09-11-08

De Heilige Vaders volgend.... 5Florofsky)

„De heilige Vaders volgend ":

Vader Georges Florovsky en de Patristieke Traditie

De Heilige Vaders volgend.... Het was gebruikelijk in de Oude Kerk om leerstellige verklaringen in te leiden met uitdrukkingen als deze. Het decreet van Chalcedon begint precies met deze woorden. Het zevende Oecumenisch concilie begint haar beslissingen betreffende de Heilige Iconen zelfs op een explicietere en gedetailleerde vorm : 'na het Goddelijk geïnspireerd onderricht van onze Heilige Vaders en de Traditie van de Katholieke Kerk (Denzinger 302).

Het was duidelijk méér dan enkel een beroep doen op de 'oudheid'. De kerk beklemtoont namelijk altijd de identiteit van haar geloof voor allen. Deze identiteit en vereenzelviging met de Apostolische tijd is juist de opvallenste symboliek en teken van rechtzinnig geloof. Zoals de beroemde zin van Vincent van Lerins het zegt : 'de Katholieke Kerk moet er zelf voor zorgen dat het het geloof van allen is, en dat het door allen geloofd moet worden (in ipsa item catholica ecclesia magnopere curandum est ut id teneamus quod ubique, quod semper, quod ab omnibus  creditum est)'(Commonitorium c. 2-3). Nochtans is de 'oudheid' op zich geen adequaat bewijs van het ware geloof. De archaïsche formules kunnen volkomen misleidend zijn.Vincent van Lerins was zich daar wel van bewust . Oude  gewoontes op zich garanderen nog niet de waarheid. Zoals de Heilige Cyprianus het zei : 'Een verleden zonder waarheid, is een grote vergissing' (Antiquitas sine veritate vetustas erroris est).

De ware traditie, volgens de Heilige Ireneüs  is slechts een traditie van 'waarheid' (traditio veritatis). En deze 'ware traditie' (true tradition) wordt slechts gewaarborgd door een vaststaand charisma van waarheid (charisma veritatis certum) door datgene dat vanaf het begin in de Kerk is bewaard in een ononderbroken successie van het Apostolisch ambt door de bisschoppen  : 'Wie de apostolische successie  aanneemt moet de genade van de waarheid zeker ontvangen' (qui cum episcopatus successione charisma veritatis certum acceperunt)

Aldus is de 'traditie' in de Kerk niet slechts een continuïteit van het menselijk geheugen, van riten en gewoontes. De traditie is daarentegen de continuïteit van Gods hulp, de voortdurende werking van de Heilige Geest. De Kerk is niet gebonden door de 'tekst', de 'brief' op zich, zij wordt constant bewogen door de 'Geest'. Dezelfde Geest, de geest der Waarheid, die gesproken heeft door de profeten, die de Apostelen begeleidde, die de Evangelisten verlichtte, en die nog werkzaam is in de Kerk en haar in het volle begrip van de goddelijke waarheid leidt, van glorie tot glorie.

De heilige Vaders volgend... Dit is geen verwijzing naar een abstracte traditie, naar formules en voorstellen. Het is vooral een beroep doen op personen, op heilige getuigen.  Het getuigenis van de Vaders behoort wezenlijk en intrinsiek, tot de eigenlijke structuur van het orthodox geloof. De Kerk is evenzeer gebonden aan het kerygma ( heilsboodschap, verkondiging) van de Apostelen als aan de dogma's van de Vaders. Allebei horen wezenlijk samen. De kerk is inderdaad 'Apostolisch', maar ze is ook 'Patristisch'. En het is slechts door het 'Patristisch' zijn dat de Kerk onophoudelijk 'Apostolisch' is. De vaders leggen getuigenis af van de Apostoliciteit van de traditie. Er zijn twee stadia te herkennen die aan de basis liggen van het Christelijk geloof. Ons eenvoudig geloof moest structuur verwerven.Er was een innerlijke drang daartoe, een noodzaak in de overgang van Kerygma naar dogma. Inderdaad, de dogma's van de Vaders zijn essentieel hetzelfde 'eenvoudige' kerygma die ons eens overgeleverd is en waarvan de apostelen getuigenis hebben afgelegd, eens en voor altijd. Maar nu is het kerygma-behoorlijk uitgesproken en ontwikkeld in een samenhangend geheel van onderling samenhangende getuigenissen. De apostolische prediking word niet alleen bewaard in de Kerk : ze leeft in de Kerk . In deze zin dat de leer van de kerkvaders een permanente deel is van het Christelijk geloof, een constante maatstaf of beslissend kenmerk  van het oude geloof, een 'testis antiquitatis'(= getuigenis van het oude'), maar bovenal en vooreerst, een getuigenis van het oude geloof, 'testis veritatis'(=getuigenis van de waarheid'). Bijgevolg is ons eigentijds beroep op de Vaders veel meer dan een historische verwijzing  naar het verleden. De opinie van de Vaders is een intrinsieke omschrijving  van de orthodoxe theologie, niet in mindere mate als de Heilige Schrift. Het kan er nooit van gescheiden worden. De Vaders zelf waren altijd dienaars van het Woord, en hun theologie was wezenlijk exegetisch. Dus, zoals het recent nog werd gezegd, 'de Katholieke Kerk van alle tijden is niet enkel een kind van de Kerk der Vaders, maar ze is en blijft de Kerk van de Vaders(6).

Het belangrijkste onderscheid van de Patristieke theologie was haar 'existentieel' karakter. De Vaders theologiseerden, zoals de Heilige Gregorius van Nazianze het zei, ' op de wijze van de Apostelen, en niet op de wijze van Aristoteles' (alieutikos ouk aristotelikos (Hom. 23,12). Hun theologie was altijd een 'kerygmatische theologie', zelfs wanneer het logischerwijze opgesteld en bekrachtigd werd met intellectuele argumenten. De uiteindelijke referentie was nog altijd het geloof, het spirituele bevattingsvermogen. Het volstaat in dit verband de namen te vermelden van de heilige Athanasios, de heilige Gregorius van Nazianze, de heilige Maximos de belijder. Hun theologie was een getuigenis. Los van het leven in Christus  heeft de theologie niets te getuigen. Indien de theologie los staat van een leven in geloof, zal ze al vlug degenereren tot inhoudloze redeneringen., een nutteloze 'polylogia'(woordkramerij), zonder geestelijke gevolgen. De Patristieke theologie was geworteld in een daadwerkelijk geloofsgetuigenis. Het was geen zelf-verhelderende 'discipline' die met argumenten kon worden verduidelijkt zoals bij Aristoteles, zonder een voorafgaand spiritueel engagement. Deze theologie kon enkel worden 'gepredikt', of 'verkondigd' en niet eenvoudigweg 'gedacht' worden op een schoolse manier. Het werd gepredikt van op de preekstoel, verkondigd in het gebed en de heilige riten en kreeg haar daadwerkelijke gestalte in de gehele structuur van het Christelijk leven. Zo een theologie kan nooit worden gescheiden van het gebedsleven en van de praktijk van de deugd. 'Het hoogtepunt van de zuiverheid. 'Het hoogtepunt van zuiverheid is het begin van de theologie' zegt de Heilige Johannes Klimakos (Scala Paradisi, grade 30). Anderzijds is theologie altijd, zo was het ook vroeger, niet meer dan 'propaideutic' (= een aanzet tot..), want haar uiteidelijke doel en bedoeling is en was  getuigenis te brengen van het Mysterie van de levende God in woord en daad. Theologie is geen doel op zichzelf, het is 'maar' een weg. Theologie geeft ons niet meer dan een 'intellectuele contourvorm' van het overgeleverde geloof, een 'noetisch' (= verstandelijk) getuigenis ervan. Alleen in een act van geloof wordt deze intellectuele contour gevuld met een levende inhoud. Maar toch is deze intellectuele contour onontbeerlijk. Christologische formules zijn actueel alleen maar van betekenis voor de gelovige, voor hen die de levende Christus hebben ontmoet, en Hem hebben aanvaard als God en Redder, voor hen die echt geloven in Hem, in Zijn Lichaam de Kerk. In deze betekenis is de theologie nooit een zelf - verhelderende discipline. Ze roept voortdurend op tot een geloofsvisie. 'Wat wij hebben gezien en gehoord, dat verkondigen wij u'. Los van deze 'verkondiging' zijn theologische formules zonder gevolg. Om deze redenen mogen formules nooit uit hun spirituele context genomen worden. Het is volslagen misleidend om bepaalde voorstellen, dogmatische of doctrinele, los van elkaar te beschouwen en ze te onttrekken uit het totale perspectief waarin ze alleen zinvol en gegrond zijn. Het is een gevaarlijke gewoonte zich te bedienen van 'citaten' van de Vaders en zelfs van de Schrift,en ze buiten de totale structuur van het geloof te behandelen, in dewelke ze waarachtig  levend zijn. 'De Vaders' volgen betekent niet slechts dat men hun zinnen citeert. Het betekent : hun mening verwerven, hun 'phronema' ( Grieks woord, in de orthodoxe theologie heeft het de betekenis van denkrichting, mening, opvatting). De orthodoxie maakt er aanspraak op om deze mening bewaard te hebben en ze te hebben getheologiseerd 'ad mentem Patrum' (in de geest van de Vaders). Op dit punt kan een belangrijke twijfel worden opgeworpen. De naam 'Kerkvaders' is normaal gesproken beperkt tot de leraren van de  Oude Kerk. En men veronderstelt momenteel dat hun gezag, indien erkend bij allen, zou afhangen van hun 'ouderdom', dit wil zeggen, van hun vergelijkende chronologische nabijheid van de 'Primitieve Kerk', tot het begin van het Apostolisch tijdperk van de Christelijke geschiedenis. Welnu, reeds de Heilige Jeronimos zelf voelde zich verplicht om dit geschil te betwisten : de Geest ademt inderdaad in alle tijden. Inderdaad, er was geen vermindering van 'gezag', en geen vermindering van de noodzaak van de geestelijke kennis in de loop van de Kerkgeschiedenis, natuurlijk altijd onder de controle van de eerste getuigen en de openbaring. Jammer genoeg is de tendens tot 'vermindering', als het tenminste niet gaat om een flagrant 'verval', vandaag één van de gebruikelijke  ontwerpen van historisch denken geworden. Het wordt algemeen,  bewust of onbewust, verondersteld, dat de vroege kerk , zoals ze was, dichter bij de bron van het geloof stond. In de rangorde van de tijd is het natuurlijk waar. Maar betekent dit ook dat de vroege Kerk eigenlijk het mysterie van de openbaring kende en begreep, of om het anders te zeggen 'beter' en 'vollediger' dan alle volgende tijden, zodat niets dan een 'herhaling' is overgebleven voor de komende tijden? Als een toegeving aan onze eigen ontoereikendheid en mislukking, als handeling van bescheiden zelf-kritiek kan een ophemeling van het verleden eervol en gezond zijn. Maar het is gevaarlijk om van hieruit het beginpunt van onze theologie van de Kerkgeschiedenis te maken of zelfs van onze theologie van de Kerk. Het wordt algemeen aanvaard dat 'het tijdperk van de Kerkvaders' is beëindigd, en dienovereenkomstig als een 'oude vorming' moet worden beschouwd, archaïsch en verouderd. De grens van de 'Patristische tijd' wordt verschillend gedefinieerd. Het is gebruikelijk om de Heilige Johannes van damascus als de 'laatste Vader' in het Oosten en de Heilige Gregorius de Grote of Isidorus van Sevilla als de laatste westerse Kerkvader te beschouwen. Deze keuze is meer dan eens betwist. Bijvoorbeeld, kan de Heilige Theodoor de Studiet niet gerekend worden onder de Vaders? In het westen suggereerde reeds Mabillon dat Bernardus  van Clairvaux, de doctor melifluus (honingvloeiende doctor) 'de laatste van de Vaders was en zeker niet ongelijk met de vroegere' (7). Anderzijds kan niet betwist worden dat de 'tijd van de Vaders' veel vroeger tot haar einde is gekomen dan zelfs de Heilige Johannes van Damascus. Het is gemakkelijk genoeg om zich de formule in herinnering te brengen van de 'Consensus quinquesaecularis',(nl. die de traditie, als een levende en gezaghebbende macht van de Kerk beperkt tot de overlevering van de eerste vijf eeuwen) die de 'gezaghebbende' periode van de Kerkgeschiedenis tot het Concilie van Chalcedon beperkte. Het was namelijk een protestantse formule. Maar de meer gebruikelijke Oosterse formule van de 'zeven Oecumenische Concilies' is echter niet veel beter, wanneer het ertoe neigt, zoals het gewoonlijk doet, het geestelijk gezag van de Kerk te beperken tot de eerste acht eeuwen. Alsof het 'Gouden tijdperk' van de Kerk reeds voorbij is en wij nu waarschijnlijk vertoeven in een ijzeren tijdperk, veel lager dus op de schaal van spirituele sterkte en authoriteit. Psychologisch is deze houding vrij begrijpelijk, maar het kan  theologisch niet worden gerechtvaardigd. De Vaders van de vierde en de vijfde eeuw zijn namelijk veel indrukwekkender dan de recentere, en hun intrinsieke grootheid kan niet worden in vraag gesteld. Maar toch bleef de Kerk na Chalchedon zeer levendig. In feite,  een overbeklemtoning van de 'eerste vijf eeuwen'  vertekent op een gevaarlijke wijze een theologische visie en verhindert  het juiste verstaan van het dogma van Chalcedon zelf. Het decreet van het zesde Oecumenisch Concilie wordt dan enkel beschouwd als een soort 'appendix' van Chalcedon, en de beslissende theologische bijdrage van de Heilige Maximos de Belijder wordt gewoonlijk volledig genegeerd. Een té sterke beklemtoning  van de 'acht eeuwen' verduistert onvermijdelijk de erfenis van Byzantium. Er bestaat nog altijd een tendens  om 'Byzantijns' als een inferieur gevolg, of zelfs als een decadente epiloog te beschouwen van het patristieke tijdperk. Waarschijnlijk zijn wij nu meer dan voordien, bereid om het gezag van de Vaders te aanvaarden. Maar 'Byzantijnse theologen' worden nog altijd niet gerekend tot de Vaders. In feite echter was de Byzantijnse theologie méér dan een slaafse 'herhaling' van de patristiek. Het was een organische voortzetting van de patristieke inspanningen. Het is voldoende om de Heilige Symeon de Nieuwe Theoloog in de elfde eeuw, en de Heilige Gregorios Palamas  in de veertiende eeuw te vermelden. Een beperkende verplichting van Zeven Oecumenische Concilies spreekt eigenlijk het basisprincipe  van de Levende Traditie in de Kerk tegen. Alle Zeven, maar niet slechts zeven.

De zeventiende eeuw was een kritieke periode in de geschiedenis van de Oosterse Theologie. Het onderricht in de theologie was op dat ogenblik van het traditioneel patristiek patroon afgeweken en had invloed uit het Westen ondergaan. De theologische gewoontes en reglementen werden geleend van het Westen en bovendien was het eclectisch, zowel van de laat Romeinse Scholastiek of de Post-Tridentijnse tijden en van de verschillende theologieën van de Reformatie. Deze ontleningen beïnvloedden sterk de theologie van de zogenaamde 'Symbolische boeken' van de Oosterse Kerk, die niet kunnen gezien worden als een authentieke stem van het christelijk Oosten. De stijl van theologiseren was veranderd, maar toch impliceerde dit geen verandering in doctrine. Het was inderdaad een pijnlijke en dubbelzinnig 'Pseudomorphosis'(oneigenlike vorm) van de Oosterse Theologie, die zelfs in onze tijd nog zijn sporen heeft nagelaten.Deze Pseudomorphosis  van Oosterse Theologie betekende eigenlijk een splinter in de ziel van het Oosten, om één van de favoriete uitdrukkingen van Arnold Toynbee te gebruiken. In het leven van de Kerk is echter de traditie van de Vaders nooit onderbroken geweest. De ganse structuur van de Oosterse Liturgie, in een inclusieve betekenis van het woord, is nog altijd grondig Patristisch. Het leven van gebed en meditatie volgt nog altijd het oude patroon. De Filokalia, die beroemde encyclopedie van Oosterse godsvrucht en ascetisme, die geschriften van vele eeuwen omvat, van de Heilige Antonios van Egypte tot de Hesychasten van de veertiende eeuw, wordt meer en meer het handboek van begeleiding voor iedereen die in onze tijd de Orthodoxe Praktijk entousiast willen beleven. Het gezag van zijn samensteller, de Heilige Nicodemus van de Berg Athos, is onlangs nog versterkt door zijn canonisatie in de griekse Kerk. In deze zin kan worden gezegd dat het 'tijdperk van de Vaders' nog altijd levendig aanwezig is  in het leven van de Kerk. Zal het ook in de scholen, op het vlak van theologische research en het onderricht niet worden verdergezet ? Moeten wij de opvatting van de Kerkvaders niet terug de plaats geven die haar toekomt in het theologisch denken en belijden ? Herstellen, zeker, niet als een archaïsche houding en gewoonte,  en niet als een eerbiedwaardig overblijfsel, maar als een existentiële houding, als een spirituele oriëntatie. Eigenlijk leven wij nu reeds in een tijdperk van heropleving en herstel. Maar toch is het niet genoeg om een 'Byzantijnse Liturgie' te houden, om een Byzantijnse stijl in de Iconografie en Kerkelijke architectuur te herstellen, om Byzantijnse vormen van gebed en zelf-discipline te beoefenen. Men moet naar de eigenlijke wortels van de traditionele vroomheid terugkeren die ons altijd als een heilige erfenis is nagelaten. Men moet de patristieke gedachte terugkrijgen. Anders zal men nog altijd het gevaar lopen van een interne scheiding tussen het 'traditionele' model van 'vroomheid' en het niet-traditionele model van het 'verstand'. Als toegewijden hebben de orthodoxen altijd gestaan in de 'traditie' van de Vaders. Zij moeten ook als theologen in de zelfde traditie van de Vaders staan. Er is geen andere manier waarop wij de integriteit van het Orthodox bestaan kunnen behouden en beveiligen.

Het volstaat hierbij te verwijzen naar de discussies op het Congres van Orthodoxe theologen, gehouden te Athene op het einde van het jaar 1936. Het was een representatieve vergadering : acht theologische faculteiten  uit 6 verschillende landen waren vertegenwoordigd. Twee belangrijke problemen waren opvallend op de agenda : vooreerst, de 'Externe invloeden op de Orthodoxe Theologie sedert de val van Constantinopel'; verder : 'De authoriteit van de Vaders'. Het feit van de groei van de orthodoxie in de Westerse wereld werd erkend en grondig geannaliseerd. Enerzijds werd het gezag van de Vaders opnieuw beklemtoond en een 'terugkeer naar de Vaders' werd bepleit en goedgekeurd. Het moet echter een creatieve terugkeer zijn. Een element van zelf-kritiek moet daarin worden geïmpliceerd. Dit brengt ons tot het concept van een Neopatristieke synthese, als taak en doel van de Orthodoxe theologie vandaag. De erfenis van de Vaders is een uitdaging voor onze generatie binnen en buiten de Orthodoxe Kerk. Haar onderhoudende macht werd meer en meer erkenbaar en erkend in de recente decennia, en dit in diverse hoeken van een verdeeld Christendom. Het groeiend beroep op de patristische traditie is één van het meest kenmerkend feit voor onze tijd. Dit appel is voor de Orthodoxie van wezenlijk belang en een dringende noodzaak, omdat de ganse traditie van de Orthodoxie altijd patristisch is geweest. Men moet zowel de problemen als de antwoorden van de Vaders herwaarderen. In deze studie zal de vitaliteit van de patristieke gedachte en haar eeuwigdurende opportuniteit naar voor komen. 'Onuitputtelijk is het voedsel van de Vaderen' (Inexhaustum est penu Patrum) heeft Louis Thomassin, een Frans Oratoriaan (Kath.priester) uit de zeventiende eeuw,en één van de voornaamste patristische geleerden van zijn tijd, het goed gezegd(8).

Eindnota's

6. Louis Bouyer, Le renouveau des etudes patristiques, in „La Vie Intellectuelle." Fevrier 1947, p. 18.

7. Mabillon, in het Voorwoord aan Bernard Opera, n. 23, Migne, P.L., CLXXXII, c. 26, onlangs geciteerd in de Encycliek van Paus Pius XII, Doctor Mellifluus (1953); English translation of the Encyclical in Thomas Merton, The last of the Fathers, NY,1954.

8.L. Thomassin, Dogmata theological, vol. I, Praefatio,p.XX

Vertaling : Kris Biesbroeck

Originally published in The Collected Works of Georges Florovsky (Belmont, MA: Nordland Publishing Co., 1987), Vol. IV, "Patristic Theology and the Ethos of the Orthodox Church," Part II, p. 15-22. This is an excerpt from an approx. 20

Oecumenisch concilie - zevende (450 x 630)

 Het 7e Oecumenisch Concilie

27-02-08

Orthodox zijn in de Westerse wereld

  
Orthodox zijn (goed!!!)
cooltext81068878
cooltext81068930



 
Door Vader Boris BOBRINSKOY         

Deze titel is mij gesuggereerd, maar ik zou het hierbij niet willen laten. Het essentieel probleem blijft kortweg :  Christen te zijn in de wereld. Ik zal op deze vraag van de christelijke of orthodoxe identiteit nog terugkomen. Het is té gemakkelijk om de Oosterse orthodoxie te plaatsen tegenover het Westerse, die men trouwens nog nader moet bepalen : latijns, gereformeerd, a-religieus, niet-confessioneel, geseculariseerd. En wij zouden ons hiertegenover  roemen om onze Orthodoxie, om onze oosterse identiteit ?. Zeker, de orthodoxie heeft een tweeduizend jaar lange geschiedenis van cultuur, heiligheid, van martelaren achter de rug, dit is waar en belangrijk, maar dikwijls is dit maar heel oppervlakkig, eens verworven voor allen. Het is op de eerste plaats de term ‘westers’ die voor mij een probleem vormt. Voor het Christelijke en dus orthodoxe geweten is het waarachtige Oosten niet geografisch, maar vooral spiritueel. De waarachtige zon die in het Oosten opstaat om onze aarde te verlichten en te verwarmen is Christus, Zoon en rechtvaardigheid. ‘Ik ben het ware Licht…Diegene die me volgt gaat niet in de duisternis…en het licht scheen in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard’. Het Westen daarentegen zal de plaats zijn waar de zon ondergaat, symbool dus van de duisternis die de aarde bedekt. Welke aarde ? Deze aarde die God geschapen heeft uit liefde, die hij zo heeft liefgehad, dat Hij zijn Zoon heeft gezonden om Hem  aan de krachten van de prins van deze wereld te ontrukken. Wanneer een christen zich richt op Christus, naar het waarachtige Oosten, dan oriëntaliseert hij zich, maar oosters zijn is geen voorrecht van orthodoxen, het is een worden, een roeping van de gehele christen. Wanneer deze zelfde christen zich richt op het Westen, dit wil zeggen op de wereld, gesteld dat hij het licht van Christus weerspiegelt, dan  zal    hij een waarachtige oosterling blijven en aan de wereld de boodschap van liefde en leven overdragen. Maar als hij de boodschap van Christus vergeet, ze relativeert of verloochent, dan zal hij opgaan in de omringende wereld en zich erin isoleren en zich opsluiten in een ghetto of een ivoren toren.Zo betekent christen zijn in de wereld, het Licht van Christus , de Zon uit het Oosten, uitdragen in een Westen dat onze wereldbol omvat. Deze wereld is in de verwachting van de boodschap van het Evangelie, ze is wanhopig zoekende naar haar identiteit, haar eenheid, in een proces van mondialisering en een snelle technische vooruitgang die ons de grenzen van landen en continenten doet overschrijden. Een wereld doordrongen van tegengestelde stromingen, aan een overdreven nationalisme aan welke ook onze orthodoxe kerken niet zijn kunnen ontsnappen, maar ook een wereld  die verdorven is door de secularisatie die zijn eigen rijkdom ontkent of vergeet of verwerpt , maar ook haar christelijke geschiedenis, haar oorsprong en haar uiteindelijk gericht zijn op God. ‘Frankrijk, riep Johannes Paulus II uit, wat heb je gedaan met uw doopsel ?’ Deze zelfde vraag stelt zich aan elk van onze christelijke landen, zowel aan die van het Oosten als van het Westen. De doelstellingen van oosterlingen en westerlingen hebben een lange geschiedenis achter de rug, in het bijzonder in de twee duizend jaar van het Christendom, maar het is niet geloofwaardig, noch mogelijk om ons vandaag de dag onvoorwaardelijk op te sluiten in die categorieën die een te lang en dramatisch proces van wederzijdse vervreemding van de twee polen of longen van de christenheid  heeft teweeg gebracht : Rome, door de universele jurisdictie te bevestigen, en door romeinse bisdommen op te richten op traditioneel orthodoxe grond, inbegrepen Jeruzalem en Constantinopel. Terwijl in de 20e eeuw er een massale migratie van duizenden arabische , griekse of slavische orthodoxen  heeft plaatsgevonden in vreemde landen. Ontworteld, vermoord in hun lichaam en ziel, wezen, maar zoekende hoe zij de spirituele vlam van het geloof kunnen in stand houden. Orthodoxe parochies en bisdommen werden in deze landen van ontvangst opgericht. Voor de 3e en 4e generatie is West Europa of Noord-Amerika geen vreemde aarde meer, maar ons echte vaderland, zelfs al zijn we verdeeld  door onze dubbele identiteit, grieks-orthodox, arabieren, slaven, roemenen, maar zich daadwerkelijk engagerend in het culturele, sociale en politieke leven van het nieuwe vaderland. Het is hier dat ik hulde wil brengen aan, en onze grote erkentelijkheid voor ons vaderland Frankrijk dat voor onze ouders, en voor onszelf een gastland is geworden, gastvrij, waar onze kinderen zijn kunnen opgroeien, studeren, zich geïnstaleerd hebben, zich volledig integreren in de franse cultuur, zonder nochtans afstand te moeten doen van onze taal, cultuur en tradities van onze herkomst.Wij op een gewelddadige manier in deze westerse landen geworpen, wij hebben er de wil van God in herkend om er te wonen, er op te groeien, er te getuigen van ons geloof en de rijkdom van onze religieuze tradities, zonder nochtans te vallen in een primair prosiletisme, maar in respect voor de christelijke geschiedenis van dit land van ontvangst en in de openheid naar de christelijke kerken toe die wij geleerd hebben te kennen en lief te hebben. Wij hebben bij hen niet vermoede schatten van heiligheid en wijsheid gevonden. Zo is de oecumenische dimensie van ons christelijk leven een klaarblijkelijkheid geworden, een gebod om te gehoorzamen aan de Heer zelf. Plaatsen van eredienst zijn als paddestoelen na de regen  uit de grond geschoten, eerst nederige kapellen, daarna kerken. Monastieke gemeenschappen zijn gesticht doorheen gans Europa, jeugdorganisaties zijn opgericht, er is een theologische school opgericht , nu reeds meer dan 80 jaar geleden, in het hart van Parijs zelf. Zij heeft reeds honderden priesters, bisschoppen, theologen en catechisten gevormd. Ik zal er nog op terugkomen. Na een geschiedenis van 80 jaar, organiseert deze orthodoxe diaspora zich , sluit zich bij elkaar aan, en dit niet zonder pijn , dat is waar, ze structureert zich, vooral rond onze bisschoppen in de Vergadering van Orthodoxe Bisschoppen in Frankrijk.. Deze Vergadering is erkend door de franse staat en verleent haar toegang tot de instanties van de regering. De meeste van de oosterse patriarchaten zijn in deze Vergadering vertegenwoordigd : Constantinopel, Antiochië, Moscou, Belgrado, Bukarest, Tbilissi, maar ook de franse filosofische gemeenschappen, schrijvers, de kunsten, en dit alles in nauwe verbondenheid met de orthodoxe spiritualiteit en traditie. De 20e eeuw is een tijd geweest van ontmoeting en ontdekking  door het Westen van de Orthodoxe rijkdommen. Wij kunnen dit zelf bijna of niet vermoeden. De ontmoeting met de westerse religieuze of filosofische gedachte, om slechts enkele te vernoemen : Bergson, Mounier, Péguy, Congar, Daniélou, de Lubac, Boegner, Pierre Maury en zoveel anderen, was een gelegenheid voor een onschatbare wederzijdse verrijking.  Het instituut Saint Serge te Parijs en zijn erfgenaam, het Seminarie St.Vladimir te New York waren voorposten van een scheppende theologische reflexie, tegelijk wetenschappelijk, maar ook niet minder geworteld in het concrete leven van onze kerken, maar ook niet los te denken van een authentieke geestelijke ervaring, kerkelijk en persoonlijk . Ik wil hierbij vooral aan Vader Serge Boulgakov  denken, de stichter en deken van het instituut St.Serge, aan Vader Georges Florofsky, die samen met Vladimir Lossky de vertegenwoordiger is van de neo-patristieke orthodoxe stroming., Vader Nicolas Afanassieff, de baanbreker van de eucharistische ecclesiologie, die trouwens invloed heeft gehad op de vaders van Vaticanum II, Mgr Cassien die de nieuw-testamentische orthodoxe exegese heeft vernieuwd, Léon Zander, één van de meest geëngageerde personen in de oecumenische dialoog. Na deze eerste generatie stichters van het instituut moet men vooral denken aan figuren als Vader Alexandre Schmemann en Vader Jean Meyendorff die beiden naar de Verenigde-Staten zijn geëmigreerd. Zij waren de boegbeelden van het Seminarie St.Vladimir, de eerste als drager van een nieuwe visie op de liturgie en de eredienst, de tweede als geschiedkundige van de Byzantijnse  Theologie. Onder de levenden denken wij in Franktijk aan Olivier Clément, aan Mgr.Jean Zizioulas, aan Christos Yannaras, Mgr Kallistos, (Vader Lev Gillet, De monnik van de Oosterse Kerk, Elisabeth Behr-Sigel) en verder gans onze huidige generatie waarvan ik de namen niet vermeld. Ik moet hier ook enkele namen vermelden van enkele uitzonderlijke figuren van de orthodoxe gemeenschap van Antiochië, van Libanon, van Syrië, en zeker van de antiocheense diaspora in de wereld… Vooreerst, de huidige patriarch van Antiochië Ignace IV en zijn jeugdvriend, de metropoliet van de Berg Libanon Georges Khodre, beiden gediplomeerden van ons Instituut. Ik ben gelukkig voor de lange vriendschap die ons vanaf onze jeugdjaren heeft verenigd. Hun getuigenis , zowel binnen de orthodoxie als binnen de oecumene en wederzijdss ook met de Islam waarvan zij één van de beste kenners zijn, is onschatbaar. Wij herinneren eraan, dat zij in de eerste jaren die volgden op de tweede wereldoorlog, met nog anderen zoals Albert en Edouard Laham, Spiridon Khoury, Raymond Rizk, de gangmakers waren van een spirituele vernieuwing binnen de orthodoxe christenheid van Antiochië, door de stichting van het fameuze MJO (le mouvement de Jeunesse Orthodoxe au Proche-Orient) Onderlijnen we ook dat zij in een islamitische omgeving, niet alleen hun geloof en de rijkdommen van onze orthodoxe traditie wisten te behouden, maar ook een theologische vernieuwing wisten te tot stand te brengen door middel van hun bezieling voor een Beweging van Orthodoxe Jongeren, waaruit de beste theologen en mannen voor de Kerk van het Patriarchaat van Antiochië van vandaag zijn voortgekomen. Om te besluiten houd ik eraan vanaf nu  te antwoorden op de vraag : iIs er een  bijdrage, en zo ja, welk is de specifieke boodschap van deze bijdrage van de orthodoxie aan de westerse wereld waarin wij leven, en zeker aan kortweg ,de wereld ?          Ik zal hier vooreerst drie essentiële dimensies van ons geloof en onze ervaring vermelden : 
1. De paas-overwinning van de Verrezene. Het is de fundamentele boodschap,die essentieel is voor de Kerk aan de wereld. Onderlijnen wij de actualiteit van deze boodschap in welke de ganse volheid van  het wezen van het christendom en deze van de  diaspora is samengevat.  Op lange termijn is het doel van de Bisschoppelijke raad om een eenvormige bisschoppelijke structuur te scheppen voor een lokale Kerk. Overigens, en ik gooi hier een knuppel in het hoenderhok, men kan de eenwording van de orthodoxe gemeenschappen in het Westen niet totaal scheiden van de toekomst van de oecumenische dialoog en de verwachting van onze kerkelijke eenheid met Rome en de niet-chalcedonische kerken. Maar daar raak ik een onderwerp aan die mij toebedeeld is. Ik zei het zojuist, de orthodoxe kerken zijn betrokken partij in het ontstaan van de oecumenische beweging, zich bewust zijnde dat de muren van onze scheidingen niet tot in de hemel reiken.. Zij moeten de actie en het oecumenische bewustzijn in het onderzoek naar een betere wederzijdse kennis aanmoedigen, door een waarachtige theologische dialoog aan te moedigen en niet meer in een geest van confrontatie en twist. Pas dan kunnen de theologische problemen worden aangeraakt, waaronder de meest wanhopige zoals het romeinse primaatschap, de voortkomst van de Heilige Geest en het probleem van de uniaten. Er is veel moed , intellectuele eerlijkheid en vertrouwen in het werk van de Heilige Geest nodig om zich  te engageren voor de hindernissen van de oecumenische dialoog, maar ik ben er van overtuigd dat er gelijdelijkaan zich een geest van vrede zal vestigen en dat theologische oplossingen vorm zullen krijgen. Er  zijn na de tweede wereldoorlog  bilaterale commissies  voor de dialoog opgericht, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau om de loop van de geschiedenis te proberen te overstijgen en om samen opnieuw onze gemeenschappelijke basis van voor de scheiding en conflicten te herstellen. Zo zullen wij door onze herinneringen aan de gebeurtenissen een daadwerkelijke therapie vinden voor onze scheidingen. Er is zeker enorm veel te zeggen over de aanwezigheid van de Orthodoxie in het Westen.  De Kerk levert ons de tijdgenoten en de zaden van heropleving  ontkiemen en ontluiken in onze harten en in onze levens. De Heilige Geest maakt ons tot tijdgenoten van de verrezen Christus. Gans het liturgisch en sacramentele leven van de Kerk zal een gelijkvormigheid zijn aan het mysterie van Christus’dood en verrijzenis.Zijn dood en verrijzenis bepalen de wet zelf van ons leven en ons worden, hier en nu. Wij kennen allen het impact van de dienst van Paasnacht op hen die er kunnen aan deelnemen, orthodoxen, christenen of zelfs ongelovigen. Ik was bijzonder in de war  bij het lezen van een brief afkomstig van gevangenen in een kamp voor gedeporteerden in  het hoge Noorden van de Noordpool, aan het monasterie van de Solovki, dat een van de gruwelijkste plaatsen is geworden voor de gevangenschap van gelovigen gedurende de grote vervolging van de jaren 30. Men beschreef er de nacht-celebratie van de vigilie van Pasen, door hen waarvoor het wellicht de laatste gelegenheid was en de laatste genade om te kunnen roepen dat ‘Christus is verrezen’. 
2. Het concept van Tradititie is essentieel  in het orthodoxe leven. Een noodzakelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen Traditie en tradities. Deze laatste zijn eerwaardig, maar relatief, locaal. In haar essentie bestaat de Traditie in de omvorming van de evangelische Boodschap  in tijd en ruimte, doorheen de categoriën van gedachten, de gevoeligheden van de naties, de culturen, in dat wat we de inculturatie noemen, iets dat tegelijk belangrijk maar delicaat is in de cultuur van een bepaalde tijd of land. Aldus zullen de grote christelijke families met hun kenmerkende liturgieën , hun theologische accenten, hun muziek en iconografie zich doorheen de geschiedenis ontwikkelen. Denken we hier aan de christenen van Irak en de semitische  talen, de antiocheense  en syrische traditie, de byzantijnse Orthodoxie en verder de  slaven en roemenen, de westerse families, romeins, milanees, celtisch, spaans. Vandaag de dag is het een franse orthodoxie die op zoek is naar zichzelf zonder de historische wortels van de locale christenheid en haar oosterse wortels te negeren. Men moet hier verduidelijken dat onze moderne maatschappijen diep getekend zijn door wat men zou kunnen noemen : een  ‘ontwaarding’ van de traditie. Wat hierin overheerst is de continuïteit doorheen de wisseling van generaties alsook de autoriteit waarmee de traditie is bekleed om de huidige en toekomstige handelingen in goede banen te leiden. De moderniteit  toont  een definitieve breuk. Door haar ontwikkeling zelf veroorzaakt zij een breuk met de traditie, haar uitsluiting zowel op religieus, sociaal of familiaal vlak. Maar de overdracht zelf van het geloof gebeurt altijd in de Kerk, in het leven en het geweten, in het gezond verstand van de kerkelijke gemeenschap en een levendige liturgie, maar ook , en niet minder in een persoonlijke relatie door een  levendige overdracht van wat ik in de brede zin van het woord zou noemen :  een geestelijk ‘vaderschap’ (of ‘moederschap’). Wij kunnen hierbij nog verduidelijken dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geestelijk vaderschap in de strikte zin van het woord, als een waarachtige geboren worden in God, en anderzijds in de meest brede zin van het woord, door de uitwerking welke personen, heiligen van alle tijden , en  kerkvaders kunnen hebben in ons leven. In het verleden sinds de H.Ignatius van Antiochië of de H.Ireneüs, Basilios, de twee Grogoriussen, Johannes van Damascus, Gregorius Palamas, de spirituelen, Serafim van Sarov, Silouan de Athoniet, de heiligen dus van het verleden en het heden, deze heiligen die onder ons zijn wekken ons op en hun spirituele ‘gen’ vinden wij terug in onze eigen bestendigheid en identiteit. Ten slotte, deze kerkelijke traditie brengt ons terug naar de apostolische tijd, naar de Kerk van de apostelen en de martelaren, want de Kerk is altijd apostolisch en  de Kerk van de martelaren, en het is in de Heilige Geest dat de overdracht zich voltrekt in de trouw, zonder er iets aan toe te voegen of af te nemen.Ik zeg wel : zonder er iets aan toe te voegen. Het is op dit punt, dat de orthodoxen waakzaam moeten zijn en zich niet moeten laten overweldigen en laten inslapen door de rijkdommen van onze geschiedenis en onze tweeduizendjarige bestaan. Zij moeten in staat zijn om telkens opnieuw terug te keren naar het essentiële , dit wil zeggen, naar onze gemeenschappelijke christelijke boodschap. 
3. De schoonheid. Deze derde titel zal ons misschien wat verbazen, maar het lijkt mij belangrijk om onze visie en de ervaring van de orthodoxie in verband met de schoonheid die voortvloeit uit de liturgische dienst, maar ook de innerlijke schoonheid en harmonie, die het vredige hart uitstraalt en verlicht, niet te negeren. Eén van de meest bekende verzamelingen  die de geschriften bevatten van de oosterse spirituelen, gaan terug vanaf de eerste eeuwen tot de 15e eeuw, en zijn verzameld door Nicodemus de Hagioriet in de 18e eeuw. Het is getiteld : Philocalia, dit wil zeggen : liefde voor het schone. Geheel de grote oosterse traditie van het gebed van het hart, van de aanroeping van de Naam Jezus, doorheen de strijd tegen de passies, is vervat in deze verzameling die zeer vroeg reeds in het slavisch, russisch, roemeens, en, vandaag in de meeste moderne talen waarvan ook in het frans is vertaald. Het thema van de schoonheid is zeer dikwijls verborgen gehouden in onze theologische handboeken, het volgt nochtans met kracht uit de lofprijzing van de psalmen over de schepping, uit de woorden van Jezus die zijn bewondering uitdrukt voor de lelies op het veld, en boven alles van de Schepper Zelf, die de zevende dag uitrustte van de mooie werken die Hij had geschapen. Deze schoonheid en harmonie vindt men terug in de liturgische dienst, in de gezichten van de iconen, maar niet minder ook in de vredevolle  en licht uitstralende gezichten van Christus. Maar spreken over iconen dwingt ons eraan te herinneren, dat de waarachtige icoon verborgen is in het diepste van ons hart, en deze moet men herontdekken, vernieuwen, herstellen. Zo impliceert het spreken over de liturgische dienst en de iconen hun intieme band met de innerlijke cultus, met de offerande van het hart en de onophoudelijke aanroeping van de Naam van Jezus, die wij toevertrouwen aan allen en aan de schepping in haar geheel. Het is een waarachtige voorsmaak van de helderheid en de vrede van het Koninkrijk.. Maar dit herstel van de harten en deze uitstraling achter en buiten onze kerkelijke gemeenschappen is het fundamentele werk en de gave van de Heilige Geest, van Hem waarvan de Heilige Serafim zei : ‘Verwerf een geest van vrede en duizenden zullen bij u het heil vinden’  
Tot besluit: Gegrepen door het vuur van de Geest die ons aanzet om een inspanning te leveren om het eigen van de orthodoxe boodschap af te bakenen tegenover de westerse wereld en kortweg tegenover de wereld, aanroep ik tot besluit en als conclusie de Heilige Geest aan die ons  vernieuwt, ons opbouwt en ons gelijk maakt aan het beeld van Christus’ dood en verrijzenis, deze Geest die de  richting bepaalt van onze weg vanaf  de geboorte tot de dood, die ons opbouwt tot levendige en biddende gemeenschappen, en tenslotte, die ons zendt in de wereld om er de boodschap van liefde, vrede en hoop uit te dragen. Alleen het vuur van de Heilige Geest kan de wereld omarmen. Beleven wij vandaag de dag niet de pijnlijke en moeilijke coëxistentie van twee werelden , de Kerk en de omringende wereld ? Twee werelden die zodanig verwijderd zijn dat het soms lijkt alsof de goddelijke boodschap slechts met moeit kan verkondigd kan worden. Ligt de fout van deze pijnlijke coëxistentie van Kerk en wereld bij de wereld alleen ? Indien de wereld in de hel van de onwetendheid, van de zonde en het lijden verkeert, moeten wij ons toch maar herinneren, vooreerst aan ons zelf, en vervolgens aan de wereld, dat de poorten van de hel waarmee wij in aanraking komen en die een echo vindt in onszelf, dat deze poorten van de hel verbroken zijn door de onoverwinnelijke kracht van de Verrezene. Geloven wij dit werkelijk ? Geloven wij sterk in de paas-overwinneng van Christus en de roemrijke en actuele kracht van de levende Geest ? Zo is het werk van de Geest die ons gelijkvormig maakt aan Christus, die ons de liefde en het medelijden van de Vader openbaart. Door Christus en de H.Geest gaan wij naar de vader. Of zoals een russische filosoof het eens zei, ‘Ons sociaal programma, is de Heilige Geest’. Hij is volledig aan het werk in de wereld en doorheen ieder van ons. En terugkerend naar de titel van deze uiteenzetting, moeten wij misschien niet wat minder denken aan de Orthodoxie en wat meer aan het Evangelie en de Verrijzenis, moeten wij ons niet wat minder verheerlijken en ons gaan beroepen op de ‘oosterse’ rijkdommen , die maar al te dikwijls ‘slapend’ en ‘ondoeltreffend’ zijn. Vooral moeten wij getuigen zijn van Hem die gekomen is, niet om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor het heil van de wereld. 
cross2
 

Vertaling : Kris Biesbroeck

         

01-11-07

Commentaar op de geloofsbelijdenis deel 1

firebirdCrossA


 

 

COMMENTAAR

OP DE GELOOFSBELIJDENIS

 

Deel 1

 

 

Concilie 1e
                              Concilie van Nicea

De inleiding en de commentaar op het eerste artikel van de Geloofsbelijdenis van Nicea - Constantinopel zijn van de hand van Vladimir Lossky. Hij schreef het kort voor zijn dood in 1958. De commentaar op de andere artikelen zijn van de hand van Bisschop Pierre L'Huiller (Bisschop gewijd in 1968)

 

De tekst werd gepubliceerd in de revue CONTACTS, nr. 38-39 in 1962.

 

INLEIDING

 

            Het Credo of symbolum van het geloof is een plechtige belijdenis van de Christelijke dogma's, gelezen en gezongen tijdens de Liturgie, vóór het begin van het eucharistisch mysterie. Het eerste woord van deze heilige tekst - in het latijn : Credo, ‘ik geloof' - heeft betrekking op de artikels die volgen en geven aan deze uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof van het godsvolk de waarde van een persoonlijk engagement van elk lid van de Kerk die samen belijden: ‘ik geloof', en verder ‘ik belijd', ‘ik wacht' (of ‘ik hoop').

 

            Maar, is het voldoende om dit met de lippen te belijden, zelfs als men het met alle ingetogenheid van het hart doet, indien de gedachte niet instemt met de diepere betekenis van deze woorden, woorden  die uitgedacht zijn door de Kerkvaders, om de geopenbaarde waarheid  tot bij ieder verlicht verstand door het geloof in Christus te brengen ?

 

Een groot orthodox theoloog van vorige eeuw, Metropoliet Philaret van Moscou, maakt een onderscheid tussen het geloof als geopenbaarde Waarheid, en het geloof als een bewuste instemming met de Openbaring. Een blind vertrouwen  ten overstaan van het gezag van het geloof is niet voldoende om ‘het geloof te bezitten' : ‘ Zolang uw geloof steunt op de Heilige Schrift en op het Symbolum, behoort ze God toe, aan Zijn profeten, aan Zijn Apostelen, aan de Kerkvaders; het is nog niet uw geloof. Maar wanneer je het in uw gedachten hebt, in uw geheugen, dan begin je het geloof te verwerven...

 

Men moet dus de 12 artikels van het geloof bestuderen, opdat deze woorden welke we in elke Liturgie opzeggen, onze gedachten zouden opwekken en we bewuste mensen zouden zijn  in Christus'Kerk.

 

Voordat wij het onderzoek van de Christelijke dogma's die in het Credo kort worden weergegeven bestuderen, moeten we enkele woorden zeggen over de geschiedenis van deze ‘regel van het geloof', welke een universele betekenis heeft gekregen in de Kerk.

 

Vóór het begin van de IVe eeuw waren de ‘symbolen' of korte formuleringen van het christelijk geloof vooral verbonden met het doopsel en met de catechetische voorbereiding. Zij waren dus tamelijk talrijk en varieerden volgens de lokale tradities van de Kerken. Deze belijdenisformules welke de nieuw gedoopten moesten uitspreken op de dag van hun doopsel, noemde men in de IIe eeuw ‘regel' of ‘canon' van het geloof.

 

Een nieuw type van canon verscheen in de IVe eeuw. Het was een antwoord op een noodzaak om het orthodoxe geloof duidelijk te formuleren ten overstaan van de ketterse leringen. Het zijn de conciliaire symbolen, die niet meer alleen een band hebben met het doopsel, maar die een veel bredere plaats gingen bekleden in het leven van de Kerk.

 

Het eerste Credo dat verkondigd werd door een algemeen concilie, was dat van Nicea (325). Het was een lokaal Credo (‘doopsel-credo'), waarschijnlijk van de Kerk van Jeruzalem, herschreven door een commissie van theologen, die het heeft uitgebreid om meer de goddelijkheid van Christus in het licht te stellen, dit tegenover de leer van het arianisme . Dit Credo had nog een universele autoriteit als een dogmatische belijdenis op de concilies van Constantinopel (381), Ephese (431) en van Chalcedonië.

 

Het Credo dat wij vandaag gebruiken, onder de naam van ‘symbolum van Nicea-Constantinopel' heeft slechts een algemene gelijkenis met het eerste Credo van Nicea. Ons Credo was oorspronkelijk, één van de uitdrukkingen van het ‘geloof van Nicea', met een sterk ontwikkelde leer over de goddelijkheid van Christus, voorgekomen uit de familie van doopbelijdenissen van Antiochië-Jerusalem, ná 370. Dit Credo, van het liturgische type, is waarschijnlijk bijgewerkt te Constantinopel door de Vaders van het IIe oecumenisch Concilie ten behoeve van de doopliturgie, zonder de intentie te hebben om ze in de plaats te stellen van het symbolum van Nicea. Men leest het met dit van het IVe Concilie (Chalcedonië) als een algemeen erkende  officiële dogmatische formule. Het werd als dusdanig in de liturgische praktijk van het Keizerrijk ingevoerd.

Op het einde van de Ve eeuw zal dit liturgisch Credo van Constantinopel beschouwd worden als het volledige en definitieve Credo van Nicea, en zal het vervangen. Het zal overal aangenomen worden als de  volmaakte ‘regel van het geloof' en het zal geleidelijkaan alle andere geloofsbelijdenissen van het Christelijk geloof vervangen : doop - of conciliaire belijdenissen. Het VIe oecumenisch Concilie (680) zal de autoriteit van dit Credo, genaamd ‘van Nicea-Constantinopel' definitief   bevestigen.

 

            De Christenheid van het Westen heeft naast het universeel Credo, een plaatselijk Credo bewaard : genaamd ‘het Credo van de Apostelen'. De oorsprong van dit latijns doop-Credo moet zeker zeer oud zijn, maar de definitieve formulering ervan  dateert pas van in de VIe eeuw.

 

ARTIKEL 1

Ik geloof in één God de almachtige Vader,

Schepper van hemel en aarde, van al wat zichtbaar en onzichtbaar is..

            De God van de Christelijke openbaring, de God van de Heilige Schrift en van het traditionele geloof van de Kerk, is géén onpersoonlijk Zijn, een Absoluut zijn zonder gezicht, Hij is niet onverschillig voor het lot van de mensen. Het monotheïsme van de christenen is niet dat van de filosofen. Maar het onderscheidt zich evenzeer van het restrictief monotheïsme van de religieuze tradities zoals het Jodendom en de Islam, die de levende en persoonlijke God van het Oude-Testament erkennen, zonder echter te erkennen dat deze God-Persoon zich kan onderscheiden van Zijn absolute Essensie, en  van Zijn eenzaamheid kan uitgaan, om méér  te zijn dan één Persoon, méér te zijn dan een gereduceerd te zijn tot zijn enig-zijn. De volheid  van de openbaring komt aan het Nieuwe Testament toe : de Zoon van God is mens geworden en wij zijn waardig geacht om de Heilige Geest te ontvangen die voortkomt uit de Vader. De Enige en persoonlijke God van het Christendom is een Drie-eenheid van Personen. Het is daarom dat de Verrezen Christus zijn leerlingen zal zenden  ‘ gaat heen en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest' (Matt.28,19). Het Credo van de Kerk is een verklaring van deze doop-formule.

 

Het aanvangsartikel, waar men het geloof ‘in één God' belijdt, richt zich tot de eerste Persoon van de Drieeenheid, tot de Vader die het persoonlijk Principe is van de onzichtbare Godheid, gemeenschappelijk aan de Drie Personen. De Drie - Vader, Zoon en Heilige Geest - zijn op dezelfde wijze God, zonder nochtans ‘drie Goden' te zijn, maar ‘één enkele God', één enkele essentie,substantie of natuur, in drie hypostasen of Personen. Krachtens deze absolute eenheid van zijn, onderscheiden deze drie Personen in niets van mekaar, alleen de wijzen van bestaan zijn eigen aan elke van de Drie : de van eeuwigheid bestaande Vader, het geboren zijn van de Zoon en het voortgekomen of uitgegaan zijn van de Geest. Men moet hieraan toevoegen dat deze persoonlijke eigenschappen een drievoudige relatie veronderstellen die ons toelaten om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest van elkaar te onderscheiden, het moet ons leren om op een positieve wijze elke Persoon met de twee anderen te verbinden, zonder ze nooit in onze gedachten te isoleren. Als we spreken over de Almachtige God en ‘Schepper', dan mogen we niet vergeten, dat Hij alles schiep door zijn Woord (Joh.1,3), en dat diezelfde scheppende kracht niet vreemd is aan de Levensschenkende Geest.

 

            Er dient opgemerkt te worden dat de uitdrukking ‘almachtige', alhoewel ze juist is, toch niet getrouw de inhoud weergeeft van de griekse term ‘Pantocrator', wat wil zeggen : ‘Meester van alle dingen'. Alleen de God van de Bijbel, die Zijn naam aan Mozes heeft geopenbaard, zeggende : ‘Ik ben Diegene die is' (Exodus 3,14), is ‘Schepper' in de volle zin van het woord, Voortbrenger van het zijn vanuit het niet-zijn. Hij is geen goddelijke Veroorzaker, een ordenende ‘Demiurg' van een eeuwige vormeloze materie, van een voorafbestaande chaos van de wereld. Indien God alle dingen uit ‘het niets' heeft geschapen, dan moet men zich niet voorstellen dat er een pre-existerend ‘niets'(néant) bestond vóórdat de wereld als mogelijkheid geschapen werd. Het ‘niets' (néant) is geen principe  dat men tegenover het absolute Zijn van God zou kunnen stellen : deze uitdrukking ontvangt haar enige betekenis in relatie met het geschapen zijn dat ‘begon' te bestaan, zonder enig  voorafgaande conditie voor dat ‘begin' (Genesis 1,1), buiten de almachtige wil van God.

 

            Men moet echter niet aannemen dat dit ontbreken van externe condities ons ertoe zou verplichten om te veronderstellen dat God alles schiep ‘uit zichzelf', door een soort van emanatie, veruiterlijking : de wereld is niet een gedegradeerde en verwaterde Godheid, maar een absoluut nieuw zijn, tot het bestaan geroepen door een Schepper die door geen enkele interne noodzaak  bepaald  werd. De Schepping is een volstrekt vrije daad, een belangeloze act van de wil van God, wat niet wil zeggen een ‘willekeurige' act : De orde in het universum laat ons Gods Goedheid, Wijsheid en de Liefde van de Schepper om aan de wereld een zin en de hoogst mogelijke bestemming heeft gegeven, door hem aan het gezag van  persoonlijke en vrije mensen, geschapen ‘naar het beeld en de gelijkenis' van God (Gen.1,26-27).

 

            ‘De hemel en de aarde' : een bijbelse uitdrukking (Gen.1,1), die de gehele kosmos wil aanduiden, alles wat geschapen is als zijnde door God geschapen, krijgt in de patristieke exegese een  scheidend karakter, dit van de geestelijke en spirituele werkelijkheden, van de onzichtbare wereld van de ‘hemelse' geesten en van de visuele wereld waarin wij leven, waarmee wij nauw verbonden zijn door onze lichamelijke (biologische) en aardse  conditie. Men ziet dat dit onderscheid tussen ‘hemel' en ‘aarde' geenszins de noodzaak impliceert om een geocentrische kosmologie aan te nemen. Algemeen gesproken is het zo, dat ‘het conflict tussen wetenschap en religie' een vals probleem is, dat in onze tijd  alleen maar benadrukt wordt door slecht geïnformeerde gelovigen of sommige bekrompen wetenschappers, die in  hun willekeurige negaties over alles wat  in de experimentele wetenschappen het visuele domein overstijgt  in ‘materialistische' dogma's vastleggen. Immers, het is niet door de ruimte te exploreren dat men de spirituele onmetelijkheid van het geschapen universum zal ontdekken. Het is ook niet door de nucleaire fysica dat we het zullen leren kennen, door de structuur van de materie te gaan analyseren, deze al-machtige energie van de Schepper die het ‘bestaan' geeft aan alle ‘zichtbare en onzichtbare dingen'.

 

ARTIKEL 2

En in één Heer Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God

voor alle tijden geboren uit de Vader,

Licht uit licht- ware God uit de ware God-

geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader,

en door wie alles geschapen is.

 

          Er is een duidelijke ongelijkheid in het Symbolum tussen het enige artikel dat zich richt op de eerste Persoon van de Heilige Drieeenheid en de zes artikels die betrekking hebben op de tweede persoon. Dit is gemakkelijk te begrijpen : het geloof in de almachtige God, Schepper van het universum, is gemeenschappelijk voor het jodendom en het christendom. Dat is echter niet zo, wanneer het gaat om de persoon en het werk van Onze Heer Jezus Christus.

 

            Om te beginnen stelt de relatie van God de Vader met de Zoon het probleem van het monotheisme : het Nieuwe Testament bevestigt bewust de goddelijkheid van Christus (Joh,1,1) zonder aan het strikte monotheisme te verzaken : de Vader en de Zoon zijn één ; de Heer zelf zegt het (Joh.,17), maar de manier waarop deze éénheid begrepen wordt, of veeleer, de menselijke benadering van deze waarheid is het voorwerp geweest van scherpe controverses. Twee valse oplossingen werden aangebracht : deze van de modalisten, die elk onderscheid tussen Vader en Zoon ontkenden, en deze van het Arianisme, die de volheid van de godheid weigerden aan Christus toe te kennen. Bovendien doet het absoluut reëel karakter van de mensheid van Christus de vraag rijzen over het  verband tussen het menselijke en het goddelijke in Zijn zijn. De controversen over dit tweede punt hebben slechts hun omvang gekend nadat ons Credo reeds geschreven was. De Kerk heeft door middel van andere definities moeten verduidelijken - namelijk door deze van het concilie van Ephese (431) en van Chalcedonië (451) - wat reeds bevestigd was door het Symbolum van Nicea-Constantinopel.

 

            Wij moeten hier even over iets anders uitweiden, om te onderlijnen dat de artikels van het Credo betrekking hebben op de Persoon en het werk van Christus, evenals de definities van de latere oecumenische Concilies. Zij kunnen op geen enkele wijze worden beschouwd als nutteloze speculaties die de zuiverheid van de evangelische boodschap zouden hebben vervalst, want wat de Kerk door middel van haar dogma's verdedigt is juist het meest fundamentele in de nieuw-testamentaire openbaring :  De boodschap van het heil geschonken door de mensheid in Jezus Christus. Welnu, indien Christus niet reëel en volledig God en Mens is, dan blijft de afgrond tussen het goddelijke en het menselijke onoverkoombaar. Wij komen op dit punt nog terug wanneer wij de artikels van het Symbolum met betrekking tot de incarnatie en de Verlossing zullen bespreken.

