25-02-09

Het sacrament van het berouw en de Biecht

HET SACRAMENT VAN HET BEROUW EN DE BIECHT


 

confession

Pastorale bijeenkomst over dit thema te Parijs

 

 Een pastorale bijeenkomst van de clerus van het aartsbisdom van de russische parochies in West Europa (oecumenisch patriarchaat)) werd gehouden in het instituut Sint Serge, de 25e mei, 2006 onder het voorzitterschap van Aartsbisschop Gabriël, die dit diocees leidt.

De bijeenkomst had als thema : "Het sacrament van berouw en de praktijk van de biecht".  In totaal waren er een zestigtal priesters, diakens, leken, leden van de  aartsbisschoppelijke raad, professoren en studenten van het instituut Sint Serge, alsook afgevaardigden van het servisch bisdom en het roemeens bisdom in Frankrijk aanwezig. Zij waren voor deze gelegenheid speciaal uitgenodigd, om deel te nemen aan deze dag van gebed, bezinning en uitwisseling van ideeën. De bijeenkomst werd geopend in de Kerk van  Sint-Serge met een eucharistische liturgie, voorgegaan door aartsbisschop Gebriël. Op het einde van de dag heeft Michel SOLLOGOUB, secretaris van de aartsbisschoppelijke raad en professor aan de universiteit van Parijs I - Panthéon informatie gegeven over het leven van het aartsbisdom. Hij heeft kennis gegeven van een aantal bijzondere, recente gebeurtenissen, die voor hem wijzen op zoveel "tekenen van vitaliteit". ( inwijding van nieuwe kerken, de aanwezigheid van nieuwe bedienaars, de ontwikkeling van de electronische communicatie, het inrichten van een catechese voor de nieuwe emigranten uit Oost Europa). Hij is ook ingegaan op de meer "bedroevende problemen" , zoals de poging van het patriarchaat van Moscou en van de Russische Federatie om zich meester te maken van de kerken van Biarritz en van Nice.

  Na de liturgie, in de loop van de morgenzitting, werden drie onderrichtngen gegeven aan de deelnemers. André LOSSKY, professor aan het instituut Sint Serge heeft een uiteenzetting gegeven over : "De biecht : enkele historische kenmerken en hun betekenis voor vandaag". Hij onderscheidt drie periodes in de praktijk van het berouw in de kerk. Hij heeft eraan herinnerd dat er in de beginperiode van  de Kerk , na zware fouten, geen terugkeer mogelijk was tot de communie . Men moet wachten tot de 3e-4e eeuw, tot de patristieke getuigenissen een bewustwording  kenbaar maken van een mogelijk berouw door middel van een persoonlijke inwendige biecht. De tweede periode, vanaf de 6e eeuw, wordt gekenmerkt door de verschijning van de ascetische codexen van monastieke oorsprong, genoemd "Nomocanons". Deze canons hadden een dubbele invloed, de één positief, in de mate dat zij er niet alleen in bestonden de zware fouten te herkennen, maar "een instrument werden voor het zoeken naar volmaaktheid of onze opgang naar God", het andere , negatief , in de mate waarin men  nogal vlug de regels welke de straffen voorschreven in functie van de zwaarte van de fouten, op een "legalistische"wijze werden toegepast. De derde periode, vanaf het begin van de 17e eeuw, is in Rusland althans gekenmerkt door het introduceren van een latijnse absolutie-formule, volgens dewelke de biechtvader spreekt in de eerste persoon. Dit versterkt nog het juridisch karakter van de biecht. Als conclusie heeft André LOSSKY nog onderlijnd dat, onder de "positieve invloed" van de Nomocanons, de biecht moet worden opgevat als een "therapeutische act" die als functie heeft : de " reïntegratie in de Kerk" van hem die door de zonde van God was verwijderd. Het gaat dus om een 'daadwerkelijke ervaring van de oneindige barmhartigheid van God , doeltreffend en concreet , weg van elke vorm van juridisme" aldus de spreker..

