel. Hij is ‘voor altijd levend om voor ons te bidden’ (Hebr. 7,25).
Daar bidt Jezus nu, in het mateloze nu van de eeuwigheid dat in onze geschapen tijd niet kan vastgelegd worden noch bereikt, tenzij in het gebed. Zo is Jezus voor altijd de man van gebed, onze biddende Hogepriester. Zo is en blijft Hij steeds dezelfde ‘gisteren en vandaag, en zal Hij zijn voor eeuwig’ (Hebr. 13,8). Daarboven, in de verrezen Jezus, ligt ook de eeuwige bron van ons gebed hier beneden. Al biddende kunnen we daar bij Hem zijn, en onze beperkte tijd als het ware doorbreken en ontstijgen; en zo in de eeuwigheid ademhalen en samen met Jezus vóór het gelaat van de Vader staan.
Daarom moeten we echter hier beneden op dezelfde Weg gaan staan als Jezus, want een andere Weg is er niet : Zijn kruis, Zijn dood. Dezelfde brief aan de Hebreeën merkt op hoe Jezus buiten de stadspoort Zijn kruisdood onderging. Daarom moeten de christenen ook als het ware ‘uittrekken, Hem tegemoet buiten het kamp, en Zijn schande op zich laden’, dit is de schande van Zijn kruis. Deze uittocht, Jezus tegemoet, draagt elke gedoopte als een diep verlangen in zijn hart mee. “Want wij hebben hier beneden geen stad die duren zal, maar zijn op zoek naar de stad die komen moet”, waar Jezus reeds aanwezig is. En ook wij, in de mate dat wij in het gebed bij hem vertoeven. “Laten we dan, door Hem, te allen tijde God een offer opdragen, dit wil Zeggen de vrucht van onze lippen die Zijn Naam belijden”. Want ook de christen, die in het voetspoor van Jezus loopt, draagt zoals Hij het deed een gebedsoffer op. Hij belijdt en roept zonder ophouden zijn Naam aan. Hij deelt ook in liefde alles met zijn broeders, zegt dezelfde auteur verder : “vergeet ook de weldadigheid niet en leg uw inkomsten samen; in zulke brandoffers heeft God welbehagen”.
Deze korte tekst uit het dertiende hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën, die we hier beknopt behandelen, beschrijft de dubbele liturgie die elke christen vandaag zonder ophouden te celebreren heeft. Beide vinden hun oorsprong in het Offer van Jezus en in de liturgie die Hijzelf voortdurend celebreert, als onze priester, voor het aanschijn van Zijn Vader. Enerzijds het gebedsoffer, waardoor wij voortdurend Zijn Naam aanroepen en voor alle mensen bidden; anderzijds het liefdesoffer waardoor wij de gaven van de Vader met al onze broeders delen. Dit is dus de nieuwe liturgie van hen die, net als Jezus, op de Weg zijn gaan staan van de gehoorzaamheid tot de dood, en over de dood heen, tot het Leven.
Van dit Leven en van die Heerlijkheid was reeds iets te bespeuren op het lichaam van Jezus, gedurende Zijn aardse leven, maar slechts op zeldzame ogenblikken. Het meest frappante voorbeeld hiervan is zijn Gedaanteverandering. We noteerden reeds hoe dit gebeurde in de eenzaamheid, op een berg en terwijl Jezus aan het bidden was. Plots kreeg de diepe werkelijkheid van het gebed overal gestalte, tot in Zijn lichaam en Zijn kleding, tot in de natuur rondom Hem. De wolk duidde aan hoe nabij God was ; en de stem van de Vader leerde hoezeer Zijn liefde op Hem rustte. In Mozes en Elias, vertegenwoordigers van de Wet en de Profeten, was het Oude Testament aanwezig om de beloofde Messias te herkennen. En met Jezus hebben ze het over de Uittocht die Hij straks te Jeruzalem moet voltrekken, dit is over Zijn dood en verrijzenis.
Ook de kerk is betrokken in het geheim van Jezus’ gebed. Op de Thabor is zij aanwezig in de drie meest geliefde leerlingen. Het hele gebeuren vervult hen met vrees en ontzag. Maar toch maakt het in hen een ontzaglijke weemoed los, een niet te stillen hunker om deze intimiteit te laten voortduren, om voor altijd bij de verheerlijkte Jezus te verwijlen. De reflex van Petrus verraadt ongetwijfeld die honger naar gebed. Maar het was tegelijk ook een Exodus-reflex. De wens die Petrus durft uiten, in naam van de drie, is een duidelijke toespeling op de Uittocht en het ritueel van het Loofhuttenfeest waar mee de joden elk jaar de Uittocht liturgisch vierden. Er werden dan namelijk voor alle deelnemers tenten opgeslagen, ter herinnering aan de tenten waarin het Godsvolk gewoond had in de woestijn. Petrus wil ook hier tenten laten bouwen, één voor Jezus, één voor Mozes en één voor Elias. Omdat het ‘goed is hier te zijn’ gaat hij spontaan met Jezus in de Uittocht staan. Dit is nog steeds het diepe verlangen van de Kerk vandaag, vooral wanneer zij in gebed naar de Heer uitziet, en reeds bij Hem is.
Tot in het lichaam van Jezus gaat het gebed, in de meest letterlijke zin, oplichten. Zijn gelaat straalt de Heerlijkheid van God uit, diezelfde Heerlijkheid die Hij als Eéngeborene vóór alle tijden van de Vader ontvangen had (Joh. 17,5). Al het menselijke in Hem, en tot zijn kleren toe, worden doordrenkt met de luister van Zijn godheid. Hij vertoont zich gehuld in licht en in vuur. Want God is licht (1 Joh. 1,5), en God is een verterend vuur (Hebr. 12,29).
Soms kan een biddende mens reeds in dit vergankelijke leven de heerlijkheid uitstralen die hij bij zijn verrijzenis zou ontvangen. Want de menswording van Jezus en de kracht van Zijn glorievolle opstanding zijn al volop aan het werk in onze wereld. Weliswaar is die kracht nog verborgen, zoals het zuurdesem in het deeg (Mt. 13,33). Maar zij kan soms nu al door het vergankelijke heendringen en een mens tooien met de luister van het toekomstige leven. Een bekende vaderspreuk toont ons een monnik, door een ander betrapt in zijn gebed: “Een broeder kwam aan de cel van Abba Arsenius. Hij wachtte aan de deur en zag de Abba geheel en al als vuur. Toen hij aanklopt, deed de Abba open en deze zag de onthutste broeder”1.
In enkele eenvoudige zinnen geeft deze spreuk weer, hoe het gebed dat brandde in het hart van Arsenius, gans zijn lichaam als vuur doorzinderde.
Reeds een afglans van de Glorie die ligt op het gelaat van Jezus (2 Cor. 4,6), een deelneming aan het ongeschapen Licht dat God zelf is (cf. Col. 1,12).

VIERDE HOOFDSTUK

HET LEVENDE WOORD

Geboren uit het Woord
Jezus is ons komen getuigen van het leven dat bij de Vader was, opdat wij, door in Hem te geloven eeuwig leven mogen bezitten. Dit is het werk Gods het Opus Dei, in de meest strikte zin van het woord. Wij moeten in Hem geloven. Hij zal ons dan openbaren, alles uitleggen van wat Hij de Vader heeft zien doen. Want Jezus en de Vader zijn één, zelfs toen Jezus hier op aarde het Woord van het evangelie verkondigde, zelfs toen Hij zich van alles en iedereen verlaten voelde. Ook tijdens Zijn leven midden onder de mensen is Hij in vereniging met de Vader gebleven (hoewel Hij hiervan niet altijd – in Zijn menselijke psychologie – bewust was). “Niemand heeft ooit God gezien, de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen” (Joh. 1,18). Jezus is de exegeet van de Vader (in het Grieks staat namelijk exègèsato, wat de Nederlandse vertaling weergeeft met doen kennen). Het leven dat bij de Vader was heeft Hij ons verklaard, duidelijk gemaakt, voor onze oren en ogen verstaanbaar en begrijpelijk. Het Woord heeft het onuitsprekelijke verwoord.
-Door het Woord is de aarde en al wat er bestaat geschapen. “In Hem is alles geschapen… het heelal is geschapen door Hem en voor Hem” (Col. 1,16). Wat God zei en het was (Gen. 1,3). Vandaar dat de schepping ook een teken is van God, zij kan naar Hem verwijzen. “Van de schepping der wereld af wordt zijn onzichtbaar wezen door de rede in zijn werken aanschouwd, zijn eeuwige macht namelijk en zijn godheid” (Rom. 1,20). Het boek van de natuur spreekt van God, voor wie zijn ogen weet te openen. De zonde heeft echter haar merkteken gezet op de schepping, waardoor wat eens afstraling was van Gods wijsheid en almacht, nu omfloerst en duister geworden is. Terwijl eerst alles van God sprak, zal God nu met Zijn Woord de mens te hulp komen. Hij spreekt de mensheid aan en wil met haar een Verbond sluiten. Eerst met Noë, toen met Abraham die geloofde, wat hem als gerechtigheid werd aangerekend. Zo werd hij de Vader van alle gelovigen, talrijk als de zandkorrels aan het strand van de zee. Mozes grifte de Tien Woorden op stenen tafelen, de tien geboden die de Heer hem overgedragen had op de berg Sinaï. Daar had Mozes met God gesproken als een vriend met een vriend. Zo kon hij dan het Woord des Heren verkondigen en de profeet bij uitstek worden : “Zoals Mozes, die de Heer gekend heeft van aangezicht tot aangezicht, is er in Israël geen andere profeet meer opgestaan “ (Deut. 34,10). Na hem zullen de profeten het Woord des Heren verder spreken, iedere gebeurtenis in het ware licht stellen, in Gods licht. Het Woord schept en werkt. “Want zoals regen en sneeuw van de hemel neerdalen en daarheen niet weerkeren, maar eerst de aarde doorvochtigen en haar vruchtbaar maken en doen uitspruiten en zaad geven aan de zaaier en brood aan de eter, zo zal mijn Woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot mij weerkeren, maar het zal doen wat mij behaagt en dat volbrengen, waartoe ik het zend’ (Is. 55, 10-11). Heel het Oude Testament getuigt van de hunkering naar het Woord dat alle woorden overbodig zal maken. In de volheid der tijden is het Woord geopenbaard en is het door de prediking over de gehele aarde verbreid opdat ieder die het hoort tot geloof zal komen (cf. Rom. 10, 17-18).
Het woord wordt verder gedragen en overgegeven van mens tot mens, van vader op zoon. Voordat het Woord verder gesproken kan worden moet het eerst helemaal eigen geworden zijn, opgenomen in het diepste diep, daar waar God het doet weerklinken en het laat gedijen. Als het woord dan uitgesproken wordt, is het iets van ons wezen dat we uitdragen. Het Woord Gods dat we zo verkondigen is dan ook ons woord geworden. We zijn binnengetreden in het heilsplan; in ons openbaart zich – voor hoe weinig, helaas – het nieuwe leven.
“Voorwaar, voorwaar, ik zeg u : als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan. Wat geboren is uit vlees, is vlees, en wat geboren is uit de Geest, is Geest” (Joh. 3, 5-6). Het doopsel met water en de Heilige Geest is de nieuwe geboorte. In de eerste eeuwen van het christendom daalde de dopeling in een echt waterbad af, hij beleefde opnieuw de nederdaling van Jezus in het hart van de aarde, om op te stijgen tot het nieuwe leven in het Licht. Dit alles ging gepaard met het uitspreken van de epiklese, gebed dat de Heilige Geest smeekte op de dopeling neer te dalen en wat ondergedompeld is in de dood van Jezus, tot nieuw leven te verwekken. De mens wordt reeds lid van de nieuwe schepping door de Geest die hem geschonken is. Het licht van Christus, reeds een voorsmaak van zijn heerlijkheid op het einde der tijden, komt over hem heen. Vandaar dat in de brieven van het Nieuwe Testament de gedoopten vaak “zij die verlicht zijn” genoemd worden (Hebr. 10,32). “Ontwaakt slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen”(Ef. 5,14).
Dit opnieuw geboren worden uit het water en het Woord, verandert het binnenste van de mens geheel en al. Vandaag wordt het doopsel over het algemeen toegediend op zeer jonge leeftijd, als het kindje pas enkele dagen ter wereld is. Zo zijn de getuigenissen van de innerlijke verandering tijdens het doopsel nu zeldzaam geworden. Toch moet elke christen die ervaring van die nieuwe werkelijkheid minstens éénmaal in zijn leven intens beleven. De doopselgenade wordt dan ook op een bijzondere wijze geactualiseerd. Wie de de ervaring doormaakt, zal delen in het licht dat van Christus komt. Hijzelf en alles om hem heen komt dan in een nieuw daglicht te staan. Nieuwe ogen krijgt hij om alles in Gods licht te beschouwen. “In uw licht zien wij het licht” (Ps. 35,10). De schepping, de mensen met wie hij in contact treedt, al wat leeft, ziet hij nu met een bovennatuurlijke blik. Zij worden geplaatst in Gods heilsplan, dat Hij zo graag zou willen voltrekken. Hij wacht alleen maar op de eerste stap van de mens om hem met Zijn genade verder te helpen en hem Zijn liefde te betonen. Liefde die hem geheel overstelpt.
Deze wedergeboorte gebeurt ‘uit het Woord’ : de heilige Petrus zegt het met veel overtuiging : “Herboren zijt gij, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad : het levende en eeuwig blijvende Woord van God” (1 P. 1,23). De plaats van die geboorte, daar waar het Woord in ons vruchtbaar wordt, is het hart. De doopselgenade wordt waarheid als het Woord van God ons hart voor een eerste keer werkelijk aanspreekt. Hier komen we opnieuw terecht bij het orgaan van het gebed in ons. De Vaders beschrijven deze ervaring met een zeer rijke woordenschat : het Woord van God treft ons hart, het kwetst, het prikt, het doorboort, het splijt ons hart open. Het Woord schudt ons hart wakker. “Waak op, slaper” (EF. 5,14). In het middelpunt van de mens, in zijn kern, in zijn hart, gaat het nieuw licht op. “Dezelfde God die gezegd heeft ‘Licht moet schijnen uit het duister’ is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus “ (2 Cor. 4,6).
Hart en Woord
Daarom moeten we eerst ons hart bereiken. Zoals we reeds boven zagen, is het gebed er reeds gezaaid, sinds ons doopsel. Daar, in ons binnenste ik, is Jezus aanwezig. Alles wat zich buiten ons hart, en als het ware vóór de deur van ons hart, zal afspelen, dient alleen maar om de schat te helpen ontdekken die in ons hart verborgen is. Daar is het Paasgraf en daar is het nieuwe leven : “Vrouw, waarom ween je? Wie zoek je? Degene die je zoekt is in je bezit, en je weet het niet? Je hebt de ware en eeuwige vreugde en je weent? Het is in je binnenste en je zoekt het buiten. Je staat buiten te wenen bij het graf. Je hart is mijn graf. En ik ben er niet dood, maar ik rust in je hart levend voor eeuwig. Je ziel is mijn tuin. Je had gelijk toen je meende dat ik de tuinman was. Ik ben de Nieuwe Adam, Ik bewerk en bewaak mijn paradijs. Je tranen, je liefde en je verlangen zijn allemaal mijn werk. Je bezit me in je binnenste, zonder het te weten, en daarom zoek je me buiten. Ik zal je dus ook buiten verschijnen en je zo doen terugkeren naar jezelf, om je in je binnenste te laten vinden die je buiten zoekt”1.
En ons hart bereiken we best langs het Woord van God. Op voorwaarde echter dat wij het Woord van God echt laten zijn wat het in volle waarheid is : een kracht van God (Rom. 1,16). En dat wij hierbij alleen met ons naakte hart te werk gaan. Dit wil zeggen dat wij het even tot rust laten komen en het sluiten voor andere bekommernissen, zij het theologische, apologetische en zelfs pastorale. Want deze ontmoeting tussen het Woord en het het hart van de mens is onzeglijk veel belangrijker. Het gaat immers over ontwaken of blijven slapen, over geboren worden of afsterven. Daarom moet ons hart alleen blootgesteld worden aan de scheppende en wekkende kracht van het Woord van God. Terwijl de andere vermogens in ons zich voorlopig terugtrekken in stilte, en geduldig afwachten. “Spreek, Heer, tot het hart van uw dienaar, opdat mijn hart met U spreke”2. Dit is heel het wondere mysterie van Gods woord, dat zich opnieuw in ons hart moet voltrekken. Voorlopig sluimert ons hart nog, maar de Geest van God is er reeds aanwezig en roept tot de Vader, buiten ons weten. Diezelfde Geest Gods is ook aanwezig in Gods Woord dat van buitenaf ons hart bereikt. Van meet af aan is er reeds een verwantschap tussen het wekkende Woord van buiten en de geest die waakt in ons slapende hart. Het hart van de mens is geschapen om het Woord te ontvangen, en het Woord past zich aan de dimensies van ons mensenhart. Beide zijn er voor elkaar. Het Woord wordt in het hart gezaaid (Mt. 13,19 ; Lc. 8,12). Maar daartoe moet het hart gereinigd worden (Mt. 5,8 ; Hebr. 10,22), en in orde gemaakt worden (Lc. 8,15). Want gewoonlijk is ons hart verhard en onze geest gesloten (Mc. 6,52 ; 8,17 ; Joh. 12,40 ; Ef. 4,18 ; Hebr. 3,8 ; 3,15 ; 4,7). Het is zo niet in staat haar geestelijk voedsel te smaken ; het Woord van God.
Maar als het Woord van God ons hart aanspreekt, kan plots geheel onverwachts, de een de ander herkennen dankzij de ene Geest die in beide aanwezig is. Er wordt als het ware een brug geslagen tussen ons hart en het Woord. Er slaat een vonk over van het hart naar het Woord. Tussen de Geest die diep in ons hart sluimerde en de Geest die actief is in het Woord komt er een vruchtbare en levenwekkende dialoog op gang. Verwekt uit een onvergankelijk zaad (1P. 1,23), wordt het hart opnieuw geboren uit het Woord. We herkennen in het Woord, als in een spiegel, ons nieuwe gezicht. Wij worden er de getuigen van onze wedergeboorte in Christus (Jac. 1,23). ‘De verborgen mens van het hart’ (1P. 3,4) wordt in ons wakker.
Zo dringt het Woord tot ons door, tot het diepste van onszelf, als een scherp en tweesnijdend zwaard, doordringend tussen ziel en geest, gewrichten en merg (Hebr. 4,12), en wekt nieuw leven. Het Woord legt ons hart bloot. En op haar beurt kan ons vrij-gewoelde hart nu pas echt gaan luisteren naar Gods Woord. Het doorgrondt het steeds dieper. Woord en hart spiegelen zich aan elkaar en gaan meer en meer op elkaar gelijken. Het hart herkent zichzelf nu als een nieuw orgaan, met nieuwe zintuigen en een tot nog toe ongekende gevoeligheid.
“Niet van brood alleen leeft de mens, maar van elk woord wat voortkomt uit de mond van God” (Mt. 4,4). Het Woord van God komt op velerlei wijzen tot ons. Een tekst voorgelezen in de kerk tijdens de eucharistieviering, bereidt ons voor op het ontvangen van brood en wijn door de kracht van het Woord veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Het is het Woord van de Schrift verkondigd te midden van de broedergemeente (Ps. 21,23). Het Woord kan me ook door een broeder of zuster gegeven worden, zoals Jezus nog onbekend aan de twee leerlingen op weg naar Emmaüs de Schrift uitlegde. “Brandde ons hart toen niet?”(Lc. 24,32). Woord dat ook voor elk van ons persoonlijk weerklinkt, als we ons met de Bijbel in onze binnenkamer terugtrekken en de deur achter ons dichtrekken om er met Jezus en zijn Woord alleen te zijn. Eigen aan dit levende Woord is dat het om zo te zeggen voortgeplant wordt van vader op zoon. Dit wil zeggen dat het Woord de gedoopte slechts bereikt via de levende band van andere broeders of zusters die vóór hem uit ditzelfde Woord geboren zijn. Dit kan de rol zijn van een priester. Maar ook een leek kan voor ons die geestelijke vader of moeder zijn waarlangs het Woord tot ons komt en die in ons hart het nieuwe leven verwekt. Dit is de normale weg om te komen tot een wakker hart en tot bidden. Je leert dit niet alleen, je leert het van een ander. Je kijkt het af van een gelaat, je beluistert het in een hart. Een hart dat leeft, straalt leven uit en wekt anderen tot leven.
In deze geestelijke leiding – of begeleiding, zoals men het vandaag terecht liever noemt – bereikt de Traditie haar hoogtepunt. Hier wordt de Traditie opnieuw existentiële overlevering : Geest en leven die in een ander geboren worden. Dit leven- wekkende contact met een geestelijk vader in de volle zin van het woord – ik bedoel hiermee : een vader die door de Heilige Geest zelf geleid wordt, en die in de Heilige Geest anderen kan bijstaan en begeleiden – is een essentieel moment op de weg naar gebed. Het is getuigenis en dialoog. Getuigenis, omdat de geestelijke vader als het ware rekenschap geeft aan een broeder van het leven dat de Heer in hem bewerkt heeft : hij spreekt het Woord van God, hij geeft het door. Dialoog, omdat de broeder aan zijn geestelijk vader rekenschap geeft van zijn eigen geestelijke verlangens. Zo wordt het leven van de Geest dat langzaam kiemt en opgroeit bij de jongere gestaafd aan hetzelfde leven dat bij een oudere – een Oudvader, een staretz in de letterlijke zin van het woord – reeds tot volle wasdom kwam.
Zo is de geestelijke vader de levende band met de Traditie. Hij vertolkt op zijn beurt het Woord. In dit doorgeven van zijn ervaring, komt het Woord tot nieuw leven. Wij begrijpen onze roeping in haar, en de Wil van God over ons. Hij zal onze gebedservaring van dwaalsporen afhouden, en het steeds weer terugbrengen tot de maatstaf van het Woord en tot de objectiviteit van de Heilige Geest. Volgens de oude teksten moet de geestelijk vader immers pneumatophoros zijn, dit wil zeggen een drager van de Geest. In de Heilige Geest begrijpt hij van binnenuit het mysterie van het gebed. Hij is uitermate vertrouwd met de woorden van de Bijbel die voor hem reeds ‘geest en leven’ zijn. Hij helpt ons de echo van dit Woord in ons hart te beluisteren. Zelf maakt hij ons gevoelig voor zijn innerlijke aansporingen, en met veel geduld laat hij ze langzaam tot hun recht komen in ons leven. Hij is vader en moeder tegelijk, en ook broer, en tevens de kostbaarste vriend, die met ons weet te lijden, en de last van de bekoringen samen met ons draagt, die – zoals Paulus het beschrijft – de barensweeën doorstaat totdat Christus in ons gevormd is (Gal. 4,19) ; iemand wiens rustig geloof onze twijfels en onze bezwaren ontzenuwt; iemand tenslotte die de levende band is tussen Christus en ons, die naast ons de getuige is van Zijn liefde, iemand op wie men de woorden kan toepassen die Kierkegard over zijn eigen vader uitsprak : “Van hem weet ik wat de liefde is van een vader, en zo kreeg ik een idee van de vaderliefde van God, het enige onwankelbare gegeven in ons leven, het echte steunpunt van Archimedes”3.
Vandaag voelen vele mensen de behoefte een woord te ontvangen. Men zoekt naar iemand die zo’n woord kan overgeven, die het Woord in iemand kan verwekken. Want de mens in het eerste stadium van zijn Gods-zoeken heeft nog niet de Geest ontvangen. Hij kan het Woord Gods nog niet verstaan, daar hij nog on-geestelijk is (1 Cor. 13,16). Alleen hij die onderwezen is door de Geest Gods, de geestelijke mens, kent de dingen van God en begrijpt zijn Woord. Hij kan ook een vaderschap-naar- de-Geest uitoefenen : het Woord overdragen en de groei ervan begeleiden. Men moet het belang van deze overdacht van het Woord niet onderschatten. Het brengt tot ons het Woord van de Schepping dat het heelal tot zijn heeft gebracht. Het is de echo van het eerste Woord dat God over de wereld uitgeroepen heeft op de dag toen het eerste licht in de duisternis scheen. Het is vandaag nog het Woord-van-het-Begin, het Genesis-Woord. Welzalig hij diedie met zijn eigen oren dit Woord-van-het-Begin mocht horen uit de mond van zijn geestelijk vader. Hij draagt de nieuw wereld reeds in zijn hart.
Welke ook de wegen zijn, waarlangs het Woord ons bereikt, slechts in ons hart komt het tot leven en tot zijn volle wasdom. Daarom moeten wij ons met een groot verlangen op het Woord toeleggen. Als het manna in de woestijn moeten we het Woord opnemen en niet schamper de schouders ophalen: “Manna, wat is dat ?” (Ex. 16,15). “Want” legt Guigo II de kartuizer ons uit “zij hebben het Woord voor gering en nederig gehouden, als verachtelijk”, zoals de joden in het Nieuwe testament de woorden van Jezus over het brood van Zijn lichaam te hard vonden en zich van Hem afkeerden. “Neen, ze wendden zich om en verlangden naar de vleespotten van Egypte, want ze kenden de innerlijke verborgen smaak van het manna nog niet en hadden er ook niet van genoten”. Oppervlakkig het Woord aanhoren is van weinig nut, we moeten het ècht beluisteren, gretig opnemen en het in ons hart laten gedijen. Van het manna van Gods Woord krijgen we nooit genoeg. “Hij die meer verzameld had, had niet teveel, en hij die te weinig verzameld had kwam niet te kort. Ieder had naar zijn behoefte verzameld” (Ex. 16,18). God die groter is dan ons hart, past zich aan ieder van ons aan. Elke gelovige krijgt het Woord dat hij nodig heeft en in de mate dat hij het kan opnemen en verwerken. Dit vraagt echter van hem ook een hele inspanning, oefening en ascese. Guigo spoort ons daartoe aan : “Verzamelt, verzamelt het manna en maalt het met de molen. Dit zwoegen is moeilijk, maar rijk aan vruchten. Want van de opbrengst van uw handen zult ge eten, welzalig zijt gij, het zal u welgaan (ps. 127,2). Maalt met de molen van het lichaam en van de ziel, en ge zult de ken vinden. Maalt het lichaam door vasten, werken en waken; de ziel door het aandachtig lezen van de goddelijke Wet (dit is de H. Schrift). Laat deze Wet niet uw hart verlaten : zeg ze op (meditari), prevel haar (meditari) steeds opnieuw ; vors haar na, keer op keer, en ge zult de smaak van het manna (het Woord) gaan begrijpen. Getuige de woorden van hem die gezegd heeft ; “Wat zijn uw woorden zoet, heer, ze zijn zoeter aan mijn keel dan de honing en de honingzeem uit de raat (Ps. 18,11 ; 118, 103) 4.
Waken rond het Woord
Nu Woord en hart elkaar gevonden hebben proberen ze bij elkaar te blijven en te volharden. Dit vraagt grote waakzaamheid. Nu het hart voor het eerst echt aan de gang is, zal het trachten steeds in beweging te blijven. En wijzelf zullen moeten proberen om in ons hart te blijven wonen. Dit is niet gemakkelijk omdat wij steeds ons hart moeten loslaten en in de verstrooidheid geraken wanneer wij, noodgedwongen, ook andere dingen doen, of gebruik maken van onze discursieve rede, van onze verbeelding, enz.
Zolang die andere vermogens nog niet helemaal met ons hart in harmonie zijn en als het ware door de overvloed van ons hart overspoeld werden; zolang ze nog niet in het eigen ritme van het hart werden opgenomen en ingeschakeld, zolang bestaat er gevaar dat wij Woord en hart loslaten en dat ons hart opnieuw inslaapt.
Wie toch in het gebed wil volharden moet zich toeleggen op die innerlijke wake. Hij moet op wacht blijven staan bij zijn hart, zeggen de oudvaders. Hij moet sober zijn in neigingen, verlangens en gevoelens en zijn aandacht mag nooit verslappen.
