29-03-18

Justinus Martelaar

border47kuhjy.jpg

Heiligenleven

De heilige Justinus Martelaar

Justinus_Martyr.jpg

Justinus

De heilige martelaar Justinus, de filosoof, bijgenaamd ‘De Gerechte’. Hij is vooral bekend als de eerste der grote Apologeten uit de kerkgeschie- denis, en in zijn geschriften voert hij een dialoog met heidense en joodse denkers.
Justinus was geboren rond 105, in Sichem, de hoofdstad van Samaria, het huidige Nabloes, uit een heidens-griekse familie. Zijn vader was als romeins kolonist hier gekomen. Van jongsaf was Justinus geheel vervuld van het zoeken naar waarheid, de echte werkelijkheid. Hij wierp zich daarom op de studie van de filosofie, de wijsheids-liefde, maar hij vond alleen maar elkaar bestrijdende meningen.
Reeds wilde hij zich ontmoedigd neerleggen bij de onmogelijkheid om de waarheid te vinden, en hij maakte een lange strandwandeling om zijn gedachten te verzamelen en tot een conclusie te komen. Daar ontmoette hij een eerbiedwaardige grijsaard die daar wachtte op de aankomst van een schip. Ze kwamen met elkaar in gesprek, en de onbekende liet hem zien waarom de grote filosofen, Plato en Pythagoras, juist op de meest essentiële vragen geen antwoord konden geven, omdat ze noch de Godheid, noch de menselijke ziel werkelijk kenden.
Hij vertelde hoe er reeds lang vóór deze filosofen rechtvaardige mensen waren geweest, vrienden van God en geïnspireerd door Zijn Geest. Zij worden profeten genoemd omdat zij toekomstige dingen hebben voor- speld, die ook werkelijk gebeurd zijn. En hun boeken, die nog steeds in ons bezit zijn, bevatten stralende onderrichtingen over de -eerste oorzaak- en het uiteindelijke -doel- van alle schepselen. Er staat trouwens van allerlei in dat een filosoof moet interesseren.
Om de waarheid uiteen te zetten wordt geen gebruik gemaakt van disputen of subtiele redeneringen, noch van abstracte definities die boven het begrip van de gewone mens uitgaan. We geloven ze op hun woord omdat we geen weerstand kunnen bieden aan het gezag dat zij ontlenen aan hun wonderen en hun voorzeggingen. Zij leren ons het geloof in slechts één God, de Vader en Schepper van alles wat bestaat; en in Jezus Christus, Zijn Zoon, die Hij in de wereld gezonden heeft.
Hij besloot zijn toespraak met de woorden: “Wat u betreft, bid vurig dat de poorten van de waarheid voor u mogen opengaan. Want de zaken waarover ik gesproken heb, zijn van die aard dat zij alleen maar begrepen kunnen worden wanneer God en Jezus Christus daarvoor het begrip verschaffen.” Na deze woorden trok de grijsaard zich terug en Justinus heeft hem niet meer teruggezien.

Zo kwam hij in aanraking met de boeken van het Oude en Nieuwe Testament Hij werd onweerstaanbaar aangetrokken door de persoon van Christus, en hoe meer kennis hij over Hem bijeenbracht, des te groter werd zijn genegenheid. Toen hij er daarbij getuige van was hoe de christenen zich uit liefde, tot Christus alles ontzegden en zich zelfs met blijdschap aan het martelaarschap overgaven, kwam hij tot de overtuiging dat het kwaad dat over hen verteld werd, op laster moest berusten. Hij schrijft: “Wanneer ik ze met zulk een onverschrokkenheid niet slechts de dood tegemoet zie gaan, maar daarbij het hoofd bieden aan alles wat het meest afschrikwekkend is voor de menselijke natuur, dan acht ik het onmogelijk dat zulke mensen ordinaire misdadigers zijn.” Het duurde niet lang meer of hij liet zich dopen, nu hij ‘de enig betrouwbare en bruikbare filosofie’ gevonden had.
Justinus werd geen priester maar bleef beroepsfilosoof - kenbaar door het pallium dat hij om de schouders droeg - die rondtrok om de waarheid te verkondigen. Hij was toen minstens dertig jaar, misschien wel ouder, in aanmerking genomen de vele studies die hij reeds achter de rug had, en trok vanuit Palestina door Klein-Azië, Griekenland en Egypte naar Rome, Daar stichtte hij een filosofische academie die veel intellectuele leerlingen trok. Helaas zijn veel van zijn verhandelingen verloren gegaan. In de bewaard gebleven verhandelingen stelt hij de afschuwelijke ondeugden die aan de goden worden toegeschreven, tegenover de reine heiligheid van de christelijke leer. En hij laat zien hoe de liefde tot God de christen ertoe brengt de naaste bij te staan, zichzelf als zijn mindere te achten, en zijn bezittingen, die immers door de hemel geschonken zijn, met de armen te delen. En dat zij geen angst hebben voor de lichamelijke dood doch slechts de eeuwige dood van de ziel vrezen, in het nooit dovende vuur van de hel.
ln zijn Brief aan Diognetos, de leermeester van keizer Marcus Aurelius, en die hem om inlichtingen gevraagd had, schrijft hij hoezeer God Zijn liefde voor de mens getoond heeft door het zenden van Zijn eigen Zoon om ons Zijn aanbiddenswaardige wil bekend te maken, en de prijs voor onze verlossing te betalen, de verlossing van de schuld die wij onszelf hadden opgeladen. Het is onmogelijk onze misdaden uit te wissen door onze eigen krachten, maar Hij Die heilig is heeft geleden i.p.v. ons, zondaars; Hij die beledigd was heeft de dood ondergaan voor ons die Hem beledigden. In Zijn goedheid heeft Hij er Zich niet mee tevreden gesteld ons tot het zijn te brengen, maar Hij heeft ook een gehele wereld geschapen om ons van dienst te zijn; Hij heeft alle dingen aan ons onderworpen; Hij heeft ons Zijn enige Zoon geschonken, met de belofte dat wij met Hem mogen heersen wanneer wij Hem slechts beminnen.
Aan Plato verwijt hij het veelgodendom te hebben verdedigd, terwijl hij zelf de Schepper als de ene God beschouwde. Aan de Joden bewees hij uit de profeten dat de beloofde Messias werkelijk gekomen was in de persoon van Christus.
Justinus is niet steeds in Rome gebleven, hij heeft ook gewerkt als rondreizend evangelist. Zo heeft hij in Efese de beroemdste joodse redenaar van die tijd ontmoet, Tryphon, met wie hij een tweedaags openbaar dispuut organiseerde. Zelf heeft hij deze gedachtenwisseling tot een boek verwerkt, de bekende Dialoog met Tryphon, waarin vooral over de komst van de Messias gesproken wordt.
ln twee verdedigingsgeschriften van het christendom‚ aan de keizers Antoninus Pius (150) en Marcus Aurelius (160), gaat Justinus in op de verwijten welke tegen het jonge christendom werden gemaakt. Omdat zij hun mysteriën niet in het openbaar wilden vieren, werden zij beschuldigd van geheime misdaden: dat zij het vlees aten van vermoorde kinderen, dat zij een gekruisigde ezelskop aanbaden. Dit alles werd gebruikt als voorwendsel om de christenen op de wreedaardigste wijze te folteren om ze tot bekentenis te dwingen. Justinus wijst erop dat deze misdaden alleen bij gerucht werden vernomen en dat er nooit enig bewijs voor geleverd was. Hij beschrijft waaruit die mysteriën in werkelijkheid bestonden, en hij verhaalt over de Doop en de Eucharistie. Daarbij gaat het niet om gewoon brood en drank, maar dat deze door de plechtige Dankzegging zijn overgegaan in het Lichaam en Bloed van Jesus Christus, onze Verlosser. De gelovigen heiligden de zondag door bijeen te komen voor de gemeenschappelijke viering, waarbij de Profeten werden voorgelezen en een toespraak werd gehouden. Tevens werden aalmoezen bijeengebracht om hulp te bieden aan wezen, weduwen, gevangenen, zieken en vreemdelingen. Justinus besluit zijn geschrift met het edict van keizer Hadrianus waarin deze de christenen godsdienstvrijheid schenkt.
Inderdaad genoot de Kerk gedurende enige tijd vrede, maar toen de vervolging weer opvlamde richtte Justinus ook een verdedigingsgeschrift tot de Senaat. Hij wijst erop dat mensen die zelfs met vreugde de marteldood ondergingen toch geen misdadigers kunnen zijn. Maar hij voorzag dat dit geschrift hem de vrijheid en het leven zou kosten, zoals ook inderdaad gebeurde: Justinus werd gevangen genomen, en na verhoor en geseling ter dood veroordeeld. Met hem leden Chariton, diens vrouw Charita, Evelpiste, Hiërax, Peon, Valerianus en nog een Justinus, in 166/167.
Van het proces bestaan nog de uitvoerige gerechtsakten, waarin Justinus tenslotte uit naam van allen verklaart dat ze ernaar verlangen om voor Christus te mogen lijden en daardoor de hemel te ontvangen. De rechter vroeg of hij soms dacht dat hij door voor Christus te sterven daarvoor een beloning in de hemel zou ontvangen. Justinus antwoordde uit naam van hen allen: “Dat denken we niet; we weten het!”
De gedachtenis van de heilige Justinus wordt ook gevierd op 13 april.

justinus martelaar12.jpg

justinus martelaar.jpg

De commentaren zijn gesloten.