24-01-17

Domheid

Domheid

Dietrich Bonhoeffer

Domheid is een gevaarlijker vijand van het goede dan slechtheid...Het kwade draagt altijd de kiem van eigen ontbinding in zich, want het laat in de mens ten minste een gevoel van onbehagen achter. Tegen domheid zijn wij weerloos.Noch met protesten noch met geweld is hier iets te bereiken. Argumenten baten niets....Vaststaat dat domheid geen gebrek is, maar een moreel tekort. Er zijn mensen met een buitengewoon snel verstand die dom zijn, en mensen met een traag verstand allesbehalve dom zijn.

Bij nader inzien blijkt dat iedere sterke machtsontplooiing, politiek of religieus, een groot deel van de mensen met domheid slaat. ...De nukkigheid van de domme mens mag ons niet doen geloven dat hij zelfstandig is. Als je met hem praat, merk je direct dat je niet te maken hebt met hem zelf, met hem persoonlijk, maar met leuzen en slogans die macht over hem hebben. Hij leeft in een ban en is verblind, aangetast in zijn wezen en misbruikt. Zo wordt de domme een willoos instrument in staat tot alle kwaad en hij is niet bij machte dit kwaad als zodanig te onderkennen. Hier ligt het gevaar van een duivels misbruik. Dit zal mensen voorgoed te gronde kunnen richten.

Wat Bonhoeffer hier zegt maken wij in onze tijd veel mee. Domheid staat hier niet als het tegenovergestelde van slim zijn, maar wél het feit, dat mensen zich in onze tijd gemakkelijk laten meeslepen met machthebbers en ze blindelings volgen. Wij zijn vrije mensen, en als vrije mensen zijn wij persoonlijk verantwoordelijk voor onze daden. Maar als we ons laten beïnvloeden door mensen die macht over ons hebben, dan worden wij 'dom'. Dit maken wij ook mee in de kerken : mensen die zich laten beïnvloeden door geestelijke leiders maar zelf geen verantwoordelijkheid meer dragen. Mensen die blindelings de leiders, of ze nu politieke of religieuze zijn, volgen. Dat zagen we gebeuren bij de volgelingen van Hitler maar ook nu bij de volgelingen van IS en  bepaalde religieuze groepen en sekten. Ze ontnemen de mens zijn vrijheid, ze worden 'dom'.
Er is maar één oplossing : terug vrije mensen worden.

Kris Biesbrieck met citaten van Dietrich Bonhoeffer (uit zijn boek : Verzet en overgave.

Dietrich Bonhoeffer : Verzet en overgave : uitgeverij Ten Have

16:10 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)

05-11-14

Kierkegaard

SÖREN  KIERKEGAARD

 

Kierkegaard.png

door Kris Biesbroeck

 

Inleiding

 

Tussen de jaren 1842-1846 heeft Kierkegaard een ongelooflijk grote geestelijke prestatie geleverd. Hij is erin geslaagd een nieuwe wijze te vinden om het leven van de mens tot verwoording te brengen. Hij beschouwde het als zijn roeping, om de mens zichzelf te doen uitspreken, om het individu te brengen tot een bewustwording van zichzelf. Op deze wijze heeft hij een grote stoot gegeven aan het hedendaags denken. In de volgende hoofdstukken zullen wij trachten een kort overzicht te geven van zijn leven zelf en zijn gedachte. Na een beschrijving van zijn leven, in het eerste hoofdstuk, zullen we de twee grondgedachten die men kan onderscheiden bij Kierkegaard behandelen in het tweede en derde hoofdstuk als : zijn strijd tegen de systematische filosofie en theologie, en zijn strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom.

 

 

HOOFDSTUK   1

 

Zijn leven en werken

 

Soren Kierkegaard werd te Kopenhagen geboren op 5 mei 1813. Hij wordt de vader genoemd van het existentialisme.(De pedagoog Husserl vond de methode uit, de fenomenologie). Kierkegaards vader was een melancholiek, een pijnlijk angstvallige. Plicht en zonde domineren in zijn leven. ‘Het ontzettend lot, schreef Sören, van een man, die eens als kleine jongen op de Jutlandse heide de schapen hoedde, veel moest doorstaan, hongerde en het koud had en een heuvel beklom en er God vervloekte. En deze man kon dit niet vergeten hoewel hij 82 jaar oud werd’(Huebscher,A.,Twaalf filosofen, van Hegel tot Heidegger, Antw.,1966,pp41-42). Zijn leven lang droeg Sörens vader het besef van een niet te delgen schuld in zich. Hij nam het met zich mee in al die jaren, waarin hij zich in zijn beroep tot rijke handelaar in laken stoffen opklom en verder door de jaren van een vroeg gekozen, in angst en zwaarmoedigheid doorgebrachte tijd van stil leven. Dit besef lag als een schaduw van het noodlot ook aan het leven deze zijnen : Wanneer zou Gods oordeel hen treffen ? En wat betekende zijn dralen ?. Dit alles heeft voor Sören zelf in grote mate zijn verder denken bepaald. Reeds jong spreekt zijn vader met hem over godsdienstige problemen. Soms bleef hij voor zijn zoon staan en zei :’ Sören, je bent op weg naar een stille vertwijfeling’ (Lowrie,W. Het leven  van Kierkegaard, Antw.,1959, p.42). Sören zelf was eenzaam op school, hij deed nooit mee in het spel met de anderen. Het was een stokoud kind, altijd naar binnen gekeerd. In zijn dagboek schrijft hij daar zelf over :’Ik was al een oud man als ik geboren werd’. En elders :’Teergevoelig, mager en zwak, beroofd van bijna iedere voorwaarde om mij bij andere jongens aan te sluiten, of zelfs om in vergelijking met anderen voor een volledig menselijk wezen door te gaan. Zwaarmoedig, ziek van ziel, in veel opzichten  ongelukkig, had ik één ding : een buitengewoon spitse geest, mij vermoedelijk gegeven opdat ik niet weerloos zou zijn. Als jongen reeds wist ik mij bewust van mijn geestigheid en ik wist dat het mijn kracht was bij onenigheid met veel sterkere kameraden’ (Lowrie,W, Op.cit.,p34). Sören was een ziekelijke jongen, mismaakt, een hoge rug, een schreeuwerige piepstem, zwaarmoedig van karakter. Soms werd hij geplaagd omwille van zijn lichaamsgebrek, en dit vooral tijdens de ontspanning, maar hij beet altijd scherp van zich af. Zijn ironie is zeer bekend. Ook zijn opvoeding was zeer somber. Zijn vader is oud en reeds in de vijftig als Sören ter wereld komt, het is een autoritair, die zich altijd verdoemd waant om zijn zonden.Sörens omgang met zijn medemensen gaat dan ook zeer slecht. Dit verbetert echter als hij in 1830 naar de universiteit gaat. Hij moet van zijn vader theologie studeren om later predikant te worden. Hij neemt zijn studies echter licht op, gaat naar theater, op cafés en maakt veel schulden. Nochtans zijn zijn studies briljant, maar ze duren zeer lang. Er is niemand die er achter zit. Maar temidden van dat studentenleven overvallen hem problemen, hij gevoelt dat het dat niet is. Enkele gebeurtenissen zullen hem dan ook ernstiger maken : zijn moeder sterft in 1834 als hij 21 jaar oud is; ook sterven er nog twee zusters en een broer. Tevens is er nog het geheim en de dood van zijn vader (dat geheim is zeer mysterieus, men heeft het nooit kunnen ontmaskeren. Het moet echter zeer indrukwekkend geweest zijn). Nog datzelfde jaar schrijft hij in zijn dagboek : “Waar  het mij aan hapert is, dat ik niet in het reine kan komen waar het om gaat” . Het afsterven van zijn vrouw en drie kinderen deden de zwaarmoedigheid van Sörens vader  ook nog toenemen. Hij dacht dat hij omwille van zijn zonden gestraft was door God om al zijn kinderen te overleven. Zo dacht hij ook dat Sören  en zijn andere zoon Peter niet lang meer zouden leven; dit is echter niet waar geweest. In het document met vergulde snede verhaalt Sören de verpletterende ervaring die jij in zijn 22e jaar meemaakte, en die een einde maakte aan zijn kinderjaren; of liever aan de periode die onmiddellijk aansloot op zijn kinderjaren, in zoverre dat hij toen nog zijn vader van harte onderdanig was en er nog niet aan dacht met de onafhankelijkheid van de jeugd nieuwe paden in te slaan of zijn eigen plannen te maken overeenkomstig zijn eigen genegenheid en talent.

“Toen geschiedde het dat de grote aardbeving begon, de vreselijke omwenteling, die mij plots een nieuw, onfeilbaar verklaringsprincipe van alle verschijnselen samen opdrong. Toen besefte ik dat de grote ouderdom van zijn vader geen goddelijke zegen was, maar eerder een vloek. Dat de uitzonderlijke geestesgaven van onze familie slechts dienden om elkaar te treffen. Toen voelde ik de stilte des doods rondom mij groeien, wanneer ik mijn vader zag als een ongelukkige, die ons allen moest overleven, als een grafkruis op de tombe van al zijn eigen verwachtingen. Een schuld moest op de hele familie rusten, een straf Gods haar drukken. Zij moest verdwijnen, uitgeveegd worden door Gods machtige hand, uitgewist als een mislukte poging, en slechts bij tussenposen vond ik enige leniging bij de gedachte dat mijn vader de zware plicht was opgelegd ons door de troost van het geloof tot rust te brengen, ons allen te verkondigen dat er toch een betere wereld voor ons zou openstaan ook al verloren wij alles in déze, ook al moest de straf ons treffen die de joden altijd hun vijanden toewensten : dat onze gedachtenis geheel en al zou worden uitgewist, dat men ons niet zou terugvinden”(DUPRé, L.Kierkegaards theologie,Antwerpen, 1957,pp21-22). Wat heeft hij in deze periode ontdekt ? Alleen dit is ons duidelijk, de zuil waartegen heel zijn leven steunde ging aan het wankelen. Hij zag in zijn vader niet meer de uitverkorene voor wie hij hem hield, er rustte een ondelgbare schuld op hem en heel zijn nageslacht. Wat heeft Sören tot deze ontdekking geleid ? Sommigen, zoals de bekende Kierkegaard-kenner W.Lowrie menen dat de oude Michaël zijn zoon bij gelegenheid van diens 22e verjaardag het geheim van zijn leven zou verteld hebben. Anderen menen dat Sören zelf achter de zonden van zijn vader zou gekomen zijn. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijke, o.a. omwille van de mythe van David en Salomon (Kierkegaard, S, Brevier, heruitgegeven door Schäfer P en Bense M, Wiesbaden, 1951,pp 15-16)in Quidams dagboek, die zeker in verband staat met wat zich hier heeft voorgedaan. In elk geval zag Sören plotseling heel het leven  van zijn vader die hij als een heilige had vereerd, in wanverhouding met God. De gevolgen waren vreselijk. Er volgde een tijd van totale ontreddering. Alles wat hem heilige was stortte ineen. Van nu af aan kwam hij veel dronken naar huis en leefde voortdurend op de rand van krankzinnigheid. Op zekere dag begaat hij een grote morele misstap, hij wordt door enkele vrienden naar een ontuchthuis meegetroond. Pas enkele maanden nadien besefte hij dat hij mogelijk een kind kon hebben verwekt. De toestand verergerde zienderogen en ten slotte is het vader en zoon onmogelijk geworden nog langer samen te blijven wonen. Sören huurt een kamer in de stad. Deze morele inzinking, juist op dit ogenblik, laat zich het best verklaren vanuit een sterke angst, gewekt door het bewustzijn van zijn vaders schuld. Drie jaar lang heeft hij met zijn vader in onenigheid geleefd. In zijn 25e levensjaar heeft hij zich terug met zijn vader verzoend. Waarschijnlijk heeft zijn 82 jarige vader bij deze gelegenheid alles opgebiecht, waarschijnlijk heeft hij zelfs zijn zoon vergiffenis gevraagd, want Sören vermeldt in zijn dagboek King Lears woorden tot zijn dochter :

         

                              “When thou dost ask me blessing, I’ll

                                                 kneel down,

                                       and ask of thee forgiveness”.

Rond deze tijd greep ook Sörens bekering plaats.

 

In 1840 vraagt Soren de hand aan Regine Olsen, de dochter van een hoge functionaris. Reeds de volgende dag beseft hij dat het een verkeerde keuze is. Hij droomt van een echte gemeenschap van denken met zijn verloofde. Hij tracht ze op te voeden met het diepe geloof van hemzelf. Hij tracht haar zijn gefolterd hart te doen begrijpen, maar ze is nog te jong en te oppervlakkig. Dit beseft hij reeds de volgende dag. Na een tijdje besluit hij dan ook van haar te scheiden. Dit was voor hem een zwaar offer, want hij zag haar heel graag. Om haar het scheiden gemakkelijker te maken, trachtte hij  de liefde bij haar uit te doven door enkele maanden nors te zijn tegen haar. Kierkegaard heeft echter een zeer ideaal beeld van het huwelijk. Zijn afstand van Regina kost hem dan ook zijn goede naam. “Pas getrouwd en reeds een breuk” zei men. Deze gebeurtenissen behandelt hij in zijn boekje “Vrees en beven”, onder de pseudoniem : “Johannes de Silentio”. Daar behandelt hij de grond van deze gebeurtenis, maar zo, dat zijn tijdgenoten het niet begrepen, Regina echter wel. Het gaat over de offerande van Abraham. Abraham kreeg van God het bevel zijn eniggeboren zoon te offeren. Zoals Abraham bevolen werd zijn inniggeliefde zoon te offeren, zo werd aan Kierkegaard bevolen Regina prijs te geven, die hij boven alles beminde. Hij moest dus iets doen dat hij aan niemand kon uitleggen, en dat voor de wereld immoreel was. Daarom noemt hij zich hier ook “Johannes de Silentio”, alles wordt op een stille, verborgen wijze gezegd, zodat weinigen het begrijpen. Regina begreep het, en dat was voor hem voldoende.  Als motto voor dat boek geeft hij :”Wat Tarquinius Superbus in de tuin met zijn papavers besprak, werd wel door de zoon begrepen, maar niet door zijn boodschappers”. Ondanks de pijn die de scheiding hem veroorzaakte, was het besluit onherroepelijk. De scheiding was voor Kierkegaard een plicht, een plicht die slechts voor hem alleen aanvaardbaar was. Herhaalde malen had Regina’s vader getracht de scheiding terug goed te maken. Een daarvan beschrijft hij in zijn dagboek : Hij zei (Regina’s vader) : “Het is haar dood, ze is volkomen vertwijfeld”. Ik zei : “Ik zal haar wel gerust stellen; maar de zaak is beslist”.. Hij zei : “Ik ben een trots man, het valt mij zwaar, maar ik smeek u haar niet op te geven”. Rond die tijd beschrijft hij dan ook verder de scheiding zelf : “Zal je dan nooit trouwen”, vroeg ze. Ik zei : “Jawel, over tien jaar als ik uitgeraasd zal zijn. Dan heb ik weer een jeugdig meisje nodig om mij te verjongen”. Toen zei ze : ‘Vergeef mij wat ik tegen je misdaan heb’. Ik antwoordde : ‘Ik ben het die dat moet vragen’. Ze zei :’Beloof dat je aan mij zult denken’. Dat deed ik. Ze zei : ‘Kus mij’. Dat deed ik, maar zonder hartstocht. Barmhartige God ! Kierkegaard – een keuze uit zijn dagboeken p.92-93).

 

In 1840 begint voor Kierkegaard een periode van intense activiteit, die eindigt bij zijn dood. Van 1840 tot 1850 leidt hij een dubbel leven : overdag beweegt hij zich in de wereld met veel succes trouwens. ’s Nachts geeft hij zich over aan zijn inspiratie en schrijft hij. De markante gebeurtenissen uit die tijd zijn niet alleen zijn wereken, zijn boeken, maar twee opzienbarende polemieken, waartoe hijzelf het initiatief neemt. De eerste poleniek is gricht tegen het satirisch weekblad van de Kopenhaagse ‘beau-monde’, de Korsaar. Hij zegt van dat blad dat het demoraliserend is. Wij hebben vroeger reeds gezien dat hij reeds als kleine jongen niet bang was van grotere. Daarom durft hij het nu ook aan. Hij brengt het zo ver dat het blad verdwijnt. Maar vooraleer het zo ver is publiceert de Korsaar een reeks artikelen die hem in een slecht daglicht stellen.Hij wordt er ronduit in uitgelachen, maar daardoor ook meteen beroemd, maar niet in de gunstige zin (Tondriau J., Kierkegaard : de moeilijkheid een mens te zijn ,1965,p21). Hijzelf meent dat een religieus schrijver vervolging moet lijden (cf. Lowrie,W.,Het leven van Kierkegaard, pp 131-145). De tweede polemiek is naar aanleiding van het overlijden van bisschop Mynster van Kopenhagen. Zoals het gebruik was bij alle grote mannen, wordt ook hier een lijkrede gehouden, ditmaal door één van zijn vermoedelijke opvolgers, de theoloog Martensen. Martensen verklaarde dat Mynster getuige is geweest van de waarheid. Volgens Kierkegaard is dat niet waar. In zijn dagboek schreef hij reeds eerder over Mynster : ‘De middeleeuwen meenden dat het christelijke is : verzaken, ascese. Mynster meent ongeveer – en dat is trouwens het moderne standpunt-, dat het christelijke bestaat in ‘beschaving’. Maar dat begrip beschaving is – zonder meer – uiterst vaag en kan vaak het tegendeel van het christendom inhouden, namelijk, als men er genot, verfijning, louter menselijke beschaving onder verstaat. Hij, zegt Kierkegaard, die staande wil blijven in de wereld, die wil getuigen voor de waarheid, krijgt voldoende ascese in zijn leven (Kierkegaard : een keuze uit zijn dagboeken, pp.123-124).

 Kierkegaard had een zeer ideaal beeld van het Christendom. Hij zag echter dat er in de praktijk van de geestelijkheid veel schijnheiligheid en komedie mee gemoeid was. Zo ook bij bisschop Mynster. Het evangelie beleven ten koste van zijn leven, had hij moeten doen, of ten minste, dat het christendom dat de zondag wordt gepredikt niet dat van de maandag is, dat had hij ten minste nog moeten bekennen – zegt Kierkegaard, men kan er de maandag niets meer mee doen. Het komt dan ook tot een breuk met de gevestigde kerk. Een breuk die nooit meer hersteld is geworden. Hij komt hiertoe vanuit een overtuigend idealisme.

 Kierkegaard verlangt niet oud te worden, en hij verwondert er zich over dat hij de dertig overleeft. In 1855 krijgt hij op straat een flauwte en sterft een paar dagen later zonder het avondmaal te gebruiken. Hij wilde het niet ontvangen uit de handen van een predikant.

 Peter – zijn enige broer nog in leven, en op dat ogenblik bisschop – houdt een indrukwekkende toespraak aan het graf. Zij ontaardt echter niet in rouw. Men wil de tekst voorlezen van de heilige Paulus aan de verflauwde kerk van Laodicea.

 Vooraleer met zijn eigenlijke leer te beginnen is het nuttig nog even een kort overzicht te geven van zijn werken. Schrijven is voor Kierkegaard een must, hij moet kunnen schrijven. Hij schrijft dan ook veel dat niet voor publicatie bestemd bv. Zijn dagboeken. Een deel is echter wel voor publicatie bestemd en daarin wil hij een zuivere uiteenzetting geven van het christendom, niet zoals de catechismus het altijd heeft gedaan, maar zoals Christus het heeft gedaan, in vertellingen, die de mens rechtstreeks aanspreken. Hij wil geen traditionele dogmatiek geven, geen rationele apologetiek. Hij wil de lezers rechtstreeks treffen in hun gemoed en hun verstand.  Daarom voert hij in zijn boeken bepaalde personen ten tonele – zoals Sartre en anderen het ook hebben gedaan. De lezer wordt aldus meegevoerd in een innerlijke strijd voor waarheid en geloof, maar krijgt nooit een pasklare oplossing. Hij stelt problemen, de mens wordt voor een keuze gesteld, die hijzelf zal moeten oplossen.

 Enkele werken :

 - Het begrip Ironie(1841).Proefschrift voor zijn doctoraat in de Theologie      

- Het één of het ander (1843)

- Vrees en beven (1843)

- Het begrip angst (1844).

- Stadia op de levensweg (1845).

- Liefdesdaden (1847).

- Ziekte tot de dood (1848)

Lees meer...

10:58 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)

04-12-07

Tarkovsky

APOSTEL ANDREAS  CONTACTEN MET DE ORTHODOXIE  
Sinds het begin van de orthodoxe aanwezigheid in Gent in de Sophie van Akenstraat in het jaar 1968 waren de verantwoordelijken begaan met het uitdragen van de Orthodoxie. Het getuigenis zou zich niet enkel beperken tot het celebreren van de wekelijkse liturgische diensten en de hoogfeesten doorheen het kerkelijke jaar en de daaraan gebonden uitbouw van een parochiale werking; maar tot eveneens het getuigen van de orthodoxie doorheen lezingen en conferenties die in mindere of meerdere mate formeel of informeel te maken hebben met de orthodoxie.             Zo werden elk winterseizoen sprekers uit binnen- en buitenland uitgenodigd om diverse onderwerpen te belichten van theologische, historische, spirituele, oecumenische en maatschappelijke aard. Velen herinneren zich het belang en de rijkdom van deze avonden.          In de schoot van de parochie werd dan ook besloten om dit jaar de draad terug op te nemen. De lezingen gaan telkens door in de conferentiezaal van de orthodoxe parochie van de H. Apostel Andreas, Sophie van Akenstraat 17, 9000 Gent om 19u30; inkom € 5. De komende lezingen zijn:“Andreï Tarkovski, filmen is een geloofsbelijdenis” op 10/12/2007;“Orthodoxie en missie, een getuigenis uit Kenia” 18/02/ 2008;“De liturgie van het hart” 06/06/2008, in samenwerking met het leerhuis voor de kerkvaders.  Contactadres: vader Dominique Verbeke, Sophie van Akenstraat 56,9000 Gent, tel/fax 09/225 47 18.
  

+

Apostolos Andreas

Contacten met de Orthodoxie

Nodigt U uit op een voordracht gehouden door

 

Grégoire Verbeke

die zal spreken over

 

"Orthodoxie en Missie,

een getuigenis uit Kenia"

 

Andreas Tyllirides, geboren in Cyprus, studeerde theologie in Oxford en was klaar om er professor te worden. Hem werd gevraagd 3 maanden theologie te doceren aan het seminarie in Nairobi. Deze 3 maanden werden 30 jaar.

Eén van onze jongeren ging drie weken op weg met Aartsbisschop Makarios III van Kenia (Andreas Tyllirides). De bisschop bouwt ononderbroken scholen, ziekenhuizen en kerken en werkt aan een menswaardig bestaan voor de bevolking en de minstbedeelden. Dit alles in de meest ontoegankelijke uithoeken van Kenia en in een zeer moeilijke politiek-maatschappelijke situatie. Zonder veel woorden te gebruiken handelt hij met een bewonderswaardige gedrevenheid.

 

VERBEKE (591 x 443)

 


 

 

 

 

 

 

Deze voordracht zal gehouden worden op 18 februari 2008

in de conferentiezaal van de orthodoxe kerk Heilige Apostel Andreas, Sophie van Akenstraat 17 te 9000 Gent om 19u30

 

 

 

 

Bijdrage € 5, € 3 voor niet-werkenden

 

Correspondentieadres: Sophie van Akenstraat 56 te 9000 Gent

Tel. en fax: 09/ 225 47 18

 


 

Bondige weergave van de conferentie gegeven door Vader Dominique Verbeke over Andrei Tarkovsky -10 december 


 +

APOSTOLOS ANDREAS

 

CONTACTEN MET DE ORTHODOXIE

 

 

 

TARKOVSKY

 

ANDREJ TARKOVSKI

1932-1986

"FILMEN IS EEN GELOOFSBELIJDENIS"

 

 

 

 

 

Gent, 10 december 2007

Dominique Verbeke

 

 

KORTE BIOGRAFIE en FILMOGRAFIE van ANDREJ TARKOVSKI

4 april 1932: Andrej Tarkovski wordt geboren te Zavraje in de provincie Ivanovo op de Volga als zoon van de dichter Arseni Tarkovski en Maria Ivanovna.

Hij studeert muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, Arabisch en geologie.

1956-1960: hij studeert aan de filmschool en besluit zijn opleiding met het eindwerk De stomer en de viool.

1962              IVANS JEUGD (filmdebuut)

1966              ANDREJ ROEBLJOV

1972              SOLJARIS

1974              DE SPIEGEL

1979              STALKER

1983              NOSTALGIE

1986              HET OFFER

                      ANTON, genoemd naar de eerste monnik uit het christendom, zou zijn volgende film geweest zijn.

29 december 1986: Tarkovski overlijdt te Parijs. De begrafenisdienst heeft plaats op 5 januari 1987 in de orthodoxe kathedraal Alexander Nevski. Diezelfde dag wordt hij net buiten Parijs begraven op het orthodoxe kerkhof van Sainte-Geneviève-des-Bois.

________________________________________________________________________________

DE FILMS

IVANS JEUGD

"De analyse van de ervaring van het maken van Ivans jeugd laat toe om jeugd van ivan
beter mijn innerlijke evolutie te begrijpen." (A.T.) Tarkovski stond voor de noodzaak om een duidelijk standpunt in te nemen binnen de cinematografische esthetiek (...).

"Tarkovski schetst op indringende wijze een wrange en schokkende reis door de beschadigde geest van een kind in oorlogstijd. Wanhoop, wraak en scherpe tegenstellingen van goed en kwaad, wit en zwart, blijdschap en diepe droevigheid kleuren de wereld van de jonge Ivan". (filmkritiek)

 

 


ANDREJ ROEBLJOV

"Mijn overtuigingen worden versterkt met het schrijven van De passie volgens de heilige Andrej, titel van het scenario van de film Andrej Roebljov, beëindigd in 1966." (A.T.)

URoebljov

"Ik wou naar het voorbeeld van Roebljov de psychologie van de schepping oproepen en de ziel en het sociale bewustzijn doorgronden van de kunstenaar, die onvergankelijke geestelijke waarden wil creëren. De film moest tonen hoe, in een tijd van burgeroorlog onder het Tataarse juk, het hunkeren naar broederschap van een gans volk leidde tot de creatie van de geniale Drie-Eenheid, het ideaal van broederschap, liefde en serene heiligheid." (A.T.)

 

 


SOLJARIS

SOLJARIS

Soljaris gaat over de dood van de mens en het verlangen om deze planeet te verlaten. "Wanneer ik slaap ken ik geen angst, geen hoop, noch
gelukzaligheid. Denk aan de uitvinder van de slaap. Dat is de enige pasmunt, de enige weegschaal waarop herder en koning, dwaas en wijze in evenwicht zijn. Maar diepe slaap is slecht, die lijkt te veel op de dood..." (filmkritiek)

 

 

 


DE SPIEGEL

"Een sterk autobiografisch werk. Tijdens een crisis gaat de hoofdpersoon in gedachten terug naar de plaatsen en gebeurtenissen uit zijn jeugd, ook DE SPIEGEL
beleeft hij zijn bijzondere dromen en ravot in de sneeuw met zijn eerste vriendinnetje." (filmkritiek)

"Andrej, het zijn geen films die je maakt..." (Arseni Tarkovski)

"Vanaf het moment dat ik aan De spiegel begon, raakte ik er steeds meer van overtuigd dat iedere nieuwe film niet gewoon een volgend project is, maar een levensnoodzakelijke daad die het lot van iemand wezenlijk beïnvloedt. Ik had besloten om in deze film voor het eerst direct en zonder voorbehoud uitdrukking te geven aan wat mij het meest waardevol en dierbaar is." (A.T.)

 

 


STALKER

De terugkeer naar het huis van de vreugde te midden van een verboden zone.

"De verboden zone is een gebied waar een ramp het leven heeft STALKER
vernietigd en de natuur ontwricht. Maar in dit gebied bevindt zich ook een kamer, waar men zijn innigste wens tot vervulling laat komen. Alleen de gids Stalker weet de weg in de gevaarlijke zone. Stalker zal een schrijver en een wetenschapper begeleiden naar de zone, naar de mysterieuze kamer der wensen..." (filmkritiek)

                     

"De Zone betekent niets. (...) De Zone, dat is de Zone. De Zone, dat is het leven. De mens die er door gaat, botst of houdt stand." (A.T.)

 

 


NOSTALGIE

"Drukt de nostalgie uit naar spiritualiteit." (A.T.)

NOSTALGIA

"De eerste film die ik heb gerealiseerd buiten mijn vaderland. Ik wou een film maken over de Russische nostalgie. (...) Het thema is de geschiedenis van een Russische man die totaal ontredderd is, niet enkel door de stroom
van indrukken die op hem neerkomen, maar ook door zijn tragische onmogelijkheid om deze te delen met diegenen die hem het nauwst aan het hart liggen en die niet zoals hem, de toelating gekregen hebben om te vertrekken, en door de nieuwe ervaring die hij niet kan inpassen in een verleden waarmee hij als door een navelstreng verbonden is." (A.T.)


 


HET OFFER

Het offer

 "Het middel om tot een normale relatie te komen met het leven, is de relatie met zichzelf te herstellen door zich te offeren (...), zo opent zich de weg tot de wedergeboorte." (A.T.)

"De onmogelijkheid van harmonie zonder offer. (...) Mijn voornaamste doel is om, in alle naaktheid, de fundamentele vragen te stellen van ons leven op aarde en de toeschouwer uit te nodigen om de verborgen en uitgedroogde bronnen van ons bestaan terug te vinden." (A.T.)

                           Tarkovski's ganse oeuvre speelt zich af tussen twee kinderen, het beginbeeld van het kind

 in de film Ivans jeugd en het beginbeeld van het kind bij de dode boom in Het offer.

________________________________________________________________________________

TARKOVSKI OVER KUNST

"Het artistieke beeld is een metafoor. (...) Omdat argumenten het oneindige niet kunnen uitdrukken. Enkel de kunst biedt deze mogelijkheid. (...) Het absolute kan slechts bereikt worden door het geloof en de scheppingsdaad."

"Wie van de waarheid niet houdt, ziet ook de schoonheid niet."

"Ook begrijp ik in het geheel niet het probleem van de ‘vrije' of ‘onvrije' kunstenaar. De kunstenaar is nooit vrij, meer nog, niemand is minder vrij dan de kunstenaar, want hij is vastgeketend aan zijn gave, aan zijn roeping, aan zijn dienst voor de anderen."

"De roeping van de kunst is om in volle bewijstzijn deze ruwe en afstotelijke waarheid [nvdv: het dagdagelijkse] te overstijgen in naam van een groter geestelijk plan. Kunst is in haar essentie bijna religieus, een sacraal bewijstzijn van een verheven geestelijke taak."

"Kunst, ontdaan van elke spiritualiteit, draagt in zich haar eigen tragedie."

"(Want) de ware kunstenaar staat altijd in dienst van de onsterfelijkheid. Hij probeert de wereld en de mens die hem bewoont, te vereeuwigen."

"De kunst symboliseert de zin van ons bestaan."

"De samenleving hunkert naar stabiliteit, de kunstenaar naar het oneindige. De kunstenaar is begaan met de absolute waarheid. Het is daarom dat hij vooruitkijkt en bepaalde dingen ziet vóór anderen. Wat de gevolgen daarvan zijn, daarop geven we geen antwoord, want voor ons telt enkel de keuze al dan niet onze taak te vervullen. Zo een standpunt betekent dat de kunstenaar de verplichting heeft verantwoordelijk te zijn voor zijn eigen lot. Mijn toekomst is een kelk die ik niet uit de weg kan gaan. Ik moet hem dus uitdrinken".

"Het is mijn taak ervoor te zorgen dat wie mijn film ziet, de behoefte voelt om lief te hebben, zijn liefde te geven, en de roep van de schoonheid ontwaart."

"Filmen is een geloofsbelijdenis."

_______________________________________________________________________________

ANDREJ ROEBLJOV

geboren tussen 1360 en 1370 en  gestorven tussen 1427 en 1430, naamfeest op 4 juli

BONDIGE HISTORISCHE ACHTERGROND

"Andrej Roebljov werd opgevoed onder de bescherming van Serge van Radonezj in het Drie-Eenheidsklooster van de Heilige Serge. Hij was nog niet aangetast door het leven en de begrippen ‘liefde, eenheid, broederschap' werden zijn devies. In deze Troebele Tijden inspireert hij zich voor dit devies op de realiteit en politieke helderziendheid van de heilige monnik Serge van Radonezj. Eenmaal buiten de muren van het klooster, wanneer hij de tragedie van zijn tijd ziet, bevindt Andrej zich midden in een onverwachte en schrikwekkende realiteit. (...) Andrej was weinig voorbereid op de confrontatie met de realiteit. Pas nadat hij alle cirkels van het lijden doorkruist heeft, samenhangend met het lot van zijn volk, waarbij hij zijn geloof verliest in de idee van het goede doordat hij zich niet kan verzoenen met de concrete realiteit, komt hij terug naar het punt waar hij vertrokken was: de idee van de liefde, de goedheid en de broederlijkheid. Hij heeft nu de persoonlijke ervaring opgedaan van de opperste waarheid van deze idee, draagster van de verzuchtingen van zijn volk dat martelaar is. De traditionele waarheden blijven bewaarheid wanneer ze authentiek worden door de persoonlijke ervaring. (...)" (A.T.)

SYNTHETISCH OVERZICHT VAN DE FILM

Proloog           

1ste tafereel      De nar van de koning: de verknechting (zomer 1401)

2de tafereel      Theophanes de Griek: de afgunst                       (winter 1401)

3de tafereel      De passie van /volgens Andrej: het lijden           (zomer, herfst en winter 1406)

4de tafereel      Het heidense feest: de vlucht in de roes (lente 1408)

5de tafereel      Het Laatste Oordeel: onmacht               (zomer 1408)

6de tafereel      De vernietiging van de stad Vladimir: overmacht, wreedheid       (herfst 1408)

7de tafereel      De stilte van Andrej: inkeer, bezinning na beproeving                 (najaar 1412)

8ste tafereel      De klok: overwinning van het goede      (1423-1424)

Epiloog            Caleidoscoop van de schilderkunst van Andrej Roebljov, met als meesterwerken zijn grote Christusicoon en zijn icoon van de Heilige Drie-Eenheid

Einde               Vreedzame paarden grazen zachtjes aan de eindeloze oever van een rustige rivier...

"Een reeks van episoden, zoals novellen, waarin het personage van Roebljov niet noodzakelijkerwijs zichtbaar moet zijn. Maar zelfs dan moet je de adem van zijn ziel kunnen ontwaren, de trilling van de sfeer die aan de oorsprong ligt van zijn voorbehoud voor de wereld. De episoden moesten niet onderling verbonden zijn door een traditionele chronologie, maar door de logica, inherent aan de noodzaak welke Roebljov voelde om zijn beroemde Drie-Eenheid te schilderen. (...)" (A.T.)

"Het komt er eerst en vooral op aan om een gebeurtenis te tonen, en niet onze houding ertegenover. Deze moet duidelijk worden in het geheel van de film. Het is een beetje zoals bij een mozaïek: elk stukje heeft zijn kleur, blauw, wit, rood, allemaal verschillend. En het is maar door het geheel van het werk te bekijken, dat we zien wat de auteur wil uitdrukken." (A.T.)

________________________________________________________________________________

GETUIGENISSEN OVER TARKOVSKI

Heimwee naar de Enige noodzakelijke

Wanneer de Heer in een mysterievolle uitverkiezing zijn hand op het hart van de mens legt, dan vindt deze pas rust wanneer hij in woorden, in beelden, de meest intieme, de meest onuitsprekelijke visie en ervaring tot uitdrukking heeft gebracht.

Andrej Tarkovski is door God geraakt geweest, en doorheen zijn ganse leven, doorheen zijn ganse scheppende oeuvre heeft hij ernaar gestreefd zijn visie van de oorspronkelijke schoonheid en van de zich offerende liefde, verborgen in het menselijke hart, mede te delen.

drieeenheid 56
Het ganse leven van Andrej Tarkovski was een getuigenis van zijn heimwee naar de Enige noodzakelijke; deze nostalgie werd de centrale motor van zijn cinematografische schepping.

Voor ons allen is Andrej Tarkovski het symbool en de getuige van het eeuwige Rusland, van het heilige Rusland, waarvan de innerlijke schoonheid het leven van ontelbare rechtvaardigen verlicht. Dankzij hen houdt Rusland stand in de pijnlijke beproevingen van de 20ste eeuw.

Uit de homilie gehouden door aartspriester Boris Bobrinskoj tijdens de begrafenis van Andrej Tarkovski

Andrej Tarkovski was de man van de drempel. De weg van het mysterie is voor Tarkovski de mens zelf. In Rimini hoorde ik hem uitleggen dat de mens een vraag is, een vraag die de moderne wereld de mond zou willen snoeren, een vraag die vergeten is vanwege onze intellectuele hoogmoed, in Stalker gesymboliseerd door de figuren van de schrijver en de professor, die blind zijn voor het huis van de vreugde. "Gans mijn werk", zo zei Tarkovski, "heeft tot doel de mens de mogelijkheid van overschrijden en ‘opening' terug te geven. De mens zijn oneindige en onsterfelijke ziel terug te geven, die enkel door het geloof kan ontwaken." Tarkovski onttrekt ons aan de platvloersheid en aan de hoogmoed, hij brengt ons tot op de drempel. Aan ons om binnen te treden...

Olivier Clément in SOP, 15.02.1987

"Wanneer ik de eerste films van Tarkovski ontdekte, was dit voor mij een mirakel. Plots bevond ik me voor de deur van een kamer waarvan ik tot dan toe de sleutel niet bezat. Een deur waardoor ik altijd al had willen binnentreden en een kamer waar hijzelf zich volkomen goed voelde.

Ik werd aangemoedigd en gestimuleerd: iemand had net uitgedrukt wat ik altijd al had willen zeggen, zonder te weten hoe.

Wanneer Tarkovski voor mij de grootste is, dan is dat omdat hij de cineast in zijn specificiteit een nieuwe taal aanreikt die hem in staat stelt het leven te grijpen als schijn, het leven als droom.

Ingmar Bergman, bekende Zweedse cineast

_____________________________________

Beperkte biblio- filmografie

Anrdrei Tarkovski « Le temps scellé », cahiers de cinéma, Editions de l'Etoile, 1989

Antoine de Baecque « Anrdrei Tarkovski », cahiers de cinéma, Editions de l'Etoile, 1989

Alle DVD zie http://www.moskwood.nl/

AndrejTarkovski « De verzegelde tijd: beschouwingen over de filmkunst », Historische Uitgeverij
 

.

15:14 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)

22-02-07

 Het ongeloof van Sartre

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

 

Frans filosoof

 

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen.

 

Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

           

Ze zijn dood. Dit betekent : ze hebben niets anders meer dan hun verleden. Er is geen toekomst meer. Ze bestaan zonder persoonlijk levensontwerp, versteend met het beeld dat de anderen zich van hen hebben gevormd. De dialectiek van die situatie, het versteend zijn voor en door de blik van de andere is de’hel’. L’enfer c’est les autres. (Bauters, Jean Paul-Sartre, ontmoetingen, DDB,1964,pp.48-49)

 

 

               Estelle:

Luister niet naar haar. Neem mijn mond; ik    ben van

jou helemaal van jou.

               Inès 

Nou, waar wacht je op ? Doe wat je gezegd is.

      

 

 

De lafaard Garcin houdt de kindermoordenares Estelle

in zijn armen. Er kan worden gewed. Zal de lafaard

Garcin haar kussen ?

Ik zie jullie; ik alleen ben de menigte, de menigte,Garcin,de menigte, hoor je het ?

Lafaard ! Lafaard ! Lafaard ! Tevergeefs vlucht je voor me, ik laat je niet los ! Wat zoek je op haar lippen ?

Vergetelheid ? Maar ik vergeet je niet.

Mij moet je overtuigen. Kom ! Kom !

Ik wacht op je.

Je ziet, Estelle, hij maakt zich los uit de omarming,

Hij is zo gedwee als een hondje….Je krijgt hem niet !

 

 

 

Garcin :          

Wordt het dan nooit nacht ?

Inès :              

Nooit.

Garcin :          

Zal je me altijd zien ?

Inès :

Altijd

(Garcin:     laat Estelle aan haar lot over en doet een paar  stappen

door het vertrek, naar het bronzen beeld op de  schoorsteenmantel)

Garcin :

Het beeld….(Hij streelt het).

Nu is het ogenblik gekomen. Hier is het bronzen

Beeld, ik kijk ernaar en begrijp dat ik in de hel ben.

Ik zeg jullie dat alles was voorzien.

Zij hadden voorzien, dat ik voor deze schoorsteen

Zou staan, dat ik met mijn hand op dit beeld zou

Drukken, met al die blikken die mij verslinden…

(zich met een ruk omdraaiend)

Ha zijn jullie maar met z’n tweeën.

Het leek me dat er veel meer waren.(Lacht)

Dus dit is nu de hel. Ik zou nooit geloofd hebben

Herinneren jullie je nog : zwavel, brandstapel,

Braadrooster… Ha ! Wat een grap !

Een braadrooster is niet nodig :De hel dat zijn de

Anderen.

 

(J.P.Sartre.De Vliegen e.a., De Bezige Bij, 1966, pp.119-120)

 

            Volgens Sartre kan een mens op twee manieren bestaan : als een subject en als object.

Als subject (‘corps-pour-soi’) is de mens pas echt mens door zich voortdurend te realiseren in en met de wereld : hij denkt aan, hij werkt met… Het menselijk bewustzijn is als het ware een verbindingselement tussen het ik en de wereld. Doordat de mens bewust is, is hij altijd al in de wereld. Zelfs in de droom is de mens aanwezig in de wereld. Een droom is samengesteld uit ‘ervaringsresten’ van de wereld. Het is dank zij het bewustzijn dat de mens vrij is. Hij is in de wereld, maar valt er niet mee samen. Een mens neemt voortdurend afstand : ik ben geen plant, geen dier, geen vrouw (man), geen volwassene….

Door het bewustzijn is de mens vrij, hij is een wezen dat niet vastligt (vandaag is hij anders dan gisteren) en niet vastgelegd kan worden. Zelfs in een gevangenis kan de mens , volgens hem, zijn vrijheid bewaren. Ook ziek zijn zou volgens Sartre een keuze zijn.

 

Als object (‘corps-en-soi’) :  op zijn eentje kan de mens zonder problemen als subject bestaan. Eenmaal tussen andere personen echter zijn er twee mogelijkheden : hij blijft bestaan als subject ofwel wordt hij herleid tot een ding, een object.

 

Een voorbeeld : een vrouw is in de badkamer, ze voelt zich vrij, niemand ziet haar, ze is naakt en zingt. Plotseling ontdekt ze dat ze begluurd wordt door iemand doorheen het sleutelgat. Op dat moment verliest de vrouw haar subject-zijn en voelt ze zich als een object, bekenen. Ze voelt zich herleid tot een object. Maar tezelfdertijd gaat ook zij diegene die gluurt objectiveren, tot een object herleiden. Zo verliezen beiden op dat moment hun subject-zijn, en zijn ze voor elkaar tot objecten geworden.

 

Sartre gelooft niet in de liefde. De sterkste persoonlijkheid zal altijd de ander domineren, in zijn macht gevangen houden, waardoor de ander tot ding of instrument herleid wordt.

Dit –tot-ding herleiden gebeurt bij uitstek op twee manieren : door de blik en het oordeel.

 

De blik : de ‘pornogragfische blik’ , de ‘betrappende blik’. Enz…

Het oordeel : Iemand vastspijkeren op zijn anders-zijn, hij is jood, neger,homo enz..

 

Sartre kan ook niets anders dan God verwerpen. God kan niet bestaan, God mag niet bestaan, als God bestaat is de mens niet vrij, zegt hij.

Een God aanvaarden betekent voor hem, door iemand (een god) tot object worden herleid. Iemand die gelooft moet geboden onderhouden. Als ik dat doe, verlies ik mijn vrijheid en leef ikzelf niet meer, maar laat ik me leven. Opdat een mens vrij zou zijn;, moet hij elke band met een opperwezen verloochenen, om zelf zijn leven in handen te geven.

Deze visie van Sartre spruit voort uit zijn opvoeding. Sartre is opgegroeid in een milieu, waar hij de slechtheid heeft leren kennen. Drugs, alcohol, verraad, overspel enz.. Dit heeft hem getekend. Als je in je leven niets anders dan slechtheid hebt gekend, hoe kun je dan nog een geloof hebben in de goedheid van de mens. En het geloof in de mens is een voorwaarde tot Godsgeloof. Wat hij zegt is waar, het bestaat. Mensen kunnen voor elkaar de hel zijn. We leven in een wereld waar de hel voorturend dichtbij is. Irak, Afrika, maar ook bij ons. Armoede, drugs, depressies, zich aan zijn lot overgelaten voelen. Niemand meer hebben om eens mee te praten, ouderen die vereenzamen in bejaardentehuizen, door iedereen in de steek gelaten, kinderen die mishandeld en misbruikt worden, kinderarbeid,prostitutie enz… Dit is een reële wereld, maar Sartre heeft  het mis, wanneer hij stelt dat dit altijd , in elke situatie en voveral zo is. Ook de hemel is een realiteit, we kunnen zeker ook voor de ander een stukje hemel zijn. Liefde bestaat echt. En godsdienst maakt de mens niet noodzakelijk tot een object. Christus is voor een christen juist ‘de meest vrije mens’, en zo zou ook een christen moeten zijn. Geboden en voorschriften zijn niet noodzakelijk een beperking van onze vrijheid, maar zijn juist een garantie om ons vrij te kunnen voelen. Natuurlijk, teveel geboden, teveel inmenging van de kerkelijke overheid (denken we aan de uitspraken van de pausen in morele kwesties) kan als een beperking van onze vrijheid aangevoeld worden. Vandaar dat de orthodoxie niet aan systematisch moraal doet. De mens is een vrij wezen, en hijzelf moet in eer en geweten over zijn handelen oordelen. Alleen tegenover God hebben we verantwoording af te leggen. En we weten dat de mens zwak en zondig is ( maar wat is zonde ? – voor mij is elke daad tegen de liefde voor onze medemens zonde). Met welk recht gaan we over anderen oordelen ? Christus maakt ons vrij, Hij leert ons te beminnen. Dit kan ook voor een ongelovige een realiteit zijn, en voorbeelden hiervan zijn ons bekend. Ook Sartre zou naar het einde van zijn leven toe een kleine copernicaanse zwenking hebben gemaakt. Hij was lid van de communistische partij, maar toen hij zag wat de russen hadden aangericht in Budapest in 1956, was de maat vol. Zoiets kan men mensen niet aandoen. Sartre wordt de spreekbuis van de vervolgden. Dit is een kleine maar belangrijke koerswijzi ging. Of hij daarmee zijn vroegere ideeën heeft gecorrigeerd blijft te betwijfelen.

Tot slot wil ik , met een dialoog uit Ingmar Bergman’s film ‘Als in een wazige spiegel’ proberen aan te tonen, dat een andere visie en houding mogelijk is, zelfs in een gebroken wereld.

 

 

In die film heeft Bergman het over een gesprek dat Minus heeft met zijn vader David, nadat hij de crisis van godsdienstwaanzin van zijn zus heeft meegemaakt :

 

Minus :          

Toen ik daar in het wrak zat en Karin in mijn

Armen hield, toen brak de werkelijkheid, begrijp

je wat ik bedoel ?

 

David :          

Dat begrijp ik wel.

Minus :          

De werkelijkheid brak en ik rolde eruit.

Dat is net als in een droom, maar het is echt.

Alles kan gebeuren – alles, vader !

David :          

Ja, dat weet ik wel.

Minus :          

Dat maakt mij zo bang dat ik ’t wel kan schreeuen.

David :          

Kom eens hier ! (hij raakt Minus’hand aan en ze

lopen zo samen op het strand…zwijgend…..

Dan slaat David zijn arm om de schouder van

Minus)

Minus :          

Ik kan met dit nieuwe niet leven, vader.

David :          

Jawel, dat kun je wel.

Maar je moet iets hebben om je aan vast te houden.

Minus :

Wat zou dat moeten zijn. Een God ?

Een God in de gedaante van een spin, zoals de god

van Karin ?

Of een onzichtbare heerser, ergens in het donker ?

Nee, dat kan niet.

Stilte

Minus :          

Nee, vader. Dat kan niet. God bestaat niet in mijn

wereld.

Stilte (ze lopen langs het water)

Minus :          

Geef mij een bewijs dat God bestaat.

Stilte

Minus :          

Dat kun je niet.

David :          

Dat kan wel

Maar nu moet je goed luisteren naar wat ik zeg,

Minus.

Minus :          

Dat moet ik wel vader.

David :          

Er staat geschreven : God is Liefde.

Minus :          

Voor mij zijn dat alleen maar holle woorden.

David :

Wacht nu eens even, je moet mij niet in de rede

vallen.

(Ze zijn bij een laag, zanderig uitsteeksel gekomen

dat bijna onmerkbaar afhelt naar het water. Het

lijkt alsof ze midden in al het wit van de zee staan,

met al het wit van de zomerhemel boven hun

hoofden, alsof ze opgesloten zijn in een stolp van

melkkleurig glas. Oneindig kleine wezens in al dit

wazige stille wit).

David :          

Ik wil je alleen maar een vaag idee geven van wat

ik zelf verwacht.

Minus :          

En dat is Gods Liefde ?

David :          

Het is de wetenschap dat liefde in de wereld van de

mensen bestaat als iets reëels.

Minus :          

En het is natuurlijk een bijzondere soort liefde die

bedoeld wordt.

David :          

Alle soorten liefde, Minus.

De hoogste en de laagste, de armste en de rijkste,

de belachlijkste en de schoonste.De waanzinnige

of de cynische. Alle soorten liefde.

Minus :          

(zacht) Verlangen naar liefde.

David :          

Verlangen en verloochening. Achterdocht en

vertrouwen.

Minus :

Dus de liefde zou het bewijs zijn ?

David :          

We kunnen niet weten of de liefde Gods bestaan

Bewijst, of dat de liefde God zelf is.

Maar het doet er ook niet zoveel toe.

Minus :          

Voor jou zijn liefde en God hetzelfde ?

David :          

Die gedachte helpt mij in mijn leegheid en in

mijn smerige wanhoop.

(zwijgt)

Minus :          

Zeg nog wat vader !

David :          

Plotseling verandert leegheid in rijkdom

en wanhoop in leven.

Het is net alsof je gratie krijgt, Minus.

alsof je gratie krijgt nadat je tot de doodstraf

veroordeeld bent.