 

            De Kerk belijdt in het tweede artikel van het Symbolum van het Geloof vooreerst het uniek-zijn van de Zoon van God; hiermee is de ketterse interpretatie van het adoptianisme weerlegt, volgens welke Jezus slechts een geadopteerde mens was door God. Alleen Jezus Christus is van nature Zoon van God; de aanvaarding hiervan door de Christenen bij hun doopsel, brengt mee, dat zij zonen van God worden, maar dit heft in niets het radicale onderscheid tussen het ongeschapene en het schepsel op. Wij worden zonen van God door genade, Christus is het van nature en het is alleen omdat Christus het is van nature dat wij het kunnen worden door genade.

 

            Door te belijden dat de Zoon ‘voor alle tijden geboren is uit de Vader, belijden we niet dat de geboorte eenvoudigweg voorafgaat aan de schepping, maar dat zij buiten de tijd is, omdat het begrip tijd verbonden is met dat van de schepping. Daarom lezen wij in het Evangelie dit woord van de Heer : ‘Vóór Abraham werd, BEN IK' (Joh.,8,58), en niet ‘was ik', wat slechts een aanduiding zou zijn van een voorafgaan in de tijd. Men moet noteren dat de bevestiging van de geboorte ‘vóór alle tijden' op discrete wijze gericht is tegen de godslasterlijke formulering door de Arianen met betrekking tot de Zoon : ‘ Er was een tijd waarin hij niet was'.

 

            De Zoon is ‘Licht uit licht, ware God uit de ware God', want  behalve de persoonlijke begrippen ( dit wil zeggen : de eigenschappen door dewelke wij een Persoon van een ander in de Heilige drieeenheid kunnen onderscheiden), zijn de drie goddelijke Personen  absoluut identiek. Dit is het wat de heilige Gregorius van Nyssa ook zegt : ‘indien wij de goddelijke Natuur zonder onderscheid belijden, dan ontkennen wij het verschil tussen Oorzaak en veroorzaakte niet, en het is alleen daarin dat de ene zich onderscheidt van de ander' (Quod non sint tres dii, PG 45,133).

 

            Om deze volmaakte gelijkenis van de Vader en de Zoon uit te drukken, zegt de apostel Paulus ons dat Christus het ‘beeld van God' is (2 Kor.,4,4); In de brief aan de Hebreeën  wordt de relatie van de Zoon ten overstaan van de Vader uitgedrukt met deze woorden : ‘Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van Zijn wezen' (1,3)

Een Vader uit de IIIe eeuw, de heilige Gregorius de Taumaturg, bisschop van Neo-Césaréa heeft op wonderbare wijze deze theologie van het Beeld samengevat in zijn geloofsbelijdenis, waar wij lezen : ‘Eén enkele God, Vader van het levende Woord, van de voortbestaande Wijsheid, van de Kracht, van de eeuwige Beeldenaar; het Volmaakte dat het volmaakte voortbrengt, Vader van de enig-geborene Zoon. Eén enkele Heer, Onvergelijkelijke van het Onvergelijkelijke, God van God, Afdruk en Beeld van de goddelijkheid, actief Woord, Wijsheid die alle dingen bijeen houdt, efficiënte Oorzaak van de ganse schepping, Waarachtige Zoon van de waarachtige Vader, Onzichtbare van het Onzichtbare, Onvergankelijke van het Onvergankelijke, Onsterfelijke van het Onsterfelijke en Eeuwig van het Eeuwige' (Apud saint Grégoire de Nysse, PG 46,912)

 

Verduidelijkend wat reeds is geaffirmeerd bij het begin van het artikel, belijdt de Kerk altijd, tégen Arius en zijn aanhangers, dat de Zoon is ‘geboren, niet gemaakt', want het eeuwig voortkomen van de Zoon door de Vader, zoals trouwens ook het ontstaan van de heilige Geest, is een act van het goddelijke intra-trinitaire leven, dat niets gemeenschappelijk heeft met de schepping. Men kan zelfs geen analogie vinden tussen het ontstaan  van de Zoon door de Vader en de schepping, dat een werk is ‘ad extra' van de Heilige Geest, want volgens de bewonderenswaardige woorden  van de heilige Gregorius van Neo-Cesaria : ‘Niets dus van geschapen zijn of slaafsheid binnen de heilige Drieeenheid; niets van toevalligheid; niets dat, niet eerst reëel is, komt nadien'.

 

Om een einde te maken aan alle onduidelijkheid, hebben de Vaders van het oecumenisch concilie van Nicea bevestigd dat de Zoon ‘consubstantieel'(één in wezen') is (in het grieks :'homoousios) met  de Vader : het is het logisch gevolg van de voorafgaande bevestigingen : de mede-eeuwigheid van de gelijk-goddelijkheid van de goddelijke Personen, hun volmaakte eenheid van essentie. Deze term had het voordeel om elke ambiguïteit te vermijden, want de Ariaanse ketters gebruikten graag ofwel uitdrukkingen uit de Schrift, in het voordeel van hun theorieën , ofwel vage formuleringen die onderhevig waren voor verscheidene interpretaties. Het is daarom dat alle orthodoxe doktors, na de nodige verduidelijkingen,uiteindelijk besloten om zich te scharen achter deze term. De consubstantialiteit van de goddelijke Personen is een fundamenteel dogma van het authentisch christendom.

 

Het tweede artikel van het Symbolum eindigt met de bevestiging dat alles gemaakt werd door de Zoon : het is het echo van de klaar geformuleerde leer in het Nieuw Testament (Joh.,1,3 ; Kollossenzen 1,16). De ganse schepping is het gemeenschappelijke werk van de drie goddelijke Personen. Niettemin zijn zij de oorzaak van het zijn op een manier, eigen aan elk van hen ‘Indien de Vader de eerste oorzaak is, en de heilige Geest de vervolmakende oorzaak is, dan kan het Woord de bewerkende oorzaak worden genoemd'.

 

Het Credo zegt eigenlijk weinig over dit punt; het bevestigt alleen het traditionele geloof met deze eenvoudige woorden : ‘ door wie alles geschapen is'. Deze kortheid kan gemakkelijk verklaard worden : vooreerst heeft dit geformuleerde dogma in het Evangelie nooit het object geweest van controverses onder de christenen; anderzijds is het Credo de belijdenis van het geloof en men kan er geen zuiver speculatieve theorieën aan toevoegen die, hoe legitiem ze ook zouden zijn, zouden voorwenden deel uit te maken van het domein van de geloofsregel.

 

ARTIKEL 3

 

Hij is voor ons, mensen,en omwille van ons heil

uit de hemel neergedaald,

Hij heeft het vlees aangenomen, door de heilige Geest

uit de Maagd Maria, en is mens geworden.

          Terwijl het tweede artikel handelde over de Zoon in zijn ontologische en eeuwige relatie met de Vader, heeft het volgende artikel betrekking op de incarnatie van de Zoon.

 

            De nieuw-testamentische openbaring ,  vrijuit verkondigend dat de Messias die verwacht werd door Israël  het geïncarneerde Woord van God is, vertegenwoordigt zowel de vervulling als de voltooiing van het Oude Testament :

De profeten hadden duidelijk de komst van een nieuw tijdperk aangekondigd door een Messias, 't is te zeggen een gezondene door de Allerhoogste. De lijnen van deze Messias worden er zelfs verduidelijkt; zo schetst het boek Jesaja de figuur van de Dienaar die vernederd en beledigd wordt (Jes.53). Anderzijds, had de joodse gedachte, trouw blijvend aan een strikt monotheïsme, een zekere personalisatie opgemerkt van de goddelijke Wijsheid (bijvoorbeeld, Pr, 8-9, Ecc, 1 en 24), maar nooit was het verband van persoonlijkheid  tussen de bevrijdende Messias en de hypostatische goddelijke Wijsheid duidelijk merkbaar. Bovendien, hebben de laatste eeuwen voor onze jaartelling bij de joden het ontluiken naar voor gebracht van een geëxalteerd en een naar xenofobie ruikend nationalisme dat min of meer de messiaanse en universalistische visie van de oude profeten vervaagde. De verwachte Messias was bij velen niets anders dan iemand die de Joodse staat  in ere zou herstellen. Zelfs de apostelen, vóór pinksteren, kwamen  er niet toe zich van deze opvatting te ontdoen (Hand.1,6).

 

            Het derde artikel van het symbolum is het echo van de evangelische bevestiging : En het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond(Joh.1,14). De Kerk heeft altijd met strengheid de leer over de Incarnatie verdedigd; dit tegenover hen die deze waarheid, die de basis is van ons heil , negeerden of verdraaiden. In de commentaar van het vorige artikel, hebben wij de gehechtheid van de Kerk onderlijnd aan de bevestiging van Jezus Christus als de ware God en de ware Mens. De orthodoxe christenheid heeft ijverig gevochten tegen  het doketisme, die, vanuit een gnostisch dualisme, de realiteit van de Incarnatie ontkenden. Het is tegen deze ketters dat  de Heilige Johannes polemiseert in zijn eerste brief, wanneer hij schrijft : Hieraan onderkent gij de Geest van God : ieder geest die belijdt dat Jezus Christus werkelijk mens is geworden, is van God; maar iedere geest die Jezus neerhaalt, is niet van God, en dat is de eigenlijke ‘Antichrist'(1 Joh. 4,2-3). In zijn tweede brief schrijft hij verder : Want veel verleiders zijn tot de wereld uitgegaan; zij loochenen de komst van Jezus Christus in het vlees. Dat is het kenmerk van de verleider en de antichrist (2 joh.7-8).

Daarom roept de Heilige Schrift ons op om waakzaam te zijn, niet alleen voor de ketterij van de doketisten, maar ook en meer algemeen voor elke vorm van pseudo-spiritualisme dat de leer van Jezus Christus niet centraal stelt : Geïncarneerd Woord van God.

 

            De Incarnatie is de ‘gebeurtenis' bij uitstek in de heilsgeschiedenis : zij is geen feit dat men kan meerekenen bij vele andere. Het is de gebeurtenis die radicaal de geschiedenis heeft bepaald, want, door de Incarnatie van het Woord zijn de betrekkingen tussen God en de mens volledig getransformeerd. Het christendom heeft een rechtlijnige en geen cyclische opvatting van de tijd : dit wil zeggen, dat de tijd een bepaald begin heeft door de schepping en een einde dat zal bepaald worden door het laatste Oordeel. En deze lijn is juist op één punt onderbroken : door de Incarnatie. De Apostelen en de christenen van de eerste eeuwen hebben dit beslissend karakter van de Incarnatie miskend. Zij hebben er juist de aanvang in gezien van  het eschatologisch tijdperk dat door de profeten werd aangekondigd (zie bijvoorbeeld Hand.11,14-36 - bemerk de referentie naar Joël 3,1-5). Ireneus van Lyon, de grote doctor en getuige van de Traditie op het einde van de IIe eeuw, noemt het tijdperk dat begint met de Incarnatie : de ‘novissima tempora', de laatste tijden (Adv. Haer.3,24,1), onafhankelijk van elke beschouwing over de duur ervan.

 

            Men zal bemerken dat de terminologie van het credo eenvoudig is, en de dogmatische verduidelijkingen beknopt : ook hier moeten we voor de geest houden wat gezegd is in de commentaar van het voorgaande artikel over de bewuste afwezigheid van speculatieve theologie.

 

            De reden van de Incarnatie wordt dus samengavat in deze termen : ‘voor ons, mensen, en omwille van ons heil'. Overbodige  en ijdele speculaties of de Incarnatie ook plaats zou gevonden hebben zonder de erfzonde en dus zonder noodzaak van een verlossing, hebben geen plaats in de bewoordingen van de Regel van het Geloof. Anderzijds moet men aanstippen dat de universaliteit van het heil dat aan de mensheid is geschonken impliciet geaffirmeerd wordt in  de formulering van het artikel, en dit in overeenstemming met de zeer duidelijke bewoordingen van de Heilige Schrift : Dit is goed en welgevallig in het oog van God onze heiland, die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen (1 Tim,3-4). Het is nauwelijks nodig eraan toe te voegen dat de uitdrukking van het Credo ‘...voor ons mensen,...' niet alleen betrekking heeft op dit artikel maar ook op de volgende die de economie van het geïncarneerde Woord behandelen.

 

De woorden ‘uit de hemel neergedaald' hebben  natuurlijk niets te maken met een ruwweg materialistische opvatting. Zij duiden op een grenzeloze inschikkelijkheid  van de  Incarnatie en onderlijnen de realiteit van het gebeuren, waarvan de mysterieuze grootheid ervan met een dusdanige nauwkeurigheid en schoonheid wordt uitgedrukt in de dogmatische brief van de heilige Sophrony (VIIe eeuw), hij zegt : ‘.....als Hij, de onstoffelijke is geïncarneerd, dan neemt Hij onze vorm aan, Hij, die volgens de goddelijke essentie, vrij was van vorm wat betreft het uiterlijke en de verschijningsvorm; Hij neemt een lichaam aan als het onze, Hij de onstoffelijke, wordt waarlijk mens, Hij die zonder ophouden wordt erkend als God. Men ziet Hem, gedragen in de schoot van zijn moeder, Hij die in de schoot is van de eeuwige Vader; Hij, de tijdloze, ontvangt een aanvang in de tijd; dit alles, niet door een bevlieging, maar door zich waarlijk en werkelijk geheel te ontledigen, door de wil van zijn Vader en de Zijne, door onze menselijke substantie op zich te nemen , door een  wezensgelijke vorm als de onze aan te nemen, een redelijke ziel, gelijk aan onze zielen, een zelfde geest als de onze; want daaruit bestaat de mens' (Lettre dogmatique PG 87, col.31661). Men moet eraan toevoegen dat de term ‘ontledigen', dat ontleend werd aan sint Paulus (Fil.2,7) niet verkeerd geïnterpreteerd mag worden, want datgene waarvan Christus zich ontdaan heeft  bij de Incarnatie, is niet van de goddelijke natuur maar van de glorie die hij trouwens manifesteerde in de Transfiguratie. De Incarnatie van het Woord impliceert geen enkele wijziging met betrekking tot de Ene goddelijke natuur : deze waarheid van de wet vind haar echo's in de ‘Lex orandi' van de Kerk; zo leest men in een gebed van de Liturgie van Johannes Chrysostomos : ‘Maar in Uw onuitsprekelijke en onmetelijke liefde voor de mens, zijt Gij mens geworden zonder verandering, noch vervalsing en zijt Gij onze hogepriester geworden....'

 

            De Kerk belijdt dat onze Heer ‘geïncarneerd is door de Heilige Geest en de Maagd Maria', conform zoals het uitgedrukt wordt in het Evangelie (Matt,1,18-2); Luc.1,26-38). De vermelding van de Alheilige Maagd Maria onderstreept de realiteit van de menselijkheid van Onze Heer, die de Messias is, voortgekomen uit de stam van David, aangekondigd door het Oud Testament. De Incarnatie gebeurde niet alleen door de eeuwige wil van de Heilige Drieëenheid , maar ook met de instemming van de Alheilige Maagd (Luc.1,38). In deze vertrouwvolle gehoorzaamheid in het woord van God, ziet de kerkelijke traditie een antwoord op de ongehoorzaamheid van Eva. Het Heilige  Justinus schrijft in de eerste helft van de IIe eeuw : ‘Wij begrijpen dat Christus mens geworden is door middel van de Maagd, opdat de geprovoceerde ongehoorzaamheid door de slang een einde neemt door de weg zelf waar zij was begonnen. Immers, Eva, die voordat zij het woord van de slang tot zich had genomen, maagd en ongeschonden was, bracht ongehoorzaamheid en dood op de wereld. De Maagd Maria bracht geloof en vreugde toen de engel Gabriël haar aankondigde dat de Heilige Geest over haar zou neerdalen en de kracht van de Allerhoogste haar zou overschaduwen, opdat het heilige geboren Wezen de Zoon van God zou zijn. Zij antwoordde : ‘Mij geschiedde naar uw woord'. Hij is dus uit haar geboren, Hij waarover zovele Schriften spreken.... Door Hem vernietigt God het rijk van de slang, en van hen, engelen en mensen die aan de slang gelijk zijn geworden.Hij bevrijdt hen, die berouw hebben over hun zonden en in Hem geloven, van de dood' (PG 6, col.712). Met sobere woorden en dogmatische juistheid somt deze Kerkvader, die zo dicht staat bij de apostolische oorsprong, ons alle redenen op  waarop de verering van de Alheilige Maagd Maria gefundeerd is.

 

            Het artikel eindigt met de uitdrukking ‘Hij is mens geworden'. Door de incarnatie wordt Christus zoals de menselijke natuur in alles aan ons gelijk uitgezonderd de zonde (cf.Hebr.11,17;Rom.7,3;Fil.2,7).

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

(wordt vervolgd           

 

 

                zzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzzz

 

 

 

15-04-07

 Ontwikkeling van de anaphora (euch.gebed) in de byzantijnse liturgie

ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA (EUCHARISTISCH GEBED)

  IN DE OOSTERSE LITURGIE    

 

 1. DE HANDELINGEN VAN JEZUS TIJDENS HET LAATSTE AVONDMAAL.

 
Voor het ontstaan van de liturgie moeten wij teruggaan naar het laatste avondmaal. We vinden de verhalen hierover bij de drie synoptische evangeliën en bij Paulus.Bij Johannes vinden we de instellingsverhalen niet. Als we deze vier verhalen (1.Kor.11,23-33 ; Mark.14,12-25 ; Matt.26,26-29 en Lc.22,15-20) met mekaar vergelijken, dan  valt ons op dat het verhaal bij Marcus en Mattheüs sterk op mekaar gelijken, evenals het verhaal van Paulus en Lucas, alhoewel Lucas zich duidelijk door Marcus heeft laten inspireren. Het verhaal van Paulus is het oudse (de brief zou geschreven zijn rond 55), maar hij verwijst naar een hem overgeleverde traditie die terug zou gaan op Jezus zelf : ‘Want zelf heb ik bij overlevering  van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb…(v23). Het is namelijk zo, dat door de praktijk van de eerste Christenen de gebeurtenissen van de instelling tot ons zijn gekomen. Samengevat komt het hier op neer :  Jezus heeft bij het begin brood in zijn handen genomen ,Hij heft het brood omhoog  , Hij heeft vervolgens een gebed van lofprijzing uitgesproken. . Dan heeft Hij het brood gebroken het aan zijn leerlingen gegeven,

Hij heeft van dat brood verklaard : Dit is mijn Lichaam (Paulus voegt hier nog aan toe :’ voor u, doet dit tot mijn gedachtenis‘, en Lucas : ‘dat voor u gegeven wordt’). Dan had de  eigenlijke maaltijd plaats.Pas op het einde van de maaltijd volgde  het eucharistisch handelen met de wijn gemengd met water.In de versie van Lucas luidt dit :’Evenzo, de beker, na de maaltijd, zeggende : deze beker is  het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt’ (Lc.v 30) Ook bij Paulus vinden wij deze toevoeging.. Bij  Mattheüs en Paulus vinden wij de constructie  enigszins anders : ‘”Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’(Matt.28b-29a). Bij Paulus is het ongeveer dezelfde constructie., maar voegt eraan toe :’ doet dit, zo dikwijls gij die drinkt tot mijn gedachtenis’(1 Kor..11,26). Het verbond waarvan sprake verwijst naar het verbond dat God sloot met Mozes : ‘Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden’ (Exodus, 24, 8). Een verwijzing  naar het nieuwe verbond vinden we  bij Jeremias : ‘Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal..’(Jeremias, 31,31).

 

Uit bovenstaande kunnen we besluiten dat de instelling van de eucharistie plaatsvond tijdens een ‘maaltijd’. Vervolgens is hier reeds een eerste structuur merkbaar van een liturgie : brood nemen, dankgebed uitspreken, brood breken en uitdelen,   Hetzelfde met de beker. Ook inhoudelijk heeft jezus een belangrijk nieuw element aan toegevoegd : het brood en de wijn, worden tot lichaam en bloed van Hemzelf. Vervolgens de verwijzing naar het nieuwe verbond : het oude neemt hier een einde. Jezus sluit een nieuw verbond, dat reeds in het oude testament werd aangekondigd. Jezus is de vervulling van het oude verbond. En tenslotte : het is een gedachtenisviering , niet in de zin dat Zijn woorden louter symbolisch moeten worden opgevat, maar wel , dat telkens wanneer wij hetzelfde doen als Hij, Hijzelf zichzelf opnieuw tegenwoordig stelt.

 

2. DE JOODSE ACHTERGROND VAN DE EUCHARISTIE


Het ontstaan van de eucharistie  moet begrepen worden vanuit de praktijk van de Joodse religieuze maaltijden.. Jezus heeft de eucharistie ingesteld in het kader van het Joodse Paasmaal. In feite is het hier van minder belang, of dit was in het kader van een Paasmaal, dan wel gedurende een gewoon vriendenmaal ‘Het Joodse paasmaal is immers ritueel gezien een plechtiger vorm van een religieuze vriendenmaaltijd’ (A.Verheul : Grondstructuren van de eucharistie,Emmaüs, Brugge 1974).

.Om dergelijke maaltijden beter te begrijpen , moeten wij eerst iets zeggen over de ‘Beracha’ of zegenspreuken.

 
De ‘Beracha’ is de meest volmaakte gebedsvorm in de Joodse traditie. In de Beracha staat de Heer centraal. Hij wordt erkend in zijn liefdevol handelen. In de zegenspreuken wordt de Heer met name om drie dingen, die voor Hem het meest wezenlijk zijn geprezen.

In de eerste plaats wordt de Heer erkend als Schepper. Hij is de eigenaar, de koning en de schenker van alle dingen. Om al Zijn scheppingsgaven wordt Hij geloofd. Vervolgens wordt Hij geloofd, omdat Hij zich aan zijn volk geopenbaard heeft. Tenslotte wordt de Heer geprezen om Zijn belofte van de uiteindelijke Verlossing.

De ‘Beracha’ of zegenspreuk stelt de biddende gelovige in staat om ruimte te geven aan zijn gevoelens van verwondering en bewondering. Hij eert God om de wonderen die Hij verricht. Het handelen van de Heer boezemt de gelovige ontzag in. De aanspreekvorm in de ‘ Beracha’ is deels in de tweede persoon –‘Geprezen zijt Gij’ – deels in de derde persoon ‘(Hij) die ons ‘gesteld’ heeft…

 
Hoe verliep zo’n religeuze maaltijd ?

We baseren ons hiervoor op het boekje van A.Verheul, boven geciteerd.

 

Kort samengevat kunnen we zo’n maaltijd schematisch als volgt samenvatten :


Bij het begin van de maaltijd staat de voorzitter op ( men lag aan tafel) .

1.       Na een rituele handwassing drinkt iedereen uit de drinkbeker-          Ieder spreekt voor zich een zegengebed uit (Beracha)

2.       Begin maaltijd :  De voorzitter staat op (men lag aan tafel.)-          Hij spreekt een zegengebed tot Jahweh :’ Gezegend zijt Gij, heer onze God, koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen ‘. Allen antwoorden : ‘Amen‘. Hij brak het brood en gaf ieder van de mede aanliggenden een stuk dat zij nuttigden.

3.       Eigenlijke maaltijd – naar einde toe opnieuw zegengebed – -          tweede rituele handwassing

4.       Wijnbeker wordt aan de tafelvoorzitter gebracht, samen met  Water. Wijn wordt gemengd met water .

5.      Tafelvoorzitter vraagt toestemming aan mede-aanligge om Het zegengebed uit te spreken (Birkat-ha-zimmoen)  :-          Bij drie gasten zei hij : ‘laat ons lofprijzen’-          Bij vier :’ ‘zegent’-          Bij tien en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lofprijzen’-           Bij honderd en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lof-prijzen.

6.       Mede-aanzittenden geven hun toestemming met een lofspreuk :

7.       Opheffen van de drinkbeker en uitspreken van het grote  Zegengebed of Birkat-ha-mazon.

8.       Nadat hij het zegengebed had uitgesproken, liet hij ‘de beker der Zegeningen’ onder de medeaanliggenden rondgaan.

 
Staan we nog even stil bij de ritus met de beker (punt 7). De rite bestond hieruit, dat de tafelvoorzitter de beker een beetje hoog voor zich hield en na het gebed haar liet rondgaan en dat men daaruit dronk. Let er op, dat elke strofe eindigt met een korte zegenformule ‘Gezegend zijt gij Heer die…’ die het thema nog eens aangeeft. Er is dus sprake van een keten van Berachot (= meervoud van ‘Beracha’; ‘Beracha’ wordt in woordconstructies ‘birkat’.)Volgen we nu even de ritus van het grote zegengebed :

Inleidende dialoog : (V = Tafelvoorzitter ; A = antwoord van de mede-aanliggenden).

V : Laat ons de Heer, onze God lofprijzen. A.Gezegend zij de Naam van de Heer nu en altijd.

V. Met uw instemming zullen wij Hem zegenen, die ons in Zijn goederen heeft doen delen.

A.Gezegend zij Hij van Wiens gaven we hebben gegeten. Door zijn goedheid

Leven wij.

Dan volgt het uitspreken van de Birkat-ha-mazon ( bestaat uit drie afzonderlijke zegengebeden) :


Birkat-ha-zan
: Gezegend zijt Gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die heel de wereld voedt met uw goedheid, uw mildheid en uw barmhartigheid. Gij geeft aan alle vlees zijn voedsel, want Gij voedt en houdt in leven iedereen. Al wat Gij, Heer, geschapen hebt geeft Gij te eten. Gezegend zijt Gij, Heer, die aan allen hun voedsel schenkt.

 
Birkat-ha-aretz : Wij zeggen U dank, Heer onze God, voor het goede en uitgestrekte begerenswaardige land, waarnaar uw liefde is uitgegaan en dat Gij aan onze vaderen als erfenis hebt geschonken. Wij zeggen U dank voor uw verbond dat Gij in ons vlees hebt bevestigd, voor de Wet, die Gij ons gegeven hebt, voor het leven, de mildheid, de genade en het voedsel dat Gij ons verschaft voortdurend en altijd. Voor al deze weldaden, Heer onze God, zeggen wij U dank en zegenen wij uw Naam. Moge uw Naam voortdurend door ons gezegend worden. Gezegend zijt Gij , Heer, voor het land en voor het voedsel.

 
Birkat-Yeroesjalayim : Heb medelijden, Heer onze God, met Israël, uw volk, Jeruzalem, uw stad, met Sion, het verblijf van uw heerlijkheid, met het koninklijk huis van David, uw gezalfde, het grote en heilig huis waarover Uw Naam is aangeroepen. God, onze Vader en onze koning, voed ons en houd ons in leven, verschaf ons spoedig hulp in onze tegenslagen. Laat ons niet afhankelijk zijn van de gaven der mensen want hun gaven zijn gering en hun beledigingen zonder maat. Moge uw heilige en vreeswekkende Naam voor ons een borg zijn. Dat Elia en ook de Messias, de zoon van David, nog komen tijdens ons leven. Moge het koninklijk huis van David, uw gezalfde, weer terugkomen en over ons heersen want Gij zijt de Enige, die ons redt ter wille van uw Naam. Doe ons weer opgaan naar Jeruzalem, geef ons weer de vreugde om haar, troost ons om Sion, uw stad. Gezegend zijt Gij , Heer, die Jeruzalem weer herbouwt.

 
De Birkat-ha-mazon, de Beracha bij uitstek bij de 3e bekerrite, is de kern, terwijl de brood-beracha aan belangrijkheid verliest.

Omwille van het grote belang van deze Joodse maaltijdriten, is het voor ons ook duidelijk waarom de eerste Christenen zo vaak verwijzen naar gemeenschaps-

maaltijden en dat daar vroeg of laat de idee ‘Maaltijd van de Heer’ werd  aan gekoppeld.In de evangelieën staan veel verhalen van Jezus die de maaltijd neemt met zondaars, tollenaars, farizeeërs, grote massa mensen. Het lijkt wel of de

evangelisten naar DE maaltijd toe werken. Met als hoogtepunt de maaltijd met de voetwassing (Joh.13). Philippus heeft het gezien : ‘Zalig hij die met u aanzit in het Koninkrijk’.

 
De tekst die Jezus zal gebruikt hebben is zeker deze van de Joods-zeligieuze maaltijd . De tekst spreekt voor zich en is in het licht van wat met Jezus aan de hand was ontzettend beladen. Hij voegde er immers aan toe ‘…want dit is mijn Bloed dat voor u wordt uitgegoten’ ter bekrachtiging van het nieuwe verbond. Jezus heeft er dus een andere , ‘nieuwe ‘ betekenis aan gegeven. Marcus en Mattheüs gebruiken voor de broodritus het woord ‘eulogein’ (zegenen) : ‘Gezegend zijt gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen’, Amen antwoordden allen. Jezus voegde aan die formule zijn woorden toe : ‘ Dit is mijn lichaam’’. Pas voor de uitgebreidere formule van de bekerrite gebruiken zij ‘eucharistein’ (danken). Lucas en paulus (1 Kor.11,23-26) gebruiken ‘eucharistein voor beide riten.  Dit is begrijpelijk : Lucas was geen Jood en Paulus schreef voor christenen uit de ‘heidenen’ voor wie dat onderscheid niet meer van belang was. Het ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ staat alleen bij Lucas en Paulus, dus na ‘eucharistein’, dat kennelijk het begripswoord ‘EUCHARISTIE’ is geworden. ‘Eulogein’ komt in latere geschriften niet meer voor !.

 

 

3. VERDERE ONTWIKKELING IN DE VROEGE KERK

 

‘ En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk ; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden ; en voortdurend  waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden’. (Hand.2,44-47).

 

De praktijk van de maaltijden werden door de eerste christenen in ere gehouden

Er was op dit moment nog geen sprake  van een afzonderlijke  rite, los van een maaltijd..

De ons als oudste bewaarde tekst komt uit de ‘Didachè’, een ‘onderricht van de apostelen’. Dit gebed erin is nog een maaltijdgebed te noemen. Vermoedelijk te Antiochië ontstaan in ca 100 na X. De joodse drieledige beracha is herkenbaar :

‘ Inzake de eucharistie dankt als volgt :

 

eerst omtrent de beker :

 

1 ‘Onze Vader, wij danken U

voor de heilige wijnstok van David, Uw dienaar,

die ons door Uw dienaar Jezus hebt geopenbaard..

Aan u de eer in de eeuwen’

 

2.Vervolgens met betrekking tot het gebroken brood :

‘Onze Vader, wij danken U

voor het leven en voor het inzicht,

dat U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !.

 

3.Zoals dit gebroken brood op de bergen verstrooid  was

En bijeengebracht  één  werd,

Laat zo uw Kerk van de uiteinden der aarde

In Uw Rijk bijeengebracht worden,

Want aan U is de heerlijkheid

en de macht door Jezus Christus in eeuwigheid

 

4.Niemand ete en drinken van uw eucharistie buiten diegenen die In de naam van de Heer gedoopt zijn. Want hierover heeft de Heer gezegd : ‘ Geeft het heilige niet aan de honden’ (Matt.7,6).

 

5. Nadat Gij u verzadigd hebt, dankt aldus :

Heilige Vader, wij danken U voor Uw heilige Naam

Waaraan U een woonplaats in onze harten hebt bereid,

En voor de kennis, het geloof en de onsterfelijkheid

Die U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !

 

6.Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen

Omwille van Uw Naaam.

Voedsel en drank hebt U de mensen gegeven om te nuttigen,

Opdat zij U danken ;

Maar aan ons hebt U geestelijk voedsel en drank geschonken

En eeuwig leven door Uw dienaar.

Wij danken U voor alles, omdat U machtig zijt.

U zij lof in eeuwigheid.

 

7.Gedenk, Heer, Uw Kerk, haar te verlossen van alle kwaad

En haar in Uw liefde te voltooien,

En brengt haar, de geheiligde, van de vier windstreken

bijeen in Uw Rijk.

 

Dat Gij U Bereid hebt.

Want aan U is de macht en de heerlijkheid in eeuwigheid.

 

8.Dat de genade kome en de wereld verga.

Wie heilig is, kome  nabij ; wie het niet is, moet boete doen.

Heer, kom !

Amen.( genomen uit het boek : ‘De bijbel en het Christendom’ verschill.auteurs

4 delen. Deel 1 pp.64-65) De nummering van de bladz. is van mij.Strofe  1-4 vormt hst. 9/ strofe 5-8 vormt hst.10.

.

 

Commentaar :

 

Vers 1 : ‘eerst omtrent de beker’ : de tekst doelt op de eerste bekerritus. Zie: lc.22,17.

‘Dienaar’ : letterlijk ‘knecht’, kind, hulp, rechterhand

Aan U de eer in de eeuwen : de joodse zegenformule is een ‘eringsformule’(doxologie ) geworden.

 

Vers 2. : vervolgens met betrekking tot het gebroken brood : Verwijst naar de broodrite. Want aan U is de heerlijkheid …: weer een doxologie.

 

Vers 3 : op de bergen :  een mooi woord voor groene heuvels ? een associatie met de Berg van Jezus , van Mozes ?

Bijeengebracht worden : Eenheid was toen al een aandacht-vragend , want wezenlijk element

Door Jezus Christus in eeuwigheid : doxologie door ( en met en in) Hem.

 

Vers 4 : Niemend ete en drinke :  zie Paulus’aanwijzing in Kor.11,17vv : eerbiedig eten ; dit soort maaltijd is niet om je honger te stillen ; het gaat om iets heiligs.

 

Vers 5. : Nadat gij u verzadigd hebt : = na de maaltijd.Een goed moment om te danken. : Danken om Jezus Christus..Om dat dankzeggen gaat het nu.

U zij lof…: doxologie.

 

Vers 6 : Danking om eten en drinken

Gij hebt alles geschapen : Joods (Gezegend zijt Gij, Heer onze God, koning van het heelal)

U zij lof.. : weer afsluiting met een doxa-woord.

 

Vers 7 : Smeking om de Kerk.

De vier windstreken …: ‘Uit het Oosten breng Ik uw kroost terug en uit het Westen verzamel Ik u. Tegen het Noorden zeg ik : Geef hier ! en tegen het Zuiden : Houd hen niet vast…’Jes.43,5vv.

Want aan U is de macht….. : slotdoxologie.

 

Vers 8. : Uitnodiging tot de communie

Heer kom (Maranatha) : de Heer komt (of : is gekomen).

 

Hier ontbreekt het instellingsverhaal. De apostelen deden wat de Heer deed en dat hebben zij doorgegeven aan hen die volgeling van Jezus wilden zijn. Het instellingsverhaal zal pas later komen, als legitimatie of inspiratie daartoe. Later, toen de maaltijd uitviel, en de eucharistie een aparte dienst ging vormen zijn de verzen 1-4 verdwenen. Maar het ter zake stellen van brood en wijn, evenals het naar voren brengen, aan het begin van de maaltijd is gebleven en heeft die plaats behouden, wat wij anaphora (offerande ), noemen.

 
Geleidelijk aan zal de maaltijd verdwijnen. Vinden wij hier een voorbeeld van in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (ca.250 te Rome) ? Hier verschijnen de instellingsverhalen wél.

We geven als voorbeeld de tekst van Hippolytus uit de ‘Traditio apostolica’ (uitg.ed Botte, Münster,1963). De vertaling is van Prof. H.Wegman (+) :

 
‘Wij danken U, God, door uw welbeminde Zoon Jezus Christus, die Gij op het einde der tijden als Redder naar ons hebt gezonden, als Verlosser en Boodschapper van uw wil. Hij is Uw Woord,

onafscheidelijk met U verbonden. Door Hem hebt Gij alles geschapen, in Hem uw welbehagen gesteld. Gij hebt Hem vanuit uw hemel gezonden in de schoot van een Maagd. In haar ontvangen is Hij mens geworden. Hij heeft zich geopenbaard als uw Zoon, geboren uit de Heilige Geest en uit de Maagd.

Hij heeft om Uw Wil te volbrengen en u een heilig volk te bereiden zijn handen uitgestrekt toen Hij leed : om door te lijden allen die in U vertrouwen van het lijden te verlossen.

Toen Hij zich vrijwillig overgaf de lijdensweg te gaan, om de dood te vernietigen, de hel met voeten te treden, de rechtvaardigen te verlichten, de geloofsregel te bevestigen en de opstanding te openbaren, nam Hij brood, sprak de dankzegging en zei : ‘Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden gebroken’.

Zo ook de kelk en Hij sprak : ‘Dit is Mijn bloed dat voor u gegoten wordt. Als gij dit doet, doet het ter gedachtenis aan Mij’.

(Derhalve) Zijn dood en opstanding gedenkend bieden wij U aan het brood en de beker, terwijl wij U danken dat Gij ons waardig hebt gekeurd voor uw aangezicht te staan en U te dienen.

 
Wij vragen U Uw Heilige Geest te zenden over de gave van de heilige Kerk, in eenheid te verenigen al degenen, die deelnemen aan het heilige (mysterie). Vervul hen met de Heilige Geest ter bevestiging van het geloof en de waarheid, zodat wij U loven en verheerlijken door Uw Zoon Jezus Christus.

 
Door Hem mogen U worden gebracht glorie en eer, Vader, Zoon met de Heilige Geest, in de heilige Kerk, nu en in de eeuwen der eeuwen.

Amen’

 
Hier hebben we dus waarschiinlijk  reeds te maken met een eucharistieviering, die los staat van een maaltijd, met daarin – op het einde- een eerste aanzet van een epiclese.

Ik wil er tenslotte nog op wijzen, dat  Augustinus gewag maakt van zowel een eucharistie mét maaltijd als een eucharistie zonder maaltijd, en dit op witte donderdag:’ De  avonddienst  is toch voor de vasters  zo laat gezet ? Want nu is het overal verschillend, en dat hangt samen met dat al of niet eten en baden, en sommigen zeggen bovendien dat er tenminste één offer na de coena (=avondmaal) gecelebreerd moet worden omdat er geschreven staat  simili modo postquam coenatum est (= zo ook na de maaltijd).Wel, dit laatste argument is onzinnig. En wat de dubbele dienst betreft, ik houd het er voor dat de morgendienst er is voor de niet-vasters die een bad nemen (dus zonder maaltijd – noot van mijzelf), en de avonddienst voor de consequente vasters die wel geen bad nemen doch eerst laat hun coena gebruiken en dan ter kerke gaan. En wat dit laatste punt betreft, dat er bij ons hier dan des avonds en nog wel ontnuchterend wordt gecelebreerd en gecommuniceerd, dat gebeurt alleen op deze dag, en is een historische herinnering, aan het uur en de omstandigheden van het Laatste Avondmaal’Augustinus, uit de brieven aan Januarius.geciteerd in ‘Augustinus de zielzorger – F Van der Meer- deel II, p 22)

(nb.het baden stamt uit de tijd na 313, toen er elk jaar zeer veel dopelingen waren, die zich veertig dagen niet hadden gewast. Maar dan werd er niet gevast.Baden en vasten gingen niet samen.

Dat in de oudste teksten de instellingswoorden niet altijd voorkomen, wil daarom niet zeggen dat het niet gebeurde. Er zijn teksten bekend waarin deze wel vermeld worden :

Zoals bv. Bij Justinus (rond 165) in zijn ‘eerste apologie’ : we citeren : ‘ Na de voorlezing (van de apostelen of de profeten) houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem de gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. (geciteerd in Bijbel en Christendom, verschillende auteurs, deel 1, p.62. ) In dezelfde apologie zegt hij nogmaals ongeveer hetzelfde, maar daar is wél sprake van het uidelen van de wijn :’Na de dankzegging….delen de diakens het brood, het water en de wijn uit aan alle aanwezigen en brengen de gave ook naar diegenen die afwezig zijn’( Bijbel en Christendom, op.cit.deel 1, p.67.)

De reden waarom de instellingsverhalen niet altijd voorkwamen is waarschijnlijk omdat het hier gaat om te  ‘doen wat de Heer deed’. Kennelijk was het gemeenschap zijn in Jezus Christus  voldoende basis voor de Eucharistie, zonder consecratiewaarden. De consecratie is anamnese, desnoods

het toppunt ervan, ‘ons’ brood hier en nu verbonden met ‘Zijn  Brood’ toen en

ginds

 
We vinden hier echter nog geen ‘Onze Vader’ :   ‘.Noch bij Justinus (rond 150), noch in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (rond 215) vinden we enige vermelding van het Onze Vader tijdens een eucharistieviering. De nuttiging sloot toen nog onmiddellijk bij het eucharistisch gebed aan . Zelfs wanneer wij in de eerste helft van de vierde eeuw, o.a. in de zgn Clementijnse liturgie en het euchologion van Serapion van Thmuïs de tendens gewaarworden om aan de communie enkele voorbereidende gebeden te laten voorafgaan, dan vinden wij daaronder nog  steeds niet het Onze Vader vermeld’ (A.Verheul, op.cit. p. 98-99)

Het is pas in de vierde eeuw dat zowel in Oost als West het  Onze Vader als voorbereidingsgebed op de communie verschijnt.  In het Oosten is er sprake van bij de schrijver van de mystagogische catechesen, bij Cyrillus van Jeruzalem (rond 385) of diens voorganger en in sommige homilieën van Johannes Chrysostomos., bij Gregorius van Nyssa en Faustus van Byzantium In het Westen zijn het vooral Ambrosius en Augustinus en Hiëronomus die er gewag van maken. (A.verheul : op.cit.p99)

 

4. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA IN DE    BYZANTIJNSE LITURGIE

 

 Waar tot nog toe de ontwikkeling voor Oost en West gelijklopend waren, gaan we ons nu vooral toespitsen op de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie.

Er zijn heel veel bronnen te vinden voor de liturgie in het Oosten, indirekte en direkte. We beperken ons tot de direkte bronnen :

Deze direkte bronnen hebben vooral betrekking op de liturgie van Jeruzalem, die van grote invloed is geweest. Jeruzalem en Palestina waren sinds Constantijn de pelgrimsoorden bij uitstek. Daar, in de grote kerken, gebouwd door de keizer en de keizerin, ontplooide zich een plaatselijke liturgie die een grote uitstraling heeft gekend. Een tweede belangrijk centrum was Antiochië.

We steunen ons voor dit onderzoek op het boek : ‘Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten, H.A.J Wegman, Gooi en sticht bv, Hilversum,1976.’

 

Direkte bronnen :

‘Itinerarium Aetheriae’ : rond 400- beschrijving van de eredienst te Jeruzalem – geen teksten

Het Armeens lectionarium : over de organisatie van de viering van het kerkelijk jaar – een leesrooster en de keuze van de kerkgebouwen voor de liturgie – alles te Jeruzalem.(420-450).

Het Georgisch lectionarium.

De catechesen van Cyrillus van Jeruzalem.

Constitutiones apostolicae : 5e eeuw – met betrekking tot de kerkorde in Antiochië. Boek VIII : gedetailleerde beschrijving van de Eucharistie.

Testamentum Domini nostri Jesu Christi : monophysitisch – gegevens ook over de eucharistie.

 

Belangrijk is, dat wij vooral uit deze bronnen veel kunnen leren over de christelijke initiatie : doopsel-zalving-eucharistie.

We hebben een zeer afgewogen voorbeeld van de ‘anaphora’ van Jeruzalem. We geven hiervan een poging tot reconstructie. (Wegman : p69 – franse tekst / vrije.vertaling is van mij) (we nemen alleen de tekst vanaf de instellingswoorden.:

1.Er is eerst een lofprijzing tot de Vader

2.dan volgt het Sanctus

3.vervolgens een Embolisme van het Sanctus

4.dan worden de wonderdaden van God in de geschiedenis aangegeven

5.De instellingswoorden :

‘Daar Hij zich ging onderwerpen aan de vrijwillige dood, Hij zonder zonden, voor ons zondaars, de nacht waarin Hij zou worden overgeleverd voor het leven en het heil van de wereld.

(De priester richt zich op, neemt het brood en zegent het met het teken van het kruis, en zegt : )

Het brood in zijn heilige en onbevlekte handen nemend en zonder zonden, en het aan U aanbiedend, God en Vader, dankte Hij U, sprak de zegen uit, Hij heiligde het,brak het en gaf het aan Zijn leerlingen  en apostelen zeggend :

Neemt, eet, dit is Mijn lichaam gebroken voor U en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk :) Amen

(Vervolgens, na de kelk te hebben genomen, zegt hij met zachte stem, na het met het kruisteken te hebben gezegend )

Hetzelfde, nadat zij gegeten hadden, mengde hij de wijn en het water.Hij sprak de zegenbede uit,deelde het uit aan Zijn leerlingen en apostelen, zeggend:

(en het opheffend)

Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe Verbond, vergoten voor u en voor velen en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk : )Amen.

Vervolgens, zich oprichtend zegt hij met zachte stem )

Telkens Gij van dit brood eet en deze beker drinkt doe dit tot gedachtenis aan Mij.Verkondigend de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

(En de aanwezige diakens antwoorden :)

Wij geloven en belijden.

(Het volk)

Wij verkondigen Uw dood, Heer, en wij belijden Uw Verrijzenis.

 

Anamnese (gedenken)

(Vervolgens maakt de priester het kruisteken en zich buigend zegt hij : )

Gedenken wij Zijn dood en verrijzenis uit de doden op de derde dag, van Zijn hemelvaart waar Hij zit aan Uw rechterhand, God en Vader, en van zijn tweede glorierijke wederkomst, wanneer Hij komt om levenden en doden te oordelen elk naar zijn werken ;  Wij offeren U dit heilig en onbloedig offer opdat wij niet naar onze fouten  en schulden zouden beoordeeld worden, maar volgens uw barmhartigheid en menslievendheid. Delg de zonden uit van hen die tot U bidden.

(En Hij roept uit : )

Want Uw volk en Uw Kerk smeken U

 
(Het volk):

Heb medelijden met ons o Vader almachtig.

 

Epiclese

(En de priester terug rechtstaande zegt met zachte stem )

Heb medelijden met ons, o God, o Vader Almachtig, en zend over ons en over Uw gaven hier aanwezig, Uw Heilige Geest ;

(knielend zegt hij : )

De Heer en Levendmaker, die met U God en Vader en met uw Zoon troont, Hij die met U regeert, één in wezen en eeuwig met U. Hij die gesproken heeft door de Wet en de Profeten en in het Nieuwe Verbond, die gekomen is onder de gedaante van een duif over onze Heer Jezus Christus in de rivier de Jordaan, die is neergedaald over uw Heilige Apostelen onder de vorm van vurige tongen;

(en hij roept uit : )

Opdat Hij zou komen en hij van dit brood, het lichaam van Christus zou maken.

(Het volk : ) Amen

(De priester : ) en van deze beker het kostbaar bloed van Christus.

(Het volk : ) Amen

(De priester, zich oprichtend : ) Opdat zij het zouden worden voor allen die eraan deelnemen tot vergeving der zonden en voor het eeuwig leven voor de heiliging van zielen en lichamen, tot vruchbaarheid van onze goede werken, voor de bevestiging van Uw Heilige Kerk die Gij gebouwd hebt op de rots van het geloof, dat ze zou weerstaan aan de machten der hel, haar bevrijdend van elke ketterij en ergernissen die onrust brengen tot aan de voltooiing der tijden.

(En alleen de aanwezige geestelijken antwoorden : ) Amen

 

We hebben hier duidelijk te maken met een Antiochische anafora die als kenmerk heeft :

1.       Lofprijzing tot God, uitlopend op het driemaal heilig

2.       De gedachtenis van Gods heilshandelen (dankzegging – anamnese – met als centrum : het instellingsverhaal

3.       Jezus opdracht : doet dit tot mijn gedachtenis

4.        Epiclese.

 

(In de Alexandrijnse anafora is er ook een epiclese voor het instellingsverhaal)

 

De liturgie van Jeruzalem is model geweest voor de verdere ontwikkeling van de liturgie voor zowel het Oosten als het Westen.Alhoewel Jeruzalem reeds lang geen politiek centrum meer was, dat was eerst Antiochië en later Constantinopel), toch werd het door de Keizer een Kerkelijk centrum. Velen gingen er de heilige plaatsen bezoeken. Zo kwam ook  de rest van de Oosterse

 

Christenheid onder invloed van de liturgie van Jeruzalem.

 Het is ongeveer in dit tijdperk (300-600) dat de meeste ritussen vorm hebben

gekregen, zowel in Oost als in West. Meestal gecentreerd rond een bepaald centrum, een bepaalde lokale kerk. Vanuit een drang naar eenheid ontstond er een soort groepsvorming rond één centrale Kerk. Het gevolg hiervan was het ontstaan van verschillende ritussen (zowel in oost als in west).

 

5. DE VOORNAAMSTE RITUSSEN WELKE IN DEZE PERIODE ONTSTONDEN :

 

Alexandrië :

 

De metropool van Egypte – kerkelijk centrum

Door het monophysitisme (451) is de Kerk van Egypte verdeeld in :

 

-          Orthodoxen : die hun eigenheid opgaven en zich met Constantinopel conformeerden

-          De Kopten (monophysitisch)

De oude Alexandrijnse traditie moet men bij de Kopten zoeken (en Ethiopië)

 

Antiochië :

 

De Griekse stad in Syrië was lange tijd het politiek centrum, en daarom ook kerkelijk van grote betekenis.Daar ontwikkelde zich een eigen ritus die een grote uitstraling heeft gekend en met name Constantinopel heeft beinvloed.

In 451 werd de Kerk van Antiochië verdeeld in :

     

-          Orthodoxen : (melkieten, volgelingen van de Keizer) die verbonden blijven met Constantinopel en de eredienst ervan overnamen( die zelf in oorsprong  Antiocheens is)

-          De monofphisitische ritus van de Jacobieten, : hierin leeft vooral de Antiocheense traditie voort.Christenen van India (Malabar) hebben in de 17e eeuw deze traditie overgenomen Ook bij de Kopten was de invloed ervan groot.

-          De Maronieten : Ontstaan in 681 (monotheletisme ) Zij hebben  de Syrische traditie bewaard, maar zijn sterk gelatisiseerd toen ze zich met Rome unieerden.

 

 

 Perzië :

 

Kwam met het Christendom in aanraking via Antiochië en vooral Edessa . Het Christendom is Syrisch, de Oost Syrische traditie  genoemd, met eigen acce,nten en gebruiken, die te maken hebben met hun geïsoleerd bestaan, die leefden buiten het Romeinse imperium. Deze Kerk is Nestoriaans geworden en heeft zich bijna geheel van de andere Kerken afgesloten (einde 5e eeuw). Hier zijn de oudste lagen van de eredienst goed bewaard gebleven en de gedachteniswereld van de joods-christelijke gemeenten is er nog in voelbaar .

 

Constantinopel :

 

Ondervond invloed van Antiochië en is theologisch bepaald door Capadocië (Gregorius van Nazianze was aartsbisschop van Constantinopel.). Constantinopel werd steeds machtiger, ook Kerkelijk, door de groeiende invloed van de Keizer, het overweldigde Antiochië en Jeruzalem.

De Byzantijnse ritus is een merkwaardige synthese van verschillende tradities. Er is een merkwaardige inbreng merkbaar van gans het oosters christendom.Het oosten heeft ook steeds over alle dwalingen gezegevierd, en er telkens rijker uit voortgekomen..Wat wij tegenwoordig de oosterse liturgie noemen is de Byzantijnse liturgie. In Alexandrië, in Oost-Europa, zelfs in Syrië, de koptische en Armeense traditie is de Byzantijnse invloed merkbaar.’ Door de opname van vele tradities en verwerking daarvan is de Byzantijnse traditie de uitdrukking van het Oosters christendom’ ‘The Byzantine synthese’(Schmemann)

(Bron : Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten, op.cit. pp.75-76)

 

6. DE ANAPHORA, INGEDEELD VOLGENS DE RITEN OF FAMILIES

 

De oosterse anaphora stemmen hierin overeen, dat zij als compositie geen veranderlijke gedeelten kennen.

 

De Oost-Syrische anaphora : een keuze :

 

1.       De anaphora van de Apostelen Addaï en Mari :

Het zijn de oudst bekende teksten (3e eeuw ?).Er is geen instellingsverhaal .Bovendien zijn er latere toevoegingen : sanctus en misschien de epiclese.Het is een gebed, semietisch van kleur : verheerlijking van de Naam Gods, vermelding van de zondigheid en begenadiging van de mens als heilseconomie van God. Het lijkt nog op een tafelgebed.: de verkondiging van Gods grote daden in Jezus tot op vandaag.

           

                                               

 2.       De anaphora van de apostel Petrus (maronietisch)

     Staat in verband met het vorige, maar door toevoegingen ontwikkeld.

 

3.      De anaphora van  Theodorus van Mopsueste

 

4.       De anaphora van Nestorius : Beïnvloedt door de west Syrische (Jeruzalemse ) traditie(zo ook die van Theodorus van Mopsueste)



De West-syrische anaphora :

 

1.        De anaphora van de 12 apostelen

 

2.         De anaphora van de H.Chrysostomos

          De teksten schijnen terug te gaan op een gemeenschappelijk ouder

          origineel uit het begin van de 4e eeuw (Antiochië).Kan overeenkomt

          hebben vertoond met die van Addai en  Mari en had waarschijnlijk geen

          sanctus met inleiding. Het auteurschap van Chrysostomos is omstreden.

          Het oude origineel heeft in de loop der tijden theologische toevoegingen

          gekregen.

Structuur :

a.in het eerste deel en de dankzeggen werden vermengd

b.Sanctus  met inleiding lijkt inderdaad een latere toevoeging. Er is een duidelijke onderbreking van de compositie.

c.Na het sanctus is er geen duidelijke anamnese (gedenken)van de

heilsdaden van God : één zin vormt de overgang naar het instellingsverhaal.

d. Anamnese

e. Epiclese

f. De smeekbeden

g. De doxologie.

De opbouw is eenvoudig, typisch Antiocheens.

. 

3.    De anaphora van Basilius.

          Er is een Byzantijnse lange versie en een Alexandrijnse korte versie.  Het

          is een typisch Griekse anaphora, die elke semitische trek heeft verloren

          en     waarin harmonie en theologische reflexie voorop staan.

     De opbouw is Antiocheens :

      a.Lofprijzing : waartoe de mens alleen in staat is door de Zoon en in de  

          Geest(Triniteitshymne)

      b.uitlopend in het Sanctus

.     c.Anamnese van Gods heilsdaden in de schepping en de herschepping,

         dat het werk is van de Zoon

      d. Het instelingsverhaal

      e.anamnese (offer-gedachtenis)

      f.De intercessiones

      g.De slotdoxologie

 

Vermelden wij ten slotte ook nog kort de Alexandrijnse anaphora.Deze verschillen van de Antiocheense door de opbouw van de anaphora. Meest opvallend is dat er ook een epiclese is voor de instellingsverhalen.

 

1.       De anaphora van Marcus : Grieks geschreven, de koptische vertaling is bekend.

Structuur :

a.Lofprijzing en dank tot God, die de mens geschapen heeft.

b.Het offer ( dankzeggend offeren wij een geestelijke en smetteloze cultus)

c.De smeekbeden voor de Kerk en de volkeren en allen die in nood verkeren.

d.Sanctus, met inleiding.

e.Eerste Epiclese, in aansluiting op ‘Vol zijn hemel en aarde van uw glorie’ –‘maak ook deze gaven vol van uw zegen door de Heilige Geest.

f.instellingsverhaal met anamnese

g. Epiclese

h. Doxologie.

  

2.       De anaphora van de papyrus Dêr-Balyzeh.

3.        De anaphora van Serapion : opvallende tekst waarin de Didachè wordt geciteerd en het instellingsverhaal wordt uitgelegd. De epiclese is een ‘logos’epiclese  

.(Bron : Geschiedenis van de eredienst in het Westen en het Oosten, op.cit.pp.101-103)

 

Voor ons is de anaphora van de H.Chrisostomus van belang. De andere anaphora zijn eveneens van belang in die mate dat ze de anaphora van Chrisostomus hebben beïnvloed, maar ook omwille van hun eigen inbreng .Toch vinden we in alle anaphora ongeveer vergelijkbare elementen terug , zij het soms op een andere wijze en structuur.

In de verdere ontwikkeling zien we een grote Byzantijnse synthese naar voor komen.De Byzantijnse liturgie is vooral beïnvloed door de Antiochische ritus, maar anderzijns hebben de andere ritussen grote invloed ondergaan van de

Byzantijnse.

Ter afsluituing geef ik hier nog de structuur van de huidige anaphora binnen de Liturgie van de H.Chrisostomus , aan ons om de teksten met mekaar te vergelijken :

 

            DE EUCHARISTISCHE CANON :

 

a.      oproep om aandacht : Laat ons in vreze staan

b.      HET EUCHARISTISCH GEBED

-          Het is recht en waardig….

-          Heilig …(driemaal heilig)

-          Herdenken van het Avondmaal

-                C. CONSECRATIE

-          De  instellingswoorden

-          Offer van het lichaam en bloed met lied : ‘Wij prijzen U’

-          Epiclese of aanroeping van de Heilige Geest

           D. GROOT GEBED

-          Gedachtenis aan de heiligen, de overledenen en levenden

-          Lofzang voor de moeder Gods

-          Samenvattende litanie + stil gebed van de priester

-          Onze Vader

           E  OPHEFFING, BROODBREKING en COMMUNIE

-          Zegening, gebed

-          Het heilige voor de Heiligen

-          Broodbreking en gedachtenis

-          Communiegebed

           F  COMMUNIE VAN PRIESTER EN DIAKEN

           G  ZEGENING VAN VOLK MET DE KELK

           H  COMMUNIE VAN DE GELOVIGEN

    I   OVERBRENGING VAN DE GAVEN NAAR DE      PROTHESIS

          J   WEGZENDING VAN DE GELOVIGEN - KUSSEN VAN HET  

                      KRUIS EN UITDELEN VAN HET ANTIDORON.

 

 

BESLUIT

 

Deze uiteenzetting is verre van volledig , er is té weinig nog ingegaan op het tekstmateriaal.Té weinig is ook de geschiedenis van het ontstaan van de anaphora beschreven, omdat hiervoor dikwijls de nodige gegevens ontbreken. Toch is misschien iets naar voor gekomen van de rijkdom van de Byzantijnse synthese, welke wij in onze Kerk nu kennen, en dat het oosters Christendom zo heeft gekenmerkt. Het was mijn bedoeling ,kort maar toch verhelderend, een stukje geschiedenis van de anaphora naar voor te brengen. Het moge ons helpen tot een beter begrijpen van de orthodoxe liturgie in zijn geheel.

 

Kris Biesbroeck