23-05-12

Christus : Het christengeloof : De Geloofsverkondiging der Apostelen met bewijzen

Welkom op mijn blog over Filosofie - Religie - maar vooral ORTHODOXIE


Om een stukje bijbel te horen voorlezen, KLIK op het bijbeltje en zoek bij index de tekst die je wenst te beluisteren.

bijbel


Kopie van gebed2.jpg

 

 Klik op het icoontje om liederen te beluisteren van de orthodoxe parochie  van Gent

 christus pantocrator.jpg 

 

 EERSTE NEDERLANDSTALIG BOEK OVER DE POEZIE EN THEOLOGIE VAN EFREM DE SYRIER

 

efrem de syrier.jpg

 

 

 

 KLIK HIER VOOR MEER

 

10:00 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (6) | Email dit |  Facebook |

Christus : Het christengeloof : De Geloofsverkondiging der Apostelen met bewijzen

CHRISTUS

Uit : Het christengeloof : De Geloofsverkondiging der Apostelen met bewijzen

Door : Ireneos van Lyon

 

Christus gelaat.jpg

 

 

Christus, God en mens

De profeet Amos zegt (9,11): 'Te dien dage zal ik Davids vervallen tent weer oprichten'. Hiermee wordt geduid op het uit David stammend lichaam van Christus, dat gestorven is en uit de doden is opgestaan. Want ‘tent’ wordt vaak gebruikt voor lichaam.

Christus’lichamelijke afstamming uit David; dat Hij de Zoon van God; dat Hij zou sterven en opstaan uit de dood; dat Hij uiterlijk een mens, maar naar kracht als God zou zijn; dat Hij rechter zou zijn over heel de wereld; dat Hij gerechtigheid uitoefent en onze Verlosser is, dat alles wordt in de hierboven vermelde schrift woorden voorspeld

Christus geboorteplaats

De profeet Micheas wijst zelf de plaats aan waar de Christus geboren zou worden, namelijk Bethlehem in Judea (Mich.5,1) : ‘En gij, Bethlehem in Judea, zijt niet de geringste onder de aanvoerders van Juda : uit u immers zal een aanvoerder voortkomen, die Mijn volk Israel weiden zal’. Bethlehem is de geboorteplaats van David, zodat Christus, niet slechts vanwege de Maagd die Hem gebaard heeft, maar ook door Zijn geboorteplaats een afstammeling van David is.

De ware heerser uit Davids nageslacht.

Telkens spreekt David erover dat de Christus uit zijn nakomelingschap geboren zou worden, zoals in Psalm 131 : ‘Omwille van David, Uw dienaar, wend het aangezicht niet af van Uw Christus; de Heer heeft naar waarheid gezworen aan David. Hij zal het zeker gestand doen : vrucht van uw lichaam zal ik plaatsen op uw troon als us zonen Mijn Verbond onderhouden; als zij Mijn Getuigenissen bewaren zoals ik die hun zal leren, dan zal hun Zoon tot in eeuwigheid zetelen op uw troon’. Doch geen van Davids zonen heeft voor altijd geheerst, ook bleef hun koningschap niet eeuwig – dat rijk is immers opgeheven – alleen de uit David geboren Christus is Koning in eeuwigheid.

Al deze getuigenissen hebben betrekking op Zijn lichamelijke afstamming, en zij geven Zijn geslacht en geboorteplaats duidelijk aan, zodat men niet onder de heidenen, of waar dan ook, naar de geboren Zoon Gods behoefde te zoeken, doch in het joodse Bethlehem, uit het geslacht van Abraham en David.

Christus’ triomftocht

Een andere gebeurtenis uit Christus leven is voorzegd door de profeet Zacharias (9,9): ‘Roep dochter Sion toe : zie uw koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, op een veulen, het jong van een lastdier’. Want zo heeft Hij inderdaad Zijn intrede gemaakt in Jeruzalem, de hoofdstad van Judea, waar de regering gezeteld was en waar zich ook Gods Tempel bevond. Hij deed Zijn intrede op een ezelsveulen, waarover de menigte haar kleren had uitgespreid en waarop Hij plaats genomen had. Die dochter van Sion is de stad Jeruzalem.

