16-02-09

Klein spiritueel compas voor onze tijd

 

Klein spiritueel kompas voor onze tijd

Een boek van Olivier Clément

 Kruis444

« West Europa zit gewrongen tussen de keuze van het niets en de heiligheid, tussen de dwaasheid en de Drie-enheid... Datgene wat in de zogenaamde christelijke maatschappijen kon blijven voortbestaan stort ineen of verinnerlijkt zich. Een ganse jeugd groeit op, begerig naar een eenvoudig geloof, eenvoudig uitgedrukt....» Hoe kan men ten volle zijn roeping van leek in navolging van Christus «in Christus» op zich nemen ? De zorg voor de armen, de dialoog met andere religies en christelijke belijdenissen ?  En vooral, een ander kijk op de dingen, een welwillendheid van het hart.... « Alleen het christendom dat diep en grootmoedig is kan het kompas vormen die ons moet toestaan te zeilen op de oceaan van deze moeilijke en gecompliceerde wereld », aldus Olivier Clément in de klein boekje dat verschenen is bij uitgeverij Desclée de Brouwer, onder de titel «Klein spiritueel kompas voor onze tijd  (Petite boussole spirituelle pour notre temps) (144 pp., 15 €). Het voorwoord is van Andréa RICCARDI, stichter van de Sint Egidiusgemeenschap te Rome. Het werk brengt meerdere essais samen die tot stand zijn gekomen in het kader van deze gemeenschap. Wij geven hieruit enkele goede bladzijden.

De verwereldlijking, is de werkelijkheid waarin we ondergedompeld zijn. De seculiere maatschappij is in zekere zin onze leefomgeving, de lucht die wij inademen, zelfs wanneer wij slapen. Christen zijn vandaag vertrekt vanuit deze vaststelling.

Elke leek ( van het grieks laikos) is lid van de laos, het volk, in ons geval, van het volk van God. Als gedoopte, gezalfd in de Geest (Chrisma), is hij «koning, priester en profeet». Koning, om zijn bestemming te trachten te ordenen in de diepste betekenis van het woord; priester, om als offergave te zijn voor de mensen en de dingen van de wereld; profeet, om zich in te schrijven in het uitzicht op het meer, het andere, in het dagelijks leven van de mensen, en daardoor hun de toekomst te openen.

Er kunnen geen professionelen zijn van het christendom. Men heeft dit wel zo geloofd in de loop van de eeuwen christendom, met de leidende rol die aan  de clerus werd gegeven, en deze van inspiratie en voorbeeld gegeven aan de monniken.

Vandaag nochtans bemerkt men in ons land dat de clerus geen geprivilegieerde oligarchie meer is maar dat ze samengesteld is uit mensen die moeten gedefinieerd worden als dienaars, onder, veeleer dan boven de anderen . Wat het monnikendom betreft, het vormt nog altijd zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitdrukte, een « heilige afwijking », noodzakelijk geworden door de lauwheid van de christelijke wereld. In de 13e eeuw bijvoorbeeld, wanneer gans de Oosterse wereld was gedoopt, betekende zich bekeren monnik worden. Vandaag betekent dit eerder : trachten christen te worden, 't is te zeggen, zich ernstig engageren in de Kerk, in dienst van Christus, en dus, in de kracht van de Verrijzenis, in dienst van de anderen.

Tussen de verwereldlijking en de liturgie,

Een verrassende vruchtbaarheid.

De afstand tussen leken en monniken, negatief voor de eerste, is vandaag een afstand geworden tussen atheïsten, agnostici, gnostiekers (is voor niemand nog negatief) en Christenen die hun christen zijn proberen te beleven.

Een christelijke leek is dus volledig verantwoordelijk ( met alle anderen «een stem in het koor»» zoals Siniavski het zei) voor de Kerk en haar uitstraling. Het is dus goed, zelfs al is het moeilijk, dat hij ondergedompeld  wordt in de seculariteit, waaraan hij deelheeft, hoe weinig het ook is, om de vernietigende neigingen af te wenden en de kiemen van het ware leven in zich te verdiepen.

Gedurende vele jaren, ik heb geschiedenis gedoceerd in een groot lyceum van Parijs. Ik heb nooit getracht om mijn leerlingen te bekeren (ik was ertoe gehouden door mijn plicht als leek), maar ik heb wel getracht om hen wakker te schudden, om hen vragen te stellen, hen op weg te zetten. Hun wegen benaderden dikwijls de mijne, soms ook waren ze verder ervan verwijderd.  Er zijn beroepen waar dit onrechtstreekse getuigenis bijna niet mogelijk is; maar men kan het altijd te kennen geven in de arbeidsrelaties. De liturgie wordt, hoe dan ook, het centrum van ons leven; het gebed, die haar interioriseert en haar doet verder beleven, geeft ons de kracht om niet te vervallen in ontmoediging, bitterheid, en dikwijls om een gebaar te stellen, om een woord te spreken, dat de goede richting oppert.

Er is geen recept, het is het feit zelf van te leven tussen de verwereldlijking en de liturgie die aan ons bestaan een onverwachte vruchtbaarheid kan geven. Er zijn ook, in Sant'Egidio bijvoorbeeld, systematische engagementen in de seculariteit om dit getuigenis uit te dragen. Ik heb dat ook meegemaakt, al werkende en naast mijn professionele activiteiten,  om kleine orthodoxe gemeenschappen die in Frankrijk zelf ontstaan zijn te helpen versterken en om hen te richten op een getuigenis en een samen delen. En ik heb het gevoel dat mijn leerlingen geïnteresseerd waren in mijn lessen, juist omdat zij in mij andere bekommernissen voelden, een openheid op een andere dimensie van het bestaan.

De Bijbel doet ons houden van de actualiteit en de geschiedenis

De Bijbel maakt ons niet vreemd aan de geschiedenis . Hij is integendeel een belangrijke onuitputtelijke bron voor alles wat menselijk is. Hij is de bron van de onbewingbare belangstelling van een mensheid in haar verzuchting naar de volheid en de god-menselijkheid.

Het is Friedrich Hegel die het dagblad in onze theologische problematiek heeft binnengebracht. Voor hem realiseert de Geest, het goddelijke zich in de geschiedenis. Een geschiedenis waarvan het dagblad het symbool is. De lezing van het dagblad, zei hij, vervangt vandaag de dag het morgengebed ( men zou kunnen zeggen dat vandaag de televisie het avond gebed heeft vervangen..) Vervolgens hebben de theologen geprobeerd de zaken te regelen door te zeggen dat een christen de Bijbel in de ene hand moeten houden en het dagblad in de andere.

Men zou in de eerste plaats kunnen leren om de bijbel kritisch te laten bestuderen door de geschiedenis en de geschiedenis door de Bijbel ! De Bijbel kritisch laten bestuderen door de geschiedenis is het ontzaglijk werk van de exegese die de menselijke dimensie van de openbaring bestudeert, de oorsprong van de teksten in hun psychosociologische structuren van een bepaald tijdperk. IN de structuren en niet  de teksten die voorgebracht zijn DOOR de structuren : want de ultieme betekenis, het goddelijke deel , om aan het licht te brengen dat  de traditie niets anders is dan de Heilige Geest die aan het werk is in het Lichaam van Christus, dat ontsnapt altijd aan de geschiedenis ( en dus aan de exegese). Het is niet voor niets dat de laatste editie van La Bible de Jérusalem in voetnoot interpretatiesleutels aanreikt die dikwijls ontleen zijn aan de Kerkvaders.

De ultieme betekenis komt toe aan het spirituele

Het zijn in de grond dezelfde overwegingen die wij terugvinden wanneer het gaat over een kritische studie van de geschiedenis door de Bijbel. Men moet eerst en vooral de geschiedenis op de meest  eerlijkste manier bestuderen, door elke ideologische verklaring uit te sluiten.  Bijvoorbeeld de onderbouw en de bovenbouw van de marxistische vulgaat, in de mate dat alle structuren niet ophouden de één over de andere te domineren. Het is een benadering die bruikbaar kan zijn (economisch, sociaal, psychologisch, religieus), zonder dat één ervan, door middel van een gewetensvolle analyse,de pretentie zou hebben het laatste woord te hebben. Voor mij is hét model in dit domein de historische en religieuze anthropologie van Alphonse Dupront.

Ook hier is de ultieme betekenis, de «mèta-historie» zoals Nicolas Berdaev het gezegd heeft :  tegelijk een globale visie en een overschrijding ervan. Een eschatologische verlichting in het weigeren van  elke «ont-menselijking» door het millenarisme of het messianisme.

Maar men moet antwoorden en niet vluchten. Bemin God  met gans uw wezen, zegt Jezus, en de naaste als uzelf. En deze twee geboden kunnen niet gescheiden worden. De mens en vooreerst de armste, is het sacrament van God voor de mens, zegt de parabel van het laatste Oordeel, hoofdstuk 25 van het evangelie volgens Mattheüs. Iedere keer dat je concreet goed doet aan de kleinsten, heb je het aan Mij gedaan. Men kan «beschouwen» zonder zijn naaste te dienen : God zien in het gelaat van de andere, in het arme en naakte gelaat, zo broos (Emanuel Levinas). Indien er tijdens uw gebed een bedelaar een bol soep komt vragen, twijfel niet, stop uw gebed  en maak een bol soep klaar en geef het hem, heeft een Mystieker ooit gezegd (Meester Eckhart, ik geloof).

En wederkerig : geen dienst van de naaste zonder innerlijke openheid op een ander licht. Alleen dit kan uitputting, vermoeidheid en bitterheid vermijden. Alleen dit kan aan de verbeelding onverwachte initiatieven tot stand brengen die dikwijls door anderen als onmogelijk werden bestempeld....

Een theologie van de vriendschap

Er is in onze samenleving een grote aansporing om aan onszelf te denken. En alleen hieraan. Het is de enige mantra die haar lokroep niet vermindert, zelfs in de grote veranderingen die wij nu moeten ondergaan, deze van de denkbeeldige wereld, van de waanzin van de grote steden, op het einde van het optimisme die volgt op 11 september 2001.

De christelijke broederschap kan alleen maar afstand nemen van een gejaagde, individualistische maatschappij. Het veronderstelt tijd en een zekere graad van communio. Het veronderstelt stil te staan dicht bij de ander. De vriendschap is hier een fundamentele dimensie. In het Oud Testament, is «zijn zonder vriend» verwand met « zijn zonder God ». De mens in een liberale maatschappij heeft slechts zelden vrienden : hij heeft relaties, kennissen , waarvan hij gebruik maakt voor eigen belang. Men vindt anderzijds in het Oude Testament, voornamelijk in het boek Ecclesiasticus  en in het boek der Spreuken een gelijkaardige opvatting van vriendschap : De vriend is een steun, een verdediging, maar weldra wordt alles gedragen door een spirituele opvatting van vriendschap. De horizontale lijn, gericht op het nut, wordt afgesneden door de verticale lijn die de transcendentie aanduidt. Zo is een vriend helpen « een offerande aan de Heer » (spr.14,11), « Een broer die gesterkt wordt door een andere broer is sterk als een vesting » (Spreuken 18,19). De vriendschap tussen David en jonathan staat boven elke utilitaire conceptie : « de ziel van Jonathan hecht zich aan de ziel van David, en Jonathan beminde hem zoals zichzelf» (1 Sam.18,1). Een tragisch element verschijnt, als een vooruitlopen op het kruis .

Jezus realiseert in zich de éénheid van alle mensen. Deze eenheid drukt zich uit in verschillende gradaties van bewustzijn en intensiteit om uiteindelijk uit te monden in de persoonlijke vriendschappen van Christus, vooral met Martha, Maria en Lazarus. Het is betekenisvol, dat de enige volwassene die hij van de dood heeft gered, één van zijn persoonlijke vrienden was, Lazarus. Op de drempel van Zijn lijden, noemt hij de apostelen zijn «vrienden». « Wanneer twee of drie in Mijn Naam verenigd zijn, ben Ik in hun midden» (Matth.18,20).

De vriendschap verschijnt als een voorrecht van de christelijke gemeenschap. Dat wat ook het persoonlijk karakter en niet enkel het gemeenschappijke van de vriendschap van Christus onderlijnt, is, dat Hij Zijn apostelen twee aan twee uitzendt. (...)

De kracht van het gebed

Het is wonderlijk om te zien met welk gemak velen onder ons zich verstoken voelen van het noodzakelijke. Het gaat hier niet om voedsel, maar van het gebed die ons helpt om onszelf terug te vinden, om afstand te nemen en ons dichter te brengen tot het leven en de relaties met anderen in het persoonlijk en gemeenschappelijk gebed. Het is een bron van energie die nooit uitgeput kan geraken.

Het gebed opent de mens op God en opent dus de geschiedenis op God. Tegelijk staat het ons toe om volledig zichzelf te zijn, want in het diepst van zijn wezen is hij in relatie met God, deze God waarvan hij het beeld is. Zo wordt het gebed niet uit ons geboren, maar het is ons gegeven. De Heilige Geest, zegt sint Paulus, bidt in onze harten murmelend «Abba, Vader» (Gal.4,6); Rom.8,15). Zeker «wij weten niet wat we moeten vragen om te bidden zoals het hoort», maar de Geest «komt onze zwakheden te hulp» (Rom.8,26).

Het gebed is altijd dicht bij mij. In een zekere zin is mijn bestaan zelf gebed, maar op een onbewuste manier. Op momenten van crisis, op hoogtepunten of bij een intense stilte kan het gebed opwellen uit het hart. De kerkelijke discipline, het avond en morgengebed, de zondaagse Liturgie, zelfs indien ze beleefd wordt in een zekere dorheid, dragen bij om ons hart te ontlasten van verstrooidheden en zorgen die ons onttrekken aan onze kostbare schat. De meditatie, bij voorkeur uit de Heilige Schrift, kan ons doen openstaan voor de adem van de Geest ( het volstaat om te weerstaan aan de bekoring om voldoening te vinden in zichzelf, in een soort kinderlijke eenwording...) Het gemeenschappelijk gebed, gedragen door de zang, indien zij ten minste niet vervalt in ritualisme of  in de cultus van de schoonheid, is ook een belangrijke weg. Wij zijn geroepen om te worden wat wij in het diepste van onszelf zijn :  «levende gebeden» (André Louf).

Zeker, in onze huidige cultuur is het moeilijk om tot bezinning te komen. Maar wij kunnen elke dag, 's avonds, met de deur gesloten, telefoon afgehaakt, enkele minuten stilte in acht nemen. Wij moeten onze relatie met de tijd losser beleven om meer en meer tijd vrij te maken voor verwondering, om «de eucharistie te beleven in alle dingen», zoals de heilige Paulus het ons heeft gevraagd. (...)

De liturgie is de vurige gloed van Christus die ons vrij maakt

Wij leven in een overdonderend lawaai en zijn soms niet in staat tot een waarachtig woord over onszelf en de anderen, over de schepping. Er is ook een verdovende stilte, maar zij bevindt zich juist in het innerlijke leven. Ook hiervan moet men zich bevrijden.

Het christelijk leven wordt ervaren en voedt zich door de liturgie.  Het griekse woord betekent «het werk van het volk». Zij is immers de communio die God ons geeft in de mate dat wij ze in ons opnemen door Zijn Woord te horen, door het brood in ons op te nemen die Zijn Lichaam is geworden.  In het hart van elke liturgische ontplooiing  bevindt zich de eucharistie, en dit woord drukt onze dankbaarheid uit : eucharistô in het grieks betekent ook nog vandaag eenvoudigweg : dank u.

Zo is de liturgie fundamenteel het celebreren van de verrezen Christus die de Heilige Geest in ons tegenwoordig stelt. Elke officie, hoe kort ze ook mag zijn, is een zonnestraal van Pasen. Wij aanvaarden het in vriendschap en verzoening, het vereist een «vredeskus». De liturgie is noodzakelijk persoonlijk en noodzakelijk gemeenschappelijk, over de grenzen van elke passiviteit en eenzaamheid heen. Zij offert onze zorgen en ons lijden, zij biedt ons de grote zon die God is aan, en maakt ons vredig en geneest ons. Ze geeft ons ook de sterkte - hoe weinig het ook mag zijn - om te bedaren en te genezen. (...)

De wereld is geschapen om eucharistie te worden. (...) Er is in het hart van de dingen een stille celebratie. Het is aan de mens om er op in te gaan. God vraagt in Genesis om de levenden een «naam te geven ». Want de mens is tegelijk van de hemel en van de aarde.  En God heeft de wereld aan de mens gegeven opdat de twee, God en mens, van de wereld één groot liturgisch gedicht zouden maken (...)

Christus is niet alleen het hoofd, aldus een byzantijns mystieker uit de 14e eeuw, Nicolas Cabasilas, maar hij is ook het hart van de Kerk. Door de eucharistie wordt Hij ons hart. In dit hart, waar het vuur voortaan brandt, is het van belang dat de intelligentie van het hoofd en de vervoering  van de eros zich transformeren in  de smeltkroes van Christus. Dan opent zich, wat de oude asceten noemden het «oog van het hart», het «oog van het vuur», en dit oog, deze kijk openbaart in de menselijke relaties evenals in de relatie tussen de mens en het universum uiterst kleine dingen die nochtans oneindige eucharistische mogelijkheden inhouden.« Brengt dankzegging voor alles» 't is te zeggen verwezenlijkt eucharistie, zegt de apostel (1 Thess.5,18). Het is wellicht de beste definitie van het christelijk leven.

Een grote nood aan het Evangelie

Er is een grote nood aan het Evangelie in onze maatschappijen. Hoe meer het het patrimonium is geworden van een minderheid, hoe meer we er nood aan hebben, niet als een beknopt handboek van tegengestelde waarheden, maar veel meer als een taal die de absolute liefde van de vader uitdrukt voor de zoon die gans zijn bezit had verkwanseld en zonder enig bezit overbleef.

In de geseculariseerde en ontwikkelde maatschappij ontwikkelen zich tegelijkertijd fenomenen die in contradictie schijnen te zijn met elkaar, maar die sterk met elkaar verbonden zijn :  een gekleurde onverschilligheid  en een zekere vijandschap tegenover het christianisme (...); een verwarrende ideologische handel die het succes van het geld, het verlangen en het vermaak ophemelen (...);  ongebreidelde ideologieën die het accent leggen op de éros en de cosmos, op wetenschappelijk gefundeerde meditaties (...). het gemeenschappelijk punt is het zoeken naar een geheel van gevoelstoestanden, wellicht het hoogtepunt van narcisme; de groeiende oppositie tussen het rijke Noorden en het arme Zuiden. (...)

In deze context kan het getuigenis van het Evangelie slechts gaan via het bewustzijn, de vrijheid. Ook via een strijd voor een betere herverdeling van de bronnen van de planeet. Via het voorbeeld en het leven (...)

Gaan naar een nieuwe heiligheid

Wij moeten gaan naar een nieuwe heiligheid, open zowel op de Geest als op gans de complexiteit van het sociale, culturele en kosmisch leven. Maar in dit kader eist het getuigenis ook een grondige verandering van zijn inhoud. Wij maken een fundamentele wijziging mee in het beleven van het christendom.  Een vernieuwd nadenken over het kwaad dient zich aan, over de God van de kénose, over de notie zelf van almacht - en dus over de hel (...)-, over de geschiedenis en de eschatologie, over de eros en over de cosmos, over de persoon en de communio, en dit in het licht van de Drie-eenheid die tegelijk volheid van de eenheid en volheid van de verscheidenheid is. Er moet eveneens een nieuwe bezinning komen over de techniek : want niet alles wat mogelijk is, is ook wenselijk.

De christelijke monniken van Oost en west kunnen ons veel zeggen. Zij kennen de wegen naar de «plaats van het hart», maar zij plaatsen de innerlijkheid altijd in het perspectief van de communio en de kennis in het perspectief van de liefde. De innerlijkheid heft het mysterie van de ander niet op maar openbaart het. Het gezicht en het oneindige zijn gedeeltelijk verbonden. Men moet dus, naar mijn mening, het moderne humanisme onderzoeken en tegelijk de nabijheid van het mysterie in de innerlijkheid levend houden, zoals de kosmische symbolen. Er is geen oppositie tussen deze twee bewegingen van het hart en de geest, zelfs indien wij in het Westen gewoon zijn een soort van natuurlijk scheiding te zien tussen de ruimte van God en de ruimte van de mens alsof het mogelijk was om er een scheidingslijn door te trekken. Maar indien de scheidingswand die er bestaat tussen de eisen om God te ontmoeten door de mens te miskennen of de mens te begrijpen door abstractie te maken van God, afgebroken wordt, zal men ontdekken dat de kosmos en de geschiedenis de enige mogelijke plaatsen en de taal zijn voor hun ontmoeting (...)

Uit SOP 334 - Januari 2009

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

06-10-08

Spirituele raadgevingen van de Heilige Seraphim van Sarov

SPIRITUELE RAADGEVINGEN  VAN DE HEILIGE SERAPHIM VAN SAROV

 

Serafim van Sarov666

God

 God is een vuur die de harten  en het innerlijke van de mens doet ontvlammen. Als wij in ons hart het koude zien dat van de duivel komt - want de duivel is koud-  laten wij dan onze toevlucht zoeken tot de Heer en Hij zal ons hart komen verwarmen met een volmaakte liefde, niet alleen ten overstaan van Hem, maar ook ten overstaan van de naaste. En de kilheid van de duivel zal vluchten voor Zijn aanschijn . Daar waar God is, daar is geen kwaad .... God toont u Zijn liefde voor de mensheid niet alleen als wij het goede doen,  maar ook wanneer wij Hem beledigen en daardoor zijn gramschap verdienen....Zeg niet dat God rechtvaardig is, leert ons de heilige Isaak de Syriër... David noemt Hem 'rechtvaardig', maar zijn Zoon heeft ons veeleer getoond dat Hij goe en barmhartig is. Waar is zijn rechtvaardigheid ? Wij waren zondaars, en Christus is voor ons gestorven (Homelie 90).

 De redenen waarom Christus in de wereld is gekomen :

1.De liefde van God voor de mensheid. "Ja, God heeft de wereld zo lief gehad, dat Hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar het eeuwig leven zou bezitten" (Joh.3,17).

2. Het herstel van het goddelijk beeld in de gevallen mens en de gelijkenis met dit beeld, zoals de Kerk het zingt ( Eerste Canon van Kerstmis, gezang 1).

3. Het heil van de zielen. " God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden om de wereld te veroordelen, maar opdat de wereld door Hem zou gered worden" (Joh.3,17)

Het geloof :

Voor alles moet men in God geloven," want Hij bestaat, en is de beloner voor  hen die Hem liefhebben"(Hebr.11,6). Het geloof is, volgens de heilige Antiochus het begin van onze vereniging met God....Het geloof zonder de werken is dood (Jac.2,26). De werken van het geloof zijn : de liefde, de vrede, de lankmoedigheid, de bermhartigheid, het dragen van het kruis en het leven volgens de Geest. Alleen zo een geloof is van belang. Er kan geen waarachtig geloof zijn zonder werken.

De Hoop :

Allen die standvastig hopen op God richten zich op Hem en worden  verlicht door de klaarheid van het eeuwige licht. Indien de mens zijn eigen zaken verwaarloost voor de liefde tot God en om goed te doen, wetend dat God hem niet zal verlaten, dan is zijn hoop wijs en waar. Maar indien de mens zich teveel met zijn eigen zaken inlaat en zich alleen maar tot God richt wanneer er problemen zich voordoen, en wanneer hij ziet dat hij er niet kan uitkomen met eigen middelen, dan is zo een hoop onecht en ijdel. De ware hoop zoekt voor alles het Rijk van God, overtuigd dat alles wat in het leven nodig is voor het leven hier op aarde hem zal gegeven worden. Het hart kan niet in vrede leven voordat hij deze hoop heeft  verworven.

De liefde van God :

Hij die de volmaakte liefde van God heeft bereikt, leeft in deze wereld alsof hij er niet in leeft. Want hij beschouwd zichzelf als vreemdeling voor wat hij ziet, geduldig het onzichtbare verwachtende..... Gericht op God, wil hij God slechts beschouwen....

Waarmee moet men de ziel uitrusten ? :

Met het woord van God, want het woord van God, zoals Gregorios de Theoloog zegt, is het brood der engelen waaraan de zielen die dorsten naar God zich voeden.

Hij moet de ziel ook uitrusten met de kennis betreffende de Kerk : hoe heeft  zij datgene wat zij heeft moeten doorstaan  kunnen bewaren tot vandaag. Men moet dit weten, niet met de bedoeling om over de mensen te regeren, maar voor het geval er vragen gesteld worden waarop  wij geroepen zouden zijn te antwoorden. Maar vooral moet men het voor zichzelf doen : om de innerlijke vrede te verwerven, zoals de psalmist zegt :  "Die uw wet beminnen, genieten een heerlijke vrede, Heer", of " Grote vrede voor hen die uw Wet liefhebben" (Ps.118,165).

De vrede van de ziel :

Er is niets boven de vrede in Christus, waardoor de aanvallen van de bovenaardse en aardse geesten worden vernietigd. "Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht" (Ef.6,12). Een redelijk mens richt zijn geest op het innerlijk en doet het in zijn hart neerdalen. Dan zal Gods genade hem verlichten en zal hij zich in een vreedzame en  opper-vreedzame staat bevinden : vreedzame, want zijn geweten is in vrede ; opper-vreedzaam, want in het diepste van zichzelf beschouwt hij de genade van de Heilige Geest.....

Kan men zich niet verheugen wanneer men met onze vleselijke ogen  de zon ziet ? Nog veel groter is onze vreugde wanneer onze geest met ons innerlijk oog, Christus ziet, Zon van gerechtigheid. Aldus delen wij de vreugde van de engelen. De Apostel heeft hieromtrent gezegd "Maar ons vaderland is in de hemel" (Fil.3,20). Diegene die de weg van de vrede bewandelt, verzamelt als met een lepel, de gaven van de genade. De Vaders die in de vrede en de genade van God leefden, leefden lang. Een mens die in vrede leeft kan  ook aan anderen het licht doorgeven die de geest verlicht.... Maar hij moet zich de woorden van de Heer in gedachten brengen :" Huichelaar, trek eerst de balk uit uw eigen oog, dan zult gij zien hoe ge de splinter uit het oog van uw broeder moet trekken" (Matt 7,5).

Deze vrede heeft Onze Heer Jezus Christus voor Zijn dood als een onschatbare rijkdom nagelaten aan Zijn leerlingen , toen Hij zei : "Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u" (Joh.14,27). De Apostel spreekt ook in deze termen :"En de vrede Gods, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en zinnen bewaren in Christus Jezus" (Fil.4,7). Indien de mens de goederen van deze wereld niet misprijst, dan kan hij de vrede niet bezitten.  De vrede verwerft men doorheen beproevingen. Diegene die wil behagen aan God, moet doorheen vele beproevingen gaan.  Niets draagt meer bij tot de innerlijke vrede dan de stilte en, indien het mogelijk is, het voortdurend gesprek met zichzelf en zelden met de anderen. Wij moeten dus onze gedachten, onze verlangens en onze daden  richten op de verwerving van de Vrede van God. Wij moeten ononderbroken roepen met de Kerk : "Heer ! Geef ons de vrede !".

Hoe kunnen wij de vrede van de ziel bewaren ?

Wij moeten ons uit alle kracht inzetten om de vrede van het hart te bewaren. Wij mogen niet verontwaardigd zijn wanneer anderen ons beledigen. Wij moeten elke uitbarsting van woede vermijden en ons intellect en hart behoeden voor elke ondoordachte handeling. Een voorbeeld van hoe wij ons gematigd moeten gedragen is ons voorgehouden door Gregorios de Thaumaturg. Aangekomen op een publieke plaats waar een publieke vrouw hem de prijs vroeg voor overspel, dat hij zogezegd met haar zou hebben , in plaats van zich kwaad te maken zei hij rustig tot zijn vriend : Geef haar wat zij vraagt. Nadat zij het geld genomen had werd de vrouw door een demon op de grond geworpen. Maar de heilige verjoeg de demon door het gebed.

Indien het niet mogelijk is om zich niet  boos te maken, dan moet men minstens zijn tong intrekken....Opdat de vrede zou bewaard worden moet men de melancholie verjagen en trachten een vrolijke geest te hebben... Indien iemand niet aan zijn behoeften kan voldoen, is het moeilijk om de ontmoediging te bestrijden. Maar dit betreft de zwakke zielen. Opdat de innerlijke vrede zou bewaard blijven, moet men vermijden om anderen te beoordelen. Hij moet kijken in zichzelf en zich afvragen : "Wie ben ik ?". Hij moet vermijden dat onze zintuigen, vooral het zien, ons niet in de war brengen : want de gave der genade behoort slechts toe aan hen die bidden en zich over hun ziel ontfermen.

Zuiverheid van hart

Wij moeten ons hart voortdurend beschermen voor onreine gedachten en indrukken volgend de woorden van de auteur van het boek der spreuken : " Bewaar uw hart met alle ijver, want  daar ligt de oorsprong van het leven"(Spr.4,23). Zo wordt in het hart de zuiverheid geboren. "Welzalig zijn de zuiveren van hart, want zij zullen God zien" (Matt.5,8).  Het goede dat in het hart is gekomen moeten wij niet onnodig onthullen naar buiten toe : De geheimen van ons hart zijn een schat in het binnenste van je hart, zij moeten niet geopenbaard worden aan zichtbare en onzichtbare vijanden.

Het hart dat verwarmd is door het goddelijk vuur, borrelt op als het vol is van levend water.Als dit water naar buiten toe uitgegoten wordt, wordt het koud en de mens  verstijft van de kou.

 Het gebed

 Diegenen die besloten hebben om God werkelijk te dienen moeten er zich in oefenen Hem steeds in gedachten te hebben en onophoudelijk innerlijk Jezus Christus te bidden : Heer Jezus Christus, Zoon van God, heb medelijden met mij, zondaar... Door zo te handelen en zich te behoeden voor verstrooiingen en in volle gemoedsrust te blijven, kan men tot God naderen en zich verenigen met Hem. Want, zegt de heilige Isaac de Syriër, buiten het ononderbroken gebed is er geen ander middel om tot God te naderen (Homelie 69).

In de kerk is het goed om de ogen gesloten te houden, om verstrooiingen te vermijden.Men kan ze openen als men zich slaperig begint te voelen. Dan moet men zijn blik op een icoon richten of op een  kaars die ervoor brandt. Indien  onze geest zich tijdens het gebed verstrooit, dan moet men zich voor God vernederen en vergiffenis vragen....want, zoals de heilige Marcarius het zegt "de vijand wil slechts onze gedachten van God afkeren, van Zijn  ontzag en Zijn liefde" (Homelie 2).