Minus :          

Dat klinkt allemaal vreselijk onwerkelijk, vader.

Maar ik geloof wel dat je meent wat je zegt.

Ik beef over mijn lichaam.Vader.

David :          

Ja.

Minus :          

Als het zo is als jij zegt,

dan zou Karin omgeven zijn door God, omdat

wij van haar houden ?

David :Ja.

Minus :

Kan dat haar helpen ?

David :          

Dat geloof ik zeker….. 

 

(Ingmar Bergman, Filmtrilogie, Bruna, Utrecht, 1965, pp.74-75)

(Kris Biesbroeck)


21:46 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)

09-02-07

 Wat was er aan de hand met de jeugd van de jaren zestig ?

 

Wat was er aan de hand met de jeugd van de jaren zestig van vorige eeuw ?

 Door Kris Biesbroeck

 

We horen veel spreken over de jeugd en de periode van de jaren zestig. Wat was er werkelijk aan de gang ?  De oorlog (’40-’45) had Europa verwoest. Er was ellende , honger en armoede. Na de oorlog zouden  de ouders hun kinderen deze ellende doen vergeten. Ze kregen alles, de consumptie groeide  met de jaren. De jongeren van tijdens of kort na de oorlog waren in de jaren zestig twintigers. Ze voelden zich echter niet zo gelukkig. De consumptie bracht hen wel veel materiële welvaart, maar ze voelden zich er niet mee tevreden. Al vlug kwam er een protestbeweging tot stand. Het was een verzet tegen een maatschappij die ze zelf niet wilden en zelf niet gevraagd hadden. Het was vooral in de Verenigde Staten en aan de universiteiten dat het protest het hevigst was, met als hoogtepunt de studentenrevolte in Parijs, bekend als de meirevolte van Mei ’68. In Leuven was dat in 1969, oorspronkelijk bedoeld om de vernederlandsing van de universiteit, maar het had duidelijk een protest karakter tegen deze consumptiemaatschappij. Het was als het ware de voortzetting van ‘Mei ’68 in Parijs. Het echte protest begon hier bij ons eigenlijk in Amsterdam, waar een aantal zonderlinge figuren, allerhande protestmanifestaties hielden. Het waren de Provo’s. Ze zouden deze wereld veranderen, door er , op een nogal bizarre manier, tegen te protesteren. Het was ook de tijd van de opkomst van de drug-cultuur, maar ook van de achteruitgang van de traditionele kerken. De officiële kerken verweet men huichelarij, men zag ze als niet meer van deze tijd. Ze waren hopeloos verstard geraakt in dogma’s en vooral het ‘instituut’ zag men niet meer zitten. De provo’s echter waren te veel op de revolutie gericht, door middel van geweld en protestacties zou men de wereld veranderen. Dit wekte argwaan bij de gewone mens, men wilde de wereld veranderen, maar de manier waarop stelde vragen. Vandaar dat gelijdelijk de provo-beweging het veld heeft moeten ruimen voor een andere beweging die reeds in de Verenigde Staten , en wel in San Francisco, het licht had gezien, de hippie-beweging. Vreemde figuren kwamen er samen bij het standbeeld van St.Franciscus. De hippies wilden deze wereld niet meer veranderen, er was niet aan te veranderen , dacht men. Men ging zich ‘buiten’ de wereld opstellen en hun eigen wereldje creëren . Laat deze wereld voor wat ze is, wij maken onze eigen wereld. Bloemen , liefde, sex, drugs en een bizarre mengeling van godsdienstigheid (vooral uit het hindoeïsme) vormden de filozofie van de beweging. Maar ook deze beweging hield het uiteindelijk niet vol, de uitspattingen van het druggebruik, het té zonderlinge leven kon niet blijven duren. Toen op een bepaald ogenblik in de Verenigde Staten een drama geschiedde in een hippie-commune, waarbij verschillende leden, waaronder de vrouw van de filmregiseur Polanski, op brutale manier werden omgebracht, was het einde van de hippiebeweging in zicht. Maar een andere beweging stond reeds klaar om de fakkel op te nemen. Niet sex , drugs en liefde, maar Jezus zou een nieuwe wereld brengen. Overal in Amerika waren jongeren de straat op getrokken om te getuigen van Jezus. Vroegere hippies, die aan de drugs waren geweest, kwamen getuigen van hun bevrijding door Jezus. Maar deze beweging was te oppervlakkig, Men had gewoon van Jezus een nieuw drug gemaakt, en dit kon niet blijven duren. Het gevolg ervan was : het ontstaan van vele sekten, soms heel gevaarlijke.Maar ook het satanisme maakte een opgang en allerhande oculte bewegingen.

 

Toch hebben al deze bewegingen een beslissende invloed gehad op het sociale leven : druggebruik, vrije liefde, sex, maar ook de traditionele kerken hebben een hele verandering moeten ondergaan.

 

Om dit alles nog wat uit te diepen , wil ik de afzonderlijke bewegingen afzonderlijk behandelen, om daarna enkele conclusies te trekken.

 

Provo’s

 

Er kan weinig twijfel over bestaan dat de opkomst van Provo het druggebruik heeft bevorderd. De mensen uit de eerste kernploeg waren op enkele uitzonderingen na bekend met het gebruik van hashis. Later kwamen daar tientallen mensen bij, mensen die ook hashis rookten en het aan anderen leerden. De voornaamste stoffen die toen gebruikt werden waren hashis en amfetamine. LSD was er niet veel en bovendien was er wat weerstand tegen LSD. Dit kwam, nadat een zekere Grootveld, een anti-rook magiër, een LSD ervaring had gekregen die niet zo plezierig uitpakte. Hij kreeg visioenen, waarbij groepen rokers  aan het vechten sloegen met opium-spuiters waarna voor hem, LSD in een kwaad daglicht kwam te staan. Deze Grootveld was één van de eersten die tot de groep provo’s behoorden. In het begin waren ze trouwens maar met 8-10 personen, en dus weinig indrukwekkend (de tijd : rond 1962-1965). Ze kwamen bijeen en discussieerden hoe  hoe ze deze maatschappij konden veranderen. Elke zaterdagavond hield Grootveld  een happening op het Amsterdamse Spui. Gelijdelijkaan trok dit meer volk, maar ook andere happeners. Er kwam veel politie bij te pas en gastoptredens van andere rare vogels. Meer mensen en meer politie betekende natuurlijk ook meer publiciteit : Enrico  Neckheim verbrandt zijn piano, de japanner Yoshio Nakajima brengt zijn unbeat. Grootveld zou hierover in het maandblad Avenue hierover zeggen : ‘Niemand wist wat die rare langharigen deden bij dat beeldje. Maar er kwamen geruchten. Beelden. Elk beeld is vals , vals, vals…’ Nu dat beeldje op het Spui, het lievertje, is een geschenk van de tabaksindustrie. Het is daar dat de anti-rook magiër zijn bijeenkomsten hield. Nochtans was hij zelf een harde roker.  Al dat kabaal errond, de politie, de pers met haar overtrokken verhalen , zorgden ervoor dat provo zich uitbreidde als een kanker : Leuven, Parijs, Berlijn , Kopenhagen, Londen …. Op 25 mei 1965 was het dan zover : het eerste stencil gaat de deur uit. Provo heeft een stem gekregen. Daarna volgen de gebeurtenissen zich snel op mede dank zij het voorgenomen huwelijk van Beatrix met Claus von Amsberg. Deze laatste is niet erg geliefd, wat duidelijk in Provo 3 tot uitdrukking wordt gebracht. Het blad wordt in beslag genomen, maar de protesten blijven niet uit. Tal van ludieke acties worden ontwikkeld en uitgevoerd, steeds vaker in interactie met het politie-apparaat, een situatie die tot diep in 1966 zou voortduren.

 

Hun ideologie was er een van provocatie (vandaar de naam provo). Het druggebruik werd ingepast in het provocerende gedragspatroon. De kunst was niet alleen om drugs te nemen, maar om het zo provocerend mogelijk te doen. Maar deze manier om de wereld te veranderen, kreeg meer en meer tegenwind van de bevolking. Het liep de spui-gaten uit.  Het druggebruik, en daarmee gepaard gaande, de meest waanzinnige acties zorgden ervoor dat provo een niet te lang leven beschoren was. Het is wel zo, dat provo nog een hele tijd is blijven voortbestaan, en men had het zelfs zover gebracht dat er een lid verkozen werd in de Amsterdamse gemeenteraad. Bekend is o.a. zijn voorstel voor de ‘witte fiets’. Hij stelde voor om alle fietsen in Amsterdam in het wit te schilderen, deze fietsen zouden dan door iedereen kunnen gebruikt worden. Daarmee wilde hij de fietsendiefstallen in de fiets-stad Amsterdam tegengaan. Natuurlijk was dit een onzinnig voorstel, want wie zou de fietsen herstellen. Al vlug zou Amsterdam één fietsenkerkhof worden.

Maar er was reeds een andere beweging uit America overgewaaid. Je moet de wereld niet veranderen, er valt niet aan te veranderen. Laten wij ons eigen kringetje vormen en ons van deze wereld niets meer aantrekken : geen geweld meer, geen provocaties meer, maar liefde, bloemen, sex drugs en een vage vorm van religiositeit zouden voortaan de filosofie uitmaken.

  

provo de selfckikker 001 (218 x 328)

Grootveld tijdens één van zijn optredens

 

provo de selfckikker (198 x 298)

Hij dacht dat hij kon vliegen, maar kwam
al gauw tot de realiteit terug ...
 

provo (193 x 290)

Een boekje over de provo's uit die tijd zelf

 

De hippie-beweging

 

De hippie-filosofie bestaat uit drie pijlers : 1. Doe uw eigen goesting zoals u het wilt, en waar u het wilt, maar vooral : doe het als je er zin in hebt. 2.Laat de maatschappij voor altijd vallen,3.geef jezelf een nieuwe adem door het nemen van drugs, of door de schoonheid, de liefde, de eerlijkheid en het plezier. Een hippie is een eerlijk mens, maar de drugs zullen hem naar de ondergang leiden !. De hippies hebben een bijzondere kijk op de kunst : het is psychedelische kunst – zeer kleurrijk, onder invloed van LSD tot stand gekomen. Zij hebben ook een bijzondere kijk op de seksualiteit. Seks moet vrij zijn, geen beperkingen : ‘de liefde bedrijven is de plicht van elke revolutionair (Georges Metesky) en ‘Voor Freud was de seks een plezier, nu is het een noodzaak. Hef uw rok naar omhoog en laat je broeken zakken !’ (onbekend) En David Baar zegt : ‘het hoogste doel is niet vrij te zijn om de liefde te bedrijven, maar vrij te zijn om lief te hebben’ Belangrijk is hierbij dat de drug (LSD) hiermee verbonden wordt : ‘LSD is het meest zinnenprikkelende dat de mens ooit heeft uitgevonden. Onder haar invloed vermeerdert en intensifieert de seksualiteit zich als een mirakel’ ( de LSD priester Timothy leary). Wat de drugs betreft : de hippie geeft zich over aan gelijk welke drug, als het maar de geest verruimd. LSD was wel de belangrijkste harddrug, omdat het de geest in een buitengewone toestand bracht (nb. LSD is ook vandaag nog één van de gevaarlijkste drugs – hij is synthetisch). En tenslotte de religie : de hippie is een zeer religieus mens, maar elke godsdienst is goed, het is ook een middel om de geest te verruimen.Vandaar dat de hindoe-godsdienst het meest voor hen tot de verbeelding spreekt. Denken we aan de beatles die in de jaren zestig op bezinning trokken naar Indië bij een bekende goeroe. Maar daar leerden ze ook de drugs kennen. Het is immers zo, dat de hindoegodsdienst stimulerende middelen toestaat omdat het een middel is om met de godheid in contact te komen. De hippies waren feitelijk zeer verdraagzaam. Hun eigen wereldje alleen telde

 

De hippies hadden in Europa veel invloed, vooral door het vondelpark in Amsterdam. Het vondelpark was de plaats bij uitstek voor hun ontmoetingen, zelfs de stad had voor voorzieningen zoals toiketten, douches en licht gezorgd voor de nacht. Pas wanneer het druggebruik uit de hand begon te lopen hebben  ze het park voor de hippies gesloten. Het is juist hun druggebruik die het einde van de hippiebeweging zou inluiden. Maar er stonden reeds anderen klaar om vanuit Amerika met iets nieuws te komen : de Jezus kinderen of Jesus people..

 

 

livre rose (223 x 334)

Het roze boekje van de hippie

een samenvatting van de hippie filosofie

 
livre rose 2 (328 x 493)

Amerika was voor de hippie hét ideaal.

Zij werden ook de bloemenkinderen genoemd

 

art 002 (235 x 353) 

Een voorbeeld van pychedelische kunst-

mystiek psychedelique (209 x 314)

Mystique psychedelique

 

De Jesus people :

 De eerste Jezus kinderen waren bekeerde hippies. Hun taal was die van de drugsverslaafden. Jezus is de beste trip, zeiden ze. Ze maakten , evenals de hippies en de provo’s, vooral grote opgang onder de jongeren die de maatschappij terzijde laten liggen om in drugs, vrije liefde een wereld ontvluchten die zij niet aankunnen of waarvan ze geen deel wensen uit te maken. Vele drugsverslaafden raakten van hun verslaving af door hun contact met de Jezus kinderen. Jezus was een nieuwe drug geworden De enige peppil is het evangelie, zo heet het, ook van Jezus kan je high worden. Harde muziek begeleidt de gezangen die door de gebouwen zwiepen, men klapt in de handen en de naam van Jezus wordt gescandeerd : J-E-S-U-S… Dezelfde teksten worden steeds herhaald : korte theologische voltreffers die zeggen dat alle heil bij Jezus ligt Halleluja prijs de Heer…Er is geen plaats voor welke  andere gedachten dan ook.De Jezus golf overspoelde Amerika en het Westen van Europa. Begin de jaren zeventig was er een groot Jezus festival in Amsterdam, compleet met een optocht en muziekevenement in het vondelpark, waar zij zich tot de resterende hippies richtten : jullie nemen drugs, het maakt je kapot, wij hebben Jezus , Hij maakt ons vrij. Maar de Jezus beweging was oppervlakkig, onwetendheid over de bijbel en de tradities van het Christendom maakten dat de Jezuskinderen zeer oppervlakkige praat vertelden. Het kon dan ook niet anders, dan dat de beweging ook maar een kort leven beschoren was. Velen haakten na een tijd af, anderen (een kleine groep) gingen over naar sekten of bij fundamentalistische christelijke kerken. Het was een korte maar krachtige beweging, die als hoofdkenmerk had : zich af te zetten tegen de traditionele kerken. Hun onkunde en hun oppervlakkigheid werd hen fataal.

 

pic9

 

 

pic28

Slogangs van de Jezus kinderen

 

jezus is de beste trip (300 x 427)
Taalgebruik van de
druggebruiker...

 

Image3

lifecover

 

Cover van het tijdschrift LIFE

juni 1972

 

Besluit

 

De jaren zestig waren een ommekeer in de maatschappij. Jongeren zochten naar de zin van hun leven. Het is dan ook te begrijpen dat dergelijke bewegingen de jeugd dermate aanspraken. Maar wat heeft het uiteindelijk als resultaat gehad ? Wie zijn die jongeren nu ?  Zestigers, die zich veelal in de wereld als gevestigde burgers hebben gedragen. Toch heeft het zijn consequenties gehad : het druggebruik is ook vandaag nog een harde realiteit. Echtscheidingen en vrije seks zijn ‘in’. Dit alles is het gevolg van deze bewegingen, die het geïntroduceerd hebben. Sekten zijn alom tegenwoordig : zij bieden de jongeren  de zogenaamde zekerheid die ze wensen. De traditionele kerken zoeken tevergeefs blijkbaar om de jongeren aan te spreken. De secularisatie die hiermee ook begon zet zich nog steeds voort. Maar het zich aanpassen aan deze wereld heeft voor de jongeren niet veel teweeggebracht. De kerken zijn leeggeroofd, men heeft de balangrijke mystieke waarden overboord gegooid. Er is maar één middel om uit de impasse te geraken : terug te keren naar de bron van het Christendom : de Bijbel, de Traditie en de leer van de oecumenische concilies. Ik heb zelf de jaren zestig meegemaakt als student theologie in Leuven, de hippies, de Jezus bewegingen, de leegloop van kloosters en kerken. De kerk is een lege doos geworden. Als orthodox heb ik echter de weg terug naar de oorsprong gevonden. Het leven van de eerste Christenen, het mystieke. Maar zal dit voor de kerk van het Westen al niet te laat zijn ? . Laat ons hopen , dat de jeugd van vandaag terug wegen mag vinden naar zingeving, en wijsheid om dit te realiseren.

 

holy_family

                   Ikoon van de heilige familie

19-01-07

Probleem en Mysterie in het werk van Gabriël Marcel

                                   

 

De ontmoeting met de wereld, zichzelf en de ander :

-De filosofie van Gabriël Marcel-

 

 

door  Kris Biesbroeck

 

                   

1.Subject-object verhouding / de techniek

We leven in een gebroken wereld.De mens is gescheiden van deze wereld, en daarmee ook van zichzelf, van de anderen en van God. Het is een wereld waarin men dingen als objecten gaat beschouwen, die het eigenlijk niet mogen zijn.