Voorspellingen over Christus

We zien dus hoe de profeten hebben voorspeld dat de Zoon Gods geboren is onder de mensen, maar zij hebben ook nog voorzegd hoe Hij die mensen, waaruit Hij stamde, zou genezen; hoe Hij hun doden zou opwekken tot leven; en hoe Hij daarvoor gehaat en verworpen zou worden; hoe Hij moest lijden, gedood en gekruisigd worden.

Voorzeggingen over de door Christus verrichte genezingen.

Laten we nu over Zijn genezingen spreken. Jesaja zegt daarover (53,4) : ‘Waarlijk, onze zwakheden heeft Hij gedragen, onze ziektes heeft Hij op zich genomen’. Dit is één der plaatsen waar Gods Geest door de profeten over de toekomst spreekt alsof die reeds gebeurd zou zijn : zo zeker is immers dat geschieden zal wat in Gods raad besloten is. Voor Gods Geest is, wat in gindse tijd geschiedt wanneer de profetie in vervulling moet gaan, reeds in Zijn aanschouwen tegenwoordig.

De profeet geeft ook de aard der genezingen aan : op ‘die dag horen de doven de woorden van het Boek en zien de blinden, want hun ogen zijn bevrijd van duisternis en donker’ (Jes.29,18). ‘Sterk de slappe handen, geef kracht aan de knikkende knieën. Wees getroost, verslagenen en kleinmoedigen; sterk u, vrees niet ! Hier is onze God, Hij brengt vergelding : Hijzelf wil ons komen redden. Dan worden de ogen der blinden geopend, de oren der doven zullen horen. Dan zal de kreupele springen als een hert en de tong van de stomme zal juichen (Jes.35,3-6)’. Zelfs het opwekken der gestorvenen heeft hij voorzegd : ‘De doden zullen opstaan, en die in de Graven zijn, zullen opgewekt worden (Jes.26,19)

(wordt vervolgd)

Uitgave van orthodox klooster : Den Haag

09:57 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

09-05-12

Over de heilige communie

 

OVER DE HEILIGE COMMUNIE

binnen de orthodoxe Kerk

"Christenen moeten de Heilige gaven ontvangen, hoe dan ook. 'Als je het vlees van de mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan hebt ge het leven niet in U....Want Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij ik in hem' (Joh.6,53-56). Het niet communiceren is zonde : een zeer zware zonde, omdat hij het bloed van Christus, Zijn Kruis en Zijn Offer misprijst. Hij misprijst Christus zelf" ( Arcim.Basileou Mpakogannh : H Jeia Koinwnia, p.53) Verwijzingen naar dit boekje zullen in 't vervolg aangeduid worden met : JK

Het doet soms pijn, om de grote verscheidenheid van opvattingen binnen de Kerk over de Heilige Communie waar te nemen. Alles heeft te maken met bepaalde tradities, opvattingen, die soms plaatselijk zijn, maar die in de praktijk soms heel ver af staan van wat de Orthodoxie ons leert. Is het normaal, dat men in de ene kerk niet mag communiceren, dat men er zelfs de gelegenheid niet toe krijgt, en in de kerk van het volgend dorp het helemaal geen probleem is, integendeel. Wij worden vaak bestookt met argumenten vóór of tégen de frequente communie. Vooral de argumenten tégen zijn dikwijls van een ongeloofwaardig, zelfs onaanvaardbaar gehalte. Wij komen hier op terug. Op zoek gaande in enkele boeken en websites heb ik geprobeerd een aantal vragen in verband met dit onderwerp te beantwoorden, in respect voor ieders overtