15-02-18

heilige aartsvader Jozef

border 2.jpg

Heiligenleven

De heilige Aartsvader Jozef

josef%20wordt%20door%20zijn%20broeders-650aartsvader.jpg

De heilige Jozef de aartsvader, de 11e van de 12 zonen van Jakob. Zijn romantisch levensverhaal wordt uitvoerig beschreven in het Oude Testament (Gen. 37-50). Hij was de zoon van Rachel, de eerste liefde van Jakob, en werd door hem voorgetrokken boven de anderen. De jaloerse broers beraamden een moordaanslag op hem, maar in plaats daarvan verkochten zij hem als slaaf naar Egypte. Door zijn profetische gaven kreeg hij geweldige invloed, en hij steeg van veroordeeld gevangene tot rechterhand van Farao, waarbij hij tijdens een grote hongersnood heel het land in het bezit van de Farao bracht.
Uitvoerig wordt verhaald hoe Jozef handelde met zijn broers, en hoe heel de Joodse stam zich vestigde in Egypte. Eerst werden zij daar ontvangen als redder in de nood, maar toen hun stam daar floreerde werden zij tijdens volgende geslachten behandeld als gastarbeider en verzonken zij in slavernij. Met hun redding door de hand van Mozes begon de heilsgeschiedenis duidelijk zichtbaar te worden.
Jozef stierf rond het jaar 1700 vóór Christus, hij was toen 110 jaar oud, en zijn gebeente werd meegenomen op de tocht naar het Beloofde Land.

bron : heiligen voor elke dag - orth.klooster Den Haag

tekst2223.jpg

st.John Chrysostom.jpg

tekst bijbel19.jpg

1-Petrus-56-230x230.jpg

tekst Basilios de Grote7.jpg

06-02-18

Johannes van Kronstadt

border 1F1F.jpg

Heiligenleven

De heilige Johannes van Kronstadt

johannes van Krohnstadt1.jpg

De heilige Johannes van Kronstadt, die leefde van 19 oktober 1829 tot 20 december 1908. Hij was de zoon van een koster van een dorpje in het hoge noorden van Rusland, district Archangelsk, en werd zo van kind af in de kerk opgevoed. De hyperintelligente jongen had in het begin grote moeilijkheden op school, maar als een gebedsverhoring begreep hij plotseling het schoolsysteem en vanaf dat ogenblik was hij zulk een briljante leerling dat hij een beurs kreeg om te gaan studeren aan de theologische academie van Sint-Petersburg.
Bij zijn studie interesseerde hij zich voor alle wetenschappen en hij las wat hij maar in handen kon krijgen. Maar eveneens besteedde hij een groot deel van zijn tijd aan persoonlijk gebed, liefst eenzaam lopend in de natuur. Toen zijn vader gestorven was, nam hij een betrekking aan als secretaris om zijn moeder bij te staan in de zorg voor het gezin. Hij moest in het gebed hevig strijden om zich los te maken uit de wanhoop om hun treurige levensomstandigheden, en zich steeds vast te houden aan het geloof in Gods leiding en daarover verheugd te zijn. Die diepe droefheid zag hij als een afval van God en de dood van het hart.
Hij gaf ook zijn droom op om missionaris te worden in China: hij kreeg een open oog voor de veelsoortige ellende in de eigen omgeving, vooral in de oorlogshaven Kronstadt, waar hij gehuwd was met de dochter van de aartspriester van de kathedraal. Hij zou missionaris worden in zijn eigen land waar zoveel armoede heerste en moreel verval.
Daarnaast had Johannes nog een ideaal van monastiek leven en hij had met zijn vrouw afgesproken dat zij als broer en zus zouden leven, zonder echtelijke betrekkingen. Op 12 november 1855 werd hij priester gewijd. Als levensprogram had hij: voortdurende overdenking van de Heilige Schrift, een lange nachtwake met Jezusgebed, en het dagelijks vieren van de Goddelijke Liturgie, die hij boven alles stelde. Daarbij ging hij voortdurend op huisbezoek bij de armste gezinnen: hij liefkoosde de kinderen, had vriendelijke woorden voor de ouders, droeg zorg voor de zieken en schonk weg wat hij had. Vaak kwam hij zonder schoenen of jas thuis. Hij maakte geen onderscheid, kwam bij iedereen, oordeelde niemand maar bad en vertelde over Christus. Over dit ongebruikelijk gedrag kwam natuurlijk veel kritiek los die hem grote moeilijkheden bezorgde, maar bij veel anderen oogstte hij bewondering en medewerking zodat hij een groot werkhuis kon stichten, met kerk, scholen, nacht-asiel, en werkplaatsen, waar duizenden werklozen hun menselijke waardigheid terugvonden. Gedurende 32 jaar gaf hij ook les op de scholen, waarbij hij zich vooral erop richtte de kinderen ontvankelijk te maken voor de schoonheid van Gods wereld en om in elkaar de icoon van God te zien.
In de tweede helft van zijn leven veranderden de verhoudingen. De kracht van zijn liefde was zo groot en stralend geworden dat het niet meer nodig was dat hij naar de mensen kwam: het Russische volk wendde zich onweerhoudbaar tot hem, in hele menigten. Ook geld stroomde binnen en daarmee had hij voortdurend voedsel voor een duizendtal, telkens wisselende, armen, en bouwde hij veel kloosters en kerken.
Vader Johannes stond op om 3 uur in de nacht. Hij ging in de vroege ochtend naar de kerk, die reeds geheel gevuld was met volk voor de Metten. Grote manden met broden en prosforas werden binnengebracht voor de voorbereiding van de Gaven voor de Heilige Liturgie, vergezeld van ontelbare gedachtenisbriefjes met eindeloze rijen namen. Vader Johannes hief ze gezamenlijk op naar God en in zijn vurig gebed voelde ieder zich aangesproken of hij persoonlijk voor hem of haar had gebeden. Het opdragen van de Heilige Liturgie was indrukwekkend plechtig. Hij stond bij het Altaar zichtbaar voor de troon van de Allerhoogste God, en zijn woorden drongen diep door in het hart. Bij de heilige Communie was hij zo door ontroering gegrepen dat de tranen hem over het gezicht vloeiden.
Hij bezat in hoge mate de gave van het woord en in zijn preken wekte hij de gelovigen op tot veelvuldig communiceren om in nauwer contact te komen met God. Dit was in die tijd, toen men gewoonlijk maar eenmaal per jaar communiceerde, iets heel uitzonderlijks. Daar het met zulk een menigte niet mogelijk was ieders persoonlijke biecht te horen, kwam het gebruik tot stand dat ieder luidop zijn zonden beleed, ten aanhoren van de omstanders waarna Vader Johannes een gemeenschappelijk absolutiegebed uitsprak.
Maar de mensen kwamen, behalve voor het luisteren naar de woorden van Vader Johannes, ook om de wonderen te zien die vaak gebeurden. Het was of de tijd van Christus teruggekomen was. Zieken werden genezen, zowel zij die bij hem gebracht werden als anderen voor wie men zijn hulp kwam vragen. Blinden werden weer ziende; sinds jaren verlamden kwamen weer op de been; anderen genazen van een diepe depressie, hoewel zij reeds in een inrichting waren opgeborgen; levens die door alcoholmisbruik verwoest waren, werden weer in goede banen geleid; uit bezetenen werd de duivel uitgedreven en zij waren blijvend verlost. Dit gebeurde in de kerk maar ook overal waar Batoesjka, Vadertje, Johannes zich op straat vertoonde.
Op deze wijze duurde het tot de middag eer hij thuiskwam uit de kerk. Daarna ontving hij de mensen die zijn gebeden kwamen vragen en maakte hij een rondgang door de verschillende bedrijven en scholen, waarna hij pas laat in de nacht thuiskwam. En heel dit zo bezige leven was doordrenkt met zijn voortdurend gebed. Tegen het einde van zijn leven werd hij hevig gekweld door verschillende ziektes, maar dit veranderde niets aan zijn innerlijke houding. En zo is hij gestorven, omringd door de verering van het gelovige volk. En hij wordt nog steeds vereerd door het Russische volk dat hem een bijzondere liefde toedraagt.
Veel preken van de heilige Johannes van Kronstadt zijn uitgegeven, maar zijn blijvende waarde ligt vooral in wat hij over het gebed geschreven heeft in zijn geestelijk dagboek: “Mijn leven in Christus” dat in veel talen is vertaald. Terwijl de meeste boeken over het gebed op min of meer specialistische wijze de etappes beschrijven van het mystiek gebed, schrijft de heilige Johannes over het gewone, alledaagse christen-gebed, dat hij zelf op zulk een weergaloze wijze praktiseerde en dat ook van buitengewoon praktische aard is: iets dat we met twee handen kunnen vastgrijpen en dat toch heel diep gaat. Enkele voorbeelden:
Bidden, dat is het stoutmoedige gesprek van het schepsel met zijn Schepper: De ziel moet met eerbied voor Hem staan als voor de Koning, voor het Leven zelf aan Wie alles het leven te danken heeft, met veronachtzaming van alles wat er rond ons ligt.
De Heer is immers zo nabij aan ieder van ons wanneer we naar Zijn wil leven. Hij is ons zo nabij dat ons hart en ons lichaam de tempel zijn van de Heilige Geest... Daarom zijn wij in staat te bidden, overal in elke plaats...
Wanneer we bidden dan is God er voor ons alleen: de God in Drie Personen en niemand anders. Doordring jezelf ervan dat God in de wereld is zoals de ziel is in het lichaam ofschoon Hij oneindig groter is dan de wereld. Jouw kleine lichaam is vervuld van jouw kleine ziel maar God, de oneindig grote God, vervult het heelal...
God weet en kent alles wat je nodig hebt maar het gebed is nodig om onze eigen ziel te reinigen en te verwarmen. Het doet ons goed in de zonneschijn te staan, die schenkt warmte en licht wanneer wij in het gebed staan voor God, onze geestelijke Zon, dan worden we verwarmd en verlicht. Het is eigenlijk niet nodig dat we God vertellen wat we nodig hebben, Hij weet dat beter dan wij, maar Hij gebruikt onze nood als middel dat wij ons tot Hem wenden...
Waarom moeten we langdurig bidden? Om langzamerhand ons koude hart te verwarmen, dat zo hard is geworden door onze trots. Het is toch vanzelfsprekend dat wanneer we ons hart zo langdurig hebben verhard het niet zomaar ineens doordrongen kan worden met de warmte van het geloof en de liefde tot God? Natuurlijk is daar ingespannen moeite voor nodig en telkens weer onze tijd, zoals ook Christus zegt: Het Koninkrijk der hemelen lijdt geweld, de geweldenaars nemen het in....
In het gebed gaat het vooral om een levendig, helder geloof in de Heer; dat we Hem onszelf levendig voor ogen stellen voor ons en in ons... Gebed is gegrond op geloof. Ik geloof dat er een God bestaat voor Wie ik mijn gebed neerleg: Dat er een Almachtig iemand is, Die alle schepsels vasthoudt in de palm van Zijn hand ..
Ik vertrouw erop dat mijn gebed Hem bereikt, dat het rechtstreeks van mijn hart opstijgt naar Zijn oor: Wanneer een kind een brief schrijft aan een van zijn ouders dan is het er zeker van dat die leeft, dat die interesse heeft voor wat het schrijft en erop reageren zal...
Gebed ademt hoop; een gebed zonder hoop is een zondig gebed ... Soms schrijnt het ons toe dat onze woorden alleen maar wat beweging zijn van de lucht. Dan moeten we eraan vasthouden dat God ons verstaat wanneer wij bidden, juist zoals wij onszelf verstaan: wij zijn immers Zijn icoon! De Heer beantwoordt aan elk verlangen van ons hart of we dat nu in woorden uitdrukken of niet...
Wanneer de vijand mij in het nauw drijft door zondige gedachten en gevoelens, en ik daar niet tegen opgewassen ben, dan houd ik mijn geloof vast en maak telkens weer het kruisteken en dan verdwijnt de vijand...
Het gebed is een teken van de grote waardigheid die de Schepper mij verleent ik ben niets, ik heb niets; ik moet alles krijgen van God en tegelijk ben ik een icoon van God, ja ik word tot God gemaakt ...
Waarom verveelt het bidden ons zo snel? Omdat wij ons Hem niet levendig genoeg voor ogen stellen. Want dan zouden we er niet genoeg van krijgen, al stonden we een hele nacht in gebed ...
Men wil ons wijsmaken dat het geen zin heeft te bidden wanneer we daar niet voor in de stemming zijn. Maar wanneer we daarop zouden moeten wachten, zouden we nooit tot gebed komen, want zo gemakzuchtig zijn we wel. Het Koninkrijk der hemelen lijdt geweld. Je kunt niet aan je redding werken zonder jezelf te dwingen...
Wanneer je bidt: streef er dan naar meer voor anderen te bidden dan voor jezelf alleen. Bedenk hoe je één lichaam uitmaakt met alle mensen, dat elk mens een lidmaat van Christus is en dus ook van jou. We zijn elkaars ledematen. Bid voor de anderen met dezelfde gloed als voor jezelf, beschouw hun ziekten en zwakheden als die van jezelf en ook hun domheid, hun hartstochten en hun zonden als van jezelf.
Als we van deze handelwijze een gewoonte maken, dan zullen we de Gaven ontvangen van de Heilige Geest want Hij heeft de ziel lief die zich om de anderen bekommert ...
Wanneer je iemands fouten verbeteren wilt dan moet je niet denken dat je dat volgens je eigen inzicht kunt doen. Je zou de ander dan alleen maar schade toebrengen door je eigen hartstochten, bv. trots en de irritatie die daardoor gewekt wordt. Hier geldt: Werp uw zorg op de Heer, en bid met heel je hart tot God Die harten en nieren doorgrondt of Hij het hart van de ander wil verlichten... Want zulk gebed heeft grote kracht.
De kerk is waarlijk de hemel op aarde: daar is de troon van God; daar worden de ontzagwekkende Mysteriën gevierd; daar dienen de engelen samen met de mensen; daar wordt de Almachtige voortdurend verheerlijkt... In Gods kerk mogen wij gelovig binnentreden als in het huis van onze hemelse Vader: daar voelen wij ons vrij, gelukkig en licht; daar ervaren wij een voorsmaak van het toekomstige Koninkrijk...
Wanneer je naaste iets tegen je misdaan heeft, wees dan niet kwaad en koester geen wrok maar ga op zoek naar de goede eigenschappen van de ander; welke deze zonder enige twijfel bezit zoals iedere mens; en vestig daar een liefdevolle aandacht op, zonder verder acht te slaan op het kwaad dat geschied is, maar beschouw het als een voorspiegeling van de duivel. Een goudzoeker kijkt ook niet hoeveel modder of zand hij verwerken moet om de goudkorrels te vinden, ook al zijn er maar weinig goudkorrels in grote hopen waardeloos materiaal. Zo wensen wij immers ook dat God met ons zal doen...
Roep telkens weer in je hart het woord terug. Christus is liefde en reikhals ernaar om allen lief te hebben. Omwille van de liefde moeten we niet slechts onze bezittingen maar onszelf opofferen...
Niets staat ons nader dan God. Hij is de God van de harten, Hij is het hart van ons hart en ons hart is ons het meest nabij, het is de samenvatting van heel onze persoon...
Hoezeer verheugt de liefde en oprechte sympathie van onze naaste ons hart! Hoe gezegend zijn wij wanneer wij bemind worden en liefde hebben voor anderen! En wanneer we reeds hier op aarde daarin zulk een diepe vreugde vinden, hoeveel rijker zullen we dan vervuld worden in de hemel wanneer we in gemeenschap zijn met God en Zijn engelen, met Zijn Moeder en alle heiligen...
Vader Johannes van Kronstadt is tijdens het concilie van de Russisch Orthodoxe Kerk in juni 1990 plechtig heilig verklaard.

 

Johannes van krohnstadt.jpg

 

Johannes van Krohnstadt6.jpg

Johannes van Krohnstadt foto12.jpg

 

Johannes van Krohnstadt foto15.jpg

Johannes van Krohnstadt foto14.jpg

1-Joh-217-230x230.jpg

1-Petrus-56-230x230.jpg

16-01-18

heiligenleven : de heilige Odo

border7.jpg

Heiligenleven

De heilige Odo, abt van Cluny

 

odo van Cluny.jpg

Heilige Odo van Cluny

 

De heilige Odo, abt van Cluny. Hij werd geboren te Tours in 879, en bracht zijn jeugd door in het paleis van de hertog van Aquitanië, de stichter van de abdij van Cluny. Hij werd opgevoed als geestelijke en op 19-jarige leeftijd werd hij kanunnik van de kerk van Tours. Toen legde hij zich met nog meer ijver toe op de geestelijke studie. Hij ging vier jaar naar Parijs voor zijn theologie, en na zijn terugkomst ging hij in Tours leven als recluus om zich geheel te wijden aan gebed en meditatie.
Door zijn geestelijke lezing leerde hij de Regel van Benedictus kennen en hoogschatten. Na drie jaar deed hij afstand van het kanunnikschap en werd monnik in de abdij van Beaume, onder de heilige Berno, in het jaar 909. Deze kreeg het bestuur over de zojuist gestichte abdij van Cluny, vanwaar de hervormingsbeweging zou uitgaan voor vele abdijen in Europa. Na zijn dood in 927 presten de bisschoppen de bijna 50-jarige Odo om deze taak over te nemen.
Vooral onder hem kwam het klooster tot bloei als de plaats waar de Regel in volle zuiverheid werd onderhouden, en de monniken een werkelijk heilig leven leidden. Er werd bijzonder belang gehecht aan het beschermen van de stilte, om een geest van gebed te cultiveren. De heilige abt bezat een grote aantrekkingskracht door de wijze waarop hij een strikte getrouwheid aan de Regel wist te verbinden met warme, persoonlijke liefde tot de broeders, en met gemoedelijke omgangsvormen. Odo had een bijzondere liefde tot de heilige Martinus. Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich naar Tours brengen om onder diens bescherming te sterven. Hij overleed in 942, in de ouderdom van 63 jaar,

bron : heiligenlevens voor elke dag , orth.klooster Den Haag

 

 

1-johannes-4-7.jpg

1-johannes-4-18.jpg

1-korintiers-13-3.jpg

tekst849.jpg

09-01-18

heiligenleven

border biddende handen.gif

Heiligenleven

De heilige David(Dewi) aartsbisschop van Menevia - Patroon van Wales

 

David van Wales5.jpg

David van Wales

 

De heilige David (Dewi), aartsbisschop van Menevia, patroon van Wales. Hij was in 446 geboren in Mynyw, dat sindsdien St.-David heet. Hij was van koninklijke bloede‚ kleinzoon van de grote veroveraar van Noord-Wales. Van jongsaf was hij bestemd voor de geestelijke stand en hij werd ook in die richting opgevoed. Na zijn priesterwijding zette hij zijn studie voort, en nadat hij zich nog tien jaar had verdiept in de heilige Schrift, trok hij naar de wildernis om zich in de eenzaamheid te wijden aan studie en gebed. Hij vond een geschikte plaats bij een rivier met bergweiden, waar eetbare planten waren te vinden en daar bouwde hij een kapel met een kluis erbij. Op die plaats werd later een klooster gesticht. David zelf echter trok zich na een droomgezicht terug naar zijn geboorteplaats om daar een klooster te grondvesten, waar nu de kathedraal van St.-David staat. Hij leidde hetzelfde strenge leven als tevoren: water als enige drank en een absolute onthouding van elk dierlijk voedsel. Hij wijdde zich geheel aan het gebed, aan de studie, en aan de opvoeding van zijn leerlingen. Er ging zoveel invloed van hem uit dat hij al spoedig tot bisschop werd gewijd, zoals dat met vele abten in zijn tijd het geval was.
Hij leefde met zijn monniken volgens een uiterst strenge regel. De gehele dag werd gewijd aan zwaar werk, waarbij geen gebruik mocht worden gemaakt van lastdieren om het werk te verlichten. Er werd voortdurend gebeden, afwisselend hardop of in stilte. Tegen het einde van de middag keerde men naar het klooster terug voor de geestelijke lezing, het koorgebed en de maaltijd. Deze bestond uit brood en wortelen, met wat zout als enige kruiderij. Daarbij dronken zij met water verdunde melk. Na het avondmaal werden drie uren besteed aan contemplatief gebed, en dan volgde een korte nachtrust. De vroege ochtend begon met koorgebed totdat het tijd was voor de handenarbeid.
Wie wilde intreden moest tien dagen buiten de poort blijven en telkens opnieuw om toelating vragen en intussen de hatelijkste baantjes opknappen onder een onvriendelijke bejegening. Wie tenslotte binnengelaten werd, moest tevoren afstand doen van al zijn bezittingen: het klooster mocht daarvan niets aannemen.
Zover het maar enigszins mogelijk was hield David zich ver van alle materiële problemen. Wel nam hij deel aan de synode ter bestrijding van het pelagianisme, de leer die het belang van Gods genade kleineerde en die juist in de Britse landen telkens weer nieuwe aanhang vond. Dit deed hij echter eerst nadat de besprekingen min of meer waren vastgelopen en hij met de meeste aandrang werd uitgenodigd om zijn getuigenis te komen afleggen. Zijn levend woord, vanuit de diepte der contemplatie gesproken, oefende een beslissende invloed uit. Bij acclamatie werd hij toen tot primaat van de Cambrische kerk uitgeroepen.
Dit wordt in de legende poëtisch tot uitdrukking gebracht. Er wordt in verteld dat een sneeuwwitte duif uit de hemel neerdaalde en zich op zijn schouder nestelde, terwijl de aarde onder zijn voeten omhoogkwam tot hij op een verhoging stond en zijn stem als een bazuin over de gehele bijeenkomst schalde.
De heilige David verzette zich eerst sterk tegen deze verkiezing, maar tenslotte aanvaardde hij het ambt onder voorwaarde dat hij de zetel vanuit de drukke stad Caerleon mocht overplaatsen naar het rustige Mynyw. Dit zou het bisdom tegelijk beschermen tegen de steeds verder naar het westen opdringende heidense Engelse stammen. De beroemde koning Arthur gaf daarvoor zijn toestemming.
Ondanks zijn teruggetrokken leven toonde David zich in dit nieuwe ambt als een krachtig en hard werkend bestuurder. In 529 presideerde hij wat later genoemd werd ‘de overwinningssynode’, waar de laatste resten van het pelagianisme werden weggevaagd. Er werden canons en regels opgesteld voor het bestuur van de Britse kerk. In zijn bisdom Cambria maakte de kerk een grote bloeitijd door: het geestelijk leven verdiepte zich en alom verrezen kloosters, terwijl onder de leken broederschappen ontstonden die met vurige godsvrucht de heilige Mysteriën vierden. En allen zagen in David hun werkelijke vader, het levende voorbeeld ter navolging, zo geheel in overeenstemming met zijn meeslepend woord. En de kroniek van zijn dagen somt op: ‘Hij was de levende leer voor zijn toehoorders, een gids voor de geestelijken, een licht voor de armen, een steun voor de wezen, een beschermer der weduwen, een vader voor de wezen, een regel voor de monniken, en een weg voor de leken; in één woord: iemand die alle soorten mensen wist te brengen tot God’.
Hij stierf op bijna honderdjarige leeftijd in 544. Een onnoemlijk aantal legenden is gehecht aan zijn naam, die getuigen van de grote invloed die van hem is uitgegaan en van de overweldigende kracht van zijn tegelijk zo lieflijke persoonlijkheid.

Uit : heiligenlevens voor elke dag : uitg Orth.klooster Den Haag

Porfyrios   TEKST.jpg

tekst bijbel Titus.jpg

tekst bijbel psalm 462.jpg

tekst bijbel psalmen.jpg

 

02-01-18

Zebinas Heilige

border fmfp.gif

Heiligenleven

 

De heilige Zevinas (of Zebinas) en zijn leerlingen Polychronios, Mozes en Damianos

 

zebinas heilige.jpgDe heilige Zevinas en zijn leerlingen Polychronios, Mozes en Damianos, hebben in het gebergte van Syrië gezamenlijk het ascetisch leven geleid, in onophoudelijk gebed met vasten en nachtwaken. Zevinas beoefende het onophoudelijk gebed in bijna letterlijke zin. Hij stond dag en nacht en zijn geest was zozeer op God gericht dat hij zich slechts met moeite uit zijn beschouwing losmaakte wanneer iemand hem raad kwam vragen, en dan zag men hoe het gloeiend verlangen om tot God terug te keren steeds sterker in hem werd.
Toen hij heel oud werd, had hij een staf waarop hij leunde om overeind te kunnen blijven staan. En nadat hij tenslotte gestorven was, werd zijn levenswijze overgenomen door zijn leerling Polychronios, die zo doordrenkt was van zijn geest, dat hij soms dezelfde mens leek. Het grootste deel van zijn persoon scheen reeds in de hemel te wonen en nog maar heel weinig hier op aarde. 

Omdat hij zo oud en zwak was, haalde bisschop Theodoretos hem over om twee leerlingen bij zich te nemen: Mozes en Damianos. Maar reeds korte tijd later waren die weer terug: ‘Dat leven is te zwaar om uit te houden. Hij blijft de hele nacht staan bidden en stuurt ons naar bed om te slapen. Dat kunnen we als jonge, sterke kerels niet verdragen, maar die zieke oude man blijft wel de hele nacht zonder rusten staan!’
Mozes ging echter weer naar hem toe en diende hem, terwijl Damianos ergens een oud hutje vond waarin hij zich net zolang oefende tot hij     ook die vermoeienissen en standvastigheid kon verdragen. Theodoretos roemt beiden evenzeer om hun eenvoud, vriendelijkheid en gematigdheid; met dezelfde liefdevolle aandacht in het gesprek, dezelfde waakzaamheid van geest, begrip van God en levenswijze in arbeid, nachtwaken en vasten. Zij leefden in de 5e eeuw.

uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. door orth.klooster Den Haag

polychronios.jpg

Polychronius

mozes uit syrie.jpg

Mozes uit Syrië

 

 

 

1-korintiers-13-3.jpg

 