De eerste reflectie van de mens op zijn situatie is die der wetenschap.Zij geeft

weten  dat algemeen geldig is, zij geldt voor ieder mens met gelijke kracht.

Wetenschap is gericht op het oplossen van problemen . De wetenschappelijke beheersing van een situatie is echter iets heel anders dan zich rekenschap geven van de situatie, waarin men als concrete persoon gesteld is (1). Volgens Marcel kan ik nooit object ziijn voor mijzelf.Het object is dat wat tegenover mij staat, een ding. Daarom staat Marcel ook zo wantrouwig tegenover de techniek. In Les Hommes contre l’humain vergelijkt hij de techniek met zonde. ‘Er zijn evenwel tegen het gebruik van de term zonde, niet op theologisch , maar op filosofisch terrein bezwaren denkbaar. Zonde is immers in wezen de opstand van het schepsel tegen zijn Schepper. Kan dit woord een betekenis behouden voor de ongelovige die het bestaan van een scheppende God betwist ? Formeel schijnt dit bezwaar niet weerlegbaar, maar als men dieper graaft, moet men dunkt mij, toegeven, dat ook de ongelovigen tegenover de systematische afschuwelijke misdrijven van de voorbije eeuw meer en meer tot het bewustzijn zijn gekomen van het begrip zonde, dat met dergelijke monsterachtigheden verbonden is (2) Deze opvatting over de techniek stamt nog uit de tijd toen hij als vrijwilliger dienst deed bij het Rode Kruis, toen hij de ellende zag die de bombardementen veroorzaakten.’Vandaag moet men luidop verklaren dat de oorlog in zijn huidige gedaante de zonde zelf is.Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat die oorlog steeds meer een zaak van technici wordt’ (3)

Verder geeft Marcel nog twee opmerkingen die de verbinding van zonde en techniek kunnen verhelderen. Vooreerst zijn alleen de staten nog rijk genoeg om de gigantische laboratoria te financieren waarin de nieuwe fysica gestalte krijgt. Vervolgens zijn de eisen van hun onderzoekingen gericht op de groei van hun macht, met het oog op toekomstige conflicten tussen concurrerende imperialistische machten. In deze zin is de verstatelijking van wetenschap en techniek zonder twijfel een van de ergste rampen van onze tijd (4). Het werkelijk doel dat de techniek beoogt, een goed te zijn, omdat het een verbijzondering is van de rede in zijn toepassingen op de werkelijkheid, schijnt men uit het oog te verliezen. Een automobilist die misbruik maakt van zijn auto door overdreven snelheid, verliest het schone der natuur uit het oog. Verder kan iemand volledig opgaan in een of ander technische hobby zodat de techniek voor deze beoefenaar een soort afgod kan worden, welke uiteindelijk kan ontaarden in zelf verafgoding, in aanbidding van zichzelf (5). Voor zover de techniek verworven wordt, is ze gelijk te stellen aan een hebben (6). Wanneer men Marcel in deze zin hoort spreken, zou men de neiging hebben met S.Ysseling te spreken van ‘misschien wel de meest pessimistische onder de grote auteurs’ (7)

Nochtans is Marcels opvatting over de techniek niet van die aard, dat hij ze maar verwerpt zonder meer. Hij ziet er ook het nut van in, en hij noemt het zelfs een teruggang van de menselijke soort indien men de huidige crisis zou willen oplossen door alle fabrieken en laboratoria te sluiten. Hij is tégen de technocratische mentaliteit die de hele werkelijkheid waartoe ook de mens behoort, als een ding gaat behandelen (8).Deze beschouwingswijze kan de mens tot wanhoop brengen, en uiteindelijk tot zelfmoord, voornamelijk als men de mens op dezelfde wijze gaat behandelen als een versleten apparaat dat wordt weggeworpen.Dit zou dan voor de mens gebeuren bij de dood.

Hier raken we de kern van Marcel’s beschouwingen : de liefde voor de mens.

Het kwaad van de techniek, zoals we het hierboven hebben beschreven, behoort echter slechts tot het gebied van het problematische,nl.iets dat vreemd is aan mijzelf.Aan mij daarentegen openbaart het kwaad zich als

Mysterie  wanneer ik erken dat ik mijzelf niet kan zien als buiten het kwaad (9). Het hangt uiteindelijk van ons af hoe wij zullen komen te staan tegenover de techniek.Daarom mag de filosoof het niet houden bij een eerste reflectie, maar moet hij dieper gaan. Dit gebeurt in de tweede reflectie waarin we het kwaad niet meer als een probleem gaan beschouwen, maar als een mysterie, als iets waar wijzelf bij betrokken zijn. We mogen niet blijven staan bij het voortdurend objectiveren van de waarheid. De mens wil in de grond niet hebben, maar hij wil zijn. In deze tweede reflectie ga ik de onmiddellijkheid heroveren en wel bewust door de participatie van het subject met de werkelijkheid. Dit object laat zich juist niet objectiveren, het is niet in een logisch proces te vangen, het is, dit wil zeggen : het deelt in de realiteit van het zijn (10). J.Delhomme heeft in haar heldere weergave van Marcel’s denken een goed voorbeeld daarvan gegeven : ik heb gelogen. Iemand ontdekt mijn leugen en noemt mij een leugenaar.Hiertegen protesteer ik, ik heb inderdaad  onwaarheid gesproken, maar het is onjuist mij van het etiket leugenaar te voorzien.Mijn echte zijn is méér dan deze leugen, deze éne daad put niet mijn wezen uit. Normaal spreek ik de waarheid, ik wil dit ook, ik wil trouw zijn aan een diepere werkelijkheid in mij, waarvan ik helaas in een ogenblik van zwakte ontrouw ben geweest. Dit betekent : mijn denken weigert zich te vereenzelvigen met de begrensdheid van het objectieve denken en stijgt nu uit deze limitatie op tot het echte zijn. Hier vindt het zichzelf als een identificatie van denken en zijn, die de tegenstelling subject-object transcendeert, op een niveau waar de distinctie in mij en buiten mij zijn zin verliest. De reflectie was dus gericht op het erkennen van een participatie die realiteit als subject bezit. Deze participatie kan  -per definitie- geen object van denken worden…Het is een erkennen, dat het denken is omringd door het zijn, dat het in zekere zin erin is (11)

2. Hebben en zijn / probleem en mysterie

Hebben en zijn

Laten we om te beginnen de grensgevallen uitsluiten waarin de betekenis van hebben verzwakt is : hoofdpijn hebben, nodig hebben enz.. Het gaat hier over het hebben in de volle betekenis van het woord, als uitdrukking van een bezit hebben. Welnu, bij dit hebben gaat het steeds om een ding, of iets dat met een ding kan gelijkgesteld worden, iets dat losgemaakt is uit een geheel, een quid dus, waarop aanspraak wordt gemaakt door iemand, een qui, die van meetaf aan op een ander vlak staat en beschouwd wordt als centrum van inherentie of waarneming (1). In de band die het qui met het quid verbindt, kunnen we drie aspecten onderscheiden : de exclusieve aanspraak, de zorg voor het onderhoud en meesterschap of de slavernij.

Een bepaalde hond behoort mij toe, indien niemand anders met recht aanspraak op hem maakt. Vandaar zal ik niet gemakkelijk moeten zeggen : ‘mijn neus behoort mij toe’ , want het is moeilijk denkbaar dat anderen mijn neus zouden opeisen. Het geval stelt zich reeds anders voor de delen van mijn lichaam : handen en voeten, die door een ander zouden kunnen gebruikt worden als instrument. Hebben betekent in principe altijd : voor-zich-hebben,voor zich behouden. Als men de kennis neemt als de modus van het hebben, is het meest typerend voorbeeld : het geheim (2).

Een geheim bezitten betekent : het voor-zich-behouden, het verbergen,dus anderen uitsluiten. Mijn geheim heeft des te meer waarde in mijn eigen ogen, wanneer de ander er het bestaan van kent zonder de inhoud te kennen. Mijn geheim is maar een geheim voor zover ik het voor mijzelf behoud, maar evenzeer voorzover anderen het mij zouden kunnen ontstelen. Indien niemand nog belangstelling heeft voor zijn geheim, dan is het alsof het niet meer bestaat : het zou uitdoven als een vuurpijl. Integendeel, het geheim dat ik werkelijk bezit, ontleent zijn belang grotendeels aan de nieuwsgierigheid die het wekt bij anderen (3). Hier raken we iets, dat precies de tragiek uitmaakt van alle bezit : zohaast ik iets heb, stel ik mij in oppositie tegenover de anderen die niet hebben wat ik heb en die mij mijn bezit zouden willen ontfutselen.

Meteen komen we aan het tweede aspect : een hond is maar echt van mij, indien ik –rechtstreeks of onrechtstreeks- de zorg voor zijn onderhoud op mij neem. Het hebben is altijd in functie van de tijd, het veronderstelt het voortbestaan zowel van het qui als van het quid. Welnu, dit voortbestaan wordt voortdurend bedreigd – vooral wegens de spanningen met de anderen (4). Vandaar dat het echte hebben (5) steeds riskeert bij de eigenaar angstige zorg te verwekken.

Het zou belachelijk zijn een dier mijn hond te noemen, indien het mij volkomen ignoreert, indien het geen rekening houdt met mij. Ik heb slechts datgene, waarover ik tenminste enigszins kan beschikken. Het is nochtans van belang te bemerken dat er een verschil bestaat tussen iets hebben als object en iets gebruiken als instrument. Wanneer ik de dingen zuiver als instrumenten gebruik, beschik ik er over en hebben zij op mij geen macht (6). Zo is de arme van geest, die het hebben volkomen onderschikt aan het gebruiken.Wanneer ik integendeel geld bezit in massa, of obligaties, zonder dat ik aan het werk en de verantwoordelijkheid van de maatschappij deelheb, dan is het gevaar groot dat dit bezit mij aan zich gaat verslaven

 (7). Ik word verslonden door mijn bezit (8). Dit zal des te meer waar zijn, in de mate dat ikzelf meer inert sta tegenover objecten, die zelf inert zijn. En des te meer vals, in de mate dat ik op meer actieve, vitale wijze verbonden ben met het ding, dat als de steeds hernieuwde stof is van een persoonlijke schepping.De tuin van hem die erop werkt, de hoeve voor wie ze uitbaat, de piano of viool van de muzikant, het laboratorium van de natuurkundige (9).In al deze gevallen kan men zeggen dat het avoir neigt naar, tot op zekere hoogte gesublimeerd wordt tot, verandert in zijn (10).

Zohaast er schepping is, wordt het hebben getranscendeerd : de dualiteit van bezitter en bezetene verdwijnt en maakt plaats voor een levende realiteit (11).

Men kan dit illustreren met tal van voorbeelden. Hoe meer ik mijn ideeën en overtuigingen behandel als iets dat mij toebehoort, waarop ik trots ben, zoals ik trots ben op mijn kleren of serre, des te meer zij, juist door hun inertie, mij zullen tiranniseren (12)(13). Ik word er slaaf van, word gealiëneerd, treed in oppositie met anderen om ze voor mij te bewaren, om ze te doen triomferen. Dit is precies het principe van het fanatisme onder al zijn vormen (14). Hetzelfde geldt voor het geloof : wie zegt dat hij het geloof bezit, beschouwd dit geloof impliciet als een toestand, als iets inerts, een formule, een exlusiviteit, en maakt het tot principe van verdeeldheid.

Wat is het zijn ?

De vraag lijkt zeer simpel.Het antwoord nochtans vraagt veel omzichtigheid, want, indien we er niet toe komen de juiste betekenis van zijn te bepalen, riskeren we de toegang tot de metafysiek te missen. Het zou een vergissing zijn te denken dat, wanneer men de vraag stelt : wat is zijn ? men een

Probleem stelt, dat zou kunnen opgelost worden door een geëigende techniek. Het zijn is geen probleem, maar een mysterie.

Probleem en mysterie

Probleem :

Het probleem is iets dat de weg afsnijdt, iets waartegen de geest op een gegeven ogenblik van het onderzoek stoot, zoals de voet op een steen. Een probleem stelt zich zegt men, het staat tegenover mij.De gegevens van het probleem verschijnen als uitwendig aan mijzelf, of kunnen minstens veruitwendigd worden. Door het feit dat het probleem los staat van mij, kan het ook tot een oplossing gebracht worden (15). Alles verloopt, alles mag verlopen zonder dat ik mij bekommer om het ik, dat het probleem oplost.

Ik beschouw het probleem in zichzelf, abstractie gemaakt van de wijze, waarop het in mijn leven is ingeschakeld.

Een probleem veronderstelt altijd dat een zekere inhoud is losgemaakt van de context, die het met het ik verbindt.

Daarom kan het ook opgelost worden door een techniek, waarvan de toepassing onpersoonlijk is, in deze zin dat zij kan geschieden door om het even wie

Mysterie

Men moet er zich voor hoeden het mysterie te verwarren met het onkenbare (16). Dit laatste is in zekere zin de limiet van het problematische(17), een onoplosbaar probleem, zo men wil. Het behoort dus essentieel tot de orde van het problematische. Het mysterie is van een andere orde, het behoort tot een transcendente sfeer, die men zou kunnen noemen meta-problematisch of ook nog meta-technisch (18).

Het mysterie is dus geen leemte in het kennen, geen leegte die moet gevuld worden, maar een volheid. Terwijl het probleem  voor mij staat, is het mysterie iets waarin ikzelf ben geëngageerd, geïmpliceerd, zodanig dat het onderscheid tussen  in-mij en voor-mij zijn betekenis verliest (19).

Daarom kan men een mysterie nooit denken, voorstellen, bewijzen, want dan objectiveert men het. Het kan enkel erkend worden door een concrete intuitie, die duister is, afhankelijk van de vrijheid en verwant met het geloof.Zeker is het altijd mogelijk een mysterie te degraderen, door er een probleem van te maken, maar dit is een volledig verkeerde werkwijze waarvan de oorzaak moet gezocht worden in een soort corruptie van het verstand (20).

Bij de beschrijving van de techniek hebben we al even melding gemaakt van het mysterie van het kwaad. Hier willen we er nog eens uitvoeriger op terugkomen, en tevens nog een paar andere voorbeelden van een mysterie naar voor brengen, om de hierboven beschreven formele definitie aldus meer inhoud te geven.

 Het mysterie van het kwaad

Men is steeds geneigd het kwaad te beschouwen als een defect in het functioneren van een zekere machine, die het universum is, en die men zou kunnen onderzoeken zoals een technieker een kapotte motorfiets uit elkaar neemt (21). Aldus neem ik een zuiver fictieve positie in, die het wezen van het kwaad verloochent, waardoor het tot probleem wordt. Het kwaad, de pijn die enkel wordt geconstateerd, van buitenuit bekeken, houdt door het feit zelf op kwaad, pijn te zijn. Pijn die niet geleden wordt is geen pijn. Hoe reëler het lijden is, des te totaler het mij doordringt, het maakt een eenheid uit met mijzelf, het is mijzelf. Daarom is de daad, waardoor ik het lijden buiten mij ga plaatsen, volkomen arbitrair. Daarom ook moet de metafysische rechtvaardiging van het lijden, en van het kwaad in het algemeen, een referentie bevatten tot mijn lijden, of althans tot lijden dat ik tot het mijne maak, dat ik assumeer. Ik vat het lijden slechts als lijden, in de mate dat het mij aangrijpt, dat ik erken dat het in-mij is. Indien ik het lijden alleen maar constateer, verliest mijn poging tot rechtvaardiging alle betekenis. Daarom ook geeft de traditionele filosofie, wanneer zij over het kwaad spreekt, en over alle werkelijkheden van deze orde : liefde, dood..enz., vaak de indruk een soort spelletje te spelen, een soort intellectuele goochelkunst te bedrijven.Gezonde mensen die tegenover zieken redevoeringen en toespraken houden, weten al te dikwijls niet waarover zij spreken. Hun comfortabele spraakzaamheid heeft iets beledigends voor deze vreselijke werkelijkheid die de ziekte is, en die zij ten minste moesten respecteren. De echte ziekte is een wereld die zich niet vanbuitenuit laat bekijken. Men moet erin staan, men moet er deel van uitmaken, ten minste door een warme sympathie (22). Indien men zich tegenover de ziekte houdt in het persectief van zuivere objectieviteit, ziet men de ziekte niet anders dan een zekere wanorde in het functionneren van het lichamelijk apparaat, maar dat is allerminst een trouwe weergave van de werkelijkheid. De ziekte is een wijze van zijn van de zieke, een zinswijze tegenover dewelke de zieke op een bepaalde wijze moet reageren (23). Voor de objectieve toeschouwer is de ziekte een obstakel, aldus gewoonlijk voor de geneesheer; de zieke echter, vooral de ongeneeslijke zieke, kan ertoe komen zijn ziekte te zien in een ander perspectief : ze kan voor hem, althans op zekere ogenblikken, verschijnen als een weg, en niet zuiver als een obstakel.

Het mysterie van de incarnatie

De vereniging met ziel en lichaam, of duidelijker, de band die mij met mijn lichaam verbindt, is een mysterie (24). Ik kan deze band niet voor mij stellen als een object, zonder er het eigenlijk wezen van te miskennen. Daarom blijken alle verhoudingen die ik kan inroepen om deze band te noemen en te verduidelijken, steeds inadequaat : ik kan niet op absolute wijze beweren dat ik meester ben van mijn lichaam, noch dat ik slaaf ben van mijn lichaam (25). Al deze verhoudingen zijn waar tegelijkertijd, wat hierop neerkomt, dat elke verhouding, afzonderlijk genomen, vals is. De mens is een oorspronkelijke, fundamentele, onverdeelbare eenheid, die men niet kan analyseren en dan weer langs synthetische weg reconstrueren.

 Het mysterie van de aanwezigheid

Of het nu gaat om mijn aanwezigheid bij mijzelf, of om de aanwezigheid van de ander of van God, elke waarachtige aanwezigheid, die niet alleen ruimtelijke nabijheid is, behoort tot de sfeer van het mysterie (26).

Denken we bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een mens, bepaaldelijk een kind, dat in onze onmiddellijke nabijheid slaapt.Hoe wonder en geheimnisvol! Ik kan me weliswaar op het vlak van het problematische houden en dit slapende  en ontwapenende kind beschouwen als een object dat volkomen in mijn macht is : ik kan ermee doe wat ik wil (27). In het perspectief van het mysterie verschijnt dit kind me helemaal anders : het is juist omdat een wezen ontwapenend is, helemaal aan mij is overgeleverd, dat het onkwetsbaar, onschendbaar en heilig is. Er bestaat dan ook geen duidelijker teken van barbaarsheid dan het niet erkennen van deze onschendbaarheid. Hier ligt precies de grondslag van een metafysiek van de gastvrijheid. In alle beschavingen en culturen, die niet bedorven zijn door de techniek, heeft men de gast steeds beschouwd als des te heiliger, in de mate dat hij hulpbehoevender en zwakker was. Naarmate echter de objectieve ideeën van efficiency en rendement op de voorgrond treden, kan men deze schroomvolle houding tegenover de gast, de gewonde, de zieke, niet meer begrijpen.Men gaat dit alles zelfs absurd vinden (28). Het is , helaas !, altijd mogelijk een mysterie te degraderen en er een probleem van te maken. Een aanwezigheid kan steeds geobjectiveerd worden. In dezelfde mate verliest het ook haar eigen waarde als aanwezigheid.

3. Ik en gij

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen Marcel dienst deed bij het Rode Kruis, had hij al geleden onder het onpersoonlijke van kaartsystemen, waarop leeftijd, rang en andere eigenschappen van de vermisten waren geregistreerd.Deze kaarten bleven echter zwijgen over de mens zelf.Het was naar deze mens  dat de familieleden juist angstig informeerden.’Het is interessant’, zegt Marcel, ‘om zich hier eens te bezinnen over het feit, dat men in de huidige wereld zo vaak beroep doet op formules, die slechts onze identiteit weergeven.We worden herleid tot nummers, we zijn de zoon van die en die, geboren te..ons beroep is…,enz. Dit is wel juist, maar is het wel juist dàt wat ik ben ? Ik die moet antwoorden als nummer 89, wie ben ik eigenlijk ‘?

De moeilijkheid zit hem namelijk hier, dat de filosoof en de amtenaar het woord zijn op een verschillende wijze, of beter, in een andere betekenis gebruiken. Men kan slechts antwoorden op de vraag wie ben ik,niet door de eigenschappen, bezittingen en zo meer op te sommen of op te tellen die ik heb, maar alleen door te zeggen wie ik eigenlijk ben.

Hier komen we voor een duidelijk onderscheid te staan tussen hebben en zijn.Om door te dringen in het zijn van het ik, maakt Marcel het onderscheid tussen je en moi. Het moi is het objectieve aspect, het behoort bij het hebben.Als men  zijn  eigenschappen enz.. op kaart zet, heb ik die werkelijk, maar het mag niet worden verward met het eigenlijke persoonlijke je. Het moi wil steeds meer hebben. Ik (moi) ben het, ik (moi) hier aanwezig in eigen persoon, die deze bloemen heb geplukt. Denk niet dat het Jaques of Lucie is geweest. Die uitsluiting is van kapitaal belang. Het kind wil de aandacht op zich vestigen : ‘ Ik(moi) bied mij aan met het compliment om van anderen iets te ontvangen’. Men kan nooit genoeg de nadruk leggen op het belang van de ander, ingesloten in de uitspraak.Aan de overige buitenstaanders hoef je niet te denken, zij vormen geen bedreiging in dit geval (2).

Deze scherpe vooropstelling van het ik (moi) deze ‘mise en vedette’ (3) zal men ook nog bij de volwassen mens kunnen aantreffen, maar bij hem zal deze uitspraak minder schel klinken, het zal gewikkeld zijn in een waas van valse bescheidenheid en huichelarij. Denken we aan een componist die een bepaald lied speelt. Men vraagt :’Maar van wie is dat lied? Zou het van Fauré zijn?’ Maar de componist antwoordt : ‘Neen, ik moet bekennen, dat het van mij (moi) is (4).

Marcel zelf bedenkt de opwerping die men dienaangaande wel zou kunnen maken, nl. of dit moi geen voorafbestaand, voorafgaand ik veronderstelt. Hij antwoordt er dan ook zelf op met te zeggen dat dat wat voorafgaat nog niet het moi is, maar de ervaring zelf die tegelijkertijd onherleidbaar is en verward en die zelf een ervaring is van het existeren. Op een bepaald moment zal de mens dit bewustzijn verwoorden door zich te laten erkennen (reconnaïtre) door anderen. Het is pas op dat moment dat het moi zich doet erkennen (5).

Het moi zal dikwijls  ook de anderen zuiver als objecten, obstakels beschouwen en dit dan in de derde persoon, als een lui. Denken we aan iemand die voor een loket staat aan te schuiven. Op een bepaald ogenblik roept hij uit, doelend op een ander die veel tijd nodig heeft om te betalen : ‘Mais, ik n’aura jamais fini, cet animal là !’ (6). Ook hier zien we dus duidelijk de intentie om te handelen in eigen voordeel. Ik hier tegenwoordig, verdedig mij tegen de anderen, hier tegenwoordig, die voor mij als het ware een bedreiging vormen (7).

Als zodanig zal het moi dan ook zeer gemakkelijk gekwetst kunnen worden. De egoïstische houding die het moi aanneemt, is ver verwijderd van de liefde, de enige toegangsweg om het ware ik (je) te bereiken. Vandaar dan ook de grote nood aan steun van buitenuit, van de andere. Het is slechts van de andere dat het moi zijn bevestiging krijgt, maar dan van de andere die ik beschouw als een object, als een lui.

Nu reeds kunnen we besluiten tot wat het  zijn niet is, want ik wil zijn,maar niet hebben,want hoe meer ik heb, hoe minder ik ben, en hoe meer ik inbreuk zal plegen op de liefde door mijn egoïsme. Zolang ik mij beweeg in de sfeer van het ‘hebben’, kan ik het eigenlijke ‘ik’ niet vatten, want ‘ik (je)’ wil meer zijn dan hebben, meer dan de opsomming van een serie dingen, eigenschappen enz. die aan mij toebehoren. Mijn eigenlijke zijn ontgaat zo vaak aan de anderen en zelfs aan mijzelf.

Tot nu toe hebben we bijna uitsluitend gesproken over het ‘ik (moi) dat staat tegenover een ander die middel is om mijn eigen ‘ik (moi)’ op de voorgrond te stellen. Dit is echter slechts een ik van het egoïsme. Daarmee kan ik echter het diepe ik (je) niet bereiken. Het kan echter wel een toegangsweg zijn daarnaartoe, en dit, als ik niet blijf bij het staan-tegenover, maar overga naar het met-elkaar-zijn. Het is slechts door dit intersubjectief met-elkaar-zijn dat we ons persoon zijn constitueren. Als ik blijf zitten in de sfeer van het onpersoonlijke moi, dan heb ik als individu bijna onvermijdelijk een bedrieglijke opvatting over de waarachtigheid van mijn drijfveren, dan onderga ik, terwijl ik mij verbeeld handelend op te treden.

Als ik mij daarentegen in een gegeven situatie daadwerkelijk en scheppend inzet, realiseer ik mijn persoon-zijn. De persoon heeft een scheppende roeping (8). Het is slechts door zijn oppositie met het onpersoonlijke on dat de persoon zich verwezenlijkt (9).

Voor het kennen van een mens moeten we ons losmaken uit de sfeer van het probleem en binnentreden in het mysterie. Het eigenlijke zijn is een mysterie, terwijl het onpersoonlijke moi een probleem stelt. Het moi is niet blijvend, de minste tegenslag kan het doen veranderen, kan het ontmoedigen, d.i. het kan nieuwe problemen oproepen. Zoals we boven reeds gezegd hebben, kan het onpersoonlijke ik (moi) wel een toegangsweg zijn om het eigenlijke diepere ik (je) te ontmoeten. En inderdaad, om ertoe te komen moet ik, evenals voor het onpersoonlijke ‘ik’ iemand ontmoeten. Maar hier mag het niet blijven bij een vage, objectieve ontmoeting met de andere. De andere moet tegenwoordig  zijn, en dit in de volle zin van het woord zoals Marcel het voorstelt : ik moet hem beminnen. Présence betekent méér en iets anders dan er-zijn. Strikt genomen kan men van een voorwerp niet zeggen dat het aanwezig is. Wij mogen zeggen dat’ présence’ altijd gedragen wordt door een tegelijkertijd onherleidbare en verwarde ervaring, nl. het besef te bestaan, op de wereld te zijn. Bij het menselijk wezen komt al vroeg die verbinding tot stand, dat gewricht tussen dit bewustzijn van het bestaan en de aanspraak om zich door een ander te doen erkennen. Door die getuige, die helper of die mededinger , tegenstander die onverbrekelijk deel van mijzelf uitmaakt, maar wiens plaats in mijn bewustzijnsveld practisch onbeperkt kan variëren. Zo beschouwd moeten wij dat wat ik ik noem, niet beschouwen als een werkelijkheid die valt af te zonderen, maar als een accent dat ik verleen (10).

Deze authentieke ontmoeting ontstaat door de vriendschap of door de liefde, m.a.w. als ik uit vrije wil mij ertoe verplicht om anderen ten dienste te staan, en het ook durf bekennen. Als ik iemand werkelijk bemin, dan kan zelfs de dood ons niet scheiden (11).

De waarachtige ik-gij verhouding onderstelt een voortdurende openheid voor de ander, een steeds beschikbaar-zijn, een volgehouden toebehoren-aan, een ononderbroken trouw-zijn. Met andere woorden, de waarachtige ik-gij verhouding is een mysterie van hoop en trouw. Dit kan wel het dichtst benaderd worden in de verhouding ouders-kinderen, man en vrouw, vrienden. Maar ook hier zal de echte ik-gij verhouding slechts het resultaat zijn van een aanhoudende inspanning. Vooreerst, omdat in de ik-gij relatie het gij, al is het dan ook een werkelijke présence, toch steeds een andere blijft, die zich tegenover mij stelt en als zodanig mijn eigen zijn beperkt.

Vervolgens, omdat de andere steeds de macht bezit om mijn  persoon-zijn teniet te doen.In de werkelijkheid zal geen enkel schepsel volkomen beantwoorden aan de eis van de onvoorwaardelijkheid die in mijn liefde besloten ligt. En daarom zal ik dan ook hoger moeten zoeken. God is de absolute Gij. Daarop zullen we in ons volgende hoofdstuk nog terugkomen.

 Hoofdstuk 3

 Het zijnsmysterie

 

1.Het mysterie van het zijn

In het vorige hoofdstuk is het mysterie reeds ter sprake gekomen.Waar het nu op aankomt, is aan te tonen dat al de mysteries uiteindelijk slechts aspecten of vormen zijn van een primitief en fundamenteel mysterie : het mysterie van het zijn.

 Het is niet moeilijk om aan te tonen dat het zijn een mysterie is en geen probleem. Maar laten we vooraf eerst opmerken dat de vraag naar het bestaan van het zijn geen enkele betekenis heeft. Het zijn  moet niet bewezen worden, het wordt onmiddellijk ervaren, en al wat men erover kan zeggen of denken wordt uit deze primitieve ervaring afgeleid.

 De enige vraag is deze : Wat is het zijn ?.Het is duidelijk dat dit geen probleem is, want het zijn is geen object dat tegenover mij staat. Ikzelf die de vraag stel, participeer aan het zijn, zodanig dat ikzelf bevat ben in de vraag die ik stel. M.a.w. ikzelf behoor tot het object van de metafysica. Dit participeren is tegelijkertijd een transcenderen van de tijd (1). Immers het zijnsmysterie is de diepste grond en eenheid van hetgeen wij tijd noemen. Om dat te begrijpen moeten wij ons van het vulgaire begrip temporaliteit distantiëren. Het is waar : wij kunnen de tijd zien als een opeenvolging van momenten, maar hoe meer ik ben, des te minder ervaar ik mijn leven als een pure opeenvolging. Zijn is de zone waar verleden, heden en toekomst van de mens en de mensheid elkaar omhelzen. Diepte is daar, waar de toekomst op mysterieuze wijze in verband staat met het verste verleden, waar het nu en toen samenvallen (2). Zijn houdt noodzakelijk eeuwigheid in en beide zijn mysterie (3). Het is onmogelijk de vraag : wat is het zijn ? te scheiden van de vraag : wie ben ik, die mij over mijn ‘zijn’ ondervraag ? (4). Deze laatste vraag is zelfs dé beslissende vraag, op voorwaarde dat men het ik niet degradeert tot een onpersoonlijk, algemeen subject. Het is immers slechts in mijn participatie aan het zijn, een participatie die mijn zijn fundeert en mij tot mijzelf maakt, dat ik het zijn zelf kan vatten. Ik ben voor mijzelf een mysterie en daarom lijd ik eronder, als men mij objectiveert. Het is niet op het plan van het ‘hebben’, noch op het plan van het ‘worden’ dat ik ontdek wat ik ben en vanwaar ik de kracht put om aan de wanhoop te ontsnappen (5). Het zijn is dus geen object, het is een aanwezigheid. Het wordt niet bewezen, maar ervaren, niet gedefinieerd, maar erkend en benaderd. De ander zal dan pas werkelijk voor mij aanwezig zijn, indien ik hem benader ‘dans l’acte d’amour  non-possessif que je lui dédie’ (6). Met andere woorden : beminnen, dat is zijn (7).

Dit alles heeft natuurlijk zijn weerslag op de natuur van de metafysiek. Indien het zijn mysterie is, volgt daaruit vanzelf dat de metafysiek niets te maken heeft met een techniek of zelfs met een wetenschap. Zij bewijst strikt genomen geen enkele van haar affirmaties, zij maakt geen aanspraak op objectiviteit. Daaruit volgt verder dat het werk van de metafysicus er niet in bestaat een rationeel systeem uit te bouwen. Immers, enerzijds is een systeem een verzameling van concepten, terwijl het zijn juist niet voorstelbaar is, en anderzijds put een systeem, althans in principe, de intelligibiliteit van zijn object uit, terwijl het juist onuitputtelijk is.

Men kan begrijpen dat in deze situatie, de filosoof zich geneigd kan voelen tot gevoelens van minderwaardigheid, wanneer hij zich vergelijkt met de wetenschapper. In feit komt dit gevoel echter alleen voor bij die filosoof die de eigen geest van de metafysica heeft verraden en verloochend, die de transcendentie van zijn eigen roeping heeft miskend. Nochtans kan men de vraag stellen of een filosofie, die de objectiviteit de rug toekeert, zichzelf niet opheft. Of hij niet zal verwateren tot kunst, literatuur of zelfs tot zuiver persoonlijke confidenties. Toch niet : de filosofie, ook de existentiefilosofie , behoudt haar eigen karakter. Waarin bestaat dit karakter ?  of, m.a.w. welk is de eigen taak van de metafysiek ?

 De eerste taak of etappe bestaat erin dat de filosoof het mysterie van het zijn erkent (8)

Dit erkennen is wezenlijk een positieve akt van de geest, zelfs de positieve akt bij uitstek. Het mysterie is immers geenszins gelijk te stellen met het onkenbare (9). Deze fundamentele intuïtie is echter nog niet bewust van zichzelf, ze is onmiddellijk en niet für-sich (10). zoals Hegel zou zeggen. Het is een intuïtie die beleefd wordt in zekere ervaringen (11).

Vandaar dat de tweede en essentiële taak van de meta-fysiek zal bestaan in een reflexie op deze oorspronkelijke intuïtie, in een reflexie ‘par laquel la pensée se tend vers la récupération d’une intuition qui se perd au contraire en quelque façon dans la mesure où elle s’exerce’ (12). Hoe zal deze reflexie er uitzien ? Het gaat zeker niet om een eenvoudige introspectie op psychologisch vlak. Ook niet om een conceptuele analyse, aangezien het zijnsmysterie zich hiertoe niet leent. Het gaat om een reeks van approches concrètes, om een verheldering.  Met andere woorden : de metafysische reflexie is niets anders dan recueillement (13).

 Laten we de eigen aard van dit receillement trachten te belichten.

Het feit dat de mens bekwaam is tot receuillement  getuigt dat hij niet zonder meer een levend wezen is, dat overgeleverd is aan zijn leven, zonder greep op dit leven (14). In het recueillement neem ik stelling ten overstaan van mijn leven, ik trek er me in zekere zin uit terug, maar niet zoals een zuiver subject van kennis : in deze retraite neem ik met mij mee wat ik ben en wat mijn leven is en niet is (15).

Ik leg vooreerst het zwijgen op aan de schreeuwerige stemmen van het verlangen, die doorgaans mijn bewustzijn vullen. Maar dit zwijgen is een positieve waarde. De stilte is geen zuivere afwezigheid, maar een volheid die in lijnrechte tegenstelling staat met het gebabbel (16).

Wanneer twee mensen babbelen, vertalen zij slechts objectieve verhoudingen, zij gedragen zich als functionerende machines. In het gebabbel zijn zij geen personen in de volle zin van het woord. In de liefde is er meer stilte dan woorden. Eveneens in de poëzie en het geloof : in al wat authentiek mysterie is, natuurlijk of bovennatuurlijk. De stilte brengt in zekere zin het heden, verleden en toekomst tot eenheid, want zij is voor ons de voorwaarde voor die innerlijke beweging die ons toelaat over te gaan van het oppervlakkige worden tot de diepte van de eeuwigheid. Daarom is ook de liefdeskracht van een wezen rechtstreeks evenredig met de mogelijkheden tot stilte, tot eenzaamheid (17) die in hem schuilen. De moderne pejoratieve mens is onbekwaam om zijn evenmens werkelijk te ontmoeten. Daarom hoeft hij ook geen ruzie te maken en hoeft hij niets te breken. Hij is lid van geen enkele groep en gaat als vreemdeling door alle steden, hij is altijd in een hotel, dwz. Overal bestaan er kleine artificiële gemeenschappen zonder innerlijke samenhang, die hem ontvangen zonder iets van hem te eisen. Hij leeft naast de werkelijkheid. Deze mens van overal en nergens, treurige gedachte die losgemaakt is van haar object, is onbekwaam om echt met anderen te zijn, omdat hij onbekwaam is met zichzelf te zijn. Hij verspreidt zich in de uiterlijkheid. Maar het is slechts in de stilte dat ik mij interesseer omdat ik alleen daar mijzelf terugvind.

 Het recueillement is een daad van inkeer tot zichzelf, terug binnengaan in zichzelf. Door de ontspanning en de rust ontstaat er een stilte en in dit zwijgen dat alle spreken te boven gaat treed ik in het licht van het mysterie. Om het eenvoudig te zeggen : als iemand me heeft beledigd, wil ik in een eerste opwelling wraak nemen en hem die belediging betaald zetten. Maar als ik mijn drift meester blijf, kom ik tot bezinning en tot inkeer (18).. Maar wat is dit zelf waartoe men inkeert ? Hier staan we voor een paradox : het zelf (moi) waartoe ik (je) inkeer, houdt door het feit zelf op voor zichzelf te bestaan. Een voorbeeld zal dit duidelijk maken :

 Keizer Augustus, in de Cinna van Corneille, verneemt dat een man, die hij met weldaden heeft overladen, aan het hoofd staat van een samenzwering tegen hem. Zijn eerste beweging is een gevoel van verontwaardiging : hij wil zich op de ondankbare wreken. Maar iets in hem weigert zich over te geven aan deze natuurlijke neiging. In de beroemde monoloog, een der hoogtepunten van de klassieke literatuur, dwingt hij zichzelf tot inkeer. Hij treedt binnen in zichzelf, maar dit zichzelf is niet het zelf van de woede en de wraak. Meer algemeen gezegd, dit zichzelf is niet het zelf van het verlangen en de neigingen. En dit is waar in alle gevallen waarin een zijnde echt inkeert tot zichzelf. Zeker is dat we hier weer op de meest concrete persoonlijke manier de eis van transcendentie vinden….. We moeten er ons alleen zorgvuldig voor hoeden op geheel kunstmatige wijze tot een scheiding over te gaan,dwz. Te veronderstellen dat het ik van de reflexie en de inkeer niet hetzelfde is als dat van het verlangen en de wraak. Het is absoluut onmogelijk ze te onderscheiden zoals je dingen onderscheidt die zo zijn dat het ene niet het andere is. Bij voorkeur zou ik hier spreken van verschillende modaliteiten van de existentie…. Laten we terugkeren naar het voorbeeld van Keizer Augustus in Corneille’s Cinna. De Keizer vindt zich geconfronteerd met een bepaalde situatie. Hij is het aangewezen slachtoffer van een complot dat tegen hem beraamd wordt door samenzweerders waarvan minstens twee alles wat ze hebben en alles wat ze zijn hem verschuldigd zijn, maar die voorwenden met zijn persoon de tiran uit de weg te ruimen die Rome tot slavernij heeft gebracht. Het is duidelijk dat het er bij Augustus niet om gaat abstractie te maken van de situatie. Integendeel, het gaat er veeleer om, de situatie om te keren….. Het woord bekering komt hier heel natuurlijk voor de geest, maar dan zonder enige godsdienstige kleur.De Keizer gaat zichzelf nu zien, niet meer eenvoudig als slachtoffer van de menselijke ondankbaarheid, maar als in laatste instantie wellicht verantwoordelijk voor deze ondankbaarheid. Heeft hij in het verleden niet gehandeld als zij die tot zijn ondergang hebben besloten ?. Aldus betekent inkeren in zichzelf hier wezenlijk de situatie van de andere kant bekijken. Daardoor maakt Augustus het zich onmogelijk de schuldigen zo maar te oordelen, hen zelfs zonder hoger beroep te veroordelen zoals in het begin het vanzelfsprekend scheen. Hij die inkeert in zichzelf, wordt ertoe gebracht zich de meest geladen vraag te stellen die voor een geweten kan opkomen : wie ben ik om een ander te veroordelen ?0 Heb ik echt de innerlijke hoedanigheden om zo een veroordeling geoorloofd te maken ? (19).

 In het algemeen gesproken schijnt het wel dat het recueillement de onontbeerde voorwaarde is voor elke diepe vereniging met de anderen. De ervaring toont aan dat de mens die er niet toe komt met de anderen te communiceren, altijd iemand is die niet in intiem contact leeft met zichzelf, iemand die geen waarachtig innerlijk leven bezit. Trouwens bij het oordeel over de authenticiteit van het innerlijk leven kan men best tot criterium nemen het feit dat het de communie met anderen bevordert. Voor Marcel begint het drama daar waar leugen, hardheid, trots, verraad of valse trouw de communion belemmeren (20).

 Inkeren tot zichzelf wil dus evengoed zeggen uitgaan uit zichzelf. Waarbij men zich nochtans het zelf niet moet voorstellen als ontdubbelbaar. Het gaat uiteindelijk om een innerlijke omvorming die zich voordoet als een terugkeer waarbij het tweede of latere niet zonder meer identiek is met het eerste of vroegere. Wie door het recueillement in zichzelf keer, gaat over van het oppervlakkige, objectieve moi, het moi van het hebben en het worden, naar het diepe je, dat alleen bekwaam is om te participeren aan het mysterie van het zijn.

2.Het mysterie van de hoop

Een van de belangrijkste aspecten van het mysterie van het zijn is het mysterie van de hoop. De hoop leidt ons naar het transcendente, naar God.

Het is pas wanneer de mens zich de mysterieuze aard van zijn eigen zijn bewust is geworden, dat hij ook in staat is zijn dood als mysterie te zien en hem te overstijgen door een positieve beleving van zijn vrijheid.

Alleen de vrijheid die het echte zijn beaamt en die tot liefde wordt, vormt tegenover de dood het ontologisch tegenwicht (1).

Ik kan mij nu reeds als een ter dood veroordeelde beschouwen en die waarheid als dusdanig accepteren, dat ik alle verbintenissen laat varen en mij losmaak van elke gemeenschap. Dan maak ik de dood tot een probleem dat daarin bestaat, dat ik er niet meer zal zijn. Als ik daarentegen de bovenproblematische werkelijkheid erken, dan kan ik in vrijheid de dood zelf transcenderen. Een man die zijn eigen leven offert voor zijn kind is in feite vol van een geloof waarvan hijzelf de inhoud niet kan verhelderen. Dit geloof draagt op een zeker boven-persoonlijke eenheid tussen zijn kind en hem. In werkelijkheid is hij verzekerd, zelfs zonder het te weten, dat hij het op mysterieuze wijze overleeft.Dit wil zeggen, dat hij deel blijft hebben aan de ontologische werkelijkheid waarvoor hij zich gaf. Deze vrije daad impliceert een innerlijke houding, die het eigen streven transcendeert en een werkelijkheid beaamt, die niet door de dood wordt aangetast. De vrijheid van de mens wordt aldus tot hoop (2).

De hoop is wezenlijk een mysterie, ze kan niet van buitenaf beoordeeld worden. Ze levert haar geheim niet uit aan het redenerend denken (3).

Aan de basis van de hoop ligt er een situatie die ons uitnodigt te wanhopen. Deze situatie is de beproeving. Dit zal duidelijker worden met een paar voorbeelden : ‘Ik hoop dat Jaques morgenochtend al komt en niet pas ’s middags’. We onderscheiden hier al twee elementen die wij steeds zullen terugvinden : de wens, en een bepaald geloof. Dit voorbeeld geeft echter nog een zeer verdunde toestand weer, omdat ik hier niet ver ben van wat men het punt van onverschilligheid zou kunnen noemen (4). Veronderstellen we vervolgens dat ik een beproeving doormaak, een individuele of een die ik deel met alle leden van de groep waartoe ik behoor. Ik verlang naar een bepaalde bevrijding die een eind maakt aan die beproeving (5). In de beproeving ben ik voor onbepaalde tijd beroofd van een bepaald licht waarnaar ik snak (6). Elke beproeving van deze orde kan gelijkgesteld worden met een vorm van gevangenschap, namelijk : de onmogelijkheid om toegang te krijgen tot een zekere levensvolheid (7). Een kunstenaar kan het gevoel hebben afgesneden te zijn van het licht van waaruit hij leeft en schept. Voor de zieke kan die volheid de gezondheid zijn. Het verbannen zijn uit de volheid betekent een vervreemding voor de mens. Een duidelijk voorbeeld is de liefde tussen twee mensen. De liefde is die volheid waaruit zij zichzelf zijn. Wanneer één van beiden een breuk brengt in de verhouding, betekent dit voor de andere niet alleen een vervreemding van diegene die hij bemint, maar ook een vervreemding van zichzelf. Er is een desintegratie van zijn persoon, want integratie was immers gebeurd vanuit de liefde voor de andere. Hij is iemand anders geworden, of beter, hij is niet iemand, hij is slechts iemand vanuit het licht dat hun liefde was. De mens die in zijn liefde teleurgesteld wordt, kan even goed, of zelfs eerder besluiten tot de zinloosheid van het bestaan als dat hij verder kan gaan in de richting die ingeslagen is, in het vertrouwen dat het de goede richting is, in de hoop dat alles uiteindelijk ten goede zal komen. Wanhoop is zich samentrekken op zichzelf, uit angst om vernietigd te worden. Deze angst werkt de vernietiging in de hand omdat zij de mens psychisch verlamt. In de angst maakt men de tijd tot een gesloten systeem, men ontneemt aan de werkelijkheid haar creativiteit, maakt ze tot een statisch iets. Men ontkent hierdoor een van de wezenlijke kenmerken van ons mens-zijn, namelijk de temporaliteit, die Marcel omschrijft als : ‘het feit, dat er plaats is voor veranderingen in de realiteit’.

Hoop is krediet geven aan de realiteit, is aan de realiteit de bekwaamheid toekennen rekening te houden, niet alleen met ons goed, maar ook met hét goede. In tegenstelling met de wanhoop is de hoop een openbreken van de tijd omdat de hoop geduldig is, zij stelt vertrouwen in …… brengt eerbied op voor het eigen ritme van de realiteit (8). De hoop nu is tegelijkertijd een aanvaarden en een niet aanvaarden. Zij aanvaardt de feitelijkheid van het gebeuren, maar niet de gevolgen die dat gebeuren normalerwijze voor mijn persoon zou moeten hebben. Het is niet een zonder meer zich handhaven in een gegeven situatie, dat is Stoïcisme. De Stoïcist redt zich door zich terug te trekken uit de wereld, door afstand te nemen en zich op te sluiten in zichzelf (9). De hoop echter is een reactie tegen de gevangenschap, tegen de beproeving waarin men gevat is. Diegene die hoopt op een rechtvaardige wereld, beperkt er zich niet toe, te bevestigen dat een dergelijke wereld  verkiesbaar is boven een onrechtvaardige, maar hij bevestigt dat die wereld er zal zijn (10).

De enige authentieke hoop, is de hoop die uitgaat van het bewustzijn en de erkenning van eigen onmacht om datgene te verwezenlijken waarop wij hopen. Wij moeten onderscheid maken tussen ik hoop in abslotute zin, en ik hoop dat… of het verlangen, de begeerte (11).Begeerte is macht en hoop is nederigheid. Een vader hoopt op een brief van zijn zoon. Het is hier in de grond niet te doen om die brief zelf, en zelfs niet om de lijfelijke aanwezigheid van de zoon. De vader hoopt op de zoon. De formule van hoop is niet : ik hoop dat…, maar ik hoop op u. Hier blijkt weer hoe Marcel existentialistisch is in die zin, dat zijn filosofie , altijd voortkomend uit de ervaring van de werkelijkheid, ook altijd op de werkelijkheid in haar concrete vorm gericht staat : de menselijke persoon en de menselijke waardigheid (12).

 Op de vraag : wat kan de mens ? heeft men geantwoord, dat de mens kan wat zijn techniek kan.  Er is echter een ander antwoord mogelijk op de vraag, namelijk : de mens kan niets door zichzelf, hij is slechts in de mate dat hij bevestigd wordt in het zijn door Diegene die alles kan en alles is. Ieder van ons is in de mogelijkheid te erkennen dat zijn wezen, dat wat hij in de grond is, gave is en niet een gegeven en dat het vanuit die fundamentele gave is dat hij zijn vrijheid kan ontplooiien. Het is deze radicale erkenning van onze onmacht om zelf ons bestaan te gronden die aan de basis ligt van de hoop (13).

Deze existentiële ervaring van onze onmacht, de ervaring dat zelfs mijn vrijheid me moet geschonken worden, opent op het transcendente, op het heil. Het verwachten van het heil is het archetype van de hoop. Het heil is vrede, harmonie, een rijk van liefde en waarheid (14). Het heil en de hoop hebben bij Marcel onmiskenbaar een religieus karakter. Het heil is, wat men met een in onze tijd onpopulair geworden woord kan noemen, de hemel. Die hemel is symbool van een geestelijke werkelijkheid, een eenheid van levenden en doden die de bevrijding betekent uit de gevangenschap van het egoïsme. De hoop is een beroep op het absolute GIJ opdat dit heil ons zou geschonken worden (15). De hoop is het verwachten van een heil in het bewustzijn van onze eigen onmacht om het te bewerken. De hoop is het geloof dat het heil ons zal geschonken worden. Het is een geloof dat zijn grond vindt in de liefde, die zelf echter gegrond is in een godsgeloof. De band tussen hoop en liefde blijkt het duidelijkst in de extreme beproeving van de dood van den andere. De dood van de andere is wezenlijker en tragischer dan mijn eigen dood.Maw, liefde en hoop zijn niet te scheiden. Voor iemand die niet bemind is er en kan er ook geen hoop zijn. De hoop wordt bevolen door de liefde. Essentieel in de liefde is het vatten van de andere in zijn individualiteit. Het is deze onafscheidelijkheid van de liefde en hoop die Marcel uitdrukt in de zeer mooie bepaling in Homo viator : ‘ De hoop is de beschikbaarheid van diegene die op een intieme wijze geëngageerd is in een ervaring van gemeenschap, om vanuit deze ervaring, die de aanleiding, maar tevens de waarborg is, de onverwoestbaarheid, de levende duurzaamheid van deze gemeenschap te bevestigen’ (16). Ik kan overtuigd zijn van de waarde van een bepaald persoon, zonder hem nochtans volkomen krediet te geven. Hem krediet geven wil zeggen dat ik mij achter hem stel, dat zijn doelstellingen de mijne zijn, dat ik volkomen vertrouwen in hem stel. Het is alsof ik tot hem zeg : ik ben zeker dat gij mij niet zult teleurstellen.Met andere woorden : ik geloof in u; ‘j’espère en toi pour nous’. De besliddende vraag is : welke zijn de voorwaarden, opdat deze zekerheid meer zou zijn dan een bewering. Wat kan mij waarborgen dat diegene die ik bemin, niet zal vernietigd worden?. Het antwoord van Marcel is dat een dergelijk geloof en een dergelijke liefde slechts denkbaar zijn voor een mens bekwaam tot Godsgeloof. De ultieme grond van de hoop is het geloof in God, die precies omdat hij liefde is niet in staat is onze liefde als onbetekenend, als accidenteel te beschouwen of sterker nog, deze liefde te vernietigen.

De fundamentele ervaring van het geloof echter is de ervaring van het leven als gave, als de uitdrukking van een edelmoedigheid die in mij bestaan krijgt. Deze ervaring wordt tot zekerheid dank zij de bevestiging door het Woord. Dit Woord is een getuigenis en een getuigenis moet gedragen worden door iemand. Het Woord als getuige van de levende God, moet dus geïncarneerd zijn, moet een historische betekenis hebben.  De  getuigenis van Christus is niet verdwenen met hem, zij heeft zich geïncarneerd in een Kerk, precies omdat de getuigenis historisch was.Immers elk getuigenis gaat uit van een aanwezigheid bij, in dit geval, een God die zich geopenbaard heeft als een God-met-ons. Het is in deze lijn dat we de formule : ‘J’espère en Toi pour nous’ als de meest adequate uitdrukking van de hoop moeten begrijpen. Het absolute GIJ is de waarborg van onze gemeenschap (17).

3.De ontmoeting met God

Ik en Gij

De ontmoeting met God kan gezien worden als de bekroning van Marcel’s denken.

In de hoop op een menselijk toi, wordt de hoop op een Toi absolu bewust of onbewust ervaren als de grond  van alle menselijke hoop (1). Maar de vraag is of God al dan niet bestaat. Is God misschien niet meer dan een product van ons verlangen ?. Marcel antwoordt hierop dat er in elke mens een verlangen is naar iets hogers, hetzij naar een transcendente God, hetzij naar een min of meer expliciete bevestiging van het absolute, nl. een absolute Wording, absolute Geest, absolute Wil, absolute Macht, absolute  maatschappij of absolute Wetenschap (2).

Dit verlangen naar God valt samen met mijn zijn. Als een persoon met een eigen zijn, ben ik niets anders dan verlangen naar God, behoefte aan God, gerichtheid op God. God kan nooit tot voorwerp genomen worden. Om Hem te bereiken zoals Hij is, moet men tot Hem bidden (3). Alleen door het aanroepen van het Absolute zelf, waardoor wij tot de kern van ons eigen wezen doordringen en van de band die ons met onze medemensen samenbindt, gaat een nieuwe dimensie voor ons open.

In het gebed openbaart zich ons de verborgen God, als de tegenwoordige, die ons door zijn aanwezigheid doet zijn. Liefde, dood, trouw, hoop, geloof, tegenwoordigheid, ze zijn alle vervat in het mysterie van het zijn, dat nu enigszins wordt verstaan in de Godsontmoeting (4).

De hoofdvereiste om te zijn en te scheppen is dan ook steeds weer met helderheid en vurigheid te erkennen dat wij als onderdanige kinderen afhankelijk zijn van Hem die alles is en van wie wij het bestaan ontvangen hebben. Wij hebben de plicht de ‘présence’ aan onszelf steeds opnieuw te vernieuwen. Anderzijds moet zij mij ook steeds opnieuw worden verleend. Mijn ziel en mijn zijn immers worden mij als een gave geschonken. In de gehele menselijke ‘présence’ openbaart zich dus een werkelijkheid die nog meer levend is dan de onze. Wij kunnen er al enigszins toe behoren. Het is een onzichtbare wereld die ons van alle kanten omgeeft, die ons uitnodigt tot een uiteindelijke diepe eenheid van allen in Hem, aan wie de doden meer nabij zijn dan wij. Dan zal alles worden opgenomen in de liefde (5).

 Conclusie

Met Paul ricoeur zouden we de filosofie van Marcel in haar geheel kunnen betitelen als een filosofie van het mysterie (1). Evenals Karl Jaspers is Marcel er op uit om individuele ervaringen en existentiële situaties te beschrijven. Hij wil bij de toehoorder of lezer bepaalde ervaringen bewust maken. Hij spreekt zelf van een anamnese in de socratische en platonische zin van het woord (2). Maar hij gaat zelfs verder met te beweren dat de filosofie niet alleen de ervaringen bewust moet maken, maar ze ook moet leiden. De zin en de waarde van de filosofie worden bepaald door de mate waarin zij ons helpt te leven (3).

In tegenstelling met de meeste andere existentiefilosofen wijdt Marcel zo goed als geen aandacht aan de wetenschap.

Zoals wij gezien hebben bij de ontleding van het zijnsmysterie, zou men wel de neiging hebben te denken dat Marcel een te grote nadruk legt op de relfexie. En inderdaad is het te betreuren dat hij het aspect van de ervaring en de reflexie té veel naast elkaar plaatst, in plaats van ze in hun verbondenheid te beschouwen. Had hij ze meer in hun verbondenheid beschouwd, dan zouden het object en het subject, het mysterie en het probleem, de filosofie en de wetenschap zeker niet zover uiteen liggen als men nu de indruk heeft. Dit wil niet zeggen dat het voor ons geen aanleiding kan zijn, om voortgaande op zijn werken, die verbondenheid en eenheid meer en meer te betrachten. Want in de grond kan hetgeen een existentiefilosoof heeft geschreven slechts een aansporing zijn om te existeren, om mens te worden. Dit geldt vooral dan voor de filosofie van Marcel, die zulk een grote eerbied had voor het fenomeen mens.

In wezen mag men de filosofie van Marcel ook een Christelijke filosofie noemen, want indien het waar is dat alleen de Christelijke houding samenvalt met het eigenlijk leven van de mens, dan volgt hieruit dat een coherent existentialisme, dwz. een existentialisme dat trouw is aan al de eisen van een waarachtig existeren, noodzakelijk een Christelijk existentialisme moet zijn, of laten we zeggen, om de abstractie te vermijden, een existentialisme dat zich gans toespitst op het Christen-worden. In deze zin is Marcel beslist een volgeling van Kierkegaard. Beiden hebben het bijna tot de mystiek gebracht. Sartre daarentegen heeft een copernikaanse zwenking gemaakt en zijn centrum van God naar het niet, het néant verlegd.

Sartre is echter wél een existentialist, want hierin komen Marcel, Jaspers, Sartre en Kierkegaard overeen, dat ze strijden voor het recht van de enkeling dat door geen systeem mag worden vermoord.

 

OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

       

 

 

 

Lijst van de gebruikte afkortingen : werken van Gabriël Marcel

(Dit betreft allen de boeken welke voor deze studie werden gebruikt)

 

 PA : ' Position et Aproches concrètes du Mystère ontologique', Paris 1933,1949

 

 JM : Journal Métaphysique, Paris,1927

 

EA : Etre et Avoir, Paris, 1935

 

RI : Du refus al'invocation, Paris,1940

 

PI : Présence et immortalité ( dagboek van 1938-1943), Paris, 1959

 

HV : Homo viator, Paris, 1945

 

ME (I et II) : Le mystère de lEtre, Paris,1951

 

HCH : Les Hommes contre l'Humain, Paris,1951

 

DS ; L'e déclin de la sagesse, Paris,1954

 

HP : L'Homme problematique, Paris 1955

 

DH : La dignité Humaine, Paris, 1964

 

 

 

Gebruike boeken OVER Marcel

 

Ex.Chrétienne :'Existentialisme Chrétien. Regard en arrière' Paris 1947

Roger Troisfontaines, 'De l'existence à l'être4, Paris-Louvain,1953

 

 

 

Roger Troisfontaines, 'G.Marcel, een wijsgeer van het geloof4, Antwerpen,1954

 

 

 

J.H.Nota, Gabriël Marcel', Baarn,1965

Dawiet van Sonsbeeck : 'Het zijn als mysterie in de ervaring en het denken van Gabriël Marcel', Antwerpen, 1966

A.Huebscher, 'Twaalf filosofen - van Marcel tot Heidegger ' Antwerpen, 1966

B.Delfgauw, 'Wat is existentialisme', Baarn, 1966

P.Ricoeur, 'G.Marcel et K.Jaspers. Philosophie du mystère et philosophie du paradox'.

G.Marcel,' Auf der Suche nach Wahrheit und Gerechtgkeid'.

 

VOETNOTEN :Subject – object verhouding

 

De techniek

 

 (1) B Delfgauw, Wat is existentialisme ?, Baarn, 1966,p 23-24

 

 

 

(2) Gabriël Marcel : ‘Les hommes contre l’Humain’, Parijs,1951 Vertaling van Daniël de Lange.(verder afgekort als HCH)

 

 

 

(3) HCH, p 47.

 

 

 

(4)HCH, p 47.

 

 

 

(5)HCH, p 48

 

 

 

(6)Ibid.

 

 

 

(7)S.Ysseling, De filosofie en het technisch denken. Een stufie over Martin Heidegger, in : Het uitzicht van onze wereld, wijsgerige essays, Brugge, 1964.

 

 

 

(8)J.H.Nota, Gabriël Marcel, Baarn, 1965, p 33.

 

 

 

(9)HCH,p 69.

 

 

 

(10)J.H.Nota, op.cit.,27

 

 

 

(11)J. Delhomme,' Témoignage et dialectique', in Ex.Chrét., p.117. vlg, vooral p 132 vlg.,p 144. Tekst overgenomen uit J.H Nota, op. Cit., p 27-28.

 

 

 

 

 

 

 

Hebben en Zijn

 

 

 

Probleem en Mysterie.

 

 

 

Hebben en Zijn:

 

 

 

 

 

(1)Gabriël Marcel, Etre et Avoir, Parijs, 1935. ‘L’Avoir est function d’un ordre comportant des references à autrui en tant gu’autrui’p 215-216

 

 

 

(2)EA (être et avoir = EA)

 

 

 

(3)EA, p 211-216

 

 

 

(4)EA, p 236

 

 

 

(5) Als het lot van het ding dat ik bezit mij onverschillig laat, hebben we niet meer te doen met een reëel , maar slechts met een nominaal ‘hebben’

 

 

 

(6)EA,p.240

 

 

 

(7)EA,p 238

 

 

 

(8)EA, p 241

 

 

 

(9)EA, p 241

 

 

 

(10) EA,p 241

 

 

 

(11) ‘La dualité du ‘possédant et du possédé’ s’abolit dans une réalité vivante’ (EA,p 241)

 

 

 

(12)Of wat op hetzelfde neerkomt : door mijn inertie t.o.v hem.

 

 

 

(13)EA, p 242

 

 

 

(14)Ibid.

 

 

 

(15)EA, p 169

 

 

 

(16)‘Linconnaissable’ ( Gabriël Marcel : Le mystère de l’être I , Parijs, 1951), p 228

 

 

 

(17)‘Problématique’ EA, p 170,162

 

 

 

(18)EA, p.162 ‘…le mystère, c’est le méta-problematique’

 

 

 

(19)HCH, p 58,69; en : Gabriël Marcel : ‘Du refus a l’invocation’, Parijs, 1940, p 107

 

 

 

(20)EA,p 170

 

 

 

(21)HCH, p 69

 

 

 

(22) Gabriël Marcel : 'Le mystère de l'être I' op.cit. p 255 in het vervolg : ME, I of II

 

 

 

(23)Ibid.

 

 

 

(24) EA,p 9,11

 

 

 

(25)EA,p 12

 

 

 

(26)ME, I,p 232

 

 

 

(27)Gabriël Marcel : 'Journal Métaphysique, Parijs, 1927. p 245

 

 

 

(28) ME .I, p 232-233

 

 

 

 

 

 

 

IK EN GIJ

 

 

 

 

 

(1)ME,I, p 99-100

 

 

 

(2)R.Troisfontaines :' de l'existence a l'être'. Parijs-Leuven, 1953, p 10/ Marcel : Homo viator, Paris, 1954, p 15-16

 

 

 

(3)R.Troisfontaines, deel II, p 10

 

 

 

(4)HV (= Homo viator - Gabriël Marcel), p 16

 

 

 

(5)HV, p 23 /R.Tr. II , p 11

 

 

 

(6)R.Tr.II, p 12

 

 

 

(7)ibid.

 

 

 

(8) Gabriël Marcel : 'Du refus a l'invocation, Parijs, 1940,p 160 (RI)

 

 

 

(9)RI, p 167

 

 

 

(10)HV,p 18

 

 

 

(11) 'La présence de l'être disparu n'était pas une présence dan l'instant, elle n'était pas celle d'un spectacle mais d'un être..., il faudrait admettre que nous restons unis au-dela de ce qu'il est donné à mon concience de saisir' ( Gabriël Marcel : 'Présence et immortalité' - dagboek van 1938-1943) Paris 1959, p 131.

 

 

 

 

 

 

 

HET ZIJNSMYSTERIE

 

 

 

 

 

(1)EA,p21-22; ME,I, p 207-209; R.Tr I, p11, 256-257.

 

 

 

(2)Dawied van Sonsbeeck 'Het zijn als mysterie in de ervaring en het denken van Gabriël Marcel, Antwerpen, 1966 , p 191

 

 

 

(3)ME.I, p 234-235.

 

 

 

(4) R.Tr.II, p 278; ME, I, p 163-164

 

 

 

(5)R.Tr.II, p 278

 

 

 

(6)R.Tr.II, p 279

 

 

 

(7)R.Tr.II, p 278

 

 

 

(8)ME.I, p 228; EA, p 145, 170

 

 

 

(9)ME.I, p228.

 

 

 

(10)PA,p 64

 

 

 

(11)EA,p 170-171

 

 

 

(12)EA, p 171

 

 

 

(13)EA,p 171,164

 

 

 

(14)EA, p 171

 

 

 

(15)'Dans cette retraite, j'emporte avec moi ce qui je suis et ce que peut être ma vie n'est pas' (EA, p 63-64)

 

 

 

(16)EA p 145, 164,171-172,ME,I 144; PA,p 62-63.

 

 

 

(17)Solitude, niet isolement

 

 

 

(18) J.H.Nota, op.cit.,p 54-55

 

 

 

(19)ME,I, p 145-146

 

 

 

(20)(Dawiet van Sonsbeeck, op.cit.p 43

 

 

 

 

 

 

 

HET MYSTERIE VAN DE HOOP

 

 

 

 

 

(1)Dawiet van Sonsbeeck,op.cit.p 197

 

 

 

(2)Dawiet van Sonsbeeck,op.cit. p 197

 

 

 

(3)PA, p 70-71; HV, p 443, 47-49,75.

 

 

 

(4)HV,p 39-40

 

 

 

(5)HV,p 40

 

 

 

(6)HV, p 40

 

 

 

(7) Une plénitude vécue, HV, p 41

 

 

 

(8)HV, p48,50 ; EA,p 108, PA,p 68

 

 

 

(9)HV,p 51

 

 

 

(10)HV, p 43,193; ME,I p 161

 

 

 

(11)HV,p 43

 

 

 

(12)J.H.Nota, op.cit. p 102

 

 

 

(13)PA, p 71-73 ; PI,p136 ; EA,p110-113; HV,p193-194 ; ME.II, p 174

 

 

 

(14)EA,p 108-110,116 ; HV,p 72 ; ME.II , p 121

 

 

 

(15)ME.II, p 186

 

 

 

(16)HV, p 86

 

 

 

(17)RI,p179 ; JM (Journal metaphysique),p 58 ; ME.II,p 122 ,123,123-134,156,157 ; HV p77

 

 

 

 

 

 

 

DE ONTMOETING MET GOD

 

 

 

IK EN GIJ

 

 

 

 

 

(1)HV,p82

 

 

 

'Cette présence s'incarne dans le nous pour lequel j'espère en Toi, c'est à dire dans une communion dont je proclame l'indestructibilité' (HV p89)

 

 

 

(2)JM, p 33-38

 

 

 

(3)'Dieu ne peut que m'être donné comme présence absolue dans l'adoration' (EA,p 248)

 

 

 

(4)JHNota, op.cit. p 110

 

 

 

(5) Dawiet van Sonsbeeck, op.cit. p 131

 

 

 

'Il y a une chose que j'ai découverte après la mort de mes parents...c'est que, ce que nous appelons survivre, en vérité c'est sousvivre, en ceux que nous n'n'avons pas czssé d'aimer avec le meilleur de nous mêmes, voici qu'ils deviennent comme une voûte palpitante, invisible mais pressentie et même effleurée, sous laquelle nous avançons toujours plus courbées, plus arrachés à nous-mêmes vers l'instant ou tout sera englouti dans l'amour' (ME.II,p 187)

 

 

 

 

 

 

 

CONCLUSIE

 

 

 

 

 

(1)P.Ricoeur, G.Marcel et K.Jaspers. Philosophie du mystère et philosophie du paradox.

 

 

 

(2)ME.I, p 6

 

 

 

(3)G.Marcel, Auf der Suche nach Wahrheid und Gerechtigheit,p 84

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15:22 Gepost in filosofie | Permalink | Commentaren (0)