Hij moet vooral tot rust komen, tot diepe, grondeloze stilte. Wie in drukte en zorgen leeft, in innerlijke of uiterlijke luidruchtigheid, is als een fles waarvan het water troebel is omdat de fles teveel geschud werd, merkt een oudvader op. “Wanneer de fles een poosje rustig gestaan heeft, dan zakt het vuil op de bodem en het water wordt helder en doorzichtig. Zo weerspiegelt ons hart God, wanneer het hart tot rust gekomen is en tot diepe stilte”
Het overwegen van het Woord van God en de stilte zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden. Want het Woord is voortgekomen uit het diepe stilzwijgen van de Heilige Drieëenheid, de “Trinitas, amica silentii”, die met de stilte bevriend is, zoals Adam van Perseigne, een cisterciënzer uit de 12e eeuw zich uitdrukt6. Eén Woord was voldoende om ons het diepste geheim van het leven te openbaren. Vooral in het mysterie van kerstmis herdenken wij het stilzwijgen van het vleesgeworden Woord, die zelfs tot voor Pilatus van het stilzwijgen getuigd heeft. Ook aan het kruis opende Jezus alleen de mond om de schrift te vervullen. “Niets is er dat zo sterk en met zoveel gezag tot stilte aanspoort, niets houdt er met zoveel vrees de onroerige tong en de stormen van het woord in toom als het stilzwijgende Woord van God onder de mensen”7.
Enerzijds moet het overwegen van het Woord met stilzwijgen gepaard gaan. Anderzijds is een dode stilte echter zinloos, indien het niet gevuld wordt met het Woord. “De stilte zonder de overweging is de dood, als een levendbegravene“, merkt een kluizenaar uit de 11de eeuw op, “de overweging zonder de stilte is nutteloos en eenvoudig een gejaagdheid. Maar als de twee in het geestelijk leven samengaan, brengen ze in de ziel een grote stilte en de volmaakte beschouwing”.8 Uitwendig en inwendig stilzwijgen moeten langzaam op elkaar inwerken. Het uiterlijk stilzwijgen voert, indien goed beleefd, tot het innerlijk stilzwijgen. Vaak vergt het beheersen van de tong een lange strijd. Maar eens zal het bedwingen van de tong tot de stilte van het hart voeren en op haar beurt zal de stilte van het hart zich uiten in de zwijgzaamheid.
“Stilte is de taal der engelen”, zei Isaac de Syriër en het “geheim van de wereld die komt”,9 maar stilte is ook de taal en het geheim van ons hart, wanneer het vol schroom wacht en uitziet naar het grote heilsgebeuren dat zich in haar zal voltrekken. Stilte is een afzien van, een verzaken aan alle plannen, verlangens, neigingen en gedachten die niet in het hunkerend bidden van de Geest in ons ingelijfd kunnen worden. Alles wat in ons nog aangetast is door eerzucht, zelfzucht, zinnelijkheid, angst, en waarin wij ons niet helemaal kunnen uitdrukken tegenover God. We moeten letten op de vreemde en verwarde wereld in ons, waarmee we ons gemakkelijk identificeren. Oudvaders zeggen dat we tot elk verlangen dat in ons opkomt een schildwacht moeten uitsturen om de vraag te stellen “Wie ben je, waar kom je vandaan, tot welke partij behoor je?” Zij bedoelen hiermee dat elk verlangen aan een crisis, een beoordeling onderworpen moet worden.
Uiteindelijk moeten we leren leven van een zekere armoede aan verlangens en gedachten. Want de stilte zal een leegte in ons achterlaten. Maar die leegte in ons hart is een diepte die steeds meer uitgegraven wordt tot wij op het water van de Geest stoten dat uit de bodem van ons hart opborrelt. Een oudvader zei : “Een hart is als een vijver. Graaf de vijver dieper en het water wordt steeds helderder. Werp er mest in en het wordt vuil”.10 Stilte is een uitgraven van die leegte in ons, een boren naar meer diepgang. Er moet een nieuwe ruimte vrijkomen waar wij kunnen doordringen tot aan de bron van ons wezen. Die bron is de Geest in ons, ook Gods Woord. Wij worden geboren uit dat water en uit die Geest, uit dit water en uit dit Woord. Dit nieuwe leven borrelt in ons op als water, en het vult meteen de ruimte die vrijgemaakt werd door de stilte, boordevol.
Eenmaal als het water zijn bedding gevonden heeft in ons hart, wordt de schop verder overbodig. Echte inwendige stilte en echt gebed maken uitwendige stilzwijgendheid soms minder nodig.
Want stromend water graaft zélf verder haar bedding uit. “Bidden is bedding zijn”, schreef een bekende Vlaamse dichteres. Wie zo leeggegraven is wordt meteen volgeladen met de innerlijke ervaring van de Geest. In zijn hart stromen de wateren van de stilte, de wateren van Siloë die slechts vloeien in de rust (I. 8,6), de bron die opwelt ten eeuwigen leven (Joh. 4,14).
Vechten met het Woord
Waakzaamheid gaat gepaard met een harde en moeilijke kamp. “Wat is het moeilijkste werk van de monnik?”, vroegen de broeders aan Abba Agathon. En het antwoord luidde : “Het moeilijkste werk van de monnik, mijns inziens, is het gebed. Bij alle andere ascese die de monnik onderneemt, zelfs als het hem veel moeite en geduld vraagt, komt hij ergens tot een zekere rust ; maar het gebed zal van hem een harde strijd vergen tot zijn laatste ademtocht”. 11 Wie geroepen is om door te dringen tot de Geest in zijn hart, wordt onvermijdelijk en onverbiddelijk geconfronteerd met het kwaad en met de Kwade in persoon. Abba Evagrius, de grote leermeester in het gebed uit de woestijn van Scete, beschrijft deze strijd als volgt : “Als de moed je ontglipt, bid dan. Bid met vrezen en beven ; bid met vurigheid, met soberheid, met waakzaamheid. Let op de onzichtbare vijanden die zich op het kwaad toeleggen, en die ons vooral in de tijd van het gebed opwachten met hun strikken”. 12
Wie het gebed van de Geest aan de oppervlakte van zijn hart laat komen, wordt onmiddellijk voor een keuze gesteld, die anderen voorlopig nog niet moeten doen. Hij moet in het gebed toestemmen, of het gebed opgeven. Dit is een keuze tussen dood en leven, tussen Geest en vlees, tussen de Wil van God en onze eigen willetjes, tussen de onmetelijke Liefde van de Vader en onze kleine begrensde verlangens. Maar in die strijd hebben we de Geest aan onze kant, en ook het Woord van God en de almachtige Naam van Jezus. Maar tevens dragen we nog in ons hart de sporen van de zonde. En om de zonde los te laten, moeten we ons steeds meer vastklampen aan Jezus in ons. In ons gewone alledaagse leven is die keuze niet zo beslissend, want ze speelt zich als het ware af aan de rand van de dingen en van onszelf. Zij is partieel en voorlopig. Maar in gebed grijpt diezelfde keuze plaats op het niveau van het hart, aan de wortel van de dingen en van onszelf. Daar lijkt het een kosmische strijd te worden, waar goed en kwaad, waar Jezus en de satan, waar hemel en aarde ons op het spel zetten.
Hij die vecht in zijn gebed is gewapend met het Woord Gods en de Naam van Jezus. Hij moet die Naam naar het hoofd van de duivel slingeren, zeggen de oudvaders. Door die Naam zullen ze als stof voor de wind verdwijnen. Het gestadig aanroepen van Jezus wordt geleidelijk het krachtigste wapen tegen de vijand en de bekoring. Want het gebed is zélf het wapen van haar eigen strijd. Die gebedsstrijd brengt haar eigen bekoringen mee : dorheid en ontmoediging. En ondanks alles moet men volharden in het gebed en in het Woord. De bron laat soms op zich wachten, het licht gaat nog niet op, en ons hart lijkt weer in te sluimeren. Liefde leert dan geduldig te zijn in de waakzaamheid. Liefde leert reikhalzend uitzien naar en toch tevreden zijn met het karige voedsel dat men toebedeeld krijgt ; liefde leert volharding. Het wordt dan een gebed zonder licht in de nacht, aan God vasthouden tegen alle menselijke hoop in; een gebed van geloof dat niet groter is dan een mosterdzaadje, maar groot genoeg opdat God zijn wonderdaden zou kunnen herhalen. Een soort averechts bidden, waar de genade onzichtbaar maar zeer krachtig in ons werkt en de bodem van ons hart onmerkbaar maar zeker uitgegraven wordt.
Dit is de moeilijkste ascese die ongezien uitgevochten wordt en ons van binnen uit loutert, meer en beter dan gelijk welke lichamelijke ascese ook, alhoewel ook het lichaam geleidelijk in deze ascese betrokken moet worden.
Zo groeit er een wisselwerking tussen ascese en gebed. Wordt hier de ascese beoefend in de hoop de weg te vinden tot het gebed? Of is het de staat van gebed die ons aan de zonde doet afsterven? Met andere woorden : is het de dood aan de zonde die het gebed in ons bewerkt? Of is het, omgekeerd, de stroom van gebed die de sporen van de zonden uit ons hart wegspoelt? Hij die door God aan het bidden gezet werd kan die vraag niet meer beantwoorden. Het is hem voldoende dat hij nieuw leven ervaart, dat zijn hart klaarwakker geworden is en springlevend, dat hij in zijn hart God beluistert en aanspreekt. Voor dit leven heeft hij alles prijsgegeven. Aan dit leven in zichzelf heeft hij zich geheel overgeleverd. Dit is nu zijn enige taak geworden, zijn levenswerk. Het is zelfs niet meer zijn eigen werk, het is Gods werk in hem, Opus Dei in de aloude zin van het woord.
Het Woord ‘wiegen en kauwen’
Woord en hart zijn nu als het ware vergroeid. De Bijbel beschikt over een zeer rijk geschakeerde woordenschat om uit te drukken hoe het Woord Gods het hart van de mens in beslag neemt, en hoe het hart zich als het ware het Woord eigen maakt en, zelf Woord van God geworden, op haar beurt de volheid van Gods Woord kan uitspreken en vertolken, tegenover de mensen in de verkondiging, tegenover God in het gebed, in lofprijzing, in eucharistie, in dankzegging.
Het hart neemt het Woord in zich op, verorbert het Woord en verteert het (Ez. 3, 1-3). Men verbergt het Woord in zijn hart (Ps. 118,11), men verschuilt het in zijn schoot (Job 23,12), men klampt zich eraan vast (Lc 11,15), men gaat het aanhangen en aankleven (Hand. 26,14), men rolt het heen en weer in zijn hart (Lc. 2,19), men prevelt het dag en nacht (Ps. 1,2). Ten slotte gaat men verblijven in het Woord als in zijn eigen woonstee (Joh. 8,31), zoals het Woord ook in ons verblijft en ons bewoont (Col. 3,16).
Het Woord Gods en het hart van de mens zijn bij elkaar thuis. Hoe vaker en hoe krachtiger het Woord weerklinkt, hoe langer ons hart waakt en wakker blijft. En hoe waakzamer en aandachtiger ons hart naar het Woord luistert, hoe dieper het doordringt in de geheimen van de Geest. Ons hart wordt meer en meer gevoed door het Woord van God. Hoe sterker ons hart zo wordt, hoe meer het Woord Gods gaat oplichten, hoe helderder en hoe rijker het wordt voor wie en naar luistert.
De oude teksten noemen deze inwendige confrontatie tussen Woord en hart, de Meditatio, niet meditatie – overweging in onze meer rationele zin van het woord, maar in de primitieve betekenis van een voortdurend herhalen, een geduldig prevelen van dezelfde woorden. Cassianus noem dit de volutatio cordis (Coll. 10,13), het wiegen van het hart dat op en neer gaat als een schip, zwalpend op de deining van de Geest, en zo het Woord van God in zich heen en weer rolt en wentelt om het zich langzaamaan eigen te maken. In de middeleeuwen gebruikte men daarvoor een onverwacht maar zeer suggestief beeld ruminari : het kauwen van het Woord. Men denkt onwillekeurig aan het vreedzame en eindeloze kauwen van dromende koeien die zich ergens in de schaduw van een boom rustig neergevlijd hebben. Het beeld is een beetje rauw, maar toch zeer duidelijk : het spreekt van rust, van helemaal in beslag genomen zijn van geduldig verwerken.
Dit is weer een zeer belangrijk moment in het voorspel op het gebed. Het Woord dat ik in mijn hart rondwentel is immers geen dood en dof mensenwoord. Het is het Woord van God. Dit wil zeggen : het is zaad tot leven, dat wortel schieten kan en ontkiemen ; het is een gloeiende kool die loutert en verwarmt ; een sprankel vuur die mijn hart als een droge schelf in brand kan zetten.
We moeten hier natuurlijk weer goed opletten, dat we niet afwijken tot een intellectuele analyse van een of andere waarheid betreffende God. Op dit ogenblik zou elke poging tot rationeel denken niet alleen een afleiding betekenen, het zou de doodsteek zijn van het nieuwe leven dat op punt stond geboren te worden. Hier staan we immers bij de bodem en de bronnen van ons hart en van ons bestaan, weerloos blootgesteld aan de liefde van God, aan de kracht van de Geest en aan de verterende almacht van zijn Woord.
Wat is immers aan het gebeuren? Bij het beluisteren van Gods Woord, in de publieke Woorddienst in de Kerk, of bij privé-lezing, ben ik plots getroffen geweest door één bepaald gezegde. Mijn hart werd gekwetst, geprikt – letterlijk : compunctus – door dit Woord. En nu laat ik dit Woord niet meer los. Ik ga er bij stilstaan, verwijlen, op wacht staan. Ik neem het over, en herhaal het langzaam in de stilte van mijn hart, ik wieg het heen en weer in deze inwendige ruimte van mijzelf, ik herkauw het, ik laat het mijn hart helemaal doordrenken. In de meest letterlijke zin van het woord gaat het hier om een hartspoeling.
Wat ieder Bijbelwoord in ons hart kan bereiken, geldt in de eerst plaats voor het Woord bij uitstek, samenvatting van alle Bijbelwoorden, voor de Naam boven alle namen, de Naam van Jezus met mijn hart, wordt het Jezus-gebed genoemd. Maar de structuur is hier dezelfde. Ook de Naam van Jezus maakt ons hart wakker, en omgekeerd, het gestadig aanroepen van Jezus helpt ons om zijn aanwezigheid te ontdekken en steeds meer waar te maken. “Zodoende”, zegt een oude schrijver, “gaan waakzaamheid en Jezus-gebed steeds samen. Ze ondersteunen elkaar en vullen elkaar aan. De aandacht bevordert het voortdurende gebed, en op haar beurt bevordert het gebed de waakzaamheid en de aandacht”. 14
Uit de tijd van de allereerste monniken is het volgende woord bewaard gebleven : “Een broeder ondervroeg Abba Macarius : “Welk werk van de monnik is het meest aangenaam aan God? “ Macarius antwoordde : “Zalig hij die volhardt in de gezegende Naam van onze Heer Jezus Christus, en dit zonder ophouden en met een vermorzeld hart. Het monastieke leven kent geen werk dat God aangenamer is. Dit zalig voedsel moet men voortdurend kauwen als een schaap dat zijn spijs opnieuw in de mond haalt, om de zoetheid ervan herkauwend te smaken totdat het gemalen voedsel afdaalt tot het binnenste van zijn hart en van daaruit zoetheid en weligheid verspreidt in maag en ingewanden. Zie hoe jeugdig de wangen van het schaap blozen dankzij de zoetheid van wat hij met zijn mond herkauwde. Onze Heer Jezus Christus geve ons die genade van zijn zoete en welige Naam”. 15 Op dit Jezus-gebed komen we verder in dit boek nog terug.
De overvloed van het Hart
Nu staan we op de drempel van het gebed. Ons hart is dus wakker geworden. Het ziet Jezus, het hoort Zijn stem, het geniet Zijn Woord. Dit Woord werd heen en weer gewenteld in ons hart. Het heeft ons gezuiverd en we zijn er mee vertrouwd geraakt. Misschien beginnen we zelfs op dit Woord te gelijken. Nu kan het ook wortel schieten in ons hart en vrucht dragen. Nu kan het Woord Gods ook in ons vlees worden.
Zolang wij nog zelf met het Woord van God in ons hart bezig waren, stonden we nog steeds aan het voorspel. Er komt een ogenblik dat wij Gods Woord overgeven aan de Geest in ons. Dan wordt het gebed geboren uit ons hart. Dan is ook het Woord Gods pas echt van ons geworden. Dan hebben we onze diepste, onze ware eenzelvigheid gevonden en gerealiseerd. Dan is de Naam van Jezus , ook onze naam geworden. En samen met Jezus, éénstemmig kunnen we God noemen : Abba, Vader ! Gebed is de overvloed van het hart. Boordevol loopt het over van liefde en lofprijzing, zoals eens bij Maria, toen het Woord in haar lichaam wortel schoot. Zo barst ook ons hart los in een Magnificat. Thans heeft het Woord haar ‘luisterrijke loop’ (2 Thess3,1) volbracht : het is van God uitgegaan en werd gezaaid in de goede aarde van het hart. Na gekauwd te zijn en geassimileerd, wordt het opnieuw aan het hart herboren, God tot lof. Het heeft wortel geschoten in ons en draagt nu vrucht : op onze beurt spreken wij het Woord uit en sturen het terug naar God. Wij zijn Woord geworden, wij zijn gebed.
Zo is het gebed de kostbaarste vrucht van het Woord. Woord van God dat ons zo helemaal eigen is geworden, dat zo diep in ons lichaam en in onze psyche werd ingeschreven, dat nu antwoord kan worden aan de Liefde van de Vader. De Geest stamelt het voor in ons hart, zonder dat we er iets aan kunnen doen. Het borrelt op, het vloeit, het stroomt als levend water. We zijn het zelf niet meer die bidden, maar het gebed bidt zelf in ons. Het goddelijk leven van de verrezen Christus kabbelt zachtjes in ons hart.
Het langzame werk van de transfiguratie van de kosmos heeft een aanvang genomen in ons. Heel de schepping wachtte op dit ogenblik : de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods (Rom. 8,19). Het gebeurt verborgen, in alle nederigheid; maar toch reeds in Geest en waarheid. Wij zijn nog steeds in de wereld, en wij verblijven reeds met Jezus bij de Vader. Wij leven nog in het vlees, en de Geest heeft ons reeds gans ingepalmd, want de sluier is van ons hart gevallen, en met ongesluierd gelaat weerspiegelen wij de glorie en de heerlijkheid van Jezus, terwijl wijzelf in Zijn beeld herschapen worden, van glorie tot glorie, door Zijn Geest (2 Cor. 3,18).
Het woord van Christus woont zo in ons hart, met al haar weligheid (Col. 3,16). In haar zijn wij geworteld, op haar zijn wij gegrondvest, volgens haar is onze handel en wandel, en zonder ophouden lopen wij over van lof en dankbaarheid (Col. 2, 6-7). Deze eucharistia-dankbaarheid is nu ons leven geworden (Col. 3,15), de overvloed van ons hart, de liturgie van de nieuwe wereld die we diep in ons reeds meevieren. Wij zijn immers tempels van de Geest (1 Cor. 6,19).

VIJFDE HOOFDSTUK

DE PSALM ALS WEDERWOORD

Het proces in het vorige hoofdstuk beschreven, dat zich afspeelt tussen hart en Woord, heeft sinds lang vrucht gedragen in de psalmen. Een aparte studie, in dit hoofdstuk, over het ontstaan en het bidden van de psalmen zal van dit alles de beste illustratie zijn.
Het zal ook pogen een antwoord te geven op de vraag die vandaag moeilijk geworden is : hoe nu nog psalmen bidden?
Sinds de primitieve Kerk nemen de psalmen een bevoorrechte plaats in in het gebedsleven van de gelovige, ongeacht of dit liturgisch of privé-gebed is. Deze voorkeur hebben de psalmen probleemloos van uit het judaïsme naar het christendom meegebracht en hield vele eeuwen aan. Ook in het vernieuwde brevier vinden we de psalmen terug. Ze bekleden er steeds een belangrijke plaats. Dit voorrecht is echter niet meer onbetwist. Velen ervaren moeilijkheden bij het bidden van de psalmen. Zo erg zelfs dat sommigen in verantwoord psalmgebed het zwaarste probleem van het huidige officie zien.
Men kan gerust van een crisis van het psalmgebed spreken. Deze crisis was onvermijdelijk geworden sinds wij de moeite hebben om de geestelijk kracht van het psalmwoord aan te voelen. Zolang wij nog de psalmen in het Latijn opzegden was dit ons niet onmiddellijk duidelijk. Achter het gordijn van een dode taal konden vele dingen schuilgaan, terwijl het onverbiddelijke ritualisme dat elke celebratie beheerste, wel het één en ander in slaap wiegde.
Met de overschakeling van de volkstaal werd dit gordijn opgelicht en is de psalm plots wakker geschud. Tenminste gedeeltelijk, in de nogal brutale ruwheid van zijn menselijk woord. De psalm is nieuw op ons toegekomen, en aan deze onverwachte nieuwheid wordt aanstoot genomen. De taal slaat zo weinig aan, de beelden klinken uitheems of ouderwets, de gevoelens zijn zo rauw en onbeschaafd. Van de Kerk is er geen sprake, zo weinig over de Geest, niets over Jezus en Zijn verrijzenis. Om opnieuw vertrouwd te geraken met het bidden van de psalmen is het niet genoeg de woorden van de psalm in beeld en taal aan hedendaagse normen aan te passen. Ook al is deze aanpassing zeer wenselijk, het blijft bij een oppervlakkig opknappen, een bijwerken van de buitenkant van het Woord. Men blijft nog steeds in het ‘kleed van de letter’ hangen op straffe de levensadem van het Woord, zijn pneuma te laten ontglippen.
Men werkt nog aan de bolster, terwijl de pit buiten bereik blijft.
Een levend woord
Elk woord van mensen is een levend woord. Ook het nederigste woord dat door een mens geuit wordt, is geboren uit een vitale ervaring, en blijft gedragen door de levensadem van wie het uitspreekt. Daarom is het elastisch en soepel. Hetzelfde woord kan verschillende schakeringen uitdrukken en ons op meerder niveaus aanspreken. In de gewone spreektaal en vooral in de wetenschappelijk vastgelegde taal, roept elk woord slechts een een enkele, beperkte en wel omschreven betekenis op. Maar op zichzelf is ieder woord van nature grondeloos. Het bezit een diepgang die slechts geleidelijk aan opgespoord en doorgegeven kan worden.
In de meeste gevallen echter doet die verborgen diepgang weinig ter zake. Duidelijkheidshalve is het zelfs wenselijk dat de onbewuste ondertonen van het woord zo weinig mogelijk meetrillen. Maar in andere gevallen geldt precies het omgekeerde. Het woord moet er zijn volle rijkdom terugvinden. Het vervult zijn taak, men zou kunnen zeggen zijn roeping, slechts dan wanneer het met al zijn nuances, bewuste en onbewuste, de mens overvalt. De luisteraar moet van onder tot boven door het woord geïnvesteerd worden, en op alle niveaus van zijn mens-zijn aangeroerd en uitgesproken worden.
Dit is bij uitstek het geval met de poëzie. In poëzie bereikt ieder woord de volheid van haar leefkracht. Het is tot barsten toe geladen met de levensadem van een menselijke ervaring, waarvan het getuigenis aflegt en die aan anderen doorgeeft. Men moet bedenken dat het hier gaat over veel meer dan over een vertolken en opnemen van begrippen. Het van leven zwangere woord is immers in staat nieuw leven te verwekken bij ieder die er in stille overgave naar luisteren kan.
De dichter is echt poëet, dit wil zeggen poiètès in de etymologische zin van het woord : schepper. Hij staat heel dicht bij de Schepper. God schiep door zijn Woord. Elke dichter is ertoe geroepen, in de volle kracht van elk mensenwoord, Gods schepping te voltrekken in de dingen waarvan hij zingt, of in de mensen voor wie hij dit doet.
Omdat elk mensenwoord iets met het scheppingswoord te maken heeft, ligt elk gedicht niet ver af van het gebed. Ieder woord heeft zodoende de roeping om gebed te worden. “Je voudrais aimer si profondément les mots que chacun me devînt une prièr “ (Pierre Emmanuel). De laatst en rijpste vrucht van een woord, ver over elk gedicht heen, is ten slotte een gebed.
Een woord van mensen.
Het psalmwoord is op de eerste plaats gerijpt aan een mensenhart en werd op mensenlippen geboren. De gevoelens die het oproept zijn ons niet vreemd, ook al is de beeldspraak waarin het zich uitdrukt soms niet meer onmiddellijk te begrijpen. Toch is het de mens die zich erin openbaart zoals in elke poëzie, de mens die rassen, grenzen en tijden overschrijdt, de eeuwige mens die in ons hart sluimert en die we slechts geleidelijk, en dan nog maar gedeeltelijk, in ons bewustzijn laten opstijgen. Hier ligt ten dele de geheime kracht van het poëtische psalmwoord dat ieder mens zo onstuimig aangrijpt. Het spreekt niet alleen tot de bewust geworden mens is in ons, maar het kan de mens ook op het vlak van de onbewuste nog onaangepaste terreinen van zijn diepere persoonlijkheid beroeren, daar waar hij zich tegenover de medemensen en tegenover God onbevangen maar ook ongeweten uitspreekt. Alles wat de psalm in ons aanroert en tot leven brengt, wordt echter niet zo maar door ons geaccepteerd. De psalmist was een door de zonde gekwetste mens die zijn leed en zijn radeloosheid tegenover God uitschreeuwt. Hij somt op : angst, wanhoop, woede, haat, en voelt er blijkbaar niet voor die gevoelens te verbergen. Niet iedere psalmlezer van een twintigtal eeuwen later is zich er van bewust dat dit alles in zijn hart nog schuilgaat. Hoe meer hij zich identificeert met de gangbare normen van de groep waarin hij leeft – ook al zijn dit evangelische normen – hoe moeilijker hij zich durft herkennen in deze heidense gevoelens. Hoe minder vaak hij zich echt en zuiver als zondaar heeft kunnen belijden tegenover de genade van God, hoe onuitstaanbaar deze al te menselijke woorden gaan branden op zijn lippen. De onwennigheid die bij de moderne psalmlezer onder het bidden van sommige psalmen opkomt, speelt zich ten dele af op dit niveau. Omdat elke groep haar eigen taboes heeft, en die taboes regelmatig verschuiven, grijpt er ook een verschuiving plaats in de min of meer grote gevoeligheid waarvan de de doorsnee-psalm-bidder tegen dit of dat psalmthema blijk zal moeten geven.
Hier kan de vraag gesteld worden of het een psychologisch gezond procedé zou zijn deze gevoelens in zijn hart te onderdrukken, en bijgevolg de uitdrukking ervan uit de psalmen te schrappen. De menselijke geladenheid en de innerlijke dynamiek die langs deze gevoelens om geuit worden in de psalmen moeten wellicht niet verloren gaan. Kunnen ze niet beter georiënteerd worden en uiteindelijk ten goede komen aan een mens die steeds groeit en zich positief ontwikkelt? Weliswaar openbaren ze in de eerste plaats de zondige mens die iedereen in zich herkent en waarmee hij verzoend moet geraken. Maar zodra die verzoening bereikt werd, met de mens zelf en tussen de mens en God, kan de dynamiek van die gevoelens dan niet omgebogen en in goede banen geleid worden? Zo ja, dan kunne de aloude psalmwoorden, die eertijds aan vrij primitieve gevoelens lucht gaven, misschien ook met de mens meegroeien en de ontwikkeling van het leven in hem op het spoor volgen.
Ten andere, wat de menselijke dichter in de psalm uitzingt is niet het laatste woord van de psalm, en de levensadem die hem draagt komt niet alleen van deze wereld.
Een Woord van God
In hun naakte en menselijke woordelijkheid zijn de psalmen terzelfdertijd poëzie en gebed; reeds gebed, doch in dichtvorm. Hun levenskracht komt echter niet alleen van de mens. God zélf bezigt het psalmwoord en spreekt het uit. Het wordt gedragen niet alleen door de levensadem van een mens, was hij ook een scheppende dichter, maar ook door de adem van God die scheppende Geest is. De ervaring die het vertolkt en meegeeft is uiteindelijk de ervaring die God zélf schept in de harten die naar Hem luisteren en voor Hem openstaan.
Meer dan elk mensenwoord en elke menselijke poëzie is het Woord van God daarom grondeloos en onuitputtelijk. Wie het poogt te begrijpen, kan het slechts inperken tot wat hij in staat is ervan op te nemen. Het Woord van God stijgt immers hoog uit boven alles wat de mens er vandaag van begrijpen kan. Het heeft een eigen leven en een eigen geschiedenis. Elk Woord van God kan slechts aan de volheid van de tijden afgemeten worden. Het houdt nooit op de Liefde van God voor de wereld te begeleiden en steeds opnieuw waar te maken.