Wanneer het verstand en het hart verenigd zijn in het gebed, en wanneer het hart door niets meer vertroebeld wordt, dan vult het hart zich met geestelijke warmte.

Het licht van Christus

Om het licht van Christus in zijn hart te ontvangen, moet men, zoveel als mogelijk, zich losmaken van zichtbare dingen. Als men zijn hart op voorhand gezuiverd heeft door berouw en goede werken, als men vol van geloof is in de gekruisigde Christus en onze vleselijke ogen gesloten zijn, laat dan uw geest zich vol toewijding en vurigheid voor de Wel-beminde onderdompelen in het hart om de Naam van Onze Heer Jezus Christus uit te roepen . De mens vindt in de aanroeping van de Naam vertroosting en zachtheid, die ons aanzet  een hogere kennis te zoeken.

Als door dergelijke oefeningen de geest geworteld is in het hart, dan zal het licht van Christus schijnen in ons binnenste. Hij zal onze ziel verlichten door Zijn goddelijk licht, zoals de profeet Malachias zegt : "Maar voor u, die Mijn Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan" (Malakias,3,20). Dit licht is ook het leven, volgens de woorden van het evangelie : "In wat bestond, was Hij het leven, en het leven was het licht der mensen" (Joh.1,4).

Wanneer de mens in het binnenste van zichzelf dit eeuwig licht aanschouwt, dan vergeet hij al wat vleselijk is, hij vergeet ook zichzelf en zou zich zelfs willen verbergen in het diepste der aarde, om toch maar niet van dit unieke goed te worden beroofd - God.

De aandacht :

Hij die de weg van de aandacht volgt moet niet trots zijn op zijn eigen verstand, maar moet zich richten  op wat de Schriften ons zeggen en hij moet de bewegingen van zijn hart en zijn leven vergelijken met het leven en de daden van de asceten die hem zijn voorafgegaan.  Zo is het veel gemakkelijker om zich te behoeden voor de kwade en klaar en duidelijk de waarheid te zien.

De geest van een aandachtig mens is vergelijkbaar met een schildwacht op de muren van de binnenkant van Jeruzalem. Niemand ontsnapt aan zijn aandacht, noch "de duivel die als een brullende leeuw rondtrekt op zoek wie hij kan verslinden" (1 Petr.5,8), noch diegenen die "hun boog al gespannen houden om geniepig onschuldige harten te treffen" (Psalm 10,2).  Hij volgt de lering van de Apostel Paulus die gezegd heeft : "Grijp naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht" (Ef.6,13). Diegene die deze weg volgt moet geen aandacht hebben voor de geruchten die de ronde doen,noch voor de zaken van anderen....maar tot de Heer bidden : "Van al mijn onbewuste fouten, zuiver mij" (Psalm 18,13).

Treed binnen in jezelf en zie welke passie in u reeds verzwakt zijn, welke het zwijgen zijn opgelegd als gevolg van de genezing van je ziel. Welke vernietigd zijn en u volledig hebben verlaten Ziet gij toe of een sterk en levendig lichaam reeds op de zweer van uw ziel drukt - dit levend vlees is de innerlijke vrede. Ziet gij ook welke passies er nog overblijven - lichamelijke of geestelijke ? En hoe reageert uw verstand ? Trekt het ten strijde tegen deze passies, of doet het alsof  het ze  niet ziet ? En ontstaan er geen nieuwe passies ? Door zo aandachtig te zijn kan je zien in welke mate je ziel gezond is.

 

Uittreksel uit de 'Instructions spirituelles' in Irina Goraïnoff, Sérafim van Sarov

Vertaald door kris B.

 

 

15-02-08

OVER HET GEBED : Metropoliet Anthony

 


 OVER HET GEBED

De visie van Metropoliet Anthony  

ma1n

 Het is opvallend hoeveel boeken er tegenwoordig verschijnen over het gebed. Iedereen, die zich enigszins in deze materie verdiept, kan de nodige auteurs en titels noemen. De meesten van hen zijn westerlingen, hoewel ook de schrijvers uit Zuid-Oost-Azië en uit het Verre Oosten in het middelpunt van de belangstelling staan. Het is echter verheugend, dat ook de Orthodoxie een stevig woord meespreekt. Een van de meest prominente schrijvers in de westerse wereld is de Russische exarch in West-Europa, Anthony Bloom, Metropoliet van Soerozj.Van zijn hand verschenen de volgende werken over het gebed:- Living Prayer, 1966 (Nederlandse titel: Tijd voor gebed, 1973),- School for Prayer, 1970 (Nederlandse titel: De weg naar binnen, 1972),- God and Man, 1971,- Meditations on a Theme, 1972. 7RGCAF3V1DCCABD7CSKCAPLBSMVCAS6TTMMCAG1X77PCAH5QZF9CA3ZYB9MCAHV7J6XCAEWH9TICACNAP4RCAR6ZZ5FCAKG4K0DCA7WPR9XCAXIX07XCAUAIWESCAOW7X8ZCAGYG1DXCAZ79U1V
Deze werken zijn voor een groot gedeelte de neerslag van televisietoespraken, die metropoliet Anthony voor de BBC gehouden heeft. Het is gebleken, dat deze toespraken een zeer grote belangstelling genoten hebben. De daaruit voortgekomen boeken zijn bestsellers geworden. Dit alles doet de volgende vragen rijzen: wie is eigenlijk Metropoliet Anthony Bloom en wat is de reden, dat zijn gedachten zo aanslaan? 

De levensweg van Metropoliet Anthony.