  In de tweede onderrichting, heeft Vader Nicolas OROLINE, professor aan het instituut Sint Serge een reflexie gegeven over "drie symptomen van een diepe crisis" van de biecht. Hij heeft vooreerste de noodzakelijkheid onderlijnd om het misverstand uit de weg te ruimen tussen de band die vandaag de dag ipso facto bestaat tussen biecht en communie. De regelmatige communie is verbonden met het koninklijk priesterschap, ontvangen door alle gedoopten, er is geen enkel verschil tussen clerici en leken. "Onder westerse invloed denken té veel mensen dat alleen de priester elke zondag mag communiceren zonder voorafgaande biecht", aldus de spreker, terwijl de clerici in werkelijkheid niets anders doen dan de praktijk van de oude Kerk bestendigen. " Men kan er zich vandaag de dag alleen maar in verheugen, dat meer een meer gelovigen de frequente communie beoefenen". Maar dit heeft het verergeren van een  "een gevoel van onbehagen betreffende de biecht", als paradoxaal  logisch  gevolg. Volgens Vader Ozoline, wordt dit fenomeen verklaard door twee strekkingen.

De eerste strekking heeft te maken met een zuiver "juridische " benadering, waar de biecht wordt opgevat als een opsomming van overtredingen, en de absolutie als een "magische formule", die zou werken "zelfs onafhankelijk van de gesteldheid van de penitent". De tweede benadering is van "psychoanalitische" orde, zij herleidt de biecht of tot een "analyse", of tot een "spiritueel gesprek". In beide gevallen, is de biecht beroofd van haar betekenis, want, in het sacrament van het berouw, is de priester geen "voorspreker", maar "een getuige en een bemiddelaar bij God".

  Vader Nicolas Ozoline is vervolgens ingegaan op het fenomeen van de "mladostertsy" ( russische term om zeer jonge priesters aan te duiden die zich ten onrechte de rol van bekwame geestelijke vaders aanmatigen), een verschijnsel welke hij heeft gedefinieerd als een poging van sommige jonge priesters, om een macht over de biechtelingen uit te oefenen. Het gaat hier om een wijd verspreide ontsporing in Rusland sinds de val van het communisme en die officieel is veroordeeld door de patriarch van Moscou ALEXIS II en door de heilige synode. Hij heeft nochtans geconstateerd dat deze afwijking  "inherent is  aan het systeem", want in de actuele russische Kerk zijn de jonge priesters, vanaf het begin van hun ambt "gedwongen om te biechten zonder pastorale of spirituele ervaring". Dit was niet zo in het oude Rusland (vóór de 18e eeuw), evenmin is dit het geval in de actuele praktijk van de orthodoxe Kerken van Griekenland en het Nabije-Oosten, waar nog altijd de instelling bestaat van de "pneumatikoi" (in het russisch "doukhovniki"), de "biechtvader, vertrouwensman". Dit zijn priesters welke een bijzondere zegen van de bisschop hebben ontvangen om biecht te horen. "Ik zou willen pleiten voor  de geleidelijke terugkeer naar het systeem van de "doukhovniki"  binnen ons aartsbisdom", was zijn conclusie, eraan toevoegend : "Het zou ook een dienst betekenen aan hen die in Rusland zich daarvoor inzetten, en dit met vele moeilijkheden; want vanaf het moment dat men spreekt van veranderingen, zijn er oppervlakkig reacties van wantrouwen en verwerping".

  De derde overweging werd  gegeven door Vader Michel FORTOUNATTO, vroeger priester te Londen, nu op rust in de buurt van Vichy (Allier). Hij had het over de "Spirituele en theologische betekenis van het berouw" Hij heeft vooreerst de nadruk gelegd op de "dynamiek van het berouw" die zich plaatst "tussen zonde en vergeving". Het gaat dus om een beslissend moment, of juister gezegd over een moment van daadwerkelijke "bekering". Het berouw is een  ontologisch fenomeen waar het gevallen schepsel zoekt om genezing en om het goddelijk beeld in hem te hervinden". Vertrekkende vanuit talrijke citaten van de Kerkvaders, maar ook van de Heilige Silouan de Athoniet (20e eeuw), heeft hij getoond hoe het appèl van de berouwvolle mens zich manifesteert, Gods trouw in acht nemend. :"God vergeeft ons en geneest ons door zijn eindeloze liefde". Het berouw is "een tweede genade, gegeven na de doop" (Heilige Isaak de Syriër), waardoor de gevallen mens zich transformeert, van "een staat van verval" naar "een staat van onverstoorbaarheid". Vader Michel Fortounato heeft onderlijnd, dat het berouw geen geïsoleerde daad is die gepaard gaat met de biecht . Zij moet "aanwezig zijn in alle etappes op de geestelijke weg". De Heilige Isaak de Syriër  parafraserend, zou men kunnen zeggen dat "wij berouw nodig hebben gedurende de vierentwintig uren van de dag".

  De onderrichtingen hebben  de gelegenheid gegeven tot een debat over onderwerpen zoals :het onderscheid tussen het sacrament van het berouw en de openheid van gedachten, het onderscheid tussen de priester biechtvader en de geestelijke leider, de noodzaak van een spirituele rijpheid om biechtvader te zijn maar ook om priester te zijn, de betekenis van het gewijde ambt en de charisma's binnen de Kerk , de plaats van de biecht als een kerkelijke daad in het kader van de parochie en vooral van de zondagse liturgie, plaats van samenkomst bij uitstek.... De namiddagzitting was gewijd aan ateliers rond reflexie en discussies over verschillende thema's : "De praktische vormen van de biecht", "Biecht en eucharistische communie", "biecht van de jongeren" enz..

Vrij vertaald uit SOP 310 - Juli/Augustus 2006

door Kris B

27-01-09

Canonische discipline in de Orthodoxe Kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (...) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

19-10-08

Het leven in Christus : J. Romanides

banner 3

 

HET LEVEN IN CHRISTUS

door Vader John. S.  Romanides

De heilige opdracht voor de Orthodoxie van vandaag en in het bijzonder voor de jongeren, die zich vaak van het liberalisme van de vorige generaties willen losmaken, is om de overwinning van Pasen in het dagelijkse leven van de Kerk te  herontdekken. Het gemeenschappelijk geloof en de verering van de Apostelen en de Vaders blijven essentieel onveranderd in onze liturgische en canonische boeken, maar in de praktijk, in de geest van de clerus en de gelovigen, heerst er een grote verwarring, die zonder twijfel te wijten is aan een gebrek van geestelijk inzicht in de aard zelf van het werk van Christus in de Kerk. Talrijke personen die beweren orthodox te zijn en die het oprecht willen zijn, stellen zich  het leven van de Kerk voor als zijnde in overeenstemming met hun eigen vage gevoelens,en niet in de geest van de Apostelen en de Kerkvaders. Wat ontbreekt, is een levendige aanvaarding van wat het sacramentele leven van de Kerk vooronderstelt.
Dit gebrek aan duidelijkheid verklaart in hoge mate de zwakheid van de Kerk in de westerse wereld en in het bijzonder wanneer het gaat over de houding ten opzichte van de verschillende varianten van schismas en ketterijen.Zij die niet kunnen begrijpen dat „de Geest zelf getuigenis aflegt aan onze geest dat wij kinderen van God zijn „(Rom 8,16) kunnen de Waarheid niet verkondigen, maar moeten zich de vraag stellen: zijn wij zelf niet  buiten de waarheid en, bijgevolg, afgestorven leden van de Kerk?

1.    Vooronderstelling van het sacramentele leven.

In tegenstelling tot de meeste Westerse belijdenissen die de dood als een normaal verschijnsel aanvaarden, of het beschouwen als een  gevolg van een juridische beslissing van God om de zondaar te straffen, stelt de Traditie van de Kerkvaders van het Oosten dat de dood wezenlijk aan de zonde gebonden is (1 Kor.56), en dat zij tot de macht van de duivel behoort (Hebr.2,14). De Vaders van het Oosten verwierpen het idee dat God de auteur van de dood is, en dat men in deze wereld normaal kan leven , onder voorwaarde dat men de natuurwetten volgt waarvan men veronderstelt dat zij  het universum besturen.

De orthodoxe opvatting van het universum is onverenigbaar met een statisch systeem van natuurlijke morele wetten. De wereld wordt daarentegen opgevat als het actieterrein  van levende personen. Een levende en persoonlijke God  ligt aan de oorsprong van de schepping. Zijn alomtegenwoordigheid sluit echter geen andere wil uit die door Hem zelf tot stand gebracht is, en die de macht heeft om Gods wil, de wil van de Schepper, te verwerpen.

Zo is de duivel niet alleen in staat om te bestaan, maar ook om te streven naar de vernietiging van Gods werken. Hij doet dit door de schepping naar het niets te trekken waaruit het gekomen is. De dood, die ‘een terugkeer is naar het niets’ (Heilige Athanasius – de incarnatio Verbi, 4-5), vormt de essentie zelf van de duivelse macht over de schepping (Rom.8,19-22).

De verrijzenis van Christus, in de realiteit van Zijn vlees en beenderen (Luc.24,39) vormt niet alleen het bewijs van het ‘abnormale karakter van de dood, maar noemt haar ook de echte vijand (1 Kor.15,26).

Maar als de dood een abnormaal verschijnsel is, kan er niet zoiets zijn als een ‘morele wet’, inherent aan het universum. De Bijbel, minstens, kent het niet (Rom.8,19-22). Anders heeft de Heer Jezus Christus zich tevergeefs opgeofferd voor ‘onze zonden’ om ons van deze slechte wereld te verlossen (Gal.1,4). Het lot van de mens was in het begin volmaakt, het moet ook nu terug volmaakt worden, zoals God volmaakt is (Ef.5,1;4,13). Deze voltooiing van de volmaaktheid werd onmogelijk gemaakt door de komst van de dood in de wereld (Rom 5,12), want ‘de angel van de dood’ is de zonde (1 Kor.15,56).

Eenmaal gebonden aan de macht van de dood, kan de mens zich slechts met verwaandheid aan zijn vlees interesseren (Rom 7,14-25).Zijn instinct van zelfbescherming  vervult zijn dagelijks leven en zet hem ertoe aan om vaak onrechtvaardig te handelen tegenover anderen, dit voor zijn persoonlijke winst. (1 Thess.4,4). Iemand die gebonden is door de angst om de dood (Hebr.2,15), kan in zijn leven geen scheppende liefde voortbrengen en navolger van Christus zijn (Ef.5,1). De dood en het instinct van zelfbescherming liggen aan de wortel van de zonde, die de mens van de eenheid in de liefde, het goddelijk leven en de waarheid scheidt. Volgens de Heilige Cyrillos van Alexandrië, is de dood de vijand die de mens verhindert  om God en de naaste te beminnen en om niet bezorgd te zijn om zijn eigen zorgen en zijn eigen comfort. Uit angst om elke waarde te verliezen, probeert de mens aan anderen te bewijzen dat hij werkelijke iemand is. Hij probeert zich dan naar buiten toe te gedragen alsof hij méér is dan anderen, op sommige punten althans. Hij houdt van degenen die hem vleien en verafschuwt diegenen die hem beledigen. Een belediging treft diepgaand de mens die vreest om onbelangrijk te worden!. Datgene wat de wereld beschouwt als een ‘natuurlijk mens’, is gewoonlijk iemand die leeft van gedeeltelijke leugens en teleurstellingen.Hij kan slechts hen liefhebben die hem een zekere veiligheid bezorgen, terwijl zijn instinct van morele en fysische zelf-bescherming hem oproept om zijn vijanden te haten (Matth. 5,46-48; Luc.6,32-36). De dood is de bron van het individualisme : het is zij die de macht bezit  om als scheidsrechter van de mens ‘het lichaam aan de dood’ volledig te onderwerpen (Rom 7,18).Het is de dood die, door de mens te herleiden tot egocentrisme en egoïsme, hem blind maakt voor de waarheid. En de waarheid wordt door velen verworpen, want zij is moeilijk te aanvaarden. De mens verkiest het liefst deze waarheid te aanvaarden die zijn persoonlijke verlangens tevredenstelt. De mensheid beoogt eerder de veiligheid en het geluk dan het lijden en de liefde te aanvaarden, want dit stelt zijn persoonlijke verlangens tevreden (Fil.1,27-29). De natuurlijke mens verkiest een godsdienst die hem een veiligheidsgevoel geeft  met morele voorschriften en eenvoudige regels die gevoelens van comfort geven en die geen enkele verloochening van zijn ‘ik’ vereisen in ‘het afgestorven zijn aan de leerbeginselen van de wereld’ (Kol.2,20).

De Apostelen en de Vaders brengen ons geen voldongen geloof vol van ‘gevoelens van vroomheid’  of  ‘troost’. Integendeel, op elke bladzijde horen wij een overwinningskreet over de dood en de vergankelijkheid.‘O dood,waar is uw prikkel ? O graf waar is uw overwinning ?..Genade aan God, die ons de overwinning geeft door Christus Jezus’ (1 Kor.15,55-57).

De overwinning van Christus op de duivel, die de mens van God en de naaste scheidt, heeft de macht van de dood vernietigd (Ef.2,13-22). Deze overwinning op de dood en de vergankelijkheid werd in het vlees van Christus vervuld (ibid.2,15), zoals ook voor de rechtvaardigen die ervoor gestorven zijn (1 Petrus 3,19). ‘Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft hij de dood overwonnen aan hen die in het graf zijn heeft hij het leven geschonken’ (Hymne van Pasen). Het Koninkrijk Gods is reeds aanwezig zowel over de grenzen van het graf heen als hier op aarde (Ef.2,19). De deuren van de hel kunnen niet zegevieren over het Lichaam van Christus (Matth.16,18). De macht van de dood kan het koninkrijk van het leven niet overweldigen. Elke dag nadert de duivel en zijn koninkrijk zijn definitieve nederlaag(1 Kor.15,26). Deze zekerheid hebben wij gekregen in het Lichaam van Christus.

2. Sacramentele deelname aan de overwinning van het kruis

De deelname aan de overwinning van het kruis is niet enkel maar hoop voor de toekomst, maar een aanwezige werkelijkheid  (Ef. 2,13-22). Zij wordt toegekend aan diegenen die gedoopt zijn (Rom.6,3-4) en gegrifd op het Lichaam van Christus (Joh.15,1-8). Er bestaat echter geen magische garantie voor het heil en de onafgebroken deelname aan het leven van Christus (Rom.9,19—2).

Christus is gekomen om de macht van de verdeeldheid te vernietigen, door diegenen te verenigen die in Hem geloven in het diepste van Zijn Lichaam. Het uiterlijk teken  van de Kerk is de eenheid in Liefde (Joh.17,21), terwijl het centrum en de bron van deze eenheid de eucharistie is : ‘want daar er één Brood is, vormen wij, die verscheiden zijn, één lichaam, omdat wij deelhebben aan één  enkel Brood’ 1 Kor.6,19-20). De doop en de myronzalving enten ons op het Lichaam van Christus, terwijl de eucharistie ons levend maakt in Christus en ons samen één maakt door de inwoning van de Heilige Geest in ons lichaam (1 Kor.6,19-20).

Het geloof is onvoldoende voor ons heil. De catechumenen, die reeds ‘gelovigen’ waren, moesten er voor hun doopsel op waken om datgene te verwerpen wat de wereld als ‘het normale’ beschouwt, door te sterven aan het lichaam van de zonde en de dood, en om te verrijzen in de éénheid van de Heilige Geest. Dit wil zeggen, dat wij moesten met verenig worden met de andere leden van een locale gemeenschap in Christus en het gemeenschappelijk leven in Liefde. De Orthodoxie kent niet zoiets als een  sentimentele liefde voor de mensheid. Het is met concrete mensen dat wij verenigd moeten worden om in Christus te leven. De enige weg die tot de liefde tot Christus leidt is de realiteit van de andere Christenen lief te hebben.’Ik zeg u, wat gij niet gedaan hebt voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan’ (Matth.25,45). De liefde voor het lichaam van Christus bestaat niet uit vage abstracties over de noodzaak om ideologen of menselijke beweegredenen te dienen. De liefde, volgens het beeld van Christus, bestaat erin om gekruisigd te worden voor de wereld, om zich van alle vage ideeën los te maken, om de volle complexiteit van het gemeenschappelijke te ‘leven’, om Christus lief te hebben in het lichaam van de broeders met hun zeer reëel bestaan. Het is zo gemakkelijk om over liefde en goedheid te spreken, maar het is moeilijker om in een intieme en waarachtige relatie te treden met mensen van verschillende afkomst. Het is nochtans dit wat de dood en de Verrijzenis van Christus heeft teweeggebracht : een  gemeenschap der heiligen die niet aan zichzelf denken, niet aan hun eigen  meningen, maar die ononderbroken hun liefde voor Christus en de andere mensen uitdrukken, zoekende om zich te verootmoedigen, zoals Christus zich heeft verootmoedigd. Wat niet mogelijk was onder de wet van de dood is mogelijk geworden door de eenheid in de Geest van leven.

3. Hoe wij vandaag de overwinning van het kruis verwezenlijken.

Gedurende haar bestaan heeft de kerk altijd moeten vechten tegen de zonde en de corruptie van haar eigen leden, en dikwijls ook in de schoot van haar geestelijkheid. Zij kon echter altijd de aangewezen middelen toepassen, want zij was in staat om de vijand te herkennen. De Kerk is in de waarheid, niet omdat al haar leden zonder zonde zijn, maar omdat het sacramentele leven altijd in haar aanwezig is, en hiertegen is de duivel machteloos. ‘Wanneer u zich vaak in één plaats verzamelt, is de macht van de duivel gebroken’ (H. Ignatios van Antiochië, Epistel aan de Efesiërs,13). Telkens als de leden van een Gemeenschap bijeenkomen om de Eucharistie te celebreren en ze in staat zijn om gemeende vredeskussen uit te delen voordat men communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus is de duivel verslagen. Nochtans, indien één lid van het Lichaam van Christus onwaardig communiceert, eet en drinkt hij zijn veroordeling (1 Kor.11,29). Wanneer een Christen in het geheel niet communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus in elke Eucharistie, is hij geestelijk dood (Joh.6,53). De Kerk heeft altijd geweigerd om het gebruik goed te keuren waarbij een groot aantal gelovigen de Eucharistie bijwonen, maar slechts weinigen communiceren. Aanwezigheid en deelname aan het gebed en de communie zijn onafscheidelijk (7e apostolische canon; Heilige Johannes Chrysostomos,3e homelie aan de Efesiërs). ‘ Hij die zich niet verenigt met de Kerkelijke gemeenschap heeft daardoor zelf zijn hoogmoed bewezen en heeft hij zichzelf veroordeeld’ (Heilige Ignatius van Antiochië, Efesiërs 5). De bijbelse en patristieke traditie is unaniem op dit punt : iemand kan slechts een levend lid van het Lichaam van Christus zijn, indien hij gestorven is voor de macht van de dood en leeft in de hernieuwing van de Geest van leven. Omwille van dezelfde reden werden zij, die Christus gedurende zijn folteringen hebben verloochend, gezien als geëxcommunieerden. Eens dat een christen met Christus stierf  in de doop,verwachtte men van hem dat hij bereid zou zijn om op gelijk welk moment met Christus te sterven. ‘wie Mij voor de mensen verloochent,hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.10,33). De 10e Canon van het Eerste Oecumenisch Concilie neemt geen genoegen met de wijding te verbieden van diegenen die Christus gedurende de vervolgingen hebben verloochend, maar verklaart ook automatisch elke wijding van dit soort als ongeldig, zelfs al hebben ze plaatsgevonden in totale onwetendheid van de wijdende bisschop. Hij die dergelijke wijding zou hebben toegediend werd zelfs ook zijn priesterschap ontnomen. Hoe ernstiger is de zonde tegen de beloften van het doopsel van hen die te lui zijn om naar de Kerk te gaan. De goedkeuring die onze clerus van vandaag toekent aan onze sacramentele praktijk is nog meer onaanvaardbaar ! Indien de christen geëxcommunieerd was omdat hij Christus verloochend had na uren van fysische foltering, dan zijn zij die week na week zichzelf excommunieren des te meer te veroordelen. De kwaliteiten en de methodes van de duivel zijn niet veranderd, De duivel is gelijk aan zichzelf gebleven, zoals Paulus het beschrijft :”ook zijn dienaars doen zich voor als dienaars van gerechtigheid” (2 Kor.11,15).  De macht van de dood in de wereld is dezelfde gebleven. De middelen van het heil, door de dood van het doopsel en het leven van de Eucharistie zijn ook dezelfde gebleven (ten minste in de liturgische boeken van de Kerk). De Canons van de Kerk zijn niet veranderd. Wij kiezen nog altijd dezelfde Schriften die bekrachtigd zijn door de Vaders. Hoe kunnen wij dan onze moderne zwakheden verklaren ?  Zij zijn nog nooit zo evident geweest. Er kan slechts één antwoord zijn op die vraag. De leden van de Kerk bestrijden de  kwade niet meer in de geest van de Bijbel.  Veel Christenen gebruiken de Kerk voor hun eigen belangen en interpreteren de leer van Christus volgens hun eigen gevoelens. De essentiële taak van de orthodoxe jeugd moet vandaag de dag daarin bestaan, dat zij terugkeren tot de waarheid van de Apostelen en de Vaders, om niet meer te handelen volgens de wetten van de prins der duisternissen en de grondbeginselen van deze wereld. Want daarvoor is Christus gestorven. Dit  verloochenen betekent Christus’kruis en het bloed der martelaren verloochenen. Vooraleer de ‘strengheid’ van de leer der Kerkvaders te bekritiseren, moet de moderne orthodoxie terugkeren naar de vooronderstellingen van het leven in Christus in de Schrift, en erop letten om de leer van Christus niet te verderven.

P.R. Jean ROMANIDES in SYNAXE No 21 (p.26-28) en No 22 (p.23-26)

Vertaling : Kris Biesbroeck

 christus 87