25d2bcaa01d1dd68d5d7687f4b851449.jpg

25c998339b0cd1e21a6c8c953ae855eb.jpg

28-12-17

alcuinus heilige

alcuinus.jpg

Heiligenleven : de heilige Alcuinus

 

Alcuinus (midden) gesteund door Hrabanus Maurus draagt zijn werk op aan aartsbisschop Olgar van Mainz.jpg

Alcuinus (midden) gesteund door Hrabanus Maurus draagt zijn

werk op aan aartsbisschop Olgar van Mainz

 

De heilige priester-monnik Alcuin. Geboren uit een angelsaksische adellijke familie te York, in 735, was hij van jongsaf toevertrouwd aan de Kerk en hij werd opgevoed in een klooster. Hij was een van de beste leerlingen, en ook de hogere studies doorliep hij met glans. Hij werd de metgezel van Aelbert, het hoofd van het college, bij diens reizen voor het vinden van goede boeken en het contact zoeken met vooraanstaande geleerden en onderzoekers.
Alcuin werd de opvolger van Aelbert, en onder zijn leiding groeide de reputatie van het Yorkse instituut, zodat ook velen uit het buitenland daar hun opleiding kwamen voltooien.
ln Rome was Alcuin reeds met keizer Karel de Grote in aanraking gekomen, en later vonden ermeer ontmoetingen plaats. Karel, een goed mensenkenner, zag de waarde van Alcuin en wist hem over te halen zich in Frankrijk te vestigen als adviseur van de keizer bij diens plannen met het oprichten in de verschillende landen van wat wij nu europese universiteiten zouden noemen.
ln 782 stak Alcuin, met enkele van zijn beste leerlingen, over naar het vasteland en hij werd als het ware de intellectuele eerste minister van de keizer. Gedurende de corrupte regering van de Merovingische koningen was ook de Kerk in een toestand van verval geraakt. Bisschopsplaatsen werden verkocht aan de meestbiedende, en deze bisschoppen achtten geen enkel middel te min om hun investering veelvoudig terug te winnen. Overspel, simonie, meineed en moord bedierven de geestelijkheid en ook het volk. Hetzelfde gold voor veel frankische bisschoppen in Duitsland.
Karel de Grote begon nu met het oprichten van seminaries, onder het toezicht van Alcuin. Zo kwamen er langzamerhand weer waardige priesters, en vervolgens bisschoppen. Hun werd ook de hoogste rechtsmacht in wereldlijke zaken toevertrouwd. Uit hun aantal maakte de keizer ook een keuze als speciale zendboden, die elk jaar rond moesten reizen om de gang van zaken in de verschillende bisdommen te inspecteren, terwijl de bisschoppen elk jaarlijks in hun eigen bisdom de verschillende parochies moesten visiteren. Als er moeilijkheden waren over het bestuur, dan mocht de bisschop geen rechter zijn in eigen zaak, maar met anderen als bijstand. Het hoogste gezag bleef nog bij de keizer.
Het bleek onmogelijk alle misstanden binnen een enkele generatie uit te roeien, en omdat er veel voordelen aan het bisschopsambt verbonden waren, ging de toestand weer achteruit onder de zwakkere opvolgers van Karel de Grote.
Een grote verbetering werd tot stand gebracht in de abdijen door de samenwerking van Karel en Alcuin. Er werd nadruk gelegd op de noodzaak van studie, en zo werden vooral Sankt Gallen, Fulda en Corbey brandpunten van wetenschap. Aan het hof werd Alcuin omringd door de meest geleerde en verlichte geesten van zijn tijd, een ware ‘denktank’ voor het bestuur van de hem zo welgezinde keizer Karel.
Maar al verbleef Alcuin meestal in Frankrijk, hij leefde toch ten zeerste mee met wat er in zijn vaderland gebeurde. Hij onderhield een uitgebreide briefwisseling, en ook in zijn poëzie is duidelijk te zien hoe de rampspoeden die Engeland treffen, hem ter harte gaan.
ln een beroemde brief doet Alcuin de keizer aanbevelingen hoe om te gaan met de in 796 door Karel tenslotte overwonnen Saksen en Hunnen, en op welke wijze het christendom het best tot hen gebracht kan worden: door mildheid te laten gelden in plaats van harde maatregelen; de missionarissen met zorg te kiezen; niet beginnen met zware belastingen op te leggen, want dat schept verbittering.
Alcuin was toen zestig jaar en wilde zich uit het openbare leven terugtrekken. De keizer wilde hem echter zo dicht mogelijk in de buurt houden, en maakte hem abt in de zojuist vrijgekomen abdij van de heilige Martinus te Tours, waarbij hij steeds zolang in het klooster kon blijven als hij zelf wilde. Hij kwam hij maar weinig naar buiten, maar de keizer raadpleegde hem geregeld. Ook hier kwam onder zijn leiding de kloosterschool tot grote bloei en enkele van de grootste geleerden van de volgende eeuw zijn van hier afkomstig.
Alcuin is gestorven in Tours op Pinksteren, 19 mei 804, en werd met grote praal begraven in de abdij. In het lyceum van Bamberg bevindt zich een door hem voor keizer Karel geschreven Bijbel.
Naast al zijn verdiensten kleeft er vanuit orthodox standpunt een zware smet op zijn werk. Hij is het immers die Karel de Grote heeft geadviseerd er bij de paus op aan te dringen het "filioque" in de geloofsbelijdenis op te nemen; en dit werd een van de belangrijkste oorzaken van de onheilvolle afscheiding tussen de Kerk van het Westen en de Orthodoxe Kerk.

heiligenlevens voor elke dag : orth.klooster Den Haag

 

tekst engels porfyrios.jpg

tekst-Filippenzen-4-13.jpg

tekst-Psalm-18-31.jpg

 

18-12-17

Anastasios van Epirus

border Marcos.gif

Heiligenleven

Heilige Anastasios van Epirus

anastasios1.jpg

Anastasios van Epirus

 