 Anthony Bloom werd op 19 juni 1914 te Lausanne geboren. Zijn vader was lid van het corps diplomatique van het Russische keizerrijk. Zijn moeder was de zuster van de bekende Russische componist Aleksandr Skrjabin. Tijdens de verwarde dagen van de uitbrekende eerste wereldoorlog keerde het gezin Bloom naar Rusland terug. Daarop volgde een diplomatieke post in Perzië. Tijdens de Russische revolutie moest het gezin Perzië verlaten. Na een avontuurlijke zwerftocht door het Midden-Oosten belandden de Blooms in India. Een wrakke boot bracht hen vandaar naar Gibraltar en na een lange omzwerving door Europa vestigde het gezin zich in 1923 uiteindelijk in Frankrijk. Over de religieuze sfeer in het gezin Bloom is in de geschriften van Metropoliet Anthony niet veel te vinden. De vele jaren van omzwervingen hebben een regelmatig kerkelijk leven uiteraard onmogelijk gemaakt. Van zijn vader citeert hij de volgende uitspraak, die diepe indruk op hem gemaakt heeft: “Vergeet nooit, dat  het er niets toe doet of je leeft of sterft. Wat ter zake doet is alleen waarvoor je leeft en waarvoor je bereid bent te sterven”.  (De weg naar binnen, p. 9) Op zich genomen heeft deze uitspraak nog geen religieuze strekking. Van zijn moeder zegt hij, dat zij een wondere vrouw was: heel eenvoudig en open. Zij was het ook, die hem in het kritieke jaar van zijn leven het Evangelie in handen gaf. Dat kritieke jaar moet omstreeks 1930 gelegen hebben. “Tot aan die tijd”,  zegt hij, “was ik ongelovig en erg agressief antikerkelijk. Ik kende geen God, en alles wat met de idee van God te maken had, interesseerde me niet en haatte ik zelfs” (“De weg naar binnen”, p. 11).  Een religieuze invloed van zijn ouders was nauwelijks mogelijk, aangezien het gezin in Parijs geen gemeenschappelijke woning bezat en Anthony naar een kostschool gestuurd werd. Rond 1930 echter kreeg het gezin een eigen woning. De jonge Anthony voelde zich daardoor geconfronteerd met ‘volmaakt geluk’, maar ervoer tevens, dat geluk ondraaglijk is, als het niet ergens op gericht staat. Daarom nam hij het besluit zichzelf een jaar te geven om te zien of het geluk en het leven überhaupt enige zin hadden. Als hij in de loop van dat jaar geen enkele zin kon vinden, zou hij zelfmoord plegen. Volkomen onverwacht kwam er licht in de duisternis. Op een bijeenkomst van de Russische jeugdbeweging in Parijs, waar hij alleen maar uit fatsoen naar toe gegaan was, sprak een priester over Christus en over het christendom. Hij deed dat op een manier, die Anthony ten zeerste afstootte. Thuis gekomen vroeg hij aan zijn moeder het Evangelie en begon hij Markus te lezen. “Toen ik het begin van het Markusevangelie zat te lezen”, zo luiden zijn eigen woorden, “bemerkte ik, nog voordat ik bij het derde hoofdstuk aankwam, plotseling, dat er aan de andere kant van de tafel iemand aanwezig was. En de zekerheid, dat het Christus was die daar stond, was zo sterk, dat zij mij altijd is bijgebleven… Ik werd er in mijzelf volkomen zeker van dat Christus leeft en dat aan bepaalde dingen geen twijfel mogelijk is”  (Id. blz. 13-14). Na de middelbare school ging Anthony naar de Sorbonne, waar hij natuurkunde, scheikunde en biologie studeerde. Na te zijn afgestudeerd ging hij medicijnen doen, welke studie hij in 1939 voltooide. Omdat hij in 1937 de Franse nationaliteit had aangenomen, moest hij in de oorlog dienst doen als legerarts. Tevens nam hij actief deel aan het ondergronds verzet. Tijdens en na de oorlog zette hij zijn artsenpraktijk voort, maar er kam een nieuwe dimensie in zijn bestaan, doordat hij in 1943 in stilte zijn monniksgeloften aflegde. In 1948 werd hij priester gewijd en in januari 1949 vertrok hij naar Engeland om kapelaan te worden van het anglicaans-orthodox genootschap van Sint Alban en Sint Sergije.  In 1950 werd hij tot zielzorger van de Russische patriarchale parochie in Londen benoemd. In 1958 volgde zijn bisschopswijding en in 1962 werd hij aartsbisschop van de Russische Kerk in Groot-Brittannië en Ierland. In 1963 werd hij patriarchaal exarch voor West-Europa om tenslotte in 1966 bekleed te worden met de waardigheid van metropoliet. De weg van Metropoliet Anthony is duidelijk niet de weg van de doorsnee orthodoxe geestelijke. Het is een weg vol verrassingen: van diplomatenzoon tot berooide vluchteling, van ongelovige tot gelovige, van arts tot priester. Bij dit alles heeft hij, naar zijn zeggen, zijn eigen aard niet verloochend. Ondanks alle veranderingen is hij Rus gebleven. Daarom is zijn stem in het tegenwoordige gesprek over het gebed juist zo belangrijk. 


 Bronnen van de spiritualiteit van Metropoliet Anthony
ACVCADG8PWNCA4QDZ1CCAK344XWCAR5KSW1CAWYOSGECAMPNMW1CASM1KDUCABZGEQ9CA1EKGVDCASDZJGICACD6LE3CABNKX1DCAHW25AOCAJ8EUQNCAL5FZ56CA2OYR5OCA9PXB9TCAPFDLZ5

  Uiteraard heeft het lange verblijf in West-Europa Metropoliet Anthony niet onberoerd gelaten. In zijn bronnen komen westeuropese auteurs voor, zoals bv. Juliana van Norwich, de Engelse mystica van rond het jaar 1400. Hij illustreert zijn voordrachten met voorbeelden uit de hagiografie van de latijnse Kerk en citeert de Franse en Engelse literatuur. Maar verder blijkt uit alles, dat hij in de orthodoxe traditie staat. Graag verwijst hij naar de ononderbroken leer van de Orthodoxe Kerk. Sprekend over de methodiek van het bidden zegt hij: “De oude kerkvaders en de hele orthodoxe traditie leren, dat we met de inspanning van onze wil onze aandacht moeten richten op de woorden van het gebed, dat we uitspreken” (Tijd voor gebed, blz. 46 en 87). Wie zijn dan voor Metropoliet Anthony deze orthodoxe vaders? Het zijn de kerkvaders, zoals Athanasios, Johannes Chrysostomos, Gregorios van Nazianze en Johannes van Damaskinos. Het zijn de leraren van het monastieke leven: Efraïm de Syriër, Maximos, Johannes Klimakos, Izaäk de Syriër en Symeon de Nieuwe Theoloog. Naast deze stemmen uit het oosters monachisme klinkt het geluid van Russische monniken en startsi, zoals bv. van Ambrosios van Optina, van de onbekende Russische pelgrim, van Serafim van Sarov, van vader Jan van Kronstadt en vooral van Theofan de Kluizenaar.  XBHCABUJJC1CAKFP5G0CAM6QDIYCAV94IORCALNRY0KCALZP2JWCA0UYVAXCAZ97LTHCAV18VEUCALLLSC0CAVMEOZ5CA0RERBSCAHGGOIPCA4AMNGSCALO0HKOCAC4G0U2CAKK21O5CALE4BZR
Deze bronnen zijn voor een groot gedeelte van monastieke aard. Uiteraard hangt dit samen met zijn zeer bewuste toetreding tot de monastieke levenswijze in 1943. Als Russische monnik plaatst hij zich in de traditie van de Apophthegmata Patrum, die ook door hem aangehaald worden. Moderne auteurs, zoals bv. Dietrich Bonhoeffer, J. Robinson en anderen, die over het gebed geschreven hebben, noemt hij niet met name, hoewel het toch niet uitgesloten is, dat hij door hen beïnvloed is.    
      

  Het godsbeeld van Metropoliet Anthony . Om iets concreets te kunnen zeggen over het gebed in de opvatting van Metropoliet Anthony is het vanzelfsprekend op dehemelvaart 1 modern !! eerste plaats nodig iets over zijn opvattingen over God te weten. Men krijgt de indruk, dat hij ook hier weer zeer sterk in de orthodoxe traditie geworteld staat. Die traditie benadrukt zeer sterk de onkenbaarheid van God of, beter gezegd, zijn totaal anders-zijn. Het is de apofatische theologie, waarvan Vladimir Lossky zo’n kernachtige karakteristiek heeft gegeven in het hoofdstuk “Les Ténèbres divines” in zijn werk “Theologie Mystique de l’Eglise d’Orient” - Aubier - Ed. Montaigne - 1944. Ook bij Metropoliet Anthony komt dit anders-zijn van God sterk naar voren. Sprekend over het godsprobleem zegt hij: “We dragen in ons hoofd een aantal voorstellingen van God rond die we uit boeken hebben gehaald, in de kerk hebben opgedaan, van volwassenen hebben overgenomen toen we nog kinderen waren of van de clerus toen we groter werden. Dikwijls beletten ons die voorstellingen de ware God te ontmoeten. Ze zijn niet helemaal verkeerd, er zit wel een zekere waarheid in maar toch zijn ze totaal ontoereikend… Zet alle valse voorstellingen, alle afgodsbeelden opzij.  Als een hulp daartoe suggereer ik (voor deze week) het volgend gebed: Help mij, o God, elke valse voorstelling van U op te geven, hoezeer het mij ook moge verontrusten”. Dezelfde gedachte verwoordt Metropoliet Anthony ook in zijn boek Meditations on a Theme, waar hij schrijft (blz. 70-71): “De H. Gregorios van Nazianze zei in de vierde eeuw, dat we, wanneer we uit de Schriften, uit de traditie en de ervaring van de Kerk alles verzameld hebben, wat mensen over God te weten hebben kunnen komen, en daaruit een samenhangend beeld gevormd hebben, dat we dan nog maar een afgodsbeeld gecreëerd zouden hebben, hoe mooi het ook mag zijn. Zo gauw we een beeld van God maken en zeggen: «Kijk, dit is God», vervormen we de dynamische, levende, onuitsprekelijke, oneindig diepe God, die onze God is, tot iets beperkts van menselijke afmetingen, omdat alle geopenbaarde kennis nu eenmaal menselijke dimensies aanneemt”. Steeds opnieuw waarschuwt hij ervoor de ware God te vervangen door een valse God, door een afgod, door een vrucht van onze verbeelding. “Wanneer we spreken van ‘voor God komen staan’ denken wij bijna onvermijdelijk, dat wij hier staan en God daar, buiten ons. Indien we God boven ons, voor ons, rondom ons zoeken, zullen we Hem nooit vinden… Daarom moeten we beginnen met delven naar de binnenkamer, naar de plaats diep in de kern van ons wezen waar God ons verwacht en waar zijn Rijk in volheid aanwezig is.” Het lijkt er toch sterk op, dat men in deze formuleringen een echo vindt van het ‘Honest-to-God-debate’. De andersheid van God wordt sterk geaccentueerd en wij kunnen Hem niet bepalen vanuit onze persoon, Hem niet boven ons plaatsen, maar moeten Hem zoeken diep in de kern van ons wezen.Hoe staat deze God, die tegelijkertijd geheel transcendent en geheel immanent is, ten opzichte van de schepping? Laat Hij aan de schepping, aan het saeculum, haar eigen ontwikkeling, door Hem gedragen als diepste draagkracht? Men krijgt niet de indruk, dat Metropoliet Anthony sterk op deze vraagstelling ingaat. Toch lijkt het wel in die richting te gaan, waar de metropoliet zegt: “Ofschoon wij weten, dat God almachtig is, kan Hij geen wonderen verrichten, zolang wij denken dat Hij niets om ons geeft; daartoe zou Hij zijn wil moeten opdringen en dat doet Hij nooit, omdat zijn verhouding tot de wereld berust op zijn absolute eerbied voor de vrijheid en de rechten van de mens.” Deze woorden suggereren, dat mensheid en schepping een zelfstandige ontwikkeling hebben, in diepste wezen uiteraard gedragen door God. Of we een dergelijke uitspraak moeten kenmerken als een secularistieverschijnsel, valt moeilijk te zeggen. Wel schijnt de mens, volgens zijn visie, van het begin af aan meer geschikt, meer toegerust om zelfstandig op deze aarde te werken. Volgens hem die daarbij steunt op de H. Athanasios, begint onze vergoddelijking op het moment dat we geschapen worden. God schenkt de mens onmiddellijk zijn ongeschapen genade om hem met zich te verenigen. “De orthodoxe leer kent geen ‘natuurlijke mens’ aan wie naderhand de genade wordt toegevoegd. Hetzelfde scheppende woord roept ons tot het bestaan en tot onze uiteindelijke bestemming: dat wij in God zouden leven en Hij in ons, dat Hij alles in allen zou zijn”. Deze meerdere bekwaamheid, deze grotere ‘afheid’ van de mens zou men ook kunnen terugvinden in de volgende woorden van Metropoliet Anthony: “Te dikwijls worden we opgeslorpt door wat om ons heen gebeurt, door al de bijkomstigheden welke radio, televisie en nieuwsbladen ons opdringen: gedurende die enkele minuten (van bezinning) echter moeten we ons ontdoen van alles wat niet de kern van ons leven raakt… Zo komen we tot de ontdekking dat we sukkelaars zijn die God nodig hebben, niet om een leemte te vullen, maar om Hem te ontmoeten”.  Interpreteert men teveel, wanneer men zegt, dat Metropoliet Anthony hier de gedachte verwoordt, dat God geen ‘Lückenbüßer’ is? Is hier ongemerkt geen invloed te bespeuren van Dietrich Bonhoeffer? Men wendt zich niet tot God om leemten (Lücken) op te vullen, maar om Hem te ontmoeten, misschien beter nog: door Hem ontmoet te worden. Een plaats van bijzondere godsontmoeting is het kerkgebouw. Over de kerkwijding zegt Metropoliet Anthony, dat daardoor voor God een bepaald territorium veroverd wordt op een ontheiligde wereld, die door de duivel bewerkt is. Hoewel de woorden niet genoemd worden, wordt hier duidelijk gewerkt met de begrippen ‘sacraal’ en ‘profaan’. Toch betekent dit ‘profaan’ bij hem niet, dat de wereld godverlaten is. Hij zegt: “In de wereld is God aanwezig als een vreemde, een pelgrim, iemand die van deur tot deur gaat en nergens zijn hoofd te ruste kan leggen; Hij gaat door de wereld als de koning die verworpen werd en uit zijn rijk verbannen en nu is teruggekeerd om zijn volk te redden. In de kerk daarentegen is Hij thuis, het is zijn woonstede… Buiten de kerk doet Hij wat Hij kan, wanneer Hij kan…”.  Ook deze woorden lijken meer in de richting te wijzen van de ‘machteloze’ God, die niet van buitenaf tussenbeide wil komen in menselijke processen, waarvan Hij trouwens zelf de drager is. Misschien zit in deze beschrijving van het godsbeeld teveel interpretatie. Dit komt dan ook wel gedeeltelijk hierdoor, dat hij niet expliciet over seculariteit en secularisatie spreekt. Van de andere kant moeten we toch een verklaring zoeken voor het feit dat zoveel mensen zich door Metropoliet Anthony aangesproken voelen. Het zijn toch mensen van deze tijd, hoofdzakelijk westerlingen, die het bloed van de secularisatie door hun aderen voelen stromen. 

Jezus Getsemanie


              Het gebed volgens Metropoliet Anthony.

 Uiteraard kleurt dit beeld van God zeer sterk de visie, die Metropoliet Anthony op het gebed heeft. Het kan onmogelijk de bedoeling zijn om hier alle aspecten van het gebed te behandelen. We doen hier en daar een greep, hopend daarmee de meest saillante punten aan te raken. Zoals reeds bij de behandeling van de bronnen werd opgemerkt, hecht hij grote waarde aan de traditie. Uiteraard strekt zich deze tendens ook uit over het gebed. In Meditations on a Theme  zegt hij: “Zo dikwijls zeggen we, waarom bidden met woorden, die door anderen gewaarmerkt (coined) zijn? Drukken mijn eigen woorden niet precies uit, wat er in mijn hart en in mijn geest leeft? Nee, dat is niet genoeg. Wat we nl. beogen is niet eenvoudigweg lyrisch uitdrukken wat wij zijn, wat wij hebben geleerd en wat wij willen. Op dezelfde manier waarop we van de grootmeesters van de muziek en van de kunst leren, wat muzikale en artistieke schoonheid is, zo leren wij ook van de meesters van het geestelijk leven, die bereikt hebben waarnaar wij streven, en die waarachtige, levende en waardige leden van het lichaam van Christus geworden zijn; van hen moeten wij leren, hoe we moeten bidden, hoe wij de voorwaarden en de gesteldheid van geest, wil en hart kunnen vinden, die ons tot christenen maken. Dit is ook een daad van zelfonderwerping, waardoor we iets groters en waarachtigers dan onszelf toestaan in ons te leven en ons vorm, stimulans en richting te geven”. Metropoliet Anthony wil hiermee echter geenszins zeggen, dat men de gebeden van anderen per se moet nabidden, hoewel hij er op zijn tijd grote waarde aan hecht. “Het eerste waar het eigenlijk op aan komt”,  zegt hij, “is vorm, stimulans en richting te geven”. Naast de woorden, die men voor het gebed kiest, is ook de lichaamshouding zeer belangrijk. Hij citeert het advies van Theofan de Kluizenaar over de houding bij het gebed: “Wees noch te slap, noch te gespannen, gelijk een vioolsnaar die op een bepaalde toonhoogte moet klinken; houd het lichaam rechtop, de schouders naar achter, het hoofd in een gemakkelijke houding, de spanning van elke spier naar het hart gericht”. “Velen in onze moderne wereld”, aldus Metropoliet Anthony, “hebben de zin voor het gebed verloren en beschouwen de lichamelijke houding als bijkomstig, ofschoon ze dit allerminst is. Laten wij het niet vergeten: de mens is niet een ziel die in een lichaam vertoeft, maar hij bestaat uit lichaam en ziel en wij worden geroepen, volgens de H. Paulus, om God te verheerlijken in onze geest en in ons lichaam”. Een andere voorwaarde voor het gebed is, dat het gedragen moet worden door Jezus Christus. Het gebed van de christen is het gebed van Christus, zijn Vader van geslacht tot geslacht in telkens andere omstandigheden aangeboden door diegenen, die door genade en deelname Christus in deze wereld tegenwoordig stellen. Als aan de voorwaarden, die hier echter niet uitputtend opgenoemd worden, voldaan is, kan men er dan zeker van zijn God existentieel, voelbaar te zullen ontmoeten in het gebed? Met Metropoliet Anthony kunnen we hier uiteraard geen antwoord op geven. God is immers een persoon en de mens kan God niet door middel van een bepaalde ‘techniek’ dwingen tot een ontmoeting. Dan zou er geen sprake meer zijn van een persoonlijke verhouding en ontmoeting. Zoiets kunnen we wel doen met een idee, met een produkt van onze verbeelding of met de verschillende idolen die wij tegenover ons kunnen plaatsen ter vervanging van God. We kunnen iets dergelijks echter niet doen met de levende God. Wat hier duidelijk doorspeelt is zijn visie op God. God is de onkenbare, de geheel andere, de soeverein. Het is niet de mens zelf, die door zijn gebed, hoe voortreffelijk ook, een bepaalde voelbare reactie in zich oproept. Het is God, die datgene als antwoord in de mens laat opwellen, waarvoor hij vatbaar is. Op een andere plaats zegt hij: “In onze inspanning om te leren bidden zijn emoties praktisch van geen belang; wat we God moeten aanbieden is een vast besluit Hem trouw te zijn en Hem in ons te laten betijen. Van ons gebed wordt niet een of andere gemoedstoestand verwacht, maar een diepe omvorming van heel onze persoonlijkheid. Wat we beogen is voor God te verschijnen, in Zijn tegenwoordigheid op te gaan, Hem al onze noden voor te leggen, van Hem kracht en sterkte te ontvangen en alles wat nodig is, opdat zijn wil in ons volbracht mag worden. Dit laatste is het enige doel van ons gebed. Het is ook de enige maatstaf van een goed gebed, niet een of andere mystieke ervaring of vroom gebed… Bij overweging of gebed kan concentratie alleen worden bereikt door het te willen. Ons geestelijk leven steunt op geloof en vastberadenheid - en alle eventuele vreugde komt van God”. Daarom moet men bij het gebed niet bang zijn, wanneer men God slechts kan benaderen in de naaktheid van het geloof of zijn tegenwoordigheid helemaal niet ervaart. Het is onbelangrijk of men deze ervaart of niet en een gevoel van verrukking is geen garantie voor de godsontmoeting, noch draagt het ertoe bij.Er moeten andere voorwaarden vervuld worden en de belangrijkste is, dat degene die zich aan het gebed wijdt, zichzelf moet zijn. Degene die bidt moet de woorden zoeken die bij hem of haar passen en zich niet als het ware aan het gebed vertillen. En wanneer hij toch bepaalde, voorafbestaande teksten wil gebruiken, zal hij ernaar moeten streven zich tot de hoogte van die teksten op te werken. Dit afstand-doen van het gevoelsmatige, dit geduldig wachten op God, tot Hij zich wil openbaren, kan men misschien wel zien als de voornaamste boodschap, die Metropoliet Anthony aan de mens van deze tijd wil brengen. De christen van deze tijd is iemand, die graag iets wil ervaren, wil voelen. Men probeert diensten en gebeden zo samen te stellen, dat ze de individuele bidder of de gemeenschap iets doen. Uiteraard is zo’n activiteit niet af te keuren en zit er iets goeds in. Wil God immers zelf niet, dat de mens zich door het lichamelijke en door het woord zo optimaal mogelijk tot Hem richt? “We moeten God echter niet benaderen”, zegt hij desalniettemin, “om allerhande gevoelens te ondervinden noch om deelachtig te worden aan enige mystieke ervaring. Wij gaan naar God om in zijn tegenwoordigheid te staan; verkiest Hij ons daar bewust van te maken, Hij zij geprezen - maar wil Hij ons zijn werkelijke afwezigheid laten voelen, Hij zij nog geprezen, want Hij is vrij te komen en te gaan. Hij is even vrij als wij zijn, ofschoon wij gewoonlijk niet naar Hem toegaan als iets anders ons meer boeit. Laat Hij ons echter zijn tegenwoordigheid niet voelen, dan is het omdat we iets te leren hebben omtrent Hem en omtrent onszelf. Maar de afwezigheid die ons in het gebed pijnigt, het besef dat Hij er niet is, maakt ook deel uit van onze verhouding tot God en is zeer kostbaar”. In deze visie op het gebed past ook de regelmaat, die Metropoliet Anthony inzake het gebed voorstaat. Gebed is immers geen gevoelskwestie. Het is niet aan de mens God voor te schrijven hem binnen de zoveel tijd een gevoel van zaligheid te geven. Het gaat om het expliciet ter beschikking willen staan van God op persoonlijk niveau. Daarom zal men ook niet verbaasd moeten zijn over dorheid in het gebed en zelfs af en toe de moed moeten hebben om te zwijgen in plaats van gebeden te formuleren. Men moet er eenvoudig de tijd voor nemen en dan maar wachten op God. Aan het slot van deze beschouwing moet men constateren, dat er nog heel wat vragen open blijven. Daar is bv. de kwestie van de verhouding van het persoonlijke tot het liturgische gebed. Een andere zeer belangrijke vraag is: waarom hebben zijn televisie­toespraken en zijn boeken zo’n overweldigende belangstelling getrokken? Ongetwijfeld speelt zijn doorleefde en overtuigde betoogtrant hierin een grote rol. Hij is overtuigd van wat hij zegt, omdat hij het zelf zeer intensief doorleefd heeft. Hij is tot geloof gekomen na een zeer zware crisis, tijdens welke hij de zinloosheid van zijn eigen leven zag en zelfs met de gedachte aan zelfmoord speelde. Hij heeft toen de aanwezigheid van Christus zeer levendig gevoeld. Ook de stap van arts naar monnik en priester zal niet zonder nadenken gebeurd zijn. Dit alles duidt op een zeer bewuste keuze, die in zijn optreden naar buiten duidelijk naar voren komt. Daarbij heeft hij de gave om zijn gedachten op een zeer eenvoudige en begrijpelijke manier te brengen. Men hoeft zich niet te kwellen met de vraag: wat bedoelt hij eigenlijk? Het is voorts duidelijk, dat zijn godsvoorstelling de moderne mens aanspreekt. Het is het beeld van een liefhebbende God, wiens anders-zijn-dan-de-mensen, wiens vrijheid echter sterk benadrukt wordt. Het is blijkbaar een godsbeeld, dat past bij de seculariserende tendens, die de Kerken binnendringt en leeft in de harten van vele christenen. Als wij het oeuvre van Metropoliet Anthony zouden moeten karakteriseren, zouden we misschien het best kunnen zeggen: het is een stuk mystieke theologie in de beste oosterse zin van het woord. P.AL(overgenomen uit “Het Christelijk Oosten”26ste jaargang - 1974 - afl. 1)met dankbaarheid.  

banner blauw