De betekenis van het Woord van God kan daarom niet eens voor altijd vastgelegd worden. Het is springlevend en schept leven in wie het beluistert. In Zijn Woord is God voortdurend aan het scheppen. In elke liturgie, bouwt Hij aan zijn Kerk die Hij rond het Woord samenroept. In iedere gelovige die hart en geest openzet voor het Woord, graaft Hij een onvermoede afgrond uit van kennen en beminnen.
De psalmen nemen in dit proces een aparte plaats in. In de geïnspireerde Schriften spreekt God Zijn Woord tot de mens. Bij de psalmen is het net andersom. God legt hier de mens het Woord in de mond dat hij tot Hem zal antwoorden. Het zijn echter geen vreemde en geen nieuwe woorden. Bij nadere beschouwing blijken het de woorden van de Bijbel zelf te zijn, maar uitgestegen tot poëzie en gebed. Zoals er historische boeken zijn in de Bijbel, zo zijn er ook historische psalmen ; wijsheidsboeken en wijsheidspsalmen ; profetische boeken en profetische psalmen. Heel de Bijbel kun je in de psalmen terugvinden, maar als poëzie en gebed. In het woord van de psalmen heeft de Bijbel een maximum bereikt aan levende actualiteit en scheppende kracht. Aan Abba Filmon wiens Logos askitikos in de Filokalia bewaard wordt (1, 241-252), vroeg men waarom hij zoveel smaak vond in het boek der psalmen meer dan in enig andere schriftuurtekst. Hij antwoordde : “ik kan u verzekeren dat God de kracht van de psalmen in mijn arme hart inprentte, zoals met de profeet David gebeurde. Zonder de zoetheid van de psalmen zou ik niet meer kunnen leven, noch zonder de mateloze beschouwing die in de psalmen opgesloten is. De psalmen bevatten immers de ganse Heilige Schrift”. Inderdaad bevatten de psalmen de ganse Heilige Schrift, echter niet alleen onder de vorm van een resumé; maar als een levend antwoord van de mens op het Woord van God. Een antwoord dat niet van de mens alleen komt, maar door Gods Woord zelf in het hart van de mens verwekt wordt.
De ‘luisterrijke loop’ van het Woord (2 Thess. 3,1)
In het vorige hoofdstuk werd de kringloop van het Woord beschreven, zoals zij zich tussen God en het luisterende hart van de mens voltrekt. De bijzonder plaats van de psalm in deze ‘luisterrijke loop’ is onmiddellijk duidelijk. De psalm ontstaat immers op het eigen ogenblik waarop het hart van de luisterende gelovige die het Woord van God in zich opnam, dit Woord opnieuw uitspreekt onder de vorm van gebed. Dit proces speelt zich niet af op het niveau van het verstand, maar op het veel diepere niveau van het hart, daar waar we met de kern van onze persoonlijkheid God kunnen beluisteren en benaderen.
‘In het hart’ wordt het Woord beluisterd, opgenomen en eigen gemaakt. Daar ook zal het tot psalm en tot gebed geboren worden. Van het Woord, dat uitgebeden wordt in het hart van de mens, komt de psalm voort. Het psalmwoord is een Woord van God dat oorspronkelijk reeds door Gods Geest geladen was en zo naar de mens uitgestuurd werd. Door de geest van de mens wordt het beluisterd, opgenomen om in dialoog van geest tot Geest door een nieuwe geloofservaring aangevuld en verrijkt te worden. Zo kan het opnieuw door het mensenhart voor God vertolkt worden en ten slotte in lofzang en dankzegging tot God terugkomen. De psalm is zodoende meer dan ooit Woord van God en woord van de mens, overvloed van het Woord en overvloed van het hart : een oord van liefde waar de Geest van God en de geest van de mens het dichtst bij elkaar komen. Raakpunt tussen de twee is het innerlijke gebed, de wederzijdse dialoog tussen God en de mens, de stille liturgie die zonder ophouden in ieder mensenhart gevierd wordt. De normale en voornaamste formulering van deze innerlijke liturgie vinden we in de psalmen.
In het Oude Testament zijn uit dit proces de psalmen geboren. Het heeft zijn voltooiing gevonden in Jezus Christus, mensgeworden Woord van God, de hoeksteen van de twee testamenten en van de Bijbel. Van de psalmen heeft Jezus zijn eigen gebed gemaakt. In zijn dood en verrijzenis, straks in zijn terugkeer, bereiken de psalmen hun diepste betekenis. Tot aan Jezus waren ze alleen resumé van het Oude Testament. In Jezus zijn ze van water tot wijn geworden, van de letter tot de geest overgegaan. Sinds Hem bezingen ze ook de blijde boodschap vanaf het evangelie tot aan de Apocalyps. De verrezen Heer is voor altijd de enige psalmist, zonder ophouden levend en biddend hierboven voor het aanschijn van zijn Vader, hier beneden in elke liturgie die Zijn Kerk viert. In de Heer Jezus is het woord van de mens steeds Woord van God. Wat Hij verkondigt valt samen met wat Hij zingt ; wat Hij verricht, met wat Hij bidt. Hij is zelf bij uitstek het levende Woord, en daarom ook juist de nooit aflatende, de nooit uigebeden psalm.
Alle menselijke gevoelens die in de psalm naar boven komen hebben dan in Jezus reeds hun voltooiing gevonden. Droefheid gaat nooit meer zonder vreugde, zonde en berouw hebben reeds vergiffenis gevonden, wanhoop is de eerste stap tot vertrouwen, haat is de averechtse kant van een grote liefde, eros duidt op de onweerstaanbaarheid van agapè, dood verkondigt reeds leven. Dit wil niet zeggen dat de diep-menselijke kant van die gevoelens weggeduwd of genegeerd wordt. Integendeel. Ze worden dieper en echter. De Geest maakt ze los uit de chaos van de letter en van het vlees. In Jezus hebben ze de diepste wortel van hun dynamisme teruggevonden omdat ze gaan samenvallen met het Woord van God dat hun eigen scheppingwoord is. Zij spreken nog uitsluitend van de komst van het Rijk Gods en van de wondere kracht en de tekenen die ermee gepaard gaan.
De Geest waarmee Jezus de psalmen bad en opnieuw creëerde, wordt op elke gedoopte uitgestort. In diezelfde Geest kan hij nu, zoals Jezus, zich de psalm eigen maken en hem opnieuw bidden. Haar aloude woorden zullen ook voor hem levend worden en zich aan hem voltrekken. Het Woord krijgt steeds weer nieuwe dimensies. Het wordt aan alle kanten in de geest uitgediept. Alle tonen en ondertonen van dit Woord gaan zodoende aan het zinderen. Daarom is het noodgedwongen een dichterlijk woord, alhoewel de uiteindelijke afmetingen van het Woord de mogelijkheden van alle geschapen poëzie ver te boven gaan. Want het wordt niet alleen afgemeten aan het pneuma, aan de levensadem van een kleine beperkte mens, maar aan het Pneuma van God zelf die overal de heilsgeschiedenis tot haar voleinding brengt.
Daarom kan de psalm nooit meer naar de letter gelezen en nog veel minder gebeden worden. Want een psalmgebed naar de letter zou in de meest strikte zin van het woord een contradictio in terminis zijn. Een psalm kan immers slechts psalm zijn en geen document dat tot de archeologie behoort – in de mate dat hij leeft, dit is in de mate dat hij door de Geest in ons hart opnieuw voorgebeden wordt.
Woord en Geest.
Het bidden van een psalm kan slecht gebeuren pneumatikôs , dit wil zeggen in de Geest. De betekenis van ieder psalm is daarom afhankelijk van de Geest waarmee hij gelezen of gebeden wordt. Zoals ieder Woord van God heeft ook elke psalm een eigen leven. Hij begint als een klein zaadje, kiemt, schiet op en breidt zich uit. Op zichzelf is zijn toekomst zonder grenzen. In het Oude Testament bezong de psalm slecht een afschaduwing van het Rijk Gods. Met dezelfde psalm spreekt Jezus over het Rijk dat in Hem reeds aanwezig is. De Heilige Geest gebruikt hem vandaag in de Kerk om er mee af te wachten. Uitgeput zal het Woord pas dan worden wanneer God alles in allen zal zijn.
De psalm staat zodoende nauw in betrekking to de heilsgeschiedenis, dit vanaf de eerst Adam, langs de komst van Jezus, de tweede Adam, tot aan zijn wederkomst aan het einde der tijden. Omdat het Woord door Gods Pneuma gedragen wordt, kan het steeds meer en beter die groeiende werkelijkheid van Gods Volk onderweg gaan betekenen. Op het ritme van de Geest groeit ieder Woord mee met de heilsgeschiedenis die vooruitschrijdt.
Dit gebeurde voor de eerste keer, een beslissende en definitieve keer, in het gebed van Jezus. Hetzelfde proces gaat elke dag verder via de gelovige die het Woord in zich opneemt en het langs de psalm opnieuw uitzingt. Voor wie niet of weinig leeft van Jezus en de Geest, is de psalm dood, of behoort tot het Oude Testament. Verder dan de ruwe menselijke letter kan hij niet doordringen. Voor wie echter leeft van de Geest die Jezus ons meedeelde, wordt ook de psalm levend. En met wie groeit in diezelfde Geest, groeit ook de psalm mee. Voor hem dagen steeds nieuwe vergezichten op aan de horizon van het het woord. De einders schuiven uit elkaar en breken open. Jezus en Zijn Rijk zijn reeds bij hem.
Daarom hoeft men niet te vrezen ooit aan de psalmen te wennen. Zij kunnen geen verveling verwekken, op voorwaarde dat men steeds meegroeit met hun innerlijk dynamisme, dit is met de geest die de psalmen bezielt en levend bewaart. Dit veronderstelt dat men zich meer en meer openstelt voor de Geest en zich aan hem overgeeft. Zoals onze uiterlijke mens vandaag tot dag afneemt terwijl onze innerlijke mens groeit, zo valt ook voor ons de letter van de psalm af als een bolster die overbodig geworden is, terwijl het gehalte aan Pneuma, de geestelijke kracht van de psalm steeds duidelijker aangevoeld wordt. Beide ontwikkelingen zijn correlatief. De een hangt van de andere af, en werkt op de andere in. Wie volgens het vlees leeft en met de werken van het vlees de Geest in zich dood, vindt in de psalm ook alleen maar het vlees terug en blijft in de letter van het psalmwoord gevangen. Wie in de Geest leeft, vindt ook in de psalmen de Geest terug, ongedwongen en zonder inspanning, buiten en boven de artificiële acrobatie van allerlei spitse toepassingen om.
Van geest tot Geest
Van ons psalmgebed kunnen we aflezen hoe het staat met ons hart. De psalm is als het ware de barometer van ons leven n de Geest en van ons gebed. Psalm en hart zijn immers, elk op eigen wijze, een plaats van gebed, een bodem waaruit het opbloeit. Psalmen kunnen slechts gebeden worden ‘met het hart’ (Ef. 5,19). Het hart op haar beurt wordt opnieuw tot bidden bevrucht en gevoed door de psalm. Deze is tegelijk vrucht van het gebed en opnieuw haar zaad.
Misschien geven we ons nu rekenschap van het tragische misverstand dat groeit tussen de psalmen en de moderne biddende christen. Het bidden van Gods Woord veronderstelt een hele antropologie, en dit geldt voor elke vorm van gebed. Gebed is immers een beleefde, existentiële antropologie ; het gaat er om de mens die geleidelijk door de geest ingepalmd wordt, naar lichaam en hart, en zo van geest tot Geest tot het beeld van God in Jezus Christus omgevormd wordt.
Wanneer wij slechts de psalmen benaderen met een welbepaald gevoel en een welbepaalde logica om er religieuze ervaring uit over te nemen – die dan nog volgens gangbare normen geverifieerd moet worden – dan geven wij aan het eigen leven en aan de eigen kracht van de psalm geen kans. Men moet het wagen zich met zijn volle mens-zijn aan het dynamisme van de psalm bloot te stellen, om zich zo aan het pneuma van de psalm over te geven. Dit pneuma is in de eerste plaats het pneuma van de dichter die als mens de psalm componeerde. De geest van de mens kent wat leeft in het mensenhart. Hij boort door tot op de diepste bodem van elke menselijke ervaring. Daarom spaart de psalm ook de zonde niet in ons. Hij legt alles bloot : verlatenheid, angst, wrok en wraak.
De psalm brengt ons zodoende veel dichter tot onze werkelijkheid als mens, doch dit alleen met de bedoeling dat wij op dit zondige niveau door de Geest van God zouden gered worden. Want het pneuma van de psalm is ook goddelijk Pneuma, en de woorden van de mens zijn er slechts om tot Woord van God geïnspireerd te worden. Zodoende brengt de psalm ons terzelfdertijd tot de diepste bodem van Gods hart. Hij legt God voor ons bloot in Jezus : liefde, barmhartigheid, almacht, overwinning. Dit alles veronderstelt dat wij, zoals Paulus het schreef, “vol van de Geest, de psalmen bidden met het hart” (Ef. 5, 18-19), dit is : in aandachtig luisteren, in geduldig opnemen, in een voordurend liefdevol prevelen van de psalmen, door de psalm zelf als het ware geassimileerd worden, op het ritme van onze eigen geest, die met de geest van de psalmdichter en met de Geest van God zelf is gaan meezinderen.
Voor de wetenschappelijk gevormde mens van vandaag is het vrij moeilijk met deze geestelijke techniek – of techniek in de Geest – vertrouwd te geraken. Hij is gewoon buiten en boven de tekst te blijven staan om die te gebruiken als voorwerp van bespreking of onderzoek.
Maar nog veel moeilijker is het de geestelijke werkelijkheid te aanvaarden die zodoende in de psalm voor elk van ons op een persoonlijk manier oplicht : in de eerst plaats de betrekkelijkheid van onze menselijke gevoelens waarmee we moeilijk verzoend raken; vervolgens de hoge eisen van de Geest die zich voortdurend van uit de psalm via ons eigen hart en onze eigen lippen aan ons opdringen. Toch gaat het ene pneuma niet zonder het andere.
Het pneuma van de mens roept het Pneuma van God op. De menselijke zondigheid is er om door de Geest van God gelouterd te worden. Het menselijke pneuma van de dichter, om in het Pneuma van God opgenomen te worden. Zo is er in de psalm een voortdurende dialoog aan de gang van geest tot Geest, en groeit er een vruchtbare spanning waaraan de openbaring zich steeds opnieuw voltrekt. Deze dialoog grijpt plaats in het biddende hart dat zich luisterend aan deze spanning overgeeft. Aan onze geest wordt zodoende geopenbaard hoe groot de zonde was, en hoe onnoemelijk groter Gods Liefde is in Jezus Christus. Zo getuigt de Geest van God, in elke psalm, aan onze geest dat hij door God in ons hart uitgestort werd (Rom. 5,5), dat wij in werkelijkheid kinderen van God zijn (Rom. 8,16), en dat God Liefde is (1 Joh. 4,8).

ZESDE HOOFDSTUK

HET WOORD VLEES GEWORDEN

“En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Joh. 1,14). Het Woord dat bij de Vader en de geest woonde, Woord waarin en door wie de Vader alles gemaakt heeft, dit Woord heeft de Vader in Zijn heilsplan mens doen worden. Het Woord is één van ons geworden. In Jezus hebben mens en God elkaar omhelsd. God, dat is op de eerste plaats de Vader, stuurt de Zoon uit, het dierbaarste wat een vader bezit, zijn beeld, zijn gelijkenis. Met de menswording van God heeft onze verlossing een aanvang genomen. “Wij mensen dienen de werken van het vlees” zoals Paulus het in een van zijn brieven uitdrukt (Ef. 2,3). Wij waren ver van God verwijderd, wij waren niet meer in vrede met God. Zijn Woord bereikte ons moeilijk en wij konden het ternauwernood opvangen. Maar in zijn onovertroffen liefde heeft Eén van de Drievuldigheid zich met het vlees van de zonde bekleed. Jezus is het Lam Gods dat de zonden van de wereld draagt en ze wegneemt (Joh. 1,29). De goede Herder is uitgetrokken om te zoeken wat verloren was, dat wat Hij meer dan alles liefhad (Mt. 18,12). In deze liefde is Hij tot het uiterste gegaan, tot de dood toe (Fil. 2,8). Nadat hij in de Hof van Olijven Zijn doodsstrijd uitvocht – Zijn zweet werd als druppels bloed die op de aarde vielen – hebben de mensen Hem aan het kruis genageld en is Hij gestorven : liefde tot het uiterste.
In het lichaam van Christus is ons lichaam-der-zonde aan het kruis genageld. In de dood van Jezus sterft het. De zonde van ons lichaam is overwonnen en haar kracht is in het vlees teniet gedaan (Rom. 8,3). Want de almacht van de Vader heeft Jezus uit de dood opgewekt; Hem met een nieuw lichaam bekleed waarover de dood geen macht meer heeft (Rom. 6,9). Zijn menselijk lichaam is nu vol van de glorie van God, doordrenkt van de Geest. Ons lichaam kan, dank zij het Pascha dat één van ons heeft doorgemaakt, uit de Geest herboren worden tot geest. Het kan nu zelf drager worden van de Geest. Want was ons lichaam vroeger een lichaam-van–vlees, het kan nu een lichaam-van- pneuma worden, dit is een geestelijk lichaam.
Ook in ons lichaam, eenmaal door de geest ingepalmd, moet de bron van levend water ontspringen. Zoals het ‘opgeheven’ lichaam van Jezus aan het kruis (Joh. 12,32), in dood en verrijzenis, bron wordt van de Geest, gelijk de rots waaruit Mozes stromend water lossloeg voor de dorstige woestijngangers, zo wordt ook diezelfde Geest in ons eigen lichaam een immer opborrelende bron tot eeuwig leven. Want ook ons lichaam is woonstede van de Geest en tempel van onophoudelijk gebed.
Het Woord van God dat wij aandachtig beluisteren bevrucht dus niet alleen ons hart, het moet ook gedijen in ons lichaam. In onze ledematen moet het Woord vlees worden. Ons ganse wezen, geest, hart en lichaam, moet in de kringloop van het Woord opgenomen worden.
Bidden met een lichaam
Ons lichaam speelt dus een centrale rol in de terugkeer tot de Vader, met Jezus, in de Geest. In ons lichaam kan de Geest opwellen en moet het gebed gebaard worden. Maar ook elk gebed, hoe geheim en hoe innerlijk het ook wezen mag, zal zich op het lichaam weerspiegelen. Het gebed kan niet buiten het lichaam, niet bij beginnelingen en ook niet bij hen die in het gebed gevorderd zijn. Langzaam nemen het gebed en de Geest bezit van het lichaam. Lichaam en Geest zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden.
Abba Agathon zei : “De mens gelijkt op een boom. Het gebladerte stelt het zwoegen (kopos, labor, podvig) van het lichaam voor, de vrucht is de innerlijke aandacht. Om der wille van deze vrucht moeten we ons geheel en al toeleggen op de aandacht van het hart. Men heeft ook de bescherming en de kracht van de bladeren nodig, dit is het lichamelijke zwoegen”.1
Ascese en beschouwing, het lichamelijke en geestelijke werk, gaan zo altijd samen. Ze verschijnen op dezelfde stam, ontvangen het levenssap van de wortels die eenzelfde voedselbodem hebben. De vrucht is belangijker dan de bladerkroon en wee de boom waaraan enkel blaadjes gevonden worden (Mt. 21,19). Maar toch komt de vrucht niet tot rijpheid als het gebladerte geen bescherming en voedsel biedt, want de blaadjes zijn onmisbaar. Het beeld dat Abba Agathon hier gebruikt is rijk en vol diepe levenswijsheid. We zijn hier ver verwijderd van de zogenaamde neoplatoonse dichotomie, waar men dikwijls zonder enig onderscheid de gehele vadertraditie van beschuldigt en die aan de ziel meer waarde toekent dan aan het lichaam. In de terugkeer van de mens naar God heeft het lichaam integendeel een heel bijzondere taak. Het leidt de mens naar de volmaaktheid toe waar hij geheel vernieuwd zal zijn in de H. Geest. Het lichaam is een onmisbare weg tot het gebed en de volheid van de liefde.
De H. Antonius – de vader van de monniken – maakt duidelijk hoe de Geest tegelijkertijd bezit neemt van het lichaam en de ziel en aan beide kracht en hulp tot heiliging geeft. Lichaam en ziel zijn als twee hellingen. Het gebed zal dan de top van de berg zijn. Op weg naar het gebed ontvangt het lichaam (de ene helling) de gave tot waken en vasten. De zinnelijke driften van de asceet komen tot rust en keren terug naar de vroegere staat zoals God ze uitgedacht en geschapen had, toen er alleen maar liefde en nog geen onenigheid met de mens bestond. De ziel (de andere helling van de berg) ontvangt de gave tot waakzaamheid om de geestelijke strijd te voeren met behulp van het Woord van de H. Schrift dat geneest en heiligt. Zo kan de ziel de kwalen van het lichaam onderkennen en tot hun geestelijke genezing bijdragen : “Levend is het Woord Gods en krachtig, het is snijdender dan elk tweesnijdend zwaard; het dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van gewrichten en merg, en ontleedt de gedachten en bedoelingen van de mens (Hebr. 4,12). Het gehele lichaam zal uiteindelijk, en in de strijd van de ascese en in de rust van het gebed, één worden met de Geest in dienst van gebed en de liefde. Alle ledematen nemen hieraan deel, meent Antonius, “vanaf het hoofd tot de voeten”, de ogen, de oren en vooral de tong die nu God prijst (cf. Jac. 3, 2-12). De mens is helemaal vernieuwd, “door de kracht van de Geest die het hele lichaam tot rust brengt”, terwijl zijn handen zich opheffen als teken van gebed en zich openen om barmhartigheid te betonen.
Is dit nog ascese? Misschien is het reeds de gedaanteverandering, het beeld van God dat weer oplicht in de trekken van een gelaat, een lichaam dat helemaal in het gebed betrokken wordt en het ongedwongen uitbeeldt. De vaders noemen dit “de verrijzenis vóór de verrijzenis”of “de kleine verrijzenis”, en de H. Antonius herkent hier reeds “een zeker deelachtig worden aan het geestelijke lichaam dat we pas bij de algemene verrijzenis zouden ontvangen”.
Tussen deze twee aspecten van het gebedsleven, het uitwendige en het inwendige, de blaadjes en de vruchten, moet men geen keus willen maken. Nooit moet de een bevoorrecht worden ten koste van de ander. Noch de blaadjes ten koste van de vruchten, noch de vrucht voor de blaadjes. Maar het uiterlijke zwoegen moet openbloeien en vrucht dragen in de innerlijke eucharistie van het hart, en dit inwendig gebed kan ook niet zonder de ascese van het lichaam.
Deze constante wisselwerking tussen het hart en het lichaam, waarvan de monastieke teksten uit alle tijden spreken, is de karakteristieke trek van de christelijke gebedstechniek. Een hele antropologie, een eigen inzicht in de structuur van de mens ligt hieraan ten grondslag. De bedoeling is helemaal niet dat het lichamelijke plaats zal maken voor het geestelijke en het stoffelijke voor het onstoffelijke. Dan zou het gebed het lichaam uitschakelen en meteen ook de mens. Integendeel, langs genade en gebed, keert het lichaam tot zijn oorspronkelijke staat terug. Het is niet langer meer ‘lichaam van zonde’(Rom. 6,6) of ‘lichaam van vernedering’(Fil. 2,8) teken van tegenstelling met God en met de anderen, de zetel van een rusteloze strijd die alleen op de dood en de vernietiging uitloopt. Van lichaam-ten-dode wordt het lichaam-ten-leven, zodra het niet meer beheerst wordt door de zonde en de kiemen van verderf die het meedroeg. Integendeel, het lichaam kan zich dan geheel overleveren aan de Geest om zich stukje voor beetje te laten inpalmen door Zijn kracht en het nieuwe leven in Jezus.
Dit is een levenslang proces van waken en bidden, waar de ascese van het lichaam en de niet aflatende gerichtheid van het hart op God onafscheidelijk met elkaar verbonden zijn.
Het lichaam van de mens speelt hier, naast het hart, ook een doorslaggevende rol. Het is immers het terrein waar de zonde tot nog toe overheersend optrad, en waar deze invloed door de kracht van de H. Geest teniet gedaan moet worden. Zoals Jezus het deed in dood en verrijzenis, zo moet ook de christen “de zonde verslaan in zijn lichaam’ (Rom. 8,3). Hij kan dat niet uit zichzelf : het is de Paaskracht van Jezus die dat bewerkt. In zijn lichaam staat elke christen als het ware uitgeleverd aan twee tegenstrijdige machten die hem in beslag willen nemen. In het lichaam vechten ze hun vijandschap uit. Het lichaam van de christen is zo een slagveld tussen de zonde en Jezus, of zoals Paulus het uitdruk, tussen het vlees en de Geest. Maar zoals hij de zonde in zich draagt, draagt hij ook het zaad der genade, door het doopsel in zijn lichaam neergelegd. Hij werd opgenomen in de dood van Jezus en bekleed met de kracht van zijn verrijzenis.
Tussen doopsel en sterven moet die wondere kracht zich meer en meer in hem ontplooien. Het sacramentele teken moet nu werkelijkheid worden, gans het leven door tot aan de zichtbare dood, dodelijke ernst en bloedige werkelijkheid. “Geef je bloed en ontvang de Geest”, sprak een oudvader.3 Elke gedoopte maakt de dood van Jezus mee in zijn lichaam, opdat ook de kracht van zijn verrijzenis in hetzelfde lichaam steeds duidelijker zou worden (Fil. 3, 10-11). Inderdaad, in de mate dat hij concreet aan de zonde afsterft, gaat het leven van de verrijzenis in zijn lichaam opbloeien en vrucht dragen.
Diezelfde dynamiek is ook aan het werk in het gebed, zoals in de ascese. Zij is de mooiste vrucht en ook de meest diepgaande van de Paas-energie waarmee wereld en mens geladen werden door de opstanding van Jezus. Zo kan het altijd Pasen zijn voor de monnik, 4 zoals het ook altijd veertigdaagse vasten is. 5 Van de nieuwe mens, geboren uit de pascha van Jezus, is het gebed als het ware het sluitstuk. Want, net als de dood, en zelfs over de dood heen, is bidden ‘liefde tot het uiterste’ (Joh. 13,1). Gebed is deze antropologie-in-actie. In haar kan de mens zijn volledige en hoogste voltooiing bereiken. Alleen het gebed kan de diepten van de mens verwoorden, bevat de sleutel van zijn geheim. De mens met zijn gebed schept dan de ruimte en het moment waar, in een lichaam, het vlees van de zonde overgaat naar de Geest Gods. Dit is de Pascha van Jezus dat zich in de mens hernieuwt; de Geest die over het vlees wordt uitgestort; de kroon op het werk van Jezus en de Vader. De klassieke elementen van de christelijke gebedstechniek zullen we nu één voor één nader toelichten. Het zijn : celibaat, eenzaamheid en stilte, waken en vasten. Gedurende twintig eeuwen komen ze in de meeste gebedservaringen terug, vanaf de teksten van Het Nieuwe Testament tot bij de moderne mystieken. Men vindt ze ook in de niet- christelijke mystiek. Daarom is het waarschijnlijk dat deze technieken een soort natuurlijke basis vormen waar het gebed zich bij de mens gemakkelijk ontwikkelt. Onze analyse zal met deze natuurlijke gerichtheid van elke techniek rekening houden. Zij zal zich echter daartoe niet beperken. In het christelijk gebed komen deze technieken immers in dienst te staan van een innerlijk ontwikkelingsproces waarvan de stuwkracht en de leiding geheel bij de Heilige Geest berust. De natuurlijke gebedsgerichtheid van elke techniek wordt daarom als het ware overgeheveld naar het geestelijk niveau in ons en wordt betrokken op het Paasmysterie van Jezus. Zij moet teken en uitdrukking worden van ons meesterven met Jezus en ons verrijzen met Hem. Geen wonder, want Jezus was zelf ongehuwd, Hij zocht bij voorkeur de eenzaamheid op, Hij bracht veel nachten door in gebed en Hij hield het ten slotte veertig dagen uit in de woestijn al vastende.
Celibaat en gebed.
Wanneer Paulus zegt dat wie zich aan de Heer hecht één geest met Hem wordt (1 Cor. 6,17) gaat het in de context over de zuiverheid van het lichaam. Het celibaat, de maagdelijkheid, staat in dienst van het gebed. Dit geldt ook voor de tijdelijke onthouding van geslachtelijke omgang in het huwelijk. “Weigert elkaar de gemeenschap niet, tenzij met onderling goedvinden en voor een bepaalde tijd om u aan het gebed te wijden; en komt daarna weer samen”(1 Cor. 7,5). Want ook in het geslachtsleven gaat een dynamiek schuil die vrijgemaakt moet worden ten voordeel van de Geest en van het gebed.
Man en vrouw zijn immers volgens de Bijbel geschapen naar het beeld van God (Gen. 1,27). Dit in hun specifieke man-zijn en vrouw-zijn. De man is beeld van God in zijn mannelijkheid. Hij geeft de liefde van God weer voor zo ver zij kracht is, stoerheid en trouw. De Bijbel drukt dat aspect van Gods Liefde uit met het woord emeth, veritas, waarheid en trouw. De man is het beeld van deze veritas van de Schepper.
Ook de vrouw, in haar vrouwelijkheid, is beeld van de liefde van God. Maar zij geeft eerder zijn goedheid weer, zijn tederheid. Zij is beeld van de zorgzaamheid van God ; hesed, misericordia.
God is beide samen, misericordia et veritas, barmhartigheid en trouw. Hij is dit in één natuur, waarin de dubbele kracht van goedheid en stoerheid samengaan op een wijze die ons begrip te boven gaat. Voor ons gevoel staan tederheid en stoerheid tegenover elkaar. Dit komt voort uit het feit dat wij de liefde van God slechts kennen vanuit de tweeheid der menselijke geslachten waarin zij als het ware gesplitst is.
Want als God zich in de mens uitbeeldt dan heeft Hij een dubbel beeld nodig, waarvan het ene het andere aanvult : man en vrouw, vader en moeder. De volheid van Gods liefde wordt normaal uitgebeeld en uitgeleefd in de twee samen. In de Heer, zegt Paulus gaat de man nooit zonder de vrouw en de vrouw nooit zonder de man (1 Cor. 11,11). Om langs de ene kant Gods sterke liefde uit te beelden en langs de andere kant zijn zorgzaamheid, is het nodig dat man en vrouw samenkomen en hier beneden vruchtbaar zijn, zoals God vruchtbaar is in Zijn liefde.
In de eenzaamheid van hun eigen geslacht zijn man en vrouw onvoltooid. Onbewust dragen ze het andere deel van Gods beeld mee in hun hart. Elke man heeft immers een vrouwelijke pool en elke vrouw een mannelijke pool in zich, zoals de psychoanalyse ons weer in herinnering brengt. Deze onbewuste pool draagt de mens als een openheid, als een verlangen, als een mogelijkheid om het andere geslacht te erkennen en ook om door de ander erkend te worden en zich bewust te worden van zijn eigen beeld van God.
Normaal zal de mens in deze band met het andere geslacht, dat de wederhelft van Gods beeld is, tot evenwicht en rust komen. De man heeft behoefte aan tederheid en zorg; de vrouw aan sterkte en bevestiging. De bevrediging die in menselijke liefde ontvangen wordt, gaat boven de mens uit. Zij wordt beleefd ‘naar het beeld en de gelijkenis van God’. Zij verwijst naar Hem waarvan zij het meest onverstaanbare enigszins tot uitdrukking brengt in een duidelijk teken.
Man en vrouw klimmen zo tot God zelf op, langs de wederhelft van Gods beeld in de ander. Hier komt nu de mogelijkheid van de seksuele onthouding naar voren. Dit kan voorlopige onthouding zijn bij de volwassene die nog niet gehuwd is; tijdelijke onthouding bij de gehuwden; definitieve onthouding in het celibaat, vrijwillig gekozen om der wille van Jezus. Elke vorm van seksuele onthouding stelt de innerlijke krachten ter beschikking die in een normaal geslachtleven gemobiliseerd worden. Zij brengt de mens er toe op een andere manier teken te zijn van Gods liefde, ver boven de mogelijkheden van zijn eigen geslacht uit.
Dit wordt duidelijk als we een onze aandacht op Jezus richten. Jezus is niet alleen mens geworden, maar ook man, d.w.z. een mens van het mannelijk geslacht. Dit is niet toevallig, noch willekeurig. Dat God mens kon worden lag als mogelijkheid alleen in het mannelijk geslacht besloten. De man is immers teken van Gods sterke liefde, die reddend optreedt. Terwijl de vrouw de mensheid uitbeeldt die door God wordt uitverkoren tot redding en heil. Daarom moest Jezus wel man worden. In het mannelijke geslacht lag het diepe geheim van zijn wezen op voorhand uitgetekend : Jezus is het evenbeeld van de Vader, Zijn trouwe en sterke liefde voor de mensen.
Maar hiermee houdt de tekenwaarde van Jezus’ mannelijkheid op. Of liever, zij heeft haar volheid reeds bereikt. Een stap verder gaan en een huwelijk aangaan met een concrete vrouw hier beneden, zou voor Jezus geen betekenis hebben. In het mysterie van Zijn eigen wezen, heeft Hij de God-mens, meer ontvangen dan een huwelijk met slechts één vrouw geven kon. Want Hijzelf is het die aan alle huwelijken tussen mensen zin en betekenis geeft.
Enerzijds was de volheid van Gods liefde in Hem, zowel Gods tederheid als Zijn stoerheid, want zelf was hij God. Anderzijds was Hij, in Zijn dubbele natuur, als God en mens, zelf het onovertroffen huwelijk, het volmaakte samengaan, in Zijn eigen persoon, tussen de verlossende God en de verloste mensheid. Hij is de onmetelijke gave in Zijn godheid, en in Zijn mensheid is Hij de uitmuntende ontvankelijkheid. Daarmee is ook in Zijn mannelijk gevoels- en geslachtsleven alle spanning opgeheven. Want Zijn liefde is reeds bevredigd en verzadigd, dieper en ruimer dan Hij in een huwelijk had kunnen beleven. Daarvan is Zijn lichamelijke status als man–celibatair het teken.
Daarom moest Jezus als man ook maagd blijven. In Zijn maagdelijkheid zijn de bewuste alsook de onbewuste seksuele dynamiek, de mannelijke zowel als de vrouwelijke pool in Hem, helemaal ten dienste gesteld aan de geestelijke werkelijkheid die Hij is en waarvan Hij komt getuigen : Hij is de Zoon van Zijn vader en Zijn beeld; onder de mensen is hij de eerstgeborenen vanuit de doden, de nieuwe mens, of liever : de Mens, zonder meer, Ecce Homo !
Deze unieke situatie van Jezus heeft een band met de vrouw niet uitgesloten. Onder de vrouwen telde Hij bekenden, intiemen, en medewerksters. Hij had vooral een moeder, want zoals alle mensen is Hij geboren uit een vrouw. Het merkwaardigst is wel dat deze band met zijn moeder snel uitgroeide tot een veel bredere en universele werkelijkheid. Want elke vrouw was voor Hem van meet af aan meer dan zij was in haar concrete en beperkte vrouwelijkheid. En alles wat zij voor Hem kon zijn, had Jezus reeds in Zijn eigen persoon meegekregen. Daarom was Maria niet alleen Zijn moeder, maar meer nog Zijn zuster, Zijn bruid, Zijn dochter, en ten slotte Zijn meest intieme gezellin en de moeder van alle mensen.
In Jezus zien we hoe de seksuele onthouding de diepe geestelijke werkelijkheid van de persoon tot uitdrukking kan brengen. Het ganse seksuele potentieel van de mens komt zo op een ander vlak te liggen, en vindt er ontplooiing en voltooiing, zonder dat hij ophoudt met man of vrouw te zijn. Deze voltooiing van de menselijke seksualiteit stijgt ver uit boven de bevrediging van haar tijdgebonden en beperkte erotiek. Dit wekt geen verwondering voor wie inziet hoe intiem de ganse sekse met haar beeld van God in de mens verweven is.
Iets analoogs gebeurt – op een smallere basis – wanneer iemand vrijwillig het celibaat op zich neemt omderwille van Jezus en het gebed. In zijn lichaam en in zijn geslachtelijke dynamiek gebeurt er dan iets dat zijn ganse persoon opnieuw structureert, iets dat zijn ganse persoon opnieuw structureert, en meteen het gebed en de band met Jezus bevordert. Als dit niet zou gebeuren, zou het celibaat een gewaagd risico zijn en in vele gevallen affectieve onrijpheid alleen maar bevorderen. Daarom was ons celibaat niet mogelijk zonder het celibaat van Jezus. En dan nog op voorwaarde dat Hij er ons heel bijzonder toe roept. Want ook ons celibaat moet teken worden dat de nieuwe schepping aanbreekt en dat God dicht bij de mens gekomen is. Ook ons celibaat doet een beroep op onze volledige geslachtelijke dynamiek als man of vrouw en neemt haar op als een teken waarin uitgeleefd en aangetoond wordt hoe de liefde van God alles verzadigt. Seksuele onthouding omderwille van Jezus veronderstelt een specifieke capaciteit tot liefde, verruiming die zo ver van het dagelijkse afwijkt dat men haar charismatisch moet noemen. Deze verruiming doet zich voor in twee richtingen. Vooreerst naar buiten, naar meer universaliteit. De maagdelijkheid schept de mogelijkheid met alle mensen in een echte liefdesverhouding te treden. Het gezin van de ongehuwde is de ganse mensheid, zowel de goeden als de kwaden die door de Vader bemind en gespaard worden. Deze eerste verruiming ligt voor de hand en vraagt geen verdere uitleg.
Seksuele onthouding verruimt onze liefde ook naar binnen, naar de diepe innerlijkheid van ons hart.
Hier komen we opnieuw terecht bij het gebed en wordt het celibaat een gebedstechniek in de kracht van de Heilige Geest.
Hoe gebeurt dit? Wanneer iemand zijn behoefte aan liefde niet meer zoekt te bevredigen bij het andere geslacht, dan moet hij op een nieuwe wijze zijn innerlijk evenwicht vinden en tot rust komen met de geslachtelijke tegenpool die hij onbewust met zich meedraagt. Wanneer dit proces in goede banen geleid word, kan het op louter menselijk vlak reeds zeer vruchtbaar zijn. De onbewuste tegenpool komt zo meer op de voorgrond in de psyche en haar affiniteit ontwikkelt zich op een positieve manier. Zo zou een celibataire man op den duur veel fijngevoeliger kunnen zijn voor sommige aspecten van het leven.
Wanneer hetzelfde nu gebeurt uit liefde tot Christus en in de kracht van de Heilige Geest, dringt dit proces veel dieper door in het menselijke hart, tot daar waar de geslachtelijke tegenpool de wederhelft is van Gods beeld in haar. Dit verzaken aan de tegenpool naar buiten in het huwelijk, wanneer dit correct gebeurt, slaat in ons binnenste die geestelijke waarde los waarvan die tegenpool het teken is en die onbewust in ons schuilgaat.
Hier dringen we tot de diepe kern van ons mens zijn door. Daar waar onze psyche nog onbewust geslachtelijk gestructureerd is, naar het beeld van God. Maar ook daar waar God reeds aanwezig met Zijn geest, in Zijn bovengeslachtelijke dualiteit, boven man en vrouw uit, tederheid en stoerheid, misericordia et veritas. Het celibaat werpt ons zo terug op de innerlijke tegenpool van ons geslachtelijk en affectief leven en ten slotte op God zelf met alle mannelijke en vrouwelijke componenten van Zijn liefde.
Zo kan het celibaat een weg banen naar het gebed. In zijn pleidooi voor de maagdelijkheid (1 Cor. 7,35) onderlijnt Paulus het met een ongewone uitdrukking die moeilijk te vertalen is zonder haar af
te zwakken. Hij raadt het celibaat aan omdat het mogelijk maakt, in letterlijke vertaling, “welig naast de Heer te verwijlen, zonder afgeleid te worden”. Misschien is dit wel de beste beschrijving van wat het gebed moet worden. Menig exegeet stipte hier aan hoe deze zeldzame uitdrukkingen onwillekeurig het beeld oproepen van Maria die gestadig aan de voeten van Jezus bleef zitten om
Zijn woord te beluisteren, zonder zich te laten afleiden door de vele zorgen van het huishouden. Misschien is deze Maria uit het evangelie van Lucas (Lc. 10,39) wel het meest suggestieve type van de vrouw, en is haar unieke vrouwelijkheid een zeer transparant teken van het gebed.
Uiteraard zullen dan het gebed van de man en van de vrouw tot op zekere hoogte verschillen. Want het geslacht drukt haar stempel op het gebed. Dit wekt geen verwondering als we aannemen dat het gebed bevorderd wordt door de seksuele eenzaamheid van man en vrouw.
In die mannelijkheid is de man eerder beeld van de Vader die zich wegschenkt in zijn Zoon, en beeld van de Zoon die het Woord verkondigt en de mensheid liefheeft tot aan de dood. In zijn gebed identificeert de man zich bij voorkeur met Christus en met het Woord waarvan hij in zijn hart de priester wordt en de liturg. Zijn gebed is een celebratie waarbij hij zich openstelt naar de verborgen innerlijkheid van zijn hart, dat door de geest bewoond wordt. Daar is zijn eigen warme ingetogenheid, die in zijn hart het teken is van diezelfde geest. Daar luistert hij naar de Geest, zich aan zijn diepste innerlijkheid overgevend, tot hij de stem van de Geest opvangt die zelf hem het gebed voorstamelt : Abba, Vader. Zo wordt hij één met zijn diepste diep en geraakt hij verzoend met de wederhelft van Gods beeld in hem. Hij integreert het in zich en beleeft het in altijddurend gebed.
De vrouw, integendeel, is in haar vrouwelijkheid het beeld van de Geest die vruchtbaar is, die moederlijk ontvangt, draagt, baart en zorgt. Zij is zuiverheid die alles zuiver maakt. Zij is zelf de innerlijkheid en de liefde die de waarheid van mensen en dingen doorziet, ontsluiert en doorgeeft. In haar gebed zal de vrouw zich met al deze ontvankelijkheid van het Woord overgeven, van het Woord doordrenkt geraken en onzichtbaar vrucht dragen en leven doorgeven. Zoals Maria zal zij het Woord in haar hart bewaren en onophoudelijk overwegen (Lc. 2,10). De man voelt het gebed aan als een opgave, als een taak, bijna als een beroep waaraan hij zich bindt en waarin hij zijn identiteit vindt. De vrouw, in haar diepste wezen, is zelf reeds gebed. In het gebed vindt zij haar diepe persoonlijkheid terug, de altijd opwellende bron van haar eigen aard. Man en vrouw vinden zo, door celibaat en gebed hun wederhelft terug in God. Het is het andere paneel van het tweeluik, tederheid en stoerheid, dat hier beneden een zeer gaaf beeld is van God. Totdat alles in allen zal zijn (1 Cor. 15,28), in de man zowel in de vrouw. En hun lichaam, geest; zonder ooit op te houden lichaam te zijn, maar tempel van de Geest en huis van gebed.
Dit is bij uitstek de weg van het definitieve celibaat. De roeping van de gehuwde man of vrouw verschilt hiervan niet essentieel. Alleen de tekens zijn anders. In het huwelijk zijn man en vrouw voor elkaar teken van Jezus en van het gebed dat nog sluimert in hun hart. Daarom gaat voor hen de weg naar het gebed normaal langs hun levenspartner. Wat bij de ongehuwde in de verzaking zelf wakker gemaakt wordt, dat ontvangt de gehuwde eerst in de beleving van de lichamelijke seksualiteit. Dit mysterie is zeer groot, het spreekt van Christus en zijn Kerk (E. 5,32). Zo leert men bidden van elkaar en en aan elkaar, man, vrouw en kinderen, omdat ieder voor elkaar op een unieke wijze teken is van God en zijn antwoord. Bidden blijft altijd een bijzonder zware opgave voor wie door zijn levenspartner niet opgenomen werd in echte liefde. Sommige gebedservaringen worden zelfs, menselijk gezien, bijna onmogelijk voor wie noch de kracht noch de tederheid ervaren heeft van een echte vader en een echte moeder.
De partner mag echter geen hinderpaal worden voor het gebed. Omdat hiertoe mogelijkheid bestaat, raadt Paulus de gehuwden een vorm van periodieke onthouding aan, omderwille van het gebed (1 Cor. 7,5). Ook de ander, in vlees en bloed, moet verwijzen naar onze innerlijkheid en uiteindelijk naar God, waarvan hij het beeld is dat wij ook in ons dragen.
Dit is meteen dan ook de rijkste gave van de man aan de vrouw, en omgekeerd. Dat zij in elkaar het gebed wakker roepenis de weligste vrucht van de menselijke liefde.
Bidden op een berg alleen
In het evangelie zien we, dat als Jezus gaat bidden, Hij zich vaak afzondert van de anderen en eenzame plaatsen opzoekt, een berg of een woestijn (Lc. 4,1 ; 6,12). Blijkbaar ligt er voor Hem een band tussen eenzaamheid en bidden. Elders in het boek zagen we reeds hoe eenzaamheid en stilte de normale sfeer zijn waarin het Woord van God Zijn volle weergalm vond. Hier willen we de band tussen eenzaamheid en gebed op een andere manier toelichten, en wel vanuit de mens die bidt. Hoe roept de eenzaamheid het gebed in hem wakker? Alleen al biddende kan hij de eenzaamheid leefbaar maken en de woestijn doen overgaan in een welig paradijs.
Dit alles zal natuurlijk in de eerste plaats waar zijn voor hem die kluizenaar is van beroep. Maar dit geldt ook voor alle christenen die op een of andere manier de eenzaamheid ervaren, soms vrijwillig gekozen, soms onvrijwillig ondergaan. Iedere christen moet ergens in de eenzaamheid staan, met de opgave die eenzaamheid met Jezus door te maken. En ieder die probeert te bidden, begint vaak met ergens een beetje eenzaamheid of stilte op te zoeken. Eenzaamheid ligt niet buiten de wereld. Zij is een vrucht van onze wereld, onafscheidbaar. Om in de eenzaamheid te gaan, hoef je de wereld niet te ontvluchten, maar alleen een welbepaalde en uiterlijk zeer beperkte kant van de wereld uit de weg te gaan. De eenzame, onbewoonde wereld is een ander facet van onze wereld. Zij maakt deel uit van de wereld-van-de-mens. Zij beantwoordt aan iets wat in de mens is.
Iedere mens heeft een zekere behoeft aan eenzaamheid, en ook een zeker recht daarop. De meeste mensen hebben af en toe een brok eenzaamheid en rust van doen om iets van zichzelf uit te drukken en te beleven, iets wat anders niet verwoord kan worden, en misschien niet eens tot bewustzijn zou komen. Als deze behoefte bij iemand exclusief wordt noemt men hem een zonderling. Toch zijn er bepaalde categorieën van mensen of menselijke situaties, waar een sterke behoeft aan eenzaamheid niet opvalt en zelfs enigszins verwacht wordt. Bij kunstenaars bijvoorbeeld, of bij denkers of ook bij verliefden. Dit geldt ook meer en meer – minstens één keer per jaar en soms elk weekend – voor de man-uit-de-stad die even afstand gaat nemen van zijn bewoonde wereld. Hij kiest dan ergens een rustige plek uit waar weinig mensen komen en waar, indien mogelijk, de natuur bijzonder mooi is en tot inkeer stemt. Kan men zeggen dat hij de wereld ontvlucht of uit de wereld treedt? Dit is niet zijn bedoeling. Wat hij zoekt, noemt hij een groene zone en die situeert hij zonder aarzelen in de wereld, in die wereld-van-de-mens, die in dienst staat van de mens en waaraan hij het beste van zichzelf zal verwezenlijken. De eenzaamheid van de groene zone moet tot beter-mens-worden, het hare bijdragen. Dit kan natuurlijk op velerlei niveaus beleefd worden. Iedereen zoekt dat stukje eenzaamheid uit waar hij het best zijn nood en zijn rijkdom kan bewust worden en beleven. De zakenman zal het anders bedoelen dan een dichter; en die twee weer totaal anders dan hij die de eenzaamheid opzoekt om te bidden.
Deze drang naar eenzaamheid en stilte speelt in de geschiedenis van het gebed een grote rol, tot vandaag toe. Vooral de monniken zijn langs zeer concrete vormen van eenzaamheid tot een speciale verhouding gekomen met de wereld. Zij onttrokken zich aan bepaalde facetten van de wereld, en zochten andere op met een duidelijke voorkeur en soms met een zekere koppigheid. Merkwaardig hoe hun zogenaamde wereldvlucht altijd zeer wereld-gebonden bleef. Zij kluisterden zich vast aan bepaalde plaatsen en landschappen : Benedictus colles, Bernardus vallus amabat (van Benedictus zei men dat de heuvels zijn voorkeur hadden, van Bernardus de dalen). Voor een cisterciënzermonnik van de 12e eeuw die met een speciale vurigheid een onontgonnen wildernis opgezocht had, gold het als een lof dat van hem gezegd kon worden, zoals van een van zijn stichters, dat hij amator loci was, dat hij veel hield van zijn klooster, en zo ook van de hem omringende eenzaamheid.
Kluizenaars en reclusen verbonden zich als het ware lichamelijk aan de hut of de grond die ze bewoonden, zo jaloers waren ze op het stukje wereld waar ze hun geestelijk avontuur mochten beleven. Om dan nog te zwijgen van pelgrims en wandel-monniken die hier beneden nergens vaste voet wilden verkrijgen maar in feite de wijde wereld van doen hadden om te getuigen dat ze op zoek waren naar het hemelse Jeruzalem. Hun wereldvlucht was binnenwereldlijk. Hiermee bedoelen we dat hun houding tegenover de wereld niet tegengesteld is aan wereldbeaming en echte liefde voor de wereld. Zij betrekt de wereld in het mysterie van de mens en zodoende laat zij een een bepaalde waarde van de wereld duidelijker naar voren komen.
De wereld moet aan elke mens de ruimte geven waarin hij zijn eigen genade kan beleven en volledig zichzelf wordt. Ook aan die mens die de wereld van de eenzaamheid verkiest boven de bewoonde wereld. Hoe functioneert die eenzaamheid ten gunste van het gebed?
De woordkeus waarmee de eerste kluizenaars, in de oud-christelijke talen, de eenzaamheid beschrijven, maakt dit iets duidelijker. De nadruk ligt vaak op het zich terugtrekken (anachôrèsis, recessus) en op de innerlijke en uiterlijke rust : in het Grieks : hesychia (hiervan komt hesychasme); in het Syrisch : shelyô (werkeloosheid) ; in het Latijn : quies (rust). Alle drukte (negotium) houdt op. Men heeft vrije tijd (otium). Men is onbezet, los en leeg van alles (vacans), in de meest letterlijke zin van het woord : op vakantie.
Op vakantie echter voor God (vacare Deo), in een eenzaamheid die men ontvangt om haar te bewonen met God, en opdat het hart er al biddend zou wakker worden. Elke eenzaamheid werpt ons terug op onszelf en op God, op onze uiterste armoede en op Gods onmetelijke liefde en barmhartigheid. In dit exclusief aangewezen staan op Gods reddende komst in de eenzaamheid, wordt het geloof in ons hart uitgegraven en komt er een onvermoede diepte van ons wezen bloot ; die kern van ons zelf waar het gebed ons reeds gegeven is. In de woestijn ontsprong immers water aan de rots (Ex. 17,6), die rots die Jezus zelf is (1 Cor. 10,4).
Hoe dit proces zich bij ons moet voltrekken, wordt duidelijker als we weer even gaan zien hoe het met Jezus gebeurd is. Want ook Jezus heeft iets van de eenzaamheid geleerd. Zijn volle mannenmaat als mens heeft Hij eerst in de woestijn gekregen en beleefd. Zoals het Godsvolk veertig jaar lang beproefd en gevormd werd in de woestijn, zo werd Jezus ook de woestijn ingestuurd om verleid te worden en om er te leren leven niet alleen van brood maar van elk woord dat voortkomt uit de mond van God. Door zich in de woestijn bloot te stellen aan de beproeving heeft Jezus de wereld van de woestijn betrokken in Zijn zending. Dáár heeft Hij Zijn Pasen ingeluid, Zijn overwinning op de zonde en op de dood. De evangelist Lucas duidt aan hoe de duivel hem verliet tot aan de kairos (Lc. 4,13). Dat wil zeggen tot aan de tijd van het heil, tot aan de Ure waarop Jezus in dood en verrijzenis de volle zin van wereld en mensheid zou openbaren.
In vasten, eenzaamheid en beproeving heeft Jezus immers geleerd volledig mens te zijn. Daar is Hij doorgestoten tot de kern van wereld en mens. De woestijn is echter nog maar een eerste proeve geweest, een voorsmaak van zijn Paasfeest, van dood en verrijzenis. Dit is immers de etymologische betekenis van het woord Pasen : de transitus Domini (Ex. 12,12), de doorgang des Heren: de Heer die zelfs de diepste regionen van het mens-zijn, lijden en dood, doortrekt en inpalmt, vooraleer Hij uit de doden tot nieuw leven opstaat als eerstgeborene van talrijke broeders, als eerste vrucht van de nieuwe wereld en de nieuwe schepping.
Voor het oudste christelijke denken lag ook hier de betekenis van Zijn nederdaling ter helle. Hier moet niet gedacht worden aan de hel in de moderne zin van het woord, maar aan de Hebreeuwse sheool, de onderwereld, of zoals Mattheüs het zo kernachtig uitdrukt : het hart van de aarde : “Zoals Jonas zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde verblijven” (Mt. 12,40). Dáár greep het meest intieme contact plaats tussen Jezus, de God-mens, en onze wereld, waarbij ze als het ware ééngeworden zijn en samengesmolten in het Paasgraf. Van daaruit zijn beide samen begin en bron geworden van nieuw, verrezen leven.
Het lichaam van Jezus dat in de aarde werd gezaaid, heeft de wereld bevrucht tot nieuw leven (Joh. 12; 24). Sindsdien zucht gans de schepping in barensweeën (Rom. 8,22). Tot nog toe draagt alleen het Paasgraf van Jezus haar vrucht voort : de Heer zelf, verrezen in glorie. Maar straks breekt de ganse wereld open tot verrijzenis en nieuw leven.
Jezus’ verblijf in de woestijn was daarop een inleiding en daarvan reeds de voorsmaak. De wereld van de eenzaamheid gaf aan Jezus de ruimte om verleid te worden. Zij deelde achteraf ook in Zijn overwinning. Engelen daalden neder en dienden er de Heer (Mc. 1,13). Hier werd de wereld pas volledig zichzelf : van wereld – der verzoeking werd ze tot aards paradijs en ook reeds tot nieuwe hemel, want waar Jezus tegenwoordig is, vallen aarde en hemels paradijs samen.
De woestijn van Jezus geeft dus reeds meer dan alleen maar een voorsmaak. Zij is reeds het Pascha van Jezus in haar eerste, nog niet uitgewerkte vorm. De woestijn bevat de kern zelf van het Paasmysterie en blijft er voor altijd het teken van, het sacrament. Wie in geloof in de eenzaamheid gaat staan omderwille van Jezus, duikt onder in de Paas-energie die Jezus’ woestijnervaring inspireerde, en die Hem ook later uit het graf tot verrijzenis opwekte. Men zal zich herinneren hoe de monastieke literatuur de cel van de kluizenaar vaak gelijkstelt met het graf in de rots uitgehouwen waar Jezus op zijn verrijzenis wachtte.6 De kluis wordt zo tot een sacramenteel van Jezus’ dood en verrijzenis.
In die zin kunnen we ook zeggen, dat de woestijn als het ware een microkosmos is, een wereld in het klein waar de uiteindelijke roeping van de wereld uitgebeeld en beleefd wordt. Eerst door Jezus in Persoon, en na Hem door het Godsvolk, de Kerk, in de mate dat zij op velerlei wijzen de eenzaamheid van haar diaspora-positie in de wereld ervaart. Op een bijzonder manier, krachtens een persoonlijke roeping in de Kerk, geldt dit ook voor de monniken en hun leven in de eenzaamheid.
Maar ook voor elk die omderwille van het gebed even slechts de eenzaamheid opzoekt. Daarom is eenzaamheid zo belangrijk. De oude monastieke teksten onderlijnen dit, niet zonder een zekere humor : alle andere ascese mag je laten schieten, als je maar volhardt in je cel. “een broeder die als kluizenaar leefde in de woestijn van Thebaidus, kreeg op zekere dag het volgende idee : wat doe je toch als kluizenaar. Je draagt er geen vrucht. Sta op, ga naar een klooster waar monniken samen leven. Daar zul je vrucht dragen. Hij stond dus op en ging tot bij Abba Paphnutius om hem die gedachte mee te delen. De oude man zei hem : “Ga terug naar je cel en blijf er zitten, zeg je gebed elke morgen, elke avond, en elke nacht. Als je honger hebt, eet: als je dorst hebt, drink; als je slaap voelt, slaap dan. Maar blijf in de eenzaamheid en volg die gedachte niet op”. Hij kwam ook bij Abba Johannes en vertelde hem de raad die Abba Paphnutius hem gegeven had. Maar Abba Johannes antwoordde hem : “Je kunt ook nog de drie gebeden laten vallen. Bidt helemaal niets, maar blijf slechts zitten in je cel”.7 Elders wordt het nog kernachtiger uitgedrukt: “Blijf volharden in je cel en je cel zal je alles leren”. 8.
Hoe zal dit gebeuren? De H. Antonius zet ons op de weg van het antwoord : “De kluizenaar die in de woestijn woont, denkt hij, is vrij van een drievoudige strijd : strijd van de ogen, tong en oren. Er blijft slechts één strijd over, de strijd van het hart”.9 Hier komen we weer op ons onderwerp terecht. Want in de eenzaamheid komt het hart van de mens onvermijdelijk naar boven, met haar aangeboren tweespalt: verkocht aan de zonde (Rom. 7,14) en reeds bewoond door God en het gebed van de Heilige Geest. Maar het is vooral de zonde die in het eenzame gebed het eerst naar boven komt. Verpletterd, ontmoedigend.
Deze ervaring is, in de letterlijke zin van de Nederlandse uitdrukking, verschrikkelijk. Eenzaamheid sluit de mens af van al het andere en leidt hem terug op zijn eigen nietigheid. Geen uiterlijk vertoon kan hem nog helpen. Iedere oppervlakkige steun, iedere afleiding is men kwijt. De mens staat er naakt en weerloos tegenover God, dat wil zeggen in die armoede en zwakheid die zijn enig bezit zijn. Vooraleer de eenzaamheid hem brengt tot de ontmoeting met God, leert zij hem eerst zijn beperktheid, zijn grondeloze onbenulligheid.
In de literatuur en kunst gaat de woestijn door als het terrein bij uitstek van de verzoeking. En terecht. De duivelse genieën die Jeroen Bosch rond de H. Antonius afgebeeld heeft, zijn de projecten naar buiten van wat de eremiet in zichzelf ontdekt : zonde en zwakheid. In een zekere zin werkt de eenzaamheid seculariserend : zij verlost van veel waan en illusie, van alle mythe. Zij leert doodgewoon mens te zijn, zwak en hulpbehoevend.
De eerste kluizenaars waren ervan overtuigd dat de eenzaamheid hen in staat stelde het kwaad en de duivel direct aan te pakken. In dit lijf-aan-lijf gevecht, waaruit het gebed geboren wordt komt God op het meest kritieke moment ertussen en stuurt zijn kracht uit die bij de kluizenaar gaat inwonen. Door hun eenzame strijd “jagen de kluizenaars de verouderde wereld weg”10 en wordt weer iets zichtbaar van de getransfigureerde wereld. De eenzaamheid weerspiegelt zo uiteindelijk iets van de diepste werkelijkheid van het hart van de mens in wie zij die strijd loslaat; zij is beurtelings woestijn en paradijs, graf van de zonde en schoot van de nieuwe wereld, het Pascha van Jezus.
De weg van de eenzaamheid is nauw en eng, vooral in het begin, zodra het eerst gevoelige enthousiasme voorbij is en duidelijk blijkt hoezeer ons hart nog sluimert, en hoe weinig onze zintuigen nog op het geloof zijn afgestemd. Dan komt het erop aan de cel niet te verlaten en in het gebed te volharden. Dit is iets wat men leert, niet uit boeken, maar alleen in de eenzaamheid zelf, en van de eenzaamheid, in die gezegende ogenblikken waarin we al het andere hebben uitgeschakeld om : vrij te zijn voor het Woord van God en de drang tot gebed in ons, buiten en boven alle gevoelens om. Alleen de Heilige Geest kan ons leren hoe we met eenzaamheid en stilte verzoend geraken, in zulke mate zelfs dat we onze diepste persoonlijkheid er in kunnen uitdrukken.
De eenzame ruimte die we bewonen in de wereld moet iets over onszelf vertellen en onze verhouding tot mensen en dingen. Eenzaamheid schept een nieuwe relatie met de wereld. We beleven en bewonen de wereld op een nieuwe manier. Dat wil eerst en vooral zeggen dat we op een smallere basis gaan leven zodat heel wat normale mogelijkheden afgesloten zijn en dit vrijwillig. Deze bewuste reductie van sommige mogelijkheden diept andere mogelijkheden in ons uit. Dit gebeurt echter niet zomaar. Het vergt strijd, en vraagt om een zekere techniek, om ascese. Gedurende dit proces zal de eenzaamheid die we steeds dieper en dieper gaan bewonen, met ons meegroeien tot een teken van de nieuwe schepping. De eenzaamheid is slechts gemakkelijk voor de beginneling die de drukte en de luidruchtigheid van de moderne wereld die hij pas verliet nog grondig beu is. De woestijn is echter niet alleen ontspanningsoord, ook als er God gezocht wordt. In de kortste tijd gaat zij loodzwaar wegen. Op haar beurt wekt zij verveling en wordt men haar beu. Vrij vlug doet zij zich voor als ongastvrij en onbewoonbaar. Iedere kluizenaar komt eens op het punt te staan de eenzaamheid te ontvluchten en het gebed op te geven. Dit is het moeilijkste moment waar alles van zal afhangen, de klassieke verzoeking van acedia, verveling, troosteloosheid (cafard, spleen). Die bekoring kunnen we alleen doorstaan in de kracht van de Heilige Geest.
Het gaat hier zeker niet om wilskracht en menselijk doorzettingsvermogen. Veel eerder om het tegendeel. Die zouden de eenzame vlug tot overspanning leiden en zelfs zijn psychisch evenwicht zelfs in gevaar brengen. Het gaat in de eerste plaats om innerlijke rust, ongedwongenheid, kalmte. Om gedegen soepelheid en liefdevolle overgave aan een vrede die we diep geborgen dragen in ons, maar die slechts broksgewijze in ons bewustzijn kan doorbreken. De geringste persoonlijke tussenkomst, de kleinste nutteloze spanning zou hier teveel kunnen zijn, en precies dat verhinderen wat op het punt stond te gebeuren.
Ergens moeten de teugels in ons gevierd worden aan een kracht die we nog niet duidelijk wisten te herkennen. Diepe rust, geduld, afwachten is dan geboden. Deze non-interventie is wel het moeilijkste. Zij loutert en frustreert onze menselijke activiteitsdrang. Velen grijpen er naast en blijven steken in hun eigenwijze edelmoedigheid en te goed bedoelde drukte. Toch stelt alleen deze hesychia-rust ons in staat ons gans en geheel te geven aan een veel diepere en hogere onderneming in ons. Toen de Heer aan Elias verscheen in de woestijn, was Hij niet te vinden in de drukte en het geluid, maar in het zachte geprevel van een fris briesje (1 Kon. 19,12). Het drukkende gevoel van frustratie en vervreemding dat de eenzaamheid bij ons opwekt is hier ten zeerst behulpzaam. Men hoeft er zich niet tegen te verzetten, noch minder verstrooiing te zoeken. Eenzaamheid geeft het gevoel ontworteld te zijn en ontheemd. Men voelt zich als een vreemdeling en een pelgrim, buiten de bewoonde wereld en op weg naar iets anders. Een goedkope oplossing moet hier niet op gevonden worden. Het brokje eenzaamheid dat hem als erfdeel te beurt viel, moet de kluizenaar gaan bevruchten en bewerken als een brok van de nieuwe wereld, als een woonstee met Jezus en de Vader : “Zie ik sta voor de deur en Ik klop” (Apok. 3,20); “zo iemand mij liefheeft, dan zal hij mijn Woord onderhouden; dan zal ook mijn vader hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen en onze woonst bij hem inrichten” (Joh. 14,23).
De Vader en de Zoon, zegt S. Jan, komen bij ons hun woonst inrichten. In de Griekse grondtekst gebruikt hij daarvoor het woord monè, dat merkwaardig genoeg n de monastieke literatuur ook gebruikt wordt om de cel van de eenzame of het klooster waar meerderen samenwonen aan te duiden. Want dit “wonen bij Jezus en de Vader”, dit “verwijlen in Hem” (Joh. 15, 4-5) zijn juist wat de cel zal leren aan de monnik die in haar probeert te volharden.
Wie zo in de eenzaamheid gaat staan heeft zich onvoorwaardelijk vrijgemaakt voor de dialoog met God. God kan hier echter niet onmiddellijk op antwoorden. Of liever, omdat Hij ons onvoldoende bereikt op het niveau waar wij Hem spontaan zouden opwachten, moet Hij eerst proberen onze aandacht af te leiden en te trekken naar de diepere regionen van ons hart, de “secretior recessus conscinetiae” van Willem van S. Thierry, 11 waar Hijzelf op ons te wachten staat. Hier zullen eenzaamheid en stilte zeer zuiverend werken op onze Godservaring. Als men ervoor zorgt dat deze eenzaamheid echte eenzaamheid blijft en dat alle andere uitwegen versperd blijven met doornen en distels (Os. 2,8) komt men als het ware blindelings terecht bij de Heer die daar diep in ons woont.
Gewoonlijk vraagt dit een tijd van dorheid en troosteloosheid. God laat zich soms lang zoeken in de woestijn. Hij kan slechts aan ons meedelen, wanneer wij afstand gedaan hebben van beelden en begrippen of houdingen die niet passen bij wat Hij in werkelijkheid is, bij het Woord dat Hij in feite tot ons spreekt. Daarom wordt God in de eenzaamheid ook eerst ervaren als een afwezige God, en blijft de monnik er steeds op zoek naar God, als een hongerige en dorstige, wiens nood nooit gans gelenigd wordt. De monnik is bij definitie een nooit voldane Godszoeker.
Dit zoeken naar God, dit vol verlangen aftasten van de leemte die de afwezige God achter zich laat, brengt de man van gebed heel dicht bij een van de meest intense religieuze ervaringen van de moderne mens van vandaag. Hij ervaart God als afwezig. Woorden en gevoelens zijn immers te beperkt om God op te vangen, om Hem in te sluiten. De gelovige heeft geen greep op Hem, nergens. Omdat hij telkens opnieuw als het ware moet afsterven aan Zijn ideeën over God, en aan zijn ervaringen Hem betreffende, ontkomt hij niet aan de indruk dat God dood is. Die bewering komt slechts met de waarheid overeen in zover zij de averechtse uitdrukking is van ons eigen noodzakelijke gekruisigd zijn aan de wereld en aan elk werelds Godsbegrip, vooraleer wij en in waarheid tot God kunnen naderen. Want niemand kan God zien en leven ; Hij is immers een verterend vuur (Hebr. 12,29).
De grondhouding van de christen in de eenzaamheid is daarom het staan-wachten-in-geloof. Hij ziet verlangend uit, tot de Heer zélf komt en zélf zich openbaart. Middeleeuwse auteurs beschrijven de contemplatief als suspensus exectatione : opgetild, opgehangen, innerlijk verscheurd van het wachten. 12 Hier stemt de mystiek in met een besluit van een moderne Nederlandse godsdienst- filosoof, Corneel Verhoeven. Aan het einde van een rake analyse van de hedendaagse religieuze ervaring, besloot deze auteur: “Wachten is het enige wat wij vandaag met zekerheid kunnen”. 13
Wie biddend tot God roept, heeft geen enkel middel bij de hand, om God tot een antwoord over te halen, laat staan te dwingen. Geen enkel middel, tenzij het geloof. Maar ook het geloof kan hij zélf niet opbrengen. Hij zinkt steeds verder weg in zijn eenzaamheid en in zijn grondeloze armoede. Van solitudo-eenzaamheid dreigt de woestijn over te slaan tot desolatio-verlatenheid. Op diezelfde wijze voelde de bloedeigen Zoon van God zich eens door de Vader verlaten toen Hij eenzaam aan het kruis hing, ten aanschouwen van de mensen en in het aanschijn van de dood.
Deze menselijke hulpeloosheid is een eerste vrucht van de eenzaamheid. Zij bevrijdt de mens van zichzelf en van zijn te menselijke idealen. Zij maakt hem klein tegenover God. Zij stelt de mens voortdurend open naar Gods almachtige goedertierenheid. Wie bidt in de eenzaamheid heeft uiteindelijk geen andere garantie: hij staat blootgesteld aan Gods goedertierenheid. Hij is een bedelende hand die zich naar God uitstrekt, aarzelend en vertouwend tegelijk, een hand die alleen door Gods liefde gevuld wordt. Schaars of boordevol? Of na levenslang wachten? Hij mag niets eisen, mag over niets klagen. Maar in die nacht waarvan hij niet meer weet of zij meer naar het duister toeneigt of reeds naar de dag overgaat, is hij steeds meer en meer overtuigd dat God iedereen overstelpt, ook hem, met veel meer dan hij ooit vragen durfde of vermoeden. Dit alles met de groeiende zekerheid dat ook zijn Ure komt, en dat de Heer zeer nabij is. Langzaamaan, vóór hij het duidelijk kan inzien, draagt de woestijn haar vrucht in het hart van de eenzame. Troosteloosheid en diepe vreugde wisselen zich nu af op het ritme van de genade. In het uur van de beproeving : het louterende vuur van Gods afwezigheid of zelfs van zijn schijnbare dood. In het uur van Zijn komst : onverwacht, de glans van Zijn gelaat als een verblindend licht in het diepste van zijn hart.
Enerzijds het afgesneden zijn van de mensen als ‘uitschot van de wereld’ (1 Cor. 4,13), en anderzijds, plots weer het zich diep verbonden weten met alle mensenkinderen ‘in het hart van de aarde’ (Mt. 12,40). Het zelf ontwricht worden en als het ware uit zijn eigen voegen opgetild worden, om zijn leven te verliezen (Lc. 17,33), en dan weer zichzelf terugwinnen en zijn diepste identiteit mogen herkennen in de nieuwe naam die Jezus alleen kent (Apok. 2,17) en die Hij steeds duidelijker in het gebed voor ons uitspreekt. Zo leert men, dag na dag, de eenzaamheid bewonen met het gebed dat langzaam in ons groeit : met haar ontledigende pijn en haar overstelpende vreugde. Eenzaamheid en gebed passen dan in elkaar. Ze zijn uiteindelijk op elkaar afgestemd. De een roept de andere op. Beide zijn met elkaar verwant. De eenzaamheid is nu het vertrouwelijke decor geworden van het gebed, waartegen dorheid en vertroosting zich afspelen en afwisselen.
Deze genade te mogen ontvangen en te kunnen bewaren is de zwaarste opgave van de kluizenaar. Het vraagt van hem veel nederigheid, stille en geduldige aandacht, grote en verborgen liefde. Eenzaamheid en stilte zijn dan veel meer geworden voor hem dan alleen maar techniek of ascese. Zij zijn de tekens geworden van zijn wonen in Jezus, het sacrament van zijn Pascha.
“Wie een lange proef van eenzaamheid nog niet doorstond, “zegt H. Isaac de Syriër – een van de grootmeesters van het hesychasme – , “laat hem er maar niet aan denken uit zichzelf enige ascese te ondernemen, zelfs indien hij een wijze zou zijn, of een meester, zelfs al zou zijn levenswijze onberispelijk zijn”. Want hij kent nog niet het diepe geheim en de wonderbare vruchtbaarheid van het eenzaam-zijn voor God, en hoe iedere mens daar tot zijn diepste ik kan komen. De dubbele afgrond van zijn eigen zwakheid en van Gods grondeloze barmhartigheid zijn hem nog grotendeels vreemd. Zo bewoont ons gebed onze eenzaamheid, en zal de eenzaamheid ons gebed dragen, als de moederschoot haar vrucht, zoals Willem van S. Thierry zich uitdrukt. De stilte spreekt van onze dorheid en van onze grondeloze armoede, en diezelfde stilte verzadigt zich aan onze vreugde en gaat meetrillen met de hemelse lofzangen. De stilte is immers “de taal der engelen’ volgens dezelfde Isaac. Hij die bidt kan tenslotte elders moeilijk leven. De eenzaamheid is voor hem wat water is voor een vis, dit is het element waar hij kan ademhalen. Hij streeft ernaar om zich steeds verder terug te trekken ad interiora deserti, in een diepere eenzaamheid, waar hij ook nog tot een dieper peil van zijn eigen innerlijkheid zal mogen doordringen.
Door hem brengt de woestijn reeds haar vrucht voort, want “God schiep de woestijn opdat zij bloemen en vruchten zou voortbrengen”. De rijpste vrucht van de woestijn was Jezus zelf, toen Hij er alleen ging bidden; na Hem, elke mens die Jezus al biddend op het spoor volgt.
Voor hem is de eenzaamheid niet zozeer een afgesloten zone die hem scheidt van de wereld-die-voorbij-gaat. Zij is reeds toegangszone tot de wereld-die-komt en blijven zal voor altijd. Zij is geen doorgang meer. Zij is reeds woonst. De eenzame bewoont zijn eenzaamheid zoals hij Jezus bewoont en nestelt in Zijn liefde; zoals hij onophoudelijk verblijft in het gebed. Hij is er thuis zoals hij thuis is bij God, als een bekeerde zondaar bij wie Jezus zich bij voorkeur ophoudt. Zo blijft hij dankbaar “zitten in zijn cel, met in zijn hart, zonder ophouden, het gebed van de tollenaar”. 19 “Heer Jezus,wees mij zondaar genadig”(Lc. 18,13)
Waken en bidden.
Als Jezus zich terugtrekt om te bidden doet Hij dat bij voorkeur ’s nachts : Hij waakt terwijl de wereld slaapt (cf. Lc. 6,12; 9,18; 22,45). Wanneer Hij zijn volgelingen tot waken aanspoort, dan vermeldt Hij in één adem ook het gebed : “waakt en bidt” (Mt. 26,41). In Jezus’ ervaring zijn die twee niet van elkaar te scheiden. Zijn voorbeeld de nacht geheel of gedeeltelijk in gebed door te brengen, sloeg zijn stempel op de levenswijze van Jezus’ volgelingen. De nachtwake is een universeel gegeven in het christendom, gezamenlijk beleefd in de liturgie, privé in de persoonlijke ascese. In de oudheid legden asceten en maagden zich speciaal toe op de wake, maar ook de christen in de wereld maakt er gebruik van. In de tweede eeuw bijv. geeft Clemens van Alexandrië de volgende raad aan de getrouwde gelovigen : “we moeten ook ’s nachts dikwijls van ons bed opstaan en God dankzeggen. Zalig zij die voor Hem wakker zijn : zij gelijken op de engelen die we wakers noemen… We moeten immers niet de ganse nacht slapen, want het Woord (Jezus) is binnen ons te gast en waakt er “. 20 Later werd de wake met grote liefde door de monniken en mondiale in ere gehouden. Zo is Isaac de Syriër van mening dat de nachtwake wel het belangrijkste is onder de werken der ascese. “Indien een monnik om gezondheidsredenen niet zou kunnen vasten, zou zijn geest door waken alleen de zuiverheid des harten kunnen bekomen en de kracht van de Heilige Geest ten volle leren kennen”. Want alleen hij die volhardt in de nachtwake kan de glorie en de kracht begrijpen waarmee het leven van de monnik bekleed is”.
Elke christen wordt uitgenodigd een zeker gedeelte van de nacht aan gebed te besteden. Maar de tijdsduur is hier van geen belang. Ook een zeer korte wake – even later slapen gaan of even vroeger opstaan – is het werk van de Heilige Geest in ons en kan een vrucht van gebed afwerpen.
Het probleem dat zich hier voordoet is weer hetzelfde. We staan opnieuw voor een specifieke, christelijke gebedstechniek, waarvan de constante traditie tot Jezus en het evangelie teruggaat. Dezelfde dubbele vraag rijst op : hoe zal lichamelijk waken het gebed in de hand werken ? Hoe zal het gebed zich spontaan uitdrukken in een concrete nachtwake?
We mogen hier niet blijven staan bij het voor de hand liggende antwoord, maar dat echter het mysterie van het christelijke waken ternauwernood aanroert. Men zal dikwijls zeggen dat het tijdens de nacht gewoonlijker rustiger is voor het gebed, dat de ingetogenheid van de natuur tot inkeer stemt, dat de duisternis vele dingen die verstrooiend werken verbergt. Ook dat de menselijke geest gedurende de eerste uren na de slaap nog vrij is van de vele indrukken die de aanbrekende dag zal brengen. Die motieven zijn natuurlijk waardevol. Net zoals het celibaat heel wat zorgen uit de weg ruimt, en de eenzaamheid normaal tot inwendige rust stemt. Uiteraard blijven zulke motieven echter op de drempel van het mysterie staan. Het specifieke van de christelijke ascese ligt juist hierin dat de techniek door de kracht van de Heilige Geest helemaal ingeschakeld wordt in de dynamiek van Pasen. In navolging van Jezus, zoals Hij het zelf beleefd heeft, als een sacrament en anticipatie van Zijn dood en verrijzenis. Bij ons kan dit alleen gebeuren, wanneer het natuurlijke effect van de gebedstechniek helemaal opgenomen wordt in de werking van de Heilige Geest.
Hoe gebeurt dit nu met de wake? Van de eenzaamheid hebben we gezegd dat het een stuk wereld was, dat de kluizenaar op een eigen-aardige wijze situeert in de geschapen ruimte. Het is hetzelfde voor de nachtwake. Zij is een ongewoon, eigen-aardig beleven van de natuurlijke afwisseling van dag en nacht. Zij situeert hier de christen op een eigen manier in het ritme van de tijd. Zoals de eenzaamheid een bepaald effect uitoefent op het gebed, ligt er ook een speciaal gebedscharisme opgesloten in dit ongewone beleven van het ritme van dag en nacht. Elke dag en nacht betekenen immers een stap verder in de tijd, een etmaal dichter bij de komst van Christus en Zijn Rijk. Gans het leven van de christen ziet uit naar die Komst. Diezelfde dynamiek leeft in de Kerk en uit zich in de liturgie. Wij weten niet wanneer Hij komt, alleen maar dat Hij reeds komende is – niet Hij die komen zal, maar Hij die komt (Apok. 22,20) – en dat hij elk ogenblik voor de deur kan staan.
Jezus wordt in de Apokalyps genoemd : “Hij die was, Hij die is, Hij die komt” (Apok. 1,4). Deze definitie van Jezus omvat de drie aspecten van de tijd : verleden, heden en futurum. Merkwaardig is wel dat futurum in deze definitie niet is : Hij zal zijn zoals men verwachten zou, maar integendeel : Hij komt. Dit is de enige werkelijkheid van Jezus waar wij naar uit moeten zien. Jezus is komst, adventus, toekomst in de etymologische betekenis van het woord. Is Jezus steeds op komst, dan staat de Kerk ook voortdurend op wacht. Zij is wake. Zij ‘ziet reikhalzend uit’ (Rom. 8,19-25) naar haar Heer en Bruidegom : “Weest dus waakzaam, want ge weet niet, wanneer de Heer des huizes komt, ’s avonds laat of midden in de nacht, bij het hanengekraai of ’s morgens vroeg. Als Hij onverwachts komt, laat hij u dan niet slapend vinden. En wat Ik tot u zeg, zeg ik tot u allen “Weest waakzaam ! (Mc. 13, 35- 37). Daarom is steeds waakzaamheid geboden. Niemand weet het uur van Jezus’ komst, alleen maar dat hij onvoorzien komen zal, als een dief in de nacht (Mt. 22,44 ; Apok. 3,3), plotseling als de barensweeën die de jonge moeder overvallen (1 Thess. 5,3).
Wij weten ook dat Zijn komst zal samenvallen met een grote beproeving, met de Bekoring bij uitstek waarvan de barensnood van de zwangere vrouw een frappant beeld is : terzelfdertijd hevige pijn en intense vreugde (Joh. 16,21). Daarom gaat het gebed steeds samen met die waakzaamheid om niet te bezwijken in het uur van de bekoring : “Waakt en bidt opdat ge niet op de bekoring zult ingaan”. Jezus richt deze woorden tot zijn leerlingen op het ogenblik dat Hij zelf vanuit de meest beslissende nachtwake die Hij ooit mocht vieren, zijn Paasmysterie tegemoet treedt. Het is een harde kamp geweest, een bloedige wake en een strijd tot de dood, waarin Hij het meest beslissende gebed uitspreken mocht. Hij had zich overgegeven aan het vrije initiatief van de liefde van de Vader over Hem en over de ganse mensheid : “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede” (Mt. 26,42).
De gebedswake is dus geheel ingesteld op de dubbele werkelijkheid van het einde der tijden : de komst van Jezus en de grote beproeving die aan de komst vooraf gaat. Daarom gaat het om een heel concrete nachtwake, want de afwisseling van dag en nacht is reeds, dagelijks, een natuurlijk sacrament van Jezus’ komst. Het is een onderpand van wat Hij brengen zal. De nacht is dan het symbool van de zonde en van de voorbijgaande, vergankelijke wereld. De dag is het symbool van de Heer Jezus en de komende tijd. Daarom is elke Christen op een bijzondere manier geroepen om wakker te blijven. Hij behoort immers Jezus toe, d.w.z. hij is, volgens de Bijbel, kind van de dag en van het Licht. Nacht, noch duisternis hebben iets met hem te maken : “Gij, broeders, gij leeft niet in de duisternis zodat de Dag (van Jezus’ komst) u als een dief zou verrassen. Gij zijt allen kinderen van het licht, kinderen van de dag. U behoort niet aan nacht en duisternis. Laten wij dan ook niet slapen als de anderen, maar waken en nuchter zijn. Zij die slapen, slapen des nachts; en zij die zich bedrinken, bedrinken zich des nachts. Laten wij die behoren tot de dag, nuchter zijn, toegerust met het pantser van geloof en liefde en met de helm der heilsverwachting” (1 Thess. 5,4-8).
Dag en nacht, waken en slapen, dit kosmische ritme van wereld en mens ontvangt in Jezus een nieuwe betekenis. De nacht duidt de afwezigheid van Jezus aan, de morgenstond en de dag dat hij komt. De Kerk die leeft in de verwachting van Jezus’ komst en in de zekerheid van Zijn mysterieuze aanwezigheid, slaapt niet maar waakt. Zoals Jezus hier beneden en tijdens Zijn aardse leven vaak ’s nachts wakende bleef in het gebed vóór Zijn Vader, zo wordt de christen aangespoord even wakker te blijven om reeds bij Jezus te zijn. Zijn waken is een vooruitlopen op het heilsgebeuren.
Meer nog. De wakende Kerk beïnvloedt het tijdritme van de kosmos: “In het gebed, vol verwachting, de komst verhaastend van de Dag van de Heer” (2 P. 3,12). Wie gaat leven in de wake schakelt zich immers in op een originele manier in die afwisseling van dag en nacht. In zijn nachtwake draagt hij de verwachting van de Kerk die in de Heilige Geest uitziet naar Jezus. De kracht van de Heilige Geest neemt helemaal bezit van zijn nachtwaken, die op een mysterieuze wijze invloed gaat uitoefenen op het kosmische ritme van de tijd. Dit is wat de H. Petrus bedoelt als hij schrijft dat de christen al wakend en biddend ‘de Dag van de Heer bespoedigt’.
Leven in de wake is ergens gaan leven op de grens van duisternis en licht, waar Jezus steeds op komst is. De kracht van de wake ligt in de kracht van het gebed dat de Geest in ons voorbidt : Maranatha, kom, Heer Jezus (Apok. 22,20). Het is het gebed van de bruid uit de Apocalyps, die wacht op haar bruidegom. Haar wake is een liefdeswake. Zij legt de wereld bloot voor God, kwetst het hart van God en verleidt Hem naar de wereld af te dalen. Te middernacht zal eens de kreet weerklinken : “Ziet de bruidegom komt ! Gaat hem tegemoet !”. Slechts zij die op dit uur wakende gevonden zullen worden zullen met Hem het bruidsvertrek kunnen binnengaan (Mt. 25,10).
Dat de man van het gebed het ritme van de tijd kan beïnvloeden en de komst van Jezus kan bespoedigen, lijkt misschien overdreven. We hebben hiervan een andere aanwijzing. De lichamelijke wake draagt vrucht in het hart dat wakker wordt en Jezus’ komst steeds intenser gaat ervaren. In de wake van ons lichaam wordt ons hart zelf waakzaam. In de stilte van de nacht wordt het stil in haar. Het klopt alleen maar voor het wachten op Jezus. Alle andere indrukken en echo’s verflauwen. Het hart wordt een en al soberheid en aandacht. Het staat op wacht. Het gaat hier weer om die innerlijke waakzaamheid die de Vaders aanraden, de nèpsis (waakzaamheid, soberheid) die de bronnen van het gebed in ons blootleggen.
Nu kan het gebed haar intrek nemen. In onze nacht bezitten we een zekere afglans van het komende licht, een eerste gloren van de dageraad. Het Woord van God is als een “lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de Morgenster opgaat in de harten” (2 P. 1,19). Waken met Jezus is altijd waken rond zijn Woord. De H. Petrus geeft hier de beste beschrijving van de christelijke wake. Het enig licht waarover wij beschikken in onze duisternis is het Woord van God. In afwachting dat de Dag aanbreekt gaat Jezus reeds oplichten diep in ons hart, door het Woord heen, als de Morgenster, die de nabije dag aankondigt. Deze tekst is belangrijk voor ons onderwerp. Hij betekent immers dat de komst van Jezus op het einde der tijden nu reeds geanticipeerd wordt in ons hart wanneer wij waken rond het Woord. Jezus die onder het gebed oplicht in ons hart is een voorsmaak van de parousia, een innerlijke Komst. In de nacht der tijden waarin wij vandaag nog leven, is de gebedswake het eerste, flauwe licht dat in de wereld gloort, het teken dat Jezus in aantocht is.
Meer zelfs : voor wie waakt is Jezus reeds gekomen. Volgens de H. Isaac de Syriër “komt de monnik in het waken langs de kortste weg in de armen van Jezus terecht”. 22 Maar het blijft toch steeds waken en verder uitzien naar de definitieve komst van Jezus. Alles blijft onvoltooid vóór het Uur van de wereld komt op het einde der tijden. Daarom is de wake nooit af en kan het gebed steeds groeien. Meer dan andere ascese, is waken een teken van het onvoltooide dat we nooit met onze handen kunnen vervolmaken, noch van God kunnen afdwingen. Niemand kent het Uur, zelfs de Zoon niet, alleen de Vader (Mt. 24,36).
Het wachten en het waken rukt ons uit onszelf en werpt ons in de handen van God, van Wie alle voltooiing afhangt en die komt wanneer Hij wil als de wereld al wakend rijp geworden is voor de oogst. Zo ook voor het gebed. We kunnen alleen maar in de verwachting van die nieuwe wereld ingelijfd worden, met ons lichaam en met ons hart, wakend en biddend, totdat alle verzoeking overwonnen is en Jezus zelf ons weten laat : “Ik kom spoedig” (Apok. 22,20).
Wakend en biddend leeft men ergens op de grens van tijd en eeuwigheid. “Hij die waakt klimt op tot bij de liefde van God en staat van aanschijn tot aanschijn voor zijn glorie”. 23 Dit is meer dan mensen- werk. Wordt van God zelf niet gezegd dat “hij niet slaapt en niet sluimert, de waker over Israël” (ps. 120,4)? En worden de engelen in de semitische talen geen wakers genoemd? Daarom zal “het hart dat vecht in de wake, volgens dezelfde Isaac, het oog van een cherubijn verkrijgen en zonder ophouden de hemel schouwen”.24
En toch blijft de biddende waker met zijn lichaam vast geworteld in deze wereld. Misschien is er zelfs geen andere ascese die de mens intiemer bindt aan het ritme van de kosmos en hem zo laat doordringen tot de onzichtbare bron die haar beheerst. Want ook de stoffelijke wereld is door de Geest ingenomen en zucht naar haar verlossing (Rom. 8,19). In de wake beleeft de mens dit verlangen van de hele schepping. De Geest die kreunt in de aarde, kreunt ook in zijn hart. Zijn waken staat open voor het reikhalzend verlangen van de schepping naar zijn vervulling en voor de drang die zij voelt naar de komst van de Heer. Hij alleen kan een zin geven aan de wereld, door zijn gebed dat de universele wake van de kosmos verwoordt, door de wake waardoor hij in zijn eigen lichaam de barensweeën draagt van de nieuwe wereld die geboren wordt. “Gedurende de nachtwake droegen zijn oogleden de loodzware slaap van de wereld. Moge nu aan zijn ogen het licht schijnen dat nooit meer ondergaat”, bidt de Syrische dodenliturgie bij het begraven van een monnik.
Vasten en bidden.
Zoals de wijze maagden uit het evangelie, wachten ook wij op de komst van de bruidegom, terwijl we onze lampen brandende proberen te houden. Het woord van God is ons tot olie en ondersteunt ons wachten. Want de bruidegom is er niet meer en we hebben alleen maar de belofte dat Hij terug zal komen; het tijdstip is echter onbekend. Deze afwezigheid van Jezus en ons gestadig wachten op Hem drukt zich nog op een andere manier uit in ons leven : “Op zekere dag kwamen de leerlingen van Johannes tot Jezus met de vraag : Waarom vasten wij en de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet? Jezus sprak tot hen : De vrienden van de bruidegom kunnen toch niet bedroefd zijn zolang de bruidegom bij hen is. Er zullen dagen komen, dat de bruidegom van hen is weggenomen; dan zullen zij vasten” (Mt. 9,14-15).
Het vasten van de christen is dus een teken dat Jezus komt en dat de grote beproeving die het einde der tijden moet inluiden reeds voor de deur staat. Een gelijke rol speelde het vasten ook in het leven van Jezus. In de eenzaamheid van de woestijn, op de drempel van Zijn openbaar leven, ging de grote beproeving van Jezus gepaard met vasten, in de verzoeking bij uitstek die hem als het ware tot een lijf-aan-lijf-gevecht met de duivel zelf dwong, en waaruit Hij, door de kracht van de Heilige Geest die hem de woestijn ingedreven had (Mt. 4,1), zegevierend te voorschijn trad (Lc. 4,14).
Jezus heeft die strijd uitgevochten, slechts gewapend met Bijbelwoorden die Hij als pijlen hanteerde tegen de suggesties van de verleider, moederziel alleen in de eenzaamheid, al wakend en vastend, alleen in de eenzaamheid, al wakend en vastend, in het onherbergzame oord dat Hij steeds bij voorkeur uitkoos om in gebed te staan voor zijn Vader. Eenzaam zijn, vasten en waken rond het Woord, zijn voor Hem de school geweest waar Hij heeft leren bidden als mens in deze wereld. Daarom heeft ook ons vasten normaal iets te maken met gebed; en beide met de verleiding en met de strijd tegen de duivel. Een zeer oude variant van de evangelische tekst drukt dit snedig uit : “sommige duivels worden slechts verdreven door bidden en vasten” (Mt. 16,21). Ook al zou zij niet tot de grondtekst behoren, toch drukt deze variant een aloude consensus van de traditie uit. Ze kan ook op het persoonlijk voorbeeld van Jezus steunen.
Deze techniek van het vasten moet hier opnieuw helemaal opgenomen worden in een geestelijk dynamisme om vrucht te kunnen dragen die alleen door de Heilige Geest kan gegeven worden, namelijk het gebed. Christelijk vasten is natuurlijk niet in de eerst plaats een soort dieet dat functioneert ten voordele van het fysisch of psychologisch evenwicht. Dit zou onvoldoende zijn. De lichamelijke honger moet onmiddellijk verwijzen naar een andere honger : naar God. Lichamelijke en geestelijke honger gaan harmonieus samen in een vasten die beleefd wordt in de Geest en alleen dan op de naam van gebedstechniek aanspraak kan maken. Hij die vast zal aan den lijve kunnen ondervinden hoe de mens niet alleen van brood leeft maar van elk Woord dat voortkomt uit de mond van God. Isaac de Syriër vertelt ons een merkwaardige maar leerrijke anekdote. Een zekere monnik had de gewoonte maar tweemaal in de week te eten. De andere dagen bracht hij in volledig vasten door. Hij bemerkte echter dat dit laatste hem vrijwel onmogelijk werd zodra hij voorzag dat hij het gebed en de stilte in de loop van de dag zou moeten onderbreken. 25 Vasten dat niet van meet af op ononderbroken gebed ingesteld kon zijn, werd dan ook fysisch onmogelijk.
Volgens dezelfde auteur deed een andere monnik een analoge ervaring op, doch in omgekeerde rich- ting. Zodra hij gedurende een zekere tijd in eenzaamheid en gebed had kunnen volharden werd het eten voor hem een probleem. Hij moest er zich met geweld toe dwingen, en slaagde er zelfs niet altijd in “want hij was onophoudelijk in vrij en ongedwongen gesprek met God, zonder enige inspanning”26 Vasten loopt dus normaal uit op gebed, en bidden leidt onvermijdelijk tot een spontane onthouding in eten en drinken. Hier opnieuw ontmoeten hart en lichaam elkaar tot een vruchtbare wisselwerking. Ze gaan samen op in een lofzang tot de Heer.
Hoe is dit mogelijk? Alvorens vasten in gebed overgaat, en de een niet meer buiten de ander kan, zal het vasten een nieuwe diepte in het hart van de mens moeten uitgraven. Vasten raakt de mens in één van zijn meest vitale ritmes : het dubbele ritme van voedsel, dat zich opeenvolgend als behoefte en als bevrediging voordoet. Vanaf de allereerste ogenblikken van zijn bestaan buiten de moederschoot is het mensenwezen gestructureerd door de opeenvolging van deze twee momenten. Zo kan hij in leven blijven en is het hem mogelijk zich geleidelijk te situeren ten opzichte van alles rondom hem. Het pasgeboren kind heeft honger of is verzadigd. Behoefte en bevrediging, honger en verzadiging, met hun karakteristiek van pijn en genot wisselen zich voortdurend af.
Hoe meer de volwassene zich ontwikkelt naar de grond van zijn bestaan, hoe dieper ook de behoefte wordt en hoe minder hij in feite bevredigd wordt door het materiële voedsel dat hem wordt voorgeschoteld. Er komt een dag dat de honger en de dorst naar de levende God in hem geboren worden en, boven het aardse voedsel uit, in zijn lichaam gegrift worden. “Gelijk een hinde naar de waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar U…!” (Ps. 4,2; cf. 62,2). Van dan af kan alleen Jezus zijn dorst volledig lessen : “Als iemand dorst heeft, hij kome tot mij, hij drinke… Hiermee doelde Hij op de Geest, die zij zouden ontvangen (Joh. 7, 37-39).
Vasten grijpt diep in de mens in. Het kwetst hem zelfs, maar zonder hem te schaden, tenminste wanneer de lichamelijke onthouding trouw verwijst naar een veel diepere en geestelijke onthouding, die de mens eigenlijk nog veel meer kost : de afwezigheid van Jezus, de Bruidegom. Het zich ontzeggen van werelds voedsel betekent dat we zelfs in ons lichaam onze honger naar de komende eeuw willen uitdrukken en naar Jezus zelf, het Brood dat uit de hemel voor ons nederdaalde (Joh. 6,33). Wanneer het vasten in deze optiek beleefd word, doet ze bij de mens een geestelijk rijpingsproces optreden naar binnen toe, waardoor hij langzaam maar zeker overgeschakeld wordt naar zijn nieuwe bestaans- werkelijkheid, naar het zijn-in-de-Heilige-Geest. Terloops zij aangestipt dat hier ook de betekenis en de onzichtbare kracht van het eucharistische vasten schuilgaan. De spanning wordt slechts door de sacramentele communie met Jezus opgeheven zoals ook, buiten de heilige communie, de spanning van het vasten slechts in de intimiteit van het gebed met Jezus bevredigd wordt.
Zodoende werken vasten en bidden heel diep op de psychologische uitbouw van de mens in. Tot op zekere hoogte dragen ze bij tot het uitwissen van de sporen van de zonde in hem. Want ook de psychologische behoefte die zo blind is en vaak zo sterk met wellust behept kan zijn, wordt er grondig door gewijzigd. Het gaat er immers niet om, door vasten de behoefte aan lichamelijk voedsel over te hevelen naar het vlak van het geestelijk voedsel. Er kan immers ook een geestelijke snoepzucht bestaan die even ik-zuchtig is als de andere en evenzeer de vrije activiteit van de genade in ons belemmert. Integendeel, vasten vraagt veel meer. Het gaat erom te verzaken aan elke ik- zuchtige snoepzucht, om elke behoefte, van welke aard ook, geleidelijk om te vormen in een geduldig en eerbiedig verlangen naar de Ander, die zich alleen maar vrij en onverplicht geven kan. Onze min of meer heerszuchtige behoefte aan God, die hem in feite zou willen vast kluisteren aan onze eigen willekeur, gaat door gebed en vasten over in een nederig en verwachtend openstaan naar Hem. We kunnen God alleen uit de diepten aanroepen, zonder ooit de hand op Hem te kunnen leggen (Ps. 129,2).
Men kan God immers niet vastgrijpen zoals men een stukje brood in de hand neemt. Men kan de Geest niet drinken als een glas water. Om even het psychologische jargon te gebruiken, vasten en bidden kunnen in ons de overgang bewerken van de behoefte (le besoin) naar het verlangen (le désir). Dit betekent in de taal van de Bijbel, dat we geen genoegen meer nemen met de melk die aan pasgeboren kinderen gegeven wordt, maar dat we nu ook het stevige voedsel van de Geest aan kunnen, waarop zij recht hebben die de mannenmaat van gestalte in Jezus bereikt hebben (cf. 1 P. 2,2, ; Ef. 4,13). Vasten en bidden zijn dan de uitdrukking van een grote en gelouterde liefde – de castus amor van de middeleeuwers – , die zich uit in een onvoorwaardelijke overgave en in een geduldig afwachten van de wonderen die God, vrij en ongedwongen, in ons leven verrichten wil.
Zoals de H. Romualdus het met een zeer gaaf beeld uitdrukte, is de biddende mens “als een kuikentje, geheel tevreden met de genade die God hem toedeelt (contentus de gratia Dei), die niets te heten heeft als de kloek – dit is de genade (mater gratia!) – het hem niet schenkt”. Wanneer elke onbewuste behoefte tot puur verlangen uitgezuiverd is, kan God het ook beantwoorden met al zijn goedertierenheid. Vrijgevigheid die ons zijn gaven voor niets schenkt, waarop we echter nooit beslag kunnen leggen: “Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde” (Ps. 72,25).
Het vasten is dan de bron van onzeggelijke vreugde. De vreugde van hem die alleen uit de hand van God eet. Terwijl het waken ons als het ware de tijd doet overstijgen, doet het vasten ons diep tot de onbewuste lagen van ons wezen afdalen, daar waar we ons, door de kracht van de Geest, kunnen meten met alle behoeften en driften. In het waken gelijkt de mens op de engelen die dag en nacht het gelaat van God aanschouwen. Het vasten stelt hem in staat in zijn eigen wezen de diepe honger van de ganse schepping te beleven, honger die nooit in een lichaam kan gestild worden, die de Geest alleen kan verzadigen. Want de Geest is het die steeds weer aan vasten en bidden in ons stuwkracht en doel geeft, en die beiden verhoort, mateloos, ver boven alle behoeften en verlangens uit.
Bidden in het leven.
Deze gebedstechniek grijpt heel diep in het leven van de mens in. Het gebed is geen opdreunen van formules of verwekken van vage gevoelens. Het schept een nieuw hart in de mens. Langs zijn lichaam wordt hij in het gebed ingeschakeld met alle vitale functies en in al zijn dimensies : liefde en gemeenschap, eten en slapen, tijd en eeuwigheid. Gebed is de kracht van de Geest die een mens helemaal doordesemt en, door die mens heen, ook de kosmos bereikt. Gebed is, in de diepste kern van de mens, in zijn hart, de echo en de weerslag van het ‘streven van de Geest’ (Rom. 8,6) die de ganse wereld voortstuwt naar het komende eoon. Niet alleen de weerslag, maar de polsslag van de Heilige Geest zelf, daar waar Hij in de schepping het duidelijkst waarneembaar is.
Aan echt gebed kan nooit verweten worden dat het buiten het leven staat of zich in de onwerkelijk- heid verliest. Gebed dat dit verwijt zou verdienen bewijst hiermee dat het geen gebed meer is. Misschien louter formalisme of steriele introspectie. Echt gebed staat altijd ergens ‘in het hart van de aarde’ (Mt. 12,40). Het is de motor van alle zijn, de verborgen krachtbron die alles aan de gang houdt. De gebedsziel is in de meest letterlijke zin ziel van de wereld. Hoe meer zij uitsluitend van de Geest van God leeft, hoe intenser zij leeft van de wereld en voor de wereld.
In dezelfde context rijst de vraag op of men vandaag beter van geseculariseerd bidden kan spreken. Was het gebed vroeger niet teveel een sacrale activiteit, waar men zich aan de eisen van de wereld en van het leven trachtte te onttrekken? Een vluchtheuveltje waar de mens met zijn God veilig stond tussen de drukte van het profane verkeer? Vandaag zijn er heel wat gebedsvormen die op het eerste gezicht voorbijgestreefd lijken. Men zoekt naar gebed dat spontaan uit de alledaagse werkelijkheid opwelt, die werkelijkheid op de voet volgt, zich vastklampt aan de concrete gegevens van het leven, aan de kleine vreugden en tegenslagen van elke dag, aan de strijd voor het bestaan. Daar alleen denkt men God te kunnen bereiken. Andere gebedsvormen waar men op de één of andere manier in direct contact met God meent te kunnen treden, lijken velen a priori verdacht of worden in twijfel getrokken.
Men zal grif toegeven dat de secularisatie-trend ons concept van bidden grondig gezuiverd en van vele valse begrippen ontdaan heeft. De God die slechts aan de horizon opdaagt om het de mens gemakkelijker te maken, is misschien toch wel een afgod die de mens alleen maar minder mens maakt. En gebed dat niets méér zou zijn dan de bewustwording, onder de vorm van geprojecteerde dialoog, van onze onvoldane behoeften, zal fataal uitlopen op het straatje zonder einde van narcissisme, zelf-contemplatie en geestelijke zelfgenoegzaamheid. Gezonde secularisatie moet ons steeds weer verplichten in het gebed van ons valse ik afstand te doen en de levende God zèlf aan te durven. Hij die een verterend vuur is.
Secularisatie kan echter ook een bedreiging worden voor het gebed. Er is gevaar dat zij de menselijke condities van het gebed te sterk ophemelt. De nadruk komt dan zo uitsluitend op de techniek als zodanig te liggen, dat dit alle verdere uitgroei van het gebed kan belemmeren. Het gebed komt niet van de grond los, steekt nooit echt van wal, en krijgt geen gelegenheid om de wind van de Geest in volle zeilen mee te krijgen.
Dit betekent niet dat een gebedstechniek op zichzelf waardeloos zou zijn. Integendeel. Dit geldt evenzeer voor de techniek van inkeer en inwendige rust die ons vandaag uit het Verre Oosten overkomen. Zij kunnen ons allen op de weg zetten tot gebed. Uit zichzelf kunnen zij ons echter niet tot het doel brengen. Eerst moeten ze als het ware over zichzelf heen groeien om in het Pascha van Jezus te worden opgenomen. Dit gebeurt niet vanzelf en zonder meer. De techniek moet eerst tot haar nulpunt afdalen. Hij die er zich op toelegt zal zijn inspanning ergens zien afbreken, in elkaar zakken, ontoereikend tegenover de opgave van het gebed. Die kloof tussen de natuurlijke gebedstechniek en de gave van het gebed is van de mens uit niet te overbruggen. Elke techniek loopt dood op de dood van Jezus. Zij ontmoet de dwaasheid van Zijn kruis.
Langs het geloof van hij die bidt, kan ze geleidelijk opgenomen worden in de levenwekkende Paasdynamiek. Dan pas wordt de kloof overbrugd door de genade van de Heilige Geest, die van elke techniek een sacrament kan maken van Jezus’ gebed en van zijn Pascha. Van welke aard de techniek dan ook zou zijn, zij is geen mensenwerk meer, maar een wonder van de Geest, dat Hij alleen kan bewerken in hen die arm genoeg zijn, en zich genoeg zondaar weten om alles van God alleen te verwachten.
Zijn we hier niet opnieuw op het verkeerde spoor? Dit gebed-dicht-bij-het-leven, laten we het niet in de sacrale onwerkelijkheid opgaan en vervliegen? Helemaal niet. We zijn in tegendeel veel dichter bij de diepste werkelijkheid gaan staan van het zijn, al ligt die kern niet aan de buitenkant van de wereld en is zij onzichtbaar voor het blote oog.
De tegenstelling tussen sacrale en seculiere gebedsvormen geeft hier ten andere geen voldoening. Niet dat deze distinctie uit de lucht zou gegrepen zijn. Er bestaan zeker gebeden die meer onmiddellijk aan het concrete leven ontspringen, zoals er andere gebedsvormen zijn die veel meer aan de wetten van een bepaald genre proberen te voldoen. Dit onderscheid is echter niet zo belangrijk. Elk gebed, of het nu in een sacrale sfeer wordt uitgesproken of niet, moet in ons door de Heilige Geest worden overgenomen. Dit is het enige wat van belang is : dat wij in ons gebed door de Geest van Jezus geleid worden (Rom. 8,14). De Geest sacraliseert ons gebed niet, en Hij desacraliseert het evenmin. Wat het gebed ook is , de Geest zuivert het en maakt er Zijn gebed van, in ons. Hij alleen kan ons schenken dat onze inspanning het dode nulpunt van de gebedstechniek overstijgt, en dan opbloeit in overgave, in geduldig openstaan voor de niet-tevoorziene en puur gratuiete gave van God.
Toch is het meest inwendige gebed niet zonder band met ons leven naar buiten. Die band moeten we nu nog even van dichtbij nagaan. Er bestaat een zekere wisselwerking tussen ons gebed en onze activiteit als mens-in-de-wereld. Eerstens komen we door het gebed tot een beter onderscheid van Gods wil over ons; terwijl onze overgave aan de Wil van God ons dan weer verder vrijmaakt voor het gebed. In de tweede plaats komen we al biddend tot een gevoeliger kennis van mensen en gebeurtenissen, terwijl deze groter doorzichtigheid van de wezens ons weer opnieuw tot meer bidden stemt. Over dit tweede aspect zullen we in het volgende hoofdstuk verder uitweiden, als we spreken over de offerande van het gebed. Hier slechts iets over de band tussen de wil van God en het gebed in ons, de gehoorzaamheid.
Eerder in dit boekje zagen we reeds hoe het gebed van Jezus culmineerde in zijn volledig opgaan in de Wil van de Vader. Anderzijds was de gehoorzaamheid het voedsel zelf van Zijn wezen en van Zijn bidden, zij was gebedsgehoorzaamheid. Dit geldt ook voor de christen wiens gebed zo onmiddellijk betrokken is op de concrete ervaringen van het dagelijkse leven. Hij die bidden wil, moet in zijn hart een plaats inruimen voor die ‘volmaakte Wil’ van de Vader (Ef. 1,9). Daarom moet hij alles opruimen wat tegen die Wil zou ingaan : de eigen, beperkte willetjes, de kortzichtige verlangens die de benauwde horizon van zijn eigenbelang niet ontgroeid zijn. Om te gaan staan in de Wil van de Vader, moet hij zich ontdoen van zelfzucht en egoïsme.
Gehoorzaamheid valt zo ook onder de ascese en kan als een essentiële gebedstechniek beschouwd worden. Voor de monnik is deze labor obedintiae, dit zwoegen van de gehoorzaamheid, zoals de H. Benedictus het uitdrukt,27 zelfs de ascese bij uitstek. Men hoeft echter geen monnik te zijn om de gehoorzaamheid te beoefenen. Men hoeft zelfs geen onderdaan te zijn. Want in zulke gehoorzaamheid gaat het niet op de eerst plaats om het gehoorzamen aan een ander of aan het bonum commune, aan het gemeenschappelijke goed van een groep – iets wat zonder twijfel ook moet gebeuren. Het belangrijkste in de gebeds- gehoorzaamheid is het systematische opgeven van de eigen wil, zodra we inzien dat de Wil van de Vader duidelijker in ons gaat opleven. De tegenheden, het onverwacht gebeuren, de voorkeur van anderen, vooral alles wat ons ergens kwetst of dwars komt te zitten, kunnen voor ons het teken zijn dat we gehecht zijn aan iets anders dan aan God en aan Zijn liefde. Zij maken duidelijk, dat voor ons opnieuw een Uur gekomen is waar we, als Jezus, onszelf helemaal kunnen opgeven. Dit afsterven aan onze verlangens zal in ons hart volle ruimte geven aan het grote verlangen van de Vader : “niet Mijn wil, maar Uw Wil geschiede”. Want deze eigen wil, in de zin van onze bekrompen verlangetjes is niet echt van ons. Deze laatsten kunnen onze diepe persoonlijkheid niet uitdrukken. Zij maken slechts ons oppervlakkige kunstmatige ik uit, dat nog steeds de kwetsuur van de zonde draagt en er onrustig en onhandig op reageert. Slechts wie zich van die grilletjes-en-willetjes steeds opnieuw ontdoet, en aan niets anders gehecht is dan aan Jezus, komt innerlijk tot rust. In hem kan de Wil van de Vader, diep in hem verborgen, aan de oppervlakte van zijn hart komen. De Wil wordt dan zijn eigen wil. Zij wordt uiteindelijk zijn voedsel (cf. Joh. 4,34), de drijfkracht van zijn actie, het enige Werk dat hij hier beneden te volbrengen heeft (cf. Hoh. 4,34).
De ascese van de gehoorzaamheid herstelt de mens in die ‘een-voud tegenover Christus’ (2 Cor. 11,3), waarin hij geschapen werd. Eén-voudig, d.w.z. dat er slecht één vouw, één plooi in zijn hart is : de Wil van de Vader. Hij is een nieuw mens geworden, in de luister van de eerste schepping. Daarom is de gehoorzame mens ook een mens van gebed. Hij heeft een hart teruggevonden waaruit het gebed onweerstaanbaar opwelt. Volgens de H. Johannes Climacus wordt de gehoorzame monnik gedurende het gebed ‘plots van licht overstroomd en loopt hij over van vreugde, want dankzij de gehoorzaamheid stond hij op de drempel van het gebed, en reeds in lichterlaaie”. 28
Het gebed dat zonder ophouden in ons hart vloeit, helpt ook om in de gebeurtenissen en in de mensen de Wil van de Vader te herkennen. Dit is steeds een moeilijke opgave. In bijna al zijn brieven, spoort de H. Paulus zijn christenen aan tot het gebed opdat de Heer hen zijn volmaakte Wil zou openbaren (bijv. Rom. 12,2 ; Ef. 5,17). Dit veronderstelt een zuiver hart, dat helemaal tot zichzelf gekomen is en zich van alle ik-zuchtige en zondige uitwassen onthecht heeft. Dan kan het hart de Wil van de Vader herkennen buiten en boven al het andere om. Het ziet, waar anderen blind zijn. Het onderscheidt de diepe werkelijkheid, waar de meesten elkaar leiden tot ze samen in de sloot terecht komen. In het gebed worden de illusies van de eigen wil ontmaskerd. “Het waakzame en sobere hart”, zegt Hesychius van Batos, “roept voortdurend Christus aan van uit de diepten, met onuitsprekelijk gezucht. Hij die zo kampt, ziet de vijand uiteen stuiven voor de heilige en aanbiddelijke Naam van Jezus, als stof voor de wind”. 29 De zuiverheid des harten waartoe dit opgeven van de eigen wil leidt is dezelfde waaraan het onophoudend gebed zal ontspringen. Volgens de oudvaders is de één de andere waard. Maar kan het gebed nooit ten koste gaan van de gehoorzaamheid, stipte gehoorzaamheid is soms te verkiezen boven de rust van het gebed. Dit volgens de H. Johannes Climacus die van mening is dat God het onverstrooide gebed niet vraagt aan hen die zichzelf gans opgeven in de gehoorzaamheid.30 Indien het gebed ons de Wil van de Vader beter doet inzien, dan helpt het ons ook de werkelijkheid dieper te doorgronden. Voor een hart dat baadt in het gebed, wordt alles doorzichtig. De diepe kern van het zijn is haar onthuld. In het gebed verwijst alles naar God, noemt iets van zijn Naam, looft Hem onophoudend. Bidden wordt hier viering. Het behoort tot een priesterschap en celebreert een sacrificium laudis, een lofoffer waar de schepping haar diepe zin terugvindt. Op dit biddende priesterschap komen we verder in dit boek nog terug.
Is hier nog verschil tussen werken en bidden? Is mijn werk nu gebed geworden? Zozeer zelfs dat ik het bidden eventueel opzij kan zetten, en gans in mijn werk opgaan waardoor ik voortdurend met God bezig zal zijn? Het werk van de mens kan inderdaad een voortdurende aanleiding worden tot gebed. Niet dat het gebed dan door het werk opgeslorpt wordt. Maar omdat het hart van de biddende mens zo zuiver is geworden dat het door de sluier heen ziet, die de zonde over de wereld geworpen heeft. “Alles is zuiver voor hem die zuiver is” (Tit. 1,15).
Dit veronderstelt natuurlijk ècht gebed, waardoor men tot de bodem van zijn hart is afgedaald en daar voortdurend kan verblijven, wakend en biddend. Een gebed dat eigenlijk nooit meer ophoudt. Is dit mogelijk? Jazeker, voor wie uit ondervinding weet wat het betekent te bidden met zijn hart, en niet alleen met de lippen of met het verstand. Eén en hetzelfde orgaan kan niet tegelijkertijd door twee verschillende objecten in beslag worden genomen. Je kunt niet gelijkstondig een dagblad en een roman lezen, of op hetzelfde ogenblik naar twee verschillende muziekplaten luisteren. Maar onder dit alles kun je bidden, ook onder het werk, ook gedurende de studie. Het gebed vloeit immers voort uit het hart alleen. En het gebed alleen kan je hart tot in zijn diepste grond bezig houden. Daarom kan het de ware ondertoon worden van je zijn en van je handelen. Dit veronderstelt echter dat die weg altijd vrij blijft.
Is het dan niet mogelijk om buiten je hart om het gebed te bereiken? Om bijvoorbeeld langs de dingen en de mensen direct naar God op te klimmen? Zou dit dan niet een andere weg zijn naar het gebed, een gebed dat geen afstand hoeft te nemen van het concrete leven, maar er steeds helemaal ingeworteld blijft, een gebed dat uit het leven zèlf geboren wordt?
Op zichzelf is dit een mogelijkheid, en wij willen die weg niet afsluiten. Al het geschapene is beeld van God, en kan ons dus weer op de weg zetten naar God. Alles werd in het Woord geschapen (Col. 1,15-16), en kan ons dus spreken van God. Hoezeer het beeld ook door de zonde verduisterd is, en het goddelijk geluid der dingen door een opdringerige neventoon verstoord wordt.
De vraag is echter of deze weg, zonder de hulp van de traditionele gebedstechniek die in dit boek beschreven werd, niet een bijzonder lange weg wordt, misschien zelfs een omweg zonder meer. Want God spreekt niet alleen in de dingen. Hij schonk ons Zijn gesproken Woord op schrift, en Zijn bloedeigen Woord, de Zoon, in ons menselijk vlees. En beide zijn ons onzeggelijk nabij, veel meer dan welk schepsel ook : “Het Woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart” (Rom. 10,8 ; cf. Deut. 30,14). En wie in Jezus’ Woord gelooft, Jezus blijft in hem, en hij in Jezus (Joh. 17,23). De schat ligt verborgen in je eigen hart. Je hoeft slechts de prijs te betalen, desnoods alles te verkopen vol vreugde, en het gebed behoort je toe.

ZEVENDE HOOFDSTUK

DE OFFERANDE VAN HET WOORD

Uitwendige en inwendige liturgie.
Vooraleer we nog dieper op het vieren van het gebed ingaan rijst de vraag over het verband tussen liturgisch gebed en inwendig gebed. Die vraag kunnen we niet langer uit de weg gaan. Af en toe dook ze reeds op en waren we op het punt haar duidelijker te stellen. Bijvoorbeeld, in hoofdstuk vijf, toen we het hadden over de psalmen. Enerzijds worden psalmen immers bij voorkeur gebruikt in de liturgie. Ze zijn bij uitstek een liturgisch gebed, en daarom een typisch mondgebed, een uitwendig gebed. Anderzijds worden de psalmen ook graag in privé gebruikt. Voor vele gelovigen werken ze inspirerend en zijn het voedsel van hun stil, inwendig gebed.
Deze dualiteit van de psalm gaat terug tot zijn oorsprong. Van de meeste psalmen kan met enige zekerheid gezegd worden dat zij in de eerst plaats voor liturgisch gebruik geschreven werden. En toch waren ze telkens weer gerijpt en gegroeid uit zeer persoonlijke ervaringen.
In de psalm vinden we daarom deze tweeslachtigheid van elk christelijk gebed terug. Het is een publiek gebed, en niet alleen de Kerk maar ook de ganse wereld is erin betrokken. Toch is het steeds een uiterst persoonlijk gebed, het verwoordt de onuitsprekelijke band tussen God en mijzelf, die met anderen niet te delen is ; daarom doet men er goed aan zich in een binnenvertrek op te sluiten en God te bidden in de eenzaamhied en in het verborgene (Mt. 6,6). Want het Woord van God is tegelijkertijd een publiek Woord en een privé-Woord. Het roept de ganse Kerk bijeen en het spreekt iedere mens strikt persoonlijk aan. Wat in de gemeenschap gecelebreerd wordt, moet tot in de
meest verborgen hoeken van elk hart doordringen en daar werkelijkheid worden. Het is éénzelfde Woord, éénzelfde ‘luisterrijke kringloop’, éénzelfde vrucht : het gebed dat nooit ophoudt.
Nog niet zolang geleden werd in de westerse spiritualiteit een duidelijke lijn getrokken tussen liturgisch gebed en inwendig gebed. Bij sommigen ging het niet alleen om een vrij scherp onderscheid. Het groeide zelfs uit tot een tegenstelling. Soms kwam het ook tot een rivaliteit tussen de twee. Sommigen sloegen het liturgisch gebed hoger aan ; anderen wezen op de noodzaak van inwendig gebed. Maar tot een juiste beschrijving hoe die twee zich tot elkaar verhouden kwam het in de meeste gevallen wel niet. Uit alles wat hier in dit boek voorafging zal het nu duidelijk geworden zijn dat er geen essentieel verschil is tussen liturgisch en inwendig gebed. De structuur van beide is dezelfde. Het Woord van God neemt bij de twee de centrale plaats in. Het Woord wordt verkondigd in de liturgische gemeenschap; hetzelfde Woord wordt beluisterd in de stilte van het eenzame gebed. In beide gevallen is de kringloop van het Woord precies dezelfde. Het Woord zal het hart treffen, in het hart opgenomen en geassimileerd worden, en ten slotte weer uitgesproken of uitgezongen worden in lofzang en dankzegging. En dit dan wel in een gemeenschappelijke ofwel in een privé-celebratie. In beide celebraties spelen de stille momenten een even belangrijke rol als het luisteren naar het Woord. In de officiële liturgie hebben we die stille momenten onder de vorm van gebedspauzes met de recente hervorming van liturgie teruggevonden. Maar in de celebraties van de primitieve Kerk zijn ze nooit afwezig geweest.
De oudste monastieke literatuur spreekt zelfs heel duidelijk van twee soorten celebratie of liturgieën, die elkaar dag en nacht opvolgen in het leven van de monnik. In zijn Instituta bijvoorbeeld, heeft de heilige Johannes Cassianus ons een nauwkeurige beschrijving nagelaten van het officie dat de monnikenvanEgyptecelebreerden.1 Hetgemeenschappelijknachtofficiebestaatuiteen schriftlezing, psalmen en stil gebed. Na elke psalm staat de ganse gemeente op en werpt zich als één man ter aarde neer. Enige ogenblikken slechts, want het gevaar tot inslapen is in deze postuur en op dit nachtelijk uur bijzonder dreigend, merkt Cassianus met humor op! Dan veert iedereen weer op en het stille gebed wordt rechtop, in de klassieke gebedshouding van weleer, voortgezet. Op dit ogenblik is het meest volstrekte stilzijgen voorgeschreven. Ieder nutteloos geluid moet vermeden worden, tot het snuiten van de neus en het schrapen van de keel toe! Dit tot de voorganger een teken geeft en één van de oudsten, ieder op zijn beurt, het gebed uitspreekt – de psalmcollectie – die de ene psalm afsluit en de volgende inleidt.
Hiermee is de nachtwake echter nog niet afgelopen.
Als deze afwisseling van schriftlezing, psalm – er worden er elke nacht twaalf voorgedragen – en inwendig gebed klaar is, haasten de monniken zich nog voor dag en dauw naar hun cel terug. Daar zegt Cassianus, gaan ze verder met hetzelfde lofoffer privaat op te dragen. 2
Zelfs nu is de liturgie nog niet ten einde. De gehele dag door wordt ze, privé en zonder ophouden, in hun hart verder gecelebreerd.3 Tenminste dat is de bedoeling en in die richting zijn al het streven en de ijver van de monnik georiënteerd. Dit zelfs gedurende de handenarbeid die zorgvuldig zal uitgekozen worden en van dien aard moet zijn dat hij deze inwendige activiteit niet mag bemoeilijken.
Uit die teksten blijkt ten overvloede dat de structuur van de uitwendige en van de inwendige liturgie precies dezelfde is. Beide zijn op elkaar ingesteld. Wat de monnik, samen met zijn broeders, in de gezamenlijke liturgie als het ware geleerd heeft, dat moet hij gedurende de hele dag, elk op zijn eigen ritme, in de eenzaamheid van zijn cel verder celebreren. Hier ligt de levende band tussen de liturgie in de kerk en de liturgie van het hart.
Een te weinig bekend maar zeer belangrijk document uit de Syrische literatuur van het begin van de 4e eeuw heeft die band tussen de twee op een merkwaardige manier uitgewerkt. Het gaat over het Boek der trappen (Ketôbô demasqetô). Volgens de onbekende auteur van dit geschrift is de ene Kerk van Jezus verdeeld over drie verschillende kerken, elk met haar eigen liturgie: de zichtbare liturgie in de kerk, de onzichtbare in het hart, de hemelse liturgie vóór de troon van God. De gelovige moet trapsgewijze van de ene liturgie naar de andere opklimmen.
Eerst komt de zichtbare liturgie aan de beurt die we in de kerken vieren. Daar kan geen enkel
christen buiten. Ieder moet zijn offer celebreren zoals alle andere gedoopten en “soms rechtop staan, dan weer zich ter aarde werpen, ofwel heen en weer lopen, of zingen in de Heilige Geest “ (27,5). Muziekinstrumenten zijn hierbij niet uitgesloten. Zij kunnen behulpzaam zijn aan hen die nog niet weten te “loven met hun inwendige zintuigen” (7,16).
Voor de meeste gelovigen blijft het echter hierbij. Dit is jammer. Ze waren eigenlijk geroepen om verder door te dringen en deel te nemen aan de twee andere liturgieën : die van het hart en de hemelse : “De Kerk van hier beneden, met haar altaar en haar doopsel, baart slechts kleine kinderen. Ze drinken er melk totdat ze van de moederborst gespeend worden. Zodra ze groter worden, maken ze hun lichaam tot een tempel en hun hart tot een altaar. Ze eten dan ook een voedsel dat stevig is en beter dan melk. Dit zolang tot ze volmaakt worden en in alle waardigheid de Heer zélf kunnen nuttigen… Zij zijn het die de Kerk van hierboven bereiken die hen zal vervolmaken. Zij zullen binnengaan in de Stad van Jezus, onze koning, en ze zullen hun liturgie mogen vieren in dit grandioze paleis, dat de Moeder is van alle levenden” (12,3).
Dit zijn dan de drie etappes waarlangs men van de zichtbare liturgie opstijgt naar de hemelse, dit over de inwendige liturgie van het hart. Halverwege tussen de aardse en de hemelse liturgie, en aan beide deelachtig, bevindt zich immers de ‘kerk van het hart’ waar elke gelovige, voortdurend maar op onzichtbare wijze, zijn stille liturgie kan celebreren, het ‘verborgen werk’, de ‘offerande van het hart’ (3,14), het ‘verborgen gebed van een hart dat aan de Heer vastgekluisterd is en zonder ophouden met Hem bezig blijft’ (12,1).
Niemand kan tot die stille liturgie van het hart doordringen zonder eerst de zichtbare liturgie in de kerk meegecelebreerd te hebben. Maar wie ooit het heiligdom van zijn hart mocht bereiken, weet uit ervaring dat hij daar reeds een glimp zal opvangen van de liturgie die Jezus zélf in de hemel voorgaat. Het hart ziet uit op de hemel. Zoals Isaac de Syriër het schrijft : “Haast je binnen te gaan in de bruidskamer van je hart. Daar zal je de bruidskamer van de hemel vinden. Want die twee zijn één en dezelfde bruidskamer, en door één en dezelfde deur kun je in die twee bruidskamers binnenzien. De trap die naar het Koninkrijk opklimt is immers verborgen in je diepste hart”.4
We mogen dus niet blijven stilstaan bij de celebratie van de uitwendige liturgie en daarmee genoegen nemen : “het geestelijk leven blijft niet beperkt tot de deelneming aan de liturgie” merkte het tweede Vaticaanse Concilie op in een document dat aan de ganse liturgie een nieuw en zeer positief statuut gaf.5 Hoe meer ons hart wakker is, hoe vuriger het zal bidden en hoe minder we daartoe zullen geneigd zijn. Want het stille gebed is niets anders dan de vrucht van de liturgie. De publieke liturgie zullen we zeker steeds beter willen celebreren, maar terzelfdertijd zullen we ons aangetrokken voelen om nog meer tijd te besteden aan inwendig gebed. De verhouding tussen de twee zal langzamerhand gaan omslaan. Gaven we eerst veel meer tijd aan de zichtbare liturgie, nu zullen we de behoefte voelen geheel vrij te komen voor de liturgie van het hart. We zullen zelfs spontaan een eenvoudiger liturgie gaan opzoeken, met minder uitwendige luister misschien, maar vooral met meer diepgang en innerlijkheid. Zulke behoefte is normaal en gezond. Zoals het even normaal is dat de doorsnee parochiale liturgie aan deze behoefte niet kan en niet moet voldoen. Te sober en te naakt zou liturgie de gewone zondaagse kerkganger niet kunnen boeien. De spanningen die dit probleem soms oproept waren reeds op een extreme wijze belichaamd in de geschiedenis van de kluizenaars. In de oudheid hielden sommigen onder hen zich zelfs volledig afzijdig van elk kerkelijk en praktisch ook van elk sacramenteel leven. In het oog van veel bisschoppen uit dit tijd was dit niet zonder bezwaren. Het heeft zelfs een tijdje geduurd voordat het episcopaat van de derde en de vierde eeuw tot een zekere overeenstemming kwam in haar houding tegenover kluizenaars die alleen of in kleine groepjes, maar meestal zonder priester, in de woestijn gingen leven.
Het probleem leefde ook onder de monniken zelf. Sommigen huisden samen als cenobieten, in grote gemeenschappen. Uiteraard kende de publieke liturgie een zekere omvang, die veel dreigde op te slorpen van de tijd die eigenlijk vrij kon blijven voor privé-gebed. Andere monniken leefden in kleine groepjes van drie of vier, of zelfs geheel alleen als kluizenaar. Deze gingen zelden naar de kerkelijke liturgie, soms één keer per week, ’s zondags; soms zelfs helemaal niet. Maar ook voor deze laatsten aarzelde de monastieke traditie niet. Hun officies waren wel echte liturgie, maar liturgie die veel eenvoudiger kon zijn, veel inwendiger, en die zich tot het essentiële mocht beperken. Dit is tot het enkel-voudige weder-Woord dat, hoe simpel ook, en juist daarom, alleen door de Geest in ons kan uitgesproken worden, en ons helemaal op sleeptouw neemt.
In een van zijn brieven stelt een zekere Johannes de Profeet, een Palestijnse rekluus ut de 6e eeuw, als volgt het gebedsprogramma op van een kluizenaar. De liturgische Uren en de kerkelijke hymnen, meent hij, zijn uitstekend geschikt voor parochiekerken en grote kloosters. Kluizenaars hoeven echter geen officie op te zeggen dat broksgewijze over de dag verdeeld is. Ze moeten zich op voortdurend gebed toeleggen. Dit stille gebed wisselt af met handenarbeid, of liever geraakt op den duur verweven met alles wat ze verrichten. Af en toe houdt de arbeid wel even op, en staat de kluizenaar overeind om met uitgestrekte armen te bidden. Maar ook als hij zitten gaat om opnieuw zijn netten te weven, laat het gebed niet af. Dit bestaat uit een voortdurend prevelen van psalmen, schriftteksten of korte aanroepingen : “Als je gaat staan, roep de Heer aan en smeek Hem je te verlossen van de oude mens; of zeg het Onze Vader op; of beide samen. Ga dan weer zitten om te werken. Je mag doorgaan met het gebed om te komen tot bidden zonder ophouden, zoals de apostel het vraagt, maar je hoeft daarvoor niet overeind te blijven staan. Want de ganse dag door moet je geest in gebed zijn. Als je neerzit om te werken, zeg dan psalmen op van buiten, of lees ze af. Aan het einde van elke psalm, blijf zitten, maar bid : “God, erbarm U over mij, de ellendige!” Krijgen je gedachten de overhand, zeg dan : “Heer U ziet hoe benauwd ik het heb, help me !”.
Die gave van altijddurend gebed te ontvangen is het enige verlangen van de monnik. Daarom mag hij zich niet tevreden stellen met het gebed der Uren. In zijn hart mag de inwendige liturgie nooit ophouden. Aan de heilige Epifanius, bisschop van Cyprus, werd door zijn monniken het volgende bericht doorgegeven : “Dank aan uw gebeden, zijn we aan alle regels trouw. Terts, sext en none worden met zorg en stiptheid gevierd”. Maar Epifanius berispte hen : “Jullie houden dus met bidden op! Op de ander uren van de dag denken jullie er niet aan? Een echte monnik draagt het gebed en de psalmen voortdurend in zijn hart”.
Via zijn inwendig gebed staat de meest afgezonderde kluizenaar in voordurend contact zowel met de Kerk van hier beneden als met de Kerk van hierboven. Zijn eenzaamheid is altijd druk bezet, zegt de heilige Petrus Damiani, die spreekt van een solitudo pluralis.8 Hoe ver hij ook van de liturgische gemeenschap verwijderd is, hij is er steeds praesentissimus, d.i. de aanwezige bij uitstek, om reden van de onverbreekbare eenheid die hem met de Kerk samenbindt, waar hij ook zijn zou.9
Een eeuw later gaat de cisterciënzer Willem van S. Thierry nog een stap verder. In de befaamde Gulden Brief die hij aan de eerste kartuizers van Mont-Dieu schreef, past hij op de verhouding tussen de inwendige en uitwendige liturgie de termen toe die de Latijnse theologie voor de sacramenten zal gebruiken : uitwendige liturgie is sacramentum, inwendige is res. De eerst is teken van de tweede, en vindt slechts in haar diepste werkelijkheid, haar res : “Voor de dienaar van God is de cel als een heilige tempel van God. Want zowel in de tempel als in de cel houdt men zich op met goddelijke mysteries, veel vaker echter in de cel. In de tempel worden de sacramenten van ons christelijk geloof op vaste tijden, op onzichtbare wijze en als tekenen gesteld. In de cel echter, net als in de hemel (in cellis vero sicut in coelis), wordt de werkelijkheid zélf van al de sacramenten zonder ophouden gecelebreerd, naar hun ganse waarheid en volgens hun eigen structuur, echter nog niet met de volle luister van hun glans noch met die zekerheid die alleen de eeuwigheid geven kan“(1,11). Letten we hier even op de woordspeling tussen coelum en cella, hemel en cel. Op de vorige pagina van zijn Gulden Brief had Willem deze woordspeling uitgebuit om de band te onderstrepen tussen de liturgie van de eenzaamheid en de liturgie van de hemel : “Wat in de hemel opgeborgen is, is ook opgeborgen in de cel. Wat in de hemel plaats vindt, vindt ook plaats in de cel… : vrij staan voor God (vacare Deo), van God genieten (frui Deo)… Omdat alleen hemelse geheimen in de cel gevierd worden staan hemel en cel dicht bij elkaar… De weg van de cel naar de hemel is lang niet moeilijk voor de menselijke geest die bidt… Dikwijls klimt men van cel naar hemel op” (I,10).
Hoe eenzaam en verborgen ook, hij die bidt is dus nooit alleen. Zijn liturgie is reeds van de hemel, en blijft steeds voor de Kerk. Zij dringt reeds door tot het hart van de wereld en tot de kern van alle dingen. Een fragment van een onuitgegeven Syrische hymne van de heilige Efrem (5e eeuw) beschrijft dit in de dichterlijke trant die het eigen is:
Wie alleen celebreert in het hart van de wildernis, hij is een talrijke vergadering.
Celebreren er twee samen in de rotsen, duizenden en tienduizenden zijn er aanwezig.
Zijn er drie vergaderd, een vierde is onder hen.
Zijn er zes of zeven samen, twaalfduizend duizendtallen zijn verzameld.
Stellen zij zich op in rang, zij vullen het uitspansel met gebed.
Worden zij gekruisigd op de rots, en getekend met een kruis van licht, de Kerk wordt opgericht. Komen zij tezamen, de Geest zweeft boven hen.
Beëindigen zij hun gebed, de Heer staat op en dient zijn dienaren.
Want in het meest eenzame en stille gebed is de Heer aanwezig. Hij “ziet in het verborgene” (Mt. 6,6). Hij is zélf de Hogepriester van elke inwendige liturgie. Door dezelfde heilige Efrem wordt een agrafon van Jezus aangehaald, dat wil zeggen een spreuk die niet door de evangelies bewaard werd maar slechts in andere zeer oude teksten die hem aan Jezus toeschrijven. In vele gevallen is de authen- ticiteit van deze ongeschreven Jezus-spreuken zeer waarschijnlijk. Het agrafon van Efrem is parallel aan een ander gezegde van Jezus dat we uit het evangelie kennen, en dat vaak – en terecht – op de uitwendige liturgie wordt toegepast. Dit Agrafon echter is zonder twijfel bedoeld voor de stille en inwendige liturgie : Daar waar één gans alleen is, daar ben Ik ook”.
Het Heiligdom van binnen : ons hart.
Van deze stille liturgie wordt het hart geleidelijk aan het Heilige der Heiligen. Dit is de bekroning van het proces dat we in de vorige hoofdstukken beschreven. Het aanvankelijk nog slapende hart werd eerst door het Woord opgezocht en gewekt. Bevrucht door het Woord kwam het tot volle wasdom. Nu in het Woord opgenomen, wordt het hart gewijd tot de tempel van de Woorddienst in de meest oorspronkelijke betekenis van deze uitdrukking : “Het hart dat vrij komt van alle gedachten, en door de Heilige Geest zélf bewogen wordt, is een ware tempel geworden, nog vóór het einde der tijden. De liturgie wordt er geheel volgens de Geest gecelebreerd. Wie deze staat nog niet bereikt heeft, zal misschien, dankzij andere deugden, een goede bouwsteen zijn voor deze tempel. Maar hij is zélf niet de tempel van de Geest, noch zijn hogepriester”, schrijft de heilige Gregorius van de Sinaï, een byzantijnse auteur die in het begin van de 14e eeuw het contemplatieve monachisme op de Athos- berg opnieuw tot hoge bloei bracht.
Bi het beschrijven van dit inwendige heiligdom doen oude teksten vaak een beroep op het vocabularium van de architectuur. Het hart is een huis van binnen (domus interior), de tent (tabernaculum) van het verbond,12 de tempel van God in ons, zodat God er thuis is en ons nooit meer verlaten kan omdat Hij zichzelf niet kan verlaten. Het hart is ook een geheim woonvertrek (secretum), een binnenvertrek (cubile). Het bevat een voorhof (praetorium), verborgen hoekjes (secretior recessus) en een diepste diep (penetraties).
Een complete cultus wordt in het hart gecelebreerd, zij het dan onzichtbaar en geheel inwendig, met een geestelijk priesterschap en een onbloedig offer. Dit priesterschap van het gebed mag men niet verwarren met het priesterschap dat als sacrament door Christus werd ingesteld. Het is een vorm van het doopselpriesterschap dat ieder christen kan uitoefenen, en waardoor hij de genade van zijn doopsel beleeft. Vooral in de teksten die opklimmen tot de oudste monniken uit Mesopotamië en Syrië wordt dit beeld tot in alle details uitgewerkt. De rubrieken en voorschriften van deze geestelijke liturgie worden ontleend aan het ceremonieel van de oud-testamentische cultus. Deze vindt immers haar voltooiing in het onophoudelijk gebed van de kluizenaar. De reeds boven aangehaalde hymne van de heilige Efrem geeft hiervan een zeer mooi specimen :
Zij zijn priester gewijd voor zichzelf, en offeren hun ascese…
Vasten is de offergave, bidden is de nachtwake, boete en geloof zijn het heiligdom.
Hun overwegingen zijn het brandoffer, hun celibaat, het vredesoffer.
Hun zuiverheid is de voorhang, hun nederigheid, een welriekende wierook…
Hun zuiver hart is de hogepriester, hun overweging, de priester die voorgaat.
Zonder ophouden dragen hun lippen de offerande op: het gebed dat hunkert naar rust.
In de bergen bezingen zij de glorie, het volmaakte offer voor de Majesteit.
De lofzang die opstijgt uit de grotten, is het verborgen offer voor God.
Hun diepste hart is het Heilige der Heiligen, waar het zoenaltaar staat opgericht.
Bidden in de Geest.
Deze inwendige liturgie van het hart wordt geheel overgenomen door de Heilige Geest in ons. Hij leidt ze. Daarom zijn de kenmerken van die liturgie duidelijk verwant aan de Geest en aan zijn activiteit in ons. Een eerste en belangrijk kenmerk is de vrijheid. Hoe meer we het gebed uit de handen geven en overdragen aan de Geest in ons, hoe gevoeliger we worden aan Zijn inwendige leiding. De zonen van God “worden geleid door de Geest van God” (Rom. 8,14). Dit geldt vooral voor het gebed. Toen we ons voor het eerst op gebed toelegden, speelden methodes, reglementen, dagordes nog een onvervangbare rol. Wie zelf de Geest nog niet kan aanvoelen – en dit kunnen de meesten van ons niet- kan slechts geholpen worden door regels en voorschriften, die de ervaring van enkelen weergeven en aan anderen doorgeven. Een andere waarde hebben ze niet. Ze zijn geen doel op zich, maar zetten ons op weg naar het hart. Zij zijn pedagogen en leermeesters die ons verder helpen in de richting van de ware vrijheid (cf. Gal. 3,24).
Wanneer je hart echt wakker zal zijn – en slechts dan – heb je geen voorschriften nodig om te weten hoe, wanneer of hoelang je bidden moet. Het gebed is nu zelf haar eigennorm geworden. Al biddende herken je de Heilige Geest die tot gebed aanspoort. Voor een kluizenaar die alleen leeft is die inwendige vrijheid nodig. Hij moet zich kunnen overgeven aan de Geest zodra hij door Hem tot gebed wordt opgeroepen. In de eenzaamheid treedt de Heilige Geest zélf op en vervangt de reglementen die het gemeenschappelijk gebedsleven in een coenobium organiseren. Barsanuphius, een kluizenaar uit de 6e eeuw in Palestina, schreef in de zin : “Een hesychast (kluizenaar die zich op gebed toelegt)… heeft geen regel. Volg het voorbeeld na van iemand die eet en drinkt zolang hij daar plezier in heeft. Ben je aan ’t lezen en merk je dat je hart onder de indruk komt, lees dan rustig verder zolang je kunt. Hetzelfde voor de psalmen. Wat dankzegging en litanie aangaat, blijf erin volharden in de mate van je kracht. En vrees niet : God heeft nooit spijt over zijn genaden… Zoek dus geen reglementen op, want ik wil niet dat je onder de wet leeft, maar onder de genade”.
Wie zo tot bidden gewekt werd, en met een wakker hart in de Geest komt te staan, zal normaal gesproken nooit meer ophouden met bidden. Zoals levend water altijd blijft voort stromen, zo heeft echt gebed van nature uit de neiging altijddurend te worden.
Dit volhardend gebed is een stuk uit de wapenrusting van de christen die Paulus beschrijft in het zesde hoofdstuk van de Brief aan de Efeziërs. Zij is het Zwaard van de Geest, of ook nog het Woord van God. Men hanteert dit zwaard “door op elk ogenblik te bidden in de Geest, onder alle mogelijke vormen van gebed en smeking, wakend en volharden in het gebed: (6,18). Elders vermaant Paulus dat men moet doorzetten in het gebed (Rom. 12,12), ofwel dat men zonder ophouden moet bidden. (1 Thess. 5,17).
Dit is dan het gebed geworden waarvan je niet meer kunt zeggen dat je bidt, omdat het je helemaal ingepalmd en bezet heeft, omdat er diep in je geen onderscheid meer is tussen je hart en je gebed. De Geest is het die dan voortdurend in je bidt en je steeds verder meesleurt in Zijn gebed. Hoe meer je door die stroom meegesleept wordt hoe duidelijker het voor je wordt dat dit gebed eigenlijk niet meer van jou is. Het is om zo te zeggen autonoom geworden. Het draait op volle toeren in je, op eigen kracht. Niets of niemand kan de vloed in je stelpen. Daarom ook kan niets of niemand dit gebed in de weg staan. Vroeger vond je het normaal dat de tijd tot bidden beperkt was, want je had het immers te druk, ondanks je eerlijk verlangen meer tijd aan gebed te besteden. Nu heeft het gebed zélf al je vrije tijd in beslag genomen. In je dagorde sijpelt het overal door als een onweerstaanbare kracht. Je wist vroeger niet eens dat je over zoveel vrije tijd beschikt, dat zoveel uren aan nutteloze dingen verknoeid werden, uren die helemaal vrij hadden kunnen zijn voor gebed. Die tijd heeft het gebed nu zélf in je leven losgeslagen, onmiddellijk overrompeld en buitgemaakt. Van dit onophoudelijk gebed voel je misschien ook aan dat het je gedurende je slaap niet in de steek laat. Of je eraan denkt of niet, bewust of onbewust, het gebed gaat zijn gang in je wakker hart. De bruid uit het Hooglied kan wel slapen, “maar haar hart blijft wakker”(Hgl. 5,2). Zo ook hij, in wie de Geest zonder ophouden bidt. Een simpele Athos-monnik drukte het onlangs onbeholpen maar zeer pittig uit : “overdag bid ik met mijn mond, maar als ik slaap bid ik verder met mijn neus!” Zeker had hij de raad van de heilige Johannes Climacus opgevolgd : de Naam van Jezus kleefde vast aan zijn ademtocht, en bij het ademhalen ging het gebed mee, op en af, in en uit.19 Omgekeerd zal dit gebed je nooit meer hinderen helemaal met de mensen en de dingen bezig te zijn. Want minder dan ooit heb je het gebed nu zélf in handen. Het gebed heeft jou in handen, het draagt je verder, het schraagt je handelen en je spreken. In zijn Vita van de heilige Martinus gebruikt Sulpi- tius Severus hiervoor een schilderachtig beeld. Wie tot in zijn werk steeds door het gebed geleid wordt vergelijkt hij met een smid, die met zijn hamer gloeiend ijzer op het aambeeld aan het smeden is. De smid hamert op het ijzer, maar af en toe slaat hij ook met opzet op het aambeeld, met de bedoeling de snede van zijn instrument even aan te slijpen. Zo ga je steeds verder met werken, maar af en toe, zonder het ritme van je werk af te breken, kun je ongezien een schietgebed inlassen. Arbeid en gebed zijn tot één geheel vergroeid, en je moet oplettend toekijken om die twee nog van elkaar te kunnen onderscheiden. Zoals dezelfde auteur het van de heilige Martinus zei : gans je leven is nu Opus Dei geworden, dit wil zeggen : liturgie die niet meer ophoudt.
In dit gebed ben je ergens losgekomen van de geschapen tijd, en van haar beperkt ritme. Een andere tijdsduur dringt zich van binnen aan je op. Iets van jezelf bestaat reeds voor altijd. Dit is de aanvang van de eindtijd. De heilige Isaac de Syriër heeft deze ervaring zeer zuiver vertolkt : “Het hoogtepunt van alle ascese is het gebed dat niet meer ophoudt. Wie dat bereikt, heeft meteen zijn geestelijke woning betrokken. Wanneer de Geest in een mens wonen gaat, kan die mens niet ophouden met bidden, want de Geest bidt zonder ophouden in hem. Laat hem slapen, laat hem wakker zijn, in zijn hart blijft het gebed steeds aan de gang. Eet hij, drinkt hij, rust of werkt hij, de wierook van het gebed stijgt spontaan op uit zijn hart. Het gebed is bij hem niet meer gebonden aan een bepaalde tijd, maar gij bidt onverpoosd. Zelfs gedurende zijn slaap gaat het goed verborgen door, want het stilzwijgen van een mens die vrij geworden is, is op zich al gebed. Zijn gedachten zijn door God bewogen. Het minste roeren van zijn hart is als een stem die, stil en verborgen, zingt voor de Onzichtbare”.
Een andere karakteristiek van dit inwendig bidden is de heilige geest, is haar behoefte aan eenvoud. Met de tijd wordt het gebed sober. De vele woorden van het begin verstillen en sterven uit. Men beperkt zich tot één formule, soms tot één enkel woord, of tot de Naam zonder meer.
Waar God zelf spreekt in de Bijbel is Hij steeds sober met woorden, beknopt maar snedig. Zo zijn de woorden die de Vader tot Jezus richt. Ook het antwoord van Jezus is kort. Hijzelf waarschuwt Zijn leerlingen niet veel woorden aan gebed te verspillen. Dit doen slechts de heidenen omdat zij de Vader niet kennen die allang weet waar onze nood ligt (Mt. 6, 7-8). Ook het gebed van de Geest in ons beperkt zich tot één enkele kreet, maar die onverpoosd gestameld wordt : Abba-Vader (Rom. 8,15; Gal. 4,6). Dit voortdurend, ritmisch herhalen van een korte zin vinden we ook terug bij Jezus in het Hof van Getsemané, die al biddend steeds weer dezelfde woorden herhaalt (Mt. 26,44).
Vrij vlug vond dit eenvoudig bidden ingang in de Traditie. De Vaders noemen het de monologia, dit is een gebed dat uit weinig woorden, of zelfs uit slechts één woord bestaat : “Men vroeg aan Abba Macarius : ‘hoe zal men bidden?’ De Abba antwoordde : ‘Onnodig er veel woorden aan te hangen. Het volstaat je handen uit te spreiden en te zeggen : ‘Heer, zoals het u behaagt en zoals Ge weet, heb medelijden’. Wordt de strijd heviger, zeg dan : ‘Heer, help me!’ Hij weet immers wat je nodig hebt en zal medelijden hebben”.22
Deze traditie is constant zowel in het Oosten als in het Westen. Hieruit zal met de tijd het schietgebed ontstaan dat Cassianus reeds schijnt te kennen, korte gebedjes die weinig tijd en inspanning vragen maar bijzonder doeltreffend zijn. Cassianus gaf de voorkeur aan het psalmvers :
“God kom mij ter hulp, Heer haast U mij te helpen”(Ps. 69,2), waarvan hij alle voordelen in het lang
en het breed beschrijft. Andere verkiezen kortere gebedskreten die ze vaak aan het evangelie
ontlenen. Zo bijvoorbeeld de heilige Johannes Climacus : “Je gebed zij eenvoudig en zonder veel
woorden : één woord volstond aan de tollenaar en aan de verloren zoon om vergiffenis te krijgen…
Jaag in je gebed geen formules na. Het eenvoudige en eentonige gestotter vaneen kind is voldoende
om vader over te halen. Wees niet langdradig. Je zou je geest verstrooien door het zoeken naar
woorden. Eén woord van de tollenaar bewoog God tot barmhartigheid. Eén woord van geloof redde
de goede moordenaar.
Lange gebeden stapelen in de geest allerlei beelden op en geven het verstrooiing, terwijl één enkel woord (monologia) hem tot ingetogenheid kan brengen. Voel je inwendige troost en vertedering bij het uitspreken van een woord, blijf dan bij dit woord staan want je engel bidt dan samen met je.
Hier komen we opnieuw de techniek van de lectio tegen zoals die in hoofdstuk vier beschreven werd. Je kunt ze ook toepassen op die aanroepingen. Veel korte gebedskreten die in de Bijbel bewaard worden, kunnen nog steeds je gebed stofferen. Het evangelie en de psalmen zijn een goudmijn. Voor elke gebedstijd kun je zelf de gebedsformule of het schietgebed vinden of opstellen, al luisterend naar je hart en naar de Heilige Geest die je inwendig beroert : “Heer Jezus, ik geloof, help mijn ongeloof – Heer Jezus, dat ik moge zien – Heer Jezus, Gij weet dat ik U liefheb – Heer Jezus, niet mijn maar Uw Wil, enz. de reeks is eindeloos, en ieder woord is onuitputtelijk, in het licht en in de kracht van de Heilige Geest. Zolang één van die formules je hart nog gaande houdt, moet je haar niet loslaten. Blijf er rustig bij, totdat je hart helemaal brandt van binnen, zodra het God belieft.
Probeer misschien ook adem te halen op het ritme van die kreet. Zo gaat je lichaam meetrillen met de polsslag van je gebed. Het Woord van God, dat de Geest naar je uitblies in de Schrift, adem je zo terug naar God. Een Zuid-Vlaamse mystieke schrijfster uit de 17e eeuw, Maria Petyt, noemt dit de toegheestinck. Langs het Woord van je gebed, is je eigen levensgeest vermengd met de Geest van God. Wat de byzantijnse traditie kent als het Jezus-gebed is één vorm uit die vele mogelijkheden. Het is ook een gebed dat monologistos, dat enkelvoudig geworden is rond de Naam van Jezus en een bijzonder aansprekend evangeliewoord, hier : het gebed van de tollenaar, “Wees mij arme zondaar genadig!” Ongetwijfeld is het één van de beste formules. Zij is immers het antwoord op het essentiële van de blijde boodschap : dat wij zondaars zijn en dat Jezus ons de vergiffenis komt brengen.
In het Jezus-gebed speelt, naast de kreet van de tollenaar de Naam van Jezus zélf een belangrijke rol. Zozeer zelfs dat het eigenlijk nog eenvoudiger kan, en dat het Jezus-gebed zich beperken mag tot het simpele aanroepen van Jezus’ Naam. Want de Naam van Jezus is geladen met een ongeziene en onvermoede kracht : sterkte in de bekoring, en troost in het verlangen naar liefde. “Het veelvuldig herhalen van die Naam, schrijft de zalige Aelredus aan zijn zuster- rekluse, kwetst ons hart van binnen”.
De Naam van Jezus, of Jezus’ dulcis memoria, de zoete herinnering aan zijn Naam staan er immers voor de aanwezigheid zelf van Jezus. Want samen met zijn Naam komt Jezus persoonlijk ons hart binnen en neemt er zijn intrek. Vooral Hesychius van Batos, een moeilijk te lokaliseren auteur uit de byzantijnse middeleeuwen, heeft deze techniek met grote liefde beschreven : “het onophoudelijk aanroepen van Jezus, gepaard met een vurig en vreugdevol verlangen naar Hem, vervult de lucht van ons hart met vreugde en vrede. Dit alles dank zij een strenge, inwendige aandacht… De herinnering aan Jezus en het onverpoosd aanroepen van Zijn Naam scheppen als het ware een goddelijke sfeer in onze geest, op voorwaarde dat we niet aflaten Jezus inwendig aan te roepen, en dat we volharden in de soberheid en in de waakzaamheid. Laten we altijd en overal trouw blijven aan die opgave de Heer Jezus aan te roepen. Schreeuwen we naar Hem met een brandend hart zodat we aan de heilige Naam van Jezus kunnen deelachtig worden … zonder ophouden moeten we de Naam van Jezus slingeren in de ruimte van ons hart, zoals de bliksem heen en weer schiet in het uitspansel zodra regen op komst is… Welzalig de geest die door het Jezus-gebed in beslag genomen is. Welzalig het hart waarin de Naam van Jezus zonder ophouden weerklinkt, onafscheidelijk zoals de lucht aan ons lichaam kleeft en de vlam aan de kaars. De zon die het uitspansel doorloopt, schept de dag; de heilige Naam van Jezus die onophoudelijk schijnt in onze geest, brengt talloze en luisterrijke gedachten voort”. 26
Dit aanroepen van de Naam van Jezus is in feite een in-roepen van Jezus zélf. De zalige Ruusbroec gebruikt deze term om een analoge gebedstechniek te beschrijven. Hij noemt het ook in-manen, in- eisen van Jezus. Onder die vorm is het Jezus-gebed niet allen in het Christelijk Oosten verspreid geweest. Het komt even vaak in het Westen voor, alhoewel niet zo systematisch als dit gedurende de laatst twee eeuwen (de 13e en 14e eeuw) in het Oosten wel het geval was. Men denke hier slechts aan de heilige Bernardus voor wie de Naam van Jezus, volgens de tekst van het Hooglied (Hgl. 1,3), een uitgegoten olie is. Als olie geeft de Naam licht en warmte, is ze voeding en geneesmiddel27 . De voornaamste van die thema’s werden sindsdien in de bekende middeleeuwse hymne Jesu dulcis ememoria synthetisch en in dichtvorm gegroepeerd. Het aanroepen van de naam van Jezus heeft dan veel weg van een geestelijke communie. Het sterkt en voedt je. Het geeft je Jezus zélf mee, die steeds vaster voet krijgt in je hart. Uiteindelijk drukt de Naam niet alleen je eigen vurig verlangen uit naar Jezus. Zij is de Liefde zélf van Jezus in je, een ongeschapen licht, een verterend vuur. Dit was het gebed dat Willem van S. Thierry de eerste kartuizers aanraadde : “Gedurende het gebed moet je vóór God komen te staan, van aangezicht tot aangezicht, en schouwen in het licht van Zijn gelaat. Je zult dan de Naam van de Heer aanroepen en met die Naam de steen van je hart aanslaan, tot er vuur uitspringt. Je zult blijven fladderen rond de herinnering aan de overvloed van Gods zoetheid, totdat Hij zélf die zoetheid in je hart laat opwellen”
Wereldgebed.
Van deze inwendige liturgie zal het ondertussen al overduidelijk geworden zijn dat ze geen privé-zaak is tussen God en jou. De gehele wereld wordt erbij betrokken. Gebed is een kosmische opgave waarvoor sommigen geheel vrij mogen komen te staan om zich daaraan te wijden. Dat je een vrij mens geworden bent, dat je hart is gaan leven en gaan zingen, dat het Woord van God vrij en frank in je binnenste weergalmen kan, is een bron van licht en kracht voor iedereen. Wat aan jou gebeurd is, is een brok heilsgeschiedenis, en is ook aan de Kerk en aan de wereld gebeurd. God heeft hier op aarde een ruimte gevonden waar Hij zichzelf kan zijn, waar Hij zich spelend kan vermaken met een mensenkind. De mensheid heeft weer een bron ontdekt, waar God water kan laten opwellen voor allen die dorst hebben want het diepste diep van je hart is ook de diepe bodem van de wereld. In deze gebedservaring worden de ruimtelijke grenzen van de wereld opgeheven. Veraf-zijn of dichtbij-zijn heeft geen betekenis meer. Afwezig-zijn of aanwezig-zijn zijn hetzelfde geworden. In je gebed zijn alle mensen zeer nauw betrokken. Zoals een oudvader het met klem uitdrukt : “Monnik is hij die van iedereen gescheiden is en met iedereen verbonden”.29 Want langs het gebed om, bewoon je reeds het diepe hart van de kosmos. Even typerend hiervoor is dat een moderne denker als Teilhard de Chardin, die terecht doorgaat als de pionier van de christelijke wereld-beaming, de meest intense en vruchtbare vorm van wereldverbondenheid zag in het contemplatieve gebed : “In een van zijn verhalen verbeeldt Benson zich dat een helderziende bij een eenzame kapel komt waar een kloosterzuster aan het bidden is. Hij stapt binnen. Plots bemerkt hij hoe de ganse wereld zich als het ware opstelt en samenklistert rond dit onbekende oord dat haar middelpunt wordt, dit op het ritme en naar gelang de vurigheid van de verlangens van het tengere vrouwtje dat aan het bidden is. De kloosterkapel leek hem plots de pool waar rond de gehele wereld wentelde. Deze contemplatieve vrouw gaf aan alles nieuw leven en gevoel, omdat zij zélf geloofde. En haar geloof was zo doelmatig omdat haar ziel zuiver was en zij dicht bij God verbleef”. Vervolgens becommentarieert Teilhard die parabel : “Verlangen wij dat het goddelijk milieu rondom ons aangroeie? Laat ons dan open staan en zelf steun zijn voor al de krachten van eenheid, verlangen en gebed die de genade ons aanbrengt. We zullen zelf zuiverder en doorzichtiger worden, en het goddelijk licht dat steeds meer druk op ons uitoefent zal zo gemakkelijker tot de wereld door dringen”. 30 In een andere tekst beschrijft Teilhard als volgt de man van gebed : “Sommigen die hem zien, roerloos, gekruisigd of biddend, zullen geneigd zijn te denken dat zijn activiteit sluimert of reeds de wereld verliet… Dit is echter een vergissing. Niets ter wereld is actiever dan de Gedachte en het Gebed, als twee lichten die opgehangen zijn tussen de kosmos en God. De scheppingsgolf (l’onde créatrice), met natuurlijke kracht en met genade geladen, gulpt er vrij langs binnen, zo transparant zijn ze alle twee. Zo transparant ook was de Heilige Maagd Maria, toen zij op deze wereld verkeerde”. 31
Reeds de heilige Johannes Chrysotomus herkende in die bidzielen “de Vaders van de gehele mensheid,diedankzeggenvoordegehelewereld.32 “Zijbiddenvoordewereld,engevenopdie wijze het meest sprekende bewijs van hun vriendschap”, want “de overgrote goedheid van God schenktdikwijlshetheilaaneengrotemassa,omderwillevanslechtsenkelerechtvaardigen”.33 Ook vandaag is men zich hiervan bewust.. Een kluizenaar aan wie men onlangs vroeg hoe hij in de volslagen eenzaamheid zijn verbondenheid beleefde met de wereld en met de mensen, antwoordde zonder aarzelen : “Telkens ik mijn armen al biddend naar God uitstrek, krijg ik de indruk dat ik tegelijkertijd de ganse wereld omhels”. En inderdaad leefde hij toen op een berg in Chili, met als enig uitzicht de Andes-bergketen.
Dit wereldgebed beperkt zich echter niet tot het bidden voor de wereld. Zonder twijfel is deze voorspraak zeer krachtig. Maar het gebed bewerkt nog meer. Het zuivert de mensen en de dingen. Het legt hun diepe kern bloot. Het gebed herstelt en geneest zodoende de schepping, ziet haar in het licht van God en brengt ze tot Hem terug. Daarom is elk gebed altijd verwant met de zegen, en vloeit het normaal over in eucharistia, in dankzegging.
Omdat hij al biddend diep in zijn hart zijn echte zelf gevonden heeft, kan een man van gebed nu misschien ook al het andere herkennen. Hij heeft een nieuwe kijk gekregen op mensen en dingen. Van uit zijn eigen kern bereikt hij ook de kern van alles wat op hem afkomt. Hij is ook gevoeliger voor het masker dat anderen ons opzetten, voor alles wat de wereld belemmert zichzelf te zijn voor God. De Griekse schrijvers noemen zo iemand dioratikos, dat wil zeggen dat hij door de schijn van mensen en dingen heen ziet. De sluier van het egoïsme is voor hem reeds opgelicht. Hij doorziet alles. Zoals Isaac de Syriër het schreef : “hij schouwt de vlam van de dingen”.
Daarom is hij alleen werkelijk in staat om God te bedanken voor de schepping, en om Hem het lofoffer op te dragen in naam van de mensheid. Dit is een voorname taak van elke gedoopte. Paulus spoort hen daartoe voortdurend aan. De christen moet “overlopen van dankzegging”(Col. 2,7). In alle omstandigheden moet hij bedanken, want dit is de Wil van God (1 Thess. 5,18). Hij zal onophoudend “zingen in zijn hart… en voortdurend dankzeggen voor alles aan God de Vader, met de Naam van onze Heer Jezus Christus” (Ef. 5, 19-20). Zelfs het smeekgebed en de voorspraak ten gunste van anderen worden vóór God uitgesproken “samen met de dankzegging”(Fil. 4,6).
Dit is een nieuw en zeer belangrijk aspect van het wereldgebed in de Heilige geest. Het heiligt de dingen en maakt ze tot dankzegging. “Alles wat God schiep is immers goed, en niets moet weggegooid worden van wat met dankzegging kan genomen worden. Het wordt immers geheiligd door het Woord van God en door het gebed” (1 Tim. 4,4-5). Alles wat in de dankzegging kan opgenomen worden, bereikt er zijn uiterste bestemming en komt onder de vorm van lofoffer tot bij de Vader terug. Zo wordt alles naar waarheid erkend als pure gave van de Vader van alle licht, die neerdaalt op onze handen. Onze handen sluiten zich niet rond die gave. Integendeel. Op onze handen wordt ze de offerande van de mensheid aan de Vader. In ons hart en op onze lippen vloeit ze naar de Vader terug, als dankzegging. 88
Het is de bekroning van het gebed. Isaac de Syriër legt Jezus een elders niet bekende definitie van het gebed in de mond : het is een “vreugde die naar God opgaat in dankzegging”.
Zoals de eerst Adam, vóór de zondeval, aan alle wezens een naam kon geven die hun identiteit precies verwoordde, zo kan de christen op zijn beurt, in het gebed, iets van de nieuwe naam uitspreken die door Jezus, de tweede Adam, aan alles zal gegeven worden (Apoc. 3,12). Die nieuwe naam ligt immers opgesloten in de Naam van Jezus die je als een zegen kunt leggen op alle dingen die door je handen gaan, op ieder mens die je tegenkomt, op ieder gelaat dat zich naar je toekeert. Biddend aanraken, zegenend ontmoeten. Zo kun je de nieuw eenzelvigheid van mens en wereld herkennen, samen met Jezus. Ieder van ons ontmoette wel ooit in zijn leven een man Gods van wie hij hetzelfde ontvangen mocht, wiens blik hem doorgrondde als vuur, geladen met de tederheid van God en met Zijn louterende kracht.
Wie in staat is over de wereld het dankgebed uit te spreken, kan nu ook gebruik maken van die wereld, zonder door haar verleid te worden of in haar ten onder te gaan. S. Paulus heet dit “de wereld gebruiken zonder haar te gebruiken”(1 Cor. 7,31). Want in het gebed kun je de waarde van de schepping precies afwegen, gave en afglans van God, offergave van de mens. Alles bloeit er open tot nooit aflatende dankzegging. Van de oudvader Arsenius wordt verteld hoe hij zich elk jaar, op het tijdstip van de oogst, fruit liet aanbrengen door zijn leerlingen, van elk soort een : “Hij nam het aan en at het op al dankzeggend”.
Hier groeit het gebed van de christen uit tot een celebratie waaraan de ganse schepping deelneemt. Het wordt een feestelijk vieren van alles wat benaderd of beleefd mag worden. Zo komen we opnieuw terecht bij wat we reeds boven aanhaalden als een soort priesterschap van het gebed. Indien gebed de inwendige cultus is en de liturgie van het hart, met een onzichtbaar altaar en een verborgen offer, dan is elke biddende mens de liturg van zijn eigen gebed, de priester van dit brandoffer-van-binnen. Zoals Jezus immers vóór het aanschijn van Zijn Vader “voor altijd leeft om voor ons te bidden”(Heb. 7,25), en daar als priester voor eeuwig zijn offer celebreert, zo moet ook elke christen hetzelfde gebedsoffer vieren : “Laten we door Hem aan God te allen tijde het lofoffer opdragen, de vrucht van onze lippen die Zijn Naam belijden”(Heb. 13,15). Dit priesterschap en dit offer zijn er voor de ganse wereld. We kunnen dit hoofdstuk niet beter afsluiten dan met nog één keer het woord te geven aan de heilige Efrem met de hymne die we reeds kennen. Hij heeft het opnieuw over het gebed van de kluizenaars :
Zij werden priester gewijd van de verborgen geheimen, en wissen onze zwakheden uit. Ongezien bidden ze voor onze schuld, en staan smekend rechtop voor onze dwaasheden… De bergen zijn fakkels geworden, iedereen stroomt ernaar toe.
Waar één van hen zich bevindt, zij die rond hem staan geraken verzoend.
Zij zijn de burchten in de woestijn, terwille van hen zijn wij in vrede.
DE LUITSPELER
Is bidden moeilijk?Een byzantijnse monnik uit de 14e eeuw, die ook eventjes Patriarch van Constantinopel was met als naam Callixtus II, beantwoordt die vraag met het voorbeeld van de luitspeler.1“De luitspeler buigt zich over zijn instrument heen en luistert aandachtig naar de melodie, terwijl zijn vingers het plectrum hanteren en de snaren met volle klank, harmonieus laten meetrillen. De luit is muziek geworden, en die haar betokkelt geraakt buiten zichzelf, want de muziek is zacht en meeslepend”.Wie bidt moet op dezelfde manier te werk gaan. Hij heeft een luit en een plectrum tot zijn beschikking. De luit is zijn hart, waarvan de snaren de inwendige zintuigen zijn. Om de snaren aan het trillen te zetten, en de luit aan het spelen, heeft hij een plectrum nodig, hier : de herinnering aan God, de Naam van Jezus, het Woord. Zo moet de luitspeler aandachtig en waakzaam naar zijn hart luisteren en haar snaren betokkelen met de Naam van1 PG 147, 8135; later overgenomen in de Philakalie -186 -Jezus. Totdat de zintuigen opengaan en zijn hart wakker wordt. Wie met de Naam van Jezus zonder ophouden zijn hart betokkelt, zet zijn hart aan het zingen, “een onzeggelijk geluk stroomt zijn ziel binnen, de herinnering aan Jezus zuivert zijn geest en doet hem fonkelen van goddelijk licht”.
Is bidden moeilijk?
Op die vraag zal niemand je antwoorden. Ook dit boekje blijft het antwoord schuldig. Het kan geen inleiding zijn op het gebed, en nog veel minder een handleiding. Samen hebben we geluisterd naar het getuigenis van een eeuwenlange traditie van gebed in de Kerk en Jezus. Gaandeweg heeft zich misschien iets aan je geopenbaard. Heeft de Geest van Jezus, die niet ophoudt met bidden in je hart, zichzelf plots verraden en bekend? Zoals de vrucht die opsprong in de schoot van Elizabeth toen ze Jezus ontmoette in de schoot van Maria.Zo neen, dit is geen reden tot ontmoediging ; je Uur komt later.Zo ja, dan moet je alles op het spel zetten om het stille geluid van God in je nog duidelijker op te vangen.Want de akker ligt er, en de schat is er verborgen. Zodra je in de akker van je hart de schat van het gebed ontdekt, zul je vol vreugde heengaan en alles verkopen wat je bezit om die schat te verwerven. En de luit staat tot je beschikking en ook het plectrum. Dit zijn je hart, en het Woord van God. Het Woord is immers heel dicht bij je, op je lippen en in je hart (Rom. 10,8).Je hoeft slechts het plectrum ter hand te nemen en de snaren te betokkelen. Te volharden in het Woord en in je hart, wakend en biddend.Een andere weg om te leren bidden bestaat er niet. Je moet tot jezelf terugkeren, en tot je diepste, echte natuur, tot de mens-in-Jezus die je reeds bent, louter uit genade.“Niemand kan leren zien. Want zien kan men van nature. Zo ook met bidden. Het schone gebed kan men niet leren van een ander. Het heeft in zichzelf haar eigen leermeester. God schenkt het gebed aan wie bidt.”

09:25 Gepost in theologie | Permalink | Commentaren (0)

De commentaren zijn gesloten.