De heilige Anastasios, nieuwe martelaar van Epirus, en Daniël, monnik. Anastasios was met zijn zuster en enkele dorpelingen de oogst aan het binnenhalen, toen een troepje Turken te paard, onder aanvoering van Mousa, de zoon van de Pasja, langs kwam. Het knappe meisje wekte zijn begeerte, en hij wilde haar lastig vallen. Anastasios wierp zich woedend op de Turken, en in de verwarring kon zijn zuster de vlucht nemen. Op haar hulpgeroep kwamen de andere dorpelingen aansnellen, en de ruiters moesten de aftocht blazen. Zij gingen zich beklagen bij de Pasja en deze liet Anastasios arresteren. Hij had plezier in de moedige knaap en beproefde hem over te halen moslim te worden. Maar deze bleef onwankelbaar, ook toen het tot bedreigingen en slagen kwam. Evenmin liet hij zich overhalen door de mooiste beloften die hem gedaan werden voor als hij zou toegeven.
Mousa, die zich al lang schaamde over zijn aanklacht, zag vol bewondering hoe Anastasios zich gedroeg. Hij wilde er meer van weten en bezocht de gevangene in zijn cel. Hij zag hem een ogenblik in het gezelschap van lichtstralende engelen en raakte nog meer geboeid. Anastasios sprak over zijn liefde tot Christus, waardoor hij in staat werd gesteld al die kwellingen te verduren, en Mousa smeekte hem christen te maken. Anastasios vroeg hem te wachten omdat een plotselinge bekering een vervolging van alle christenen in heel de streek zou kunnen veroorzaken. Enkele dagen later, 18 november 1750, werd Anastasios onthoofd.
De Pasja vertrok naar een bruiloft in de streek, en Mousa maakte van de gelegenheid gebruik om naar de Peleponnesos te gaan, waar hij verder door een oude monnik in het geloof werd onderricht. Daarna begaf hij zich naar Venetië, waar hij gedoopt kon worden zonder Turkse inmenging. Hij ontving de naam Demetrios, maar toen hij op Corfu monnik werd, kreeg hij de naam Daniël.
Hij bedreef strenge ascese, en zijn liefde tot Christus werd steeds sterker, zodat hij ging verlangen naar de marteldood om zo spoedig mogelijk bij Hem te zijn. Daartoe trok hij naar Constantinopel om zich aan te geven, maar de christenen aldaar vroegen hem dat voornemen op te geven, uit angst voor de represailles die zij dan verwachtten. Daniël zette toen zijn monniksleven voort op Corfu en is in vrede ontslapen.

Heiligenlevens voor elke dag - orth Klooster Den Haag

 

tekst bijbel psalm 46.jpg

st.John Chrysostom.jpg

tekst profaan s5s4.jpg

tekst bijbel deuteronomium.jpg

06-12-17

heiligenleven

border 67DF.gif

Heiligenleven

De heilige Kevin van Glendalough

 

Kevin of Glendalough.jpg

Heilige Kevin van Glendalough

 

De heilige Kevin (Coemgen), stichter en abt vanhet klooster Glendalough‚ het Twee-merendal in Ierland. Op twaalfjarigeleeftijd was hij toevertrouwd aan de kloosterschool, waar hij gedurende drie jaar een der ijverigste leerlingen was. Daarna diende hij een kluizenaar, om vervolgens de hulp te worden van bisschop Lugid, die hem ook priester wijdde.
Toen deze zag hoezeer Kevin tot gebed geneigd was, raadde hij hem aan een klooster te stichten op een stuk grond van de bisschop. Hij kreeg daar inderdaad verschillende monniken bijeen, maar hij voelde waarschijnlijk dat het bestuur te zeer afhankelijk was van de bisschop, want Kevin ging terug naar zijn eigen streek en bouwde daar zijn voornaamste stichting, Glendalough. Dit moet vóór 549 zijn gebeurd, omdat het bestond eer de heilige Kiëran stierf.
Glendalough was beroemd door zijn school en de schone ligging, en er kwamen vele volgelingen bijeen. Toen hij oud werd, zocht Kevin de eenzaamheid in de verder afgelegen wouden, waar slechts de vogels hem vertrouwelijk gezelschap hielden en op zijn schouders kwamen uitrusten. Hij kreeg nu de gedachte om een grote pelgrimsreis te ondernemen en sprak daarover met een andere kluizenaar. Deze antwoordde hem: “Vogels kunnen niet broeden terwijl ze vliegen”. Kevin aanvaardde de terechtwijzing en keerde terug naar Glendalough‚ dat hij tot verdere ontwikkeling bracht, en van waaruit ook verschillende stichtingen werden gemaakt. Daar is hij ook gestorven, 3 juni 618.

heiligenlevens voor elke dag. Orth.klooster Den Haag

borders2564 (2).jpg

pasen_30.jpg

tekst bijbel psalmen 10.jpg

tekst bijbel Heb uw vijanden lief.jpg

Kallistos Ware TEKST.jpg

 

01-12-17

Johannes van Damascus

border 51.jpg

Heiligenleven 

De heilige Johannes van Damascus

Johannes van Damascus.jpg

Joh. van Damascus

 


Johannes van Damascus, theoloog en polemist


Johannes van Damascus (of Johannes Damascenus, 676-749) kan wel als de laatste kerkvader worden beschouwd, voordat de Middeleeuwen aanbreken. Zijn omvangrijk oeuvre heeft hier en daar encyclopedische pretenties. Hij zag zichzelf als een origineel denker in de zin dat hij uit de oorspronkelijke bronnen van het christelijke geloof putte. De wat negatieve reputatie van zijn werk louter een encyclopedisch weergave te zijn van wat anderen hebben gedacht, miskent deze betekenis van originaliteit.

Leven

Johannes van Damascus leefde onder de heerschappij van de Omayyaden (651-750), eerst in Damascus en later, vanaf 706, in Palestina, waar hij als monnik leefde , misschien zelfs in het beroemde St. Sabaklooster te Jeruzalem. Als hij niet in dat klooster leefde, dan toch waarschijnlijk in de buurt van Jeruzalem. Damascus was vanaf 651 de hoofdstad van de Omayyaden en de vader van Johannes, die de familienaam Mansoer droeg, werkte zelfs aan het hof van de kalief als financieel raadsman. Het neemt niet weg dat Johannes zelf zeer scherp was over de islam, waar hij waarschijnlijk een grondige kennis van had, in een periode dat de Koran nog maar amper officieel was vastgesteld.
Wie heden ten dage in Damascus komt wordt getroffen door de grote ouderdom van de oude stad, maar vooral door de reusachtige Omayyaden-moskee, een van de oudste bouwwerken van de islam. Deze moskee staat op de plek waar vóór 700 de kerk van Johannes de Doper stond, die zelf weer op de plek was gebouwd van een Romeinse tempel, aan Jupiter gewijd. Het hoofd van Johannes de Doper, oftewel Jahya al-Nabi, wordt als een kostbaar reliek vereerd tot vandaag de dag. Er is geen twijfel aan dat deze reliek uit de kerk afkomstig was. De overname van de kerk door de Omayyaden moet een traumatische ervaring voor de christenen in Damascus zijn geweest, maar opmerkelijk genoeg spreekt Johannes er nergens over. Ook literatuur over Johannes van Damascus gaat zelden op deze kwestie in. Dat Johannes de administratieve post in Damascus verliet om monnik te worden is zeker; wellicht hangt één en ander samen? Inmiddels was ook de taal aan het hof van Grieks naar Arabisch geswitcht.
Behalve monnik is Johannes van Damascus waarschijnlijk ook priester geworden. Hij preekte veel en gloedvol, met als hoogtepunten zijn preken over de maagd Maria ‘op locatie’, namelijk op de Sionsberg in de kerk van de Dormitio, het ontslapen van de moeder Gods.
Zijn werken zijn lastig te dateren en veel aanwijzing voor een chronologie is er niet. Zijn werken over de beeldenverering zullen na 726 zijn geschreven, die over de islam hoeven niet per se uit de vroege periode in Damascus te stammen.
Johannes beschouwt zichzelf als orthodox en als volger van het concilie van Chalcedon, waar Christus als één persoon in twee naturen (goddelijk en menselijk) werd beleden. Dit melkitische christendom volgde het gezag van de Byzantijnse keizer (malka = koning). Johannes richt zich dan ook tegen miafysieten (Christus heeft één natuur) en monotheletisten (dat er slechts één goddelijke wil in Christus is). Hij richt zich fel tegen het dualisme van de manicheeën, maar of die groepering, die we kennen uit Augustinus en uit manichese geschriften zelf zoals de Mani-codex, in de tijd van Johannes van Damascus nog een levende realiteit was, is de vraag.
Johannes bediende zich van drie genres: uiteenzetting van het geloof en verdediging ervan, preken en tenslotte liturgische poëzie. Hij kan gezien worden als representant van het monnikendom in Palestina, hetgeen zijn theologische posities, bijvoorbeeld over het vereren van beelden, groter gezag verlenen. De nabijheid van de heilige plaatsen in Palestina klinkt dan ook door in enkele van zijn werken.

Werken

Het grote werk van Johannes van Damascus, Bron van Wijsheid, valt zelf weer uiteen in drie delen: een filosofisch deel, een deel over de ketterijen en een uiteenzetting van het ware ‘orthodoxe’ geloof.
Het tweede deel, over de ketterijen, is weer een voortzetting van de Medicijnkast (Panarion) van Epifanius van Salamis (4e eeuw). Deze beschouwde elke ketterij als een slang waartegen een tegengif, een medicijn, moest worden gevonden. Toch is het woord ketterij bij Epifanius ietwat verwarrend: hij beschouwt ook Samaritanen, Farizeeërs en allerhande joods-christelijke groeperingen als ‘ketterij’, haeresis. Gaan we nog verder terug, bij de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus, dan zien we dat het woord haeresis bij hem gewoon ‘partij’, ‘groepering’, kan betekenen, zoals het Griekse woord hairesis feitelijk ‘keuze’ betekent. Het woord heeft dus duidelijk een ontwikkeling doorgemaakt. Johannes telt maar liefst 100 ketterijen, twintig méér dan Epifanius. Zoals we die bij meerdere kerkvaders terugvinden, was zijn visie op de heilsgeschiedenis dat er sprake was van toenemende afdwaling en versplintering ten opzichte van de ongebroken eenheid van het begin. Historici beargumenteren tegenwoordig – met enig recht – liever het omgekeerde: het Nieuwe Testament was de canonisering van verscheidenheid en hoe meer de kerk in de eeuwen daarna probeert de zaak te consolideren en uniformeren, hoe meer deze verschillen aan het licht treden en dan als ketterij worden gemarginaliseerd, niet altijd met succes overigens.

Johannes van Damascus over de iconenverering

Johannes heeft zich in een kleiner werk expliciet beziggehouden met de kwestie van het iconoclasme, het driedelige apologetische traktaat tegen degenen die de heilige beelden vernietigen. De drie delen lijken eerder drie keer hetzelfde te vertellen dan dat het werkelijk een driedelig betoog betreft. Het is frappant dat deze kwestie van het iconoclasme zich in de kerk aandiende min of meer tegelijkertijd met de opkomst van de islam, die ook uiterst iconoclastisch is, maar precieze verbanden kunnen niet worden aangetoond. De islam lijkt zich vooral tegen het teken van het kruis te hebben gericht, vandaar ook dat de kruisdood van Christus in islamitische bronnen wordt geloochend en dat kruisen op kerken werden verwijderd onder islamitisch bewind. Hoe lag de zaak in het christendom van Johannes? Keizer Leo III verbood rond 700 de icoon van Christus te vereren, maar beeltenissen van de keizer waren ironisch genoeg wel geoorloofd! Johannes pleitte voor de legitimiteit van afbeeldingen en behoort dus tot de zogeheten iconodoelen, vereerders van beelden.
De zaak ligt tot op de dag van vandaag in de oosterse kerken zeer subtiel. Allereerst impliceert het beeldenverbod in de Tien geboden (zie Ex. 20), dat het gaat om gesneden beelden, althans zo kan het verbod worden uitgelegd. Dat zou betekenen dat driedimensionale beelden verboden zijn, maar dat het platte vlak wel mag. God mag echter sowieso nooit worden afgebeeld, anders dan als wolk, vinger of hand. Maar het bijbels beeldenverbod verbiedt ook het afbeelden van alle levende wezens. Het is duidelijk dat zowel Jodendom, christendom als islam hier verschillende interpretaties van laten zien.
Johannes van Damascus ziet in de menswording van God de diepste legitimatie voor het maken van afbeeldingen. Het betreft immers geen afbeeldingen van de onzichtbare God, maar van Christus en de heiligen. Bovendien onderscheidt hij tussen aanbidding en verering. Niets van het geschapene mag worden aanbeden – Origenes zei al dat alles wat zelf bidt, d.i. heel de kosmos, niet kan worden aanbeden – maar beelden mogen wel worden vereerd. Ook kunnen in de bijbel allerhande zaken metaforisch naar God verwijzen: zon, water, licht.
Ook vinden we bij Johannes al de later ook in het Westen vertrouwde gedachte dat afbeeldingen de bijbel van de ongeletterden vormen.
Johannes van Damascus en de Mariaverering
Een andere thematiek waarin Johannes van Damascus een pionier was is de Mariaverering. Hij kan wel de eerste marioloog worden genoemd. Toch was de rol van Maria in het oosters christendom al eeuwen een bron van controverse. We weten immers dat Nestorius weigerde het theotokos, Godbarende, als benaming voor Maria te aanvaarden op het concilie van Efeze in 431. Niet onmogelijk speelden toen al andere zaken mee, die feitelijk altijd rond de Mariaverering zijn blijven zweven: Nestorius vreesde wellicht een vergoddelijking van Maria, waarmee zij als een godin zou worden, waaraan Syrië in die tijd zo rijk was (de godin Cybele, ‘moeder van de goden’). Een curieuze getuige is de Koran die spreekt over een Triniteit bestaande uit God, Jezus en Maria (Soera 5:116), die natuurlijk in alle toonaarden wordt afgewezen. Mogelijk worden hier Marianieten aangeduid die Maria als manifestatie van de Heilige Geest beschouwden.
Inzet van zijn betoog is welk lot Maria heeft ondergaan toen zij ten hemel werd opgenomen. Johannes zegt expliciet dat christenen Maria niet als eeuwig en God beschouwen – dit gericht tegen de pagane godinnencultus –, maar tegelijkertijd verheerlijkt hij Maria die met ziel en lichaam ten hemel is opgenomen en zelfs niet is afgedaald in het dodenrijk zoals Christus.

Johannes van Damascus en de islam

Wij vermoeden dat Johannes een grondige kennis van het Arabisch en de islam bezat, maar goede redenen had om zijn geschrift niet in het Arabisch te publiceren. Zijn familie speelde een belangrijke rol in Damascus: zijn grootvader was financieel gouverneur van Damascus; zijn vader was secretaris van vijf opeenvolgende kaliefen. Het lijkt er op dat de eerste periode van de islamitische Omayyaden in Damascus tolerant en vreedzaam is geweest. Johannes heeft waarschijnlijk zelf ook een rol in de regering gespeeld, voordat hij als monnik naar het klooster van Mar Saba bij Jeruzalem vertrok.
Kalief Yazid II beval in 721 dat de kruisen overal weggebroken moesten worden en de afbeeldingen in de kerk verwijderd. Ook liet deze kalief christelijke pelgrims ter dood brengen alsook christelijke leiders die zich kritisch uitlieten over de islam. Of het vertrek van Johannes naar het klooster te Jeruzalem te maken heeft met spanningen in Damascus tussen moslims en christenen is moeilijk te zeggen, maar is niet onwaarschijnlijk.
In zijn werk Over de ketterijen richt Johannes zich in het slothoofdstuk, de honderdste ketterij, fel tegen de islam. Hij begint al meteen fors: hij ziet de islam als voorloper van de ‘antichrist’. Het duidt erop dat hij de islam niet als een volstrekt andere religie ziet, maar als een nabootsing van het christendom. Ook ziet hij de islam als haeresis (ketterij), een woord dat hij toepast op elke leer die ontkent dat Christus niet werkelijk mens is geworden (Over het orthodoxe geloof IV.26), dus eerder een christelijke ketterij dan een heidense godsdienst. Het feit dat bij al deze benamingen de term ‘moslims’ niet valt, heeft kritische islamologen ertoe gebracht te suggereren dat in deze periode de islam nog geen zelfstandige religie was, maar een (joods-) christelijke groepering met een archaïsche Syrische christologie.
Vervolgens spreekt hij over Ismaëlieten, teruggaand op Ismaël , zoon van Abraham en Hagar, die in Joodse en christelijke bronnen negatiever bejegend worden dan in de bijbel zelf (zie Gen. 21:18, 25:9 en 16). Islamitische bronnen zien Ismaël en Hagar zelfs als dragers van beloften aan Abraham en als stichters van Mekka. Dan gebruikt Johannes nog een betiteling: Saraceen, en hij verbindt er tevens een etymologie aan: ‘Vanuit Sara leeg’ (ek tês Sarras kenous), Sara die Hagar zonder iets heenzond, terwijl een slaaf toch niet ledig heengezonden mag worden.

De Arabische afgoden

Johannes van Damascus beschuldigt de Saracenen, als voorlopers van de moslims, van afgoderij. Dat een periode van afgoderij en onwetendheid (jāhiliyya) aan de islam voorafging is ook de overtuiging van de islam zelf. Het geloof van Ibrahim in Mekka werd later overwoekerd door afgoderij en volgens de traditie door Mohammed hersteld door 360 afgoden bij de Ka’aba te verwoesten. Johannes zegt dus niet met zoveel woorden dat de islam zelf afgoderij is, maar lijkt wel een bedenkelijke voorgeschiedenis te suggereren.
Mohammed zelf heeft volgens Johannes het meeste van christelijke zegslieden overgenomen. Hierbij vallen doorgaans drie namen van ‘ketters’: Arius, Nestorius en Sergius.

Johannes van Damascus en de Koran

Johannes had een gedegen kennis van de Koran. Hij bespreekt bekende passages waar over Gods Woord en Gods Geest wordt gesproken (zoals Sura 3:40 en Sura 66:11). Hij constateert terecht dat de Koran duidelijk de Triniteit en het goddelijk Zoonschap van Jezus verwerpt: ‘Jezus is profeet en een dienaar van God’. De Koran noemt God daarom nooit Vader. Ook citeert Johannes de bekende passage in de Koran waar volgens moslims de kruisdood van Christus wordt ontkend (Sura 4:156-159).
Johannes gaat ook nog op een aantal andere Koranplaatsen in, waarin hij zelfs over kennis van tradities van ná de Koran blijkt te beschikken. Ook is het mogelijk dat in de tijd van Johannes van Damascus de Koran nog niet precies de huidige vorm had, maar uit verschillende geschriften bestond die nog niet waren samengevoegd.

(door Marcel Poorthuis
Uit Lucepedia)

 

 

johannes van Damascus154.jpg

 

johannes van Damascus888.jpg

 

johannes van Damascus658.jpg

 

tekst johannes van Damascus2.jpg

 

tekst bijbel nederlands filippenzen.jpg

 

 

27-11-17

Heiligenleven

border 0909.gif

Heiligenleven

De heilige Hilarius Paus van Rome

Hilarius Paus77.jpg

De heilige Hilarius, paus van Rome, 461-468. Hij was afkomstig van Sardinië maar in het eerste bericht over hem is hij reeds diaken van Rome en afgezant van de heilige paus Leo de Grote op het concilie van Efese. Toen daar de heilige Flavianus veroordeeld werd, omdat de ketterij van Eutyches gesteund werd door keizer Theodosios Il, vertrok Hilarius onder protest. Hij schreef ook naar Pulcheria de moeder van de keizer, maar deze was machteloos tegenover de raadslieden van haar zoon.
Bij zijn terugkeer werd Hilarius aartsdiaken gewijd, en na de dood van Leo de Grote werd hij tot paus gekozen. Hij bestreed de dwaalleer van Eutyches, Nestorios en Dioskoros in het oosten van het Rijk, en versterkte het pauselijk gezag in het westen. Hij riep in Rome een synode bijeen die de praktijk veroordeelde dat bisschoppen hun eigen opvolger aanwezen.

 heiligenlevens voor elke dag. uitg Orth.klooster Den Haag

 

Hilarius van Rome Paus (2).jpg

tekst patriarch Bartholomeus.jpg

tekst maximos de confessor als God liefde is.... (2).jpg

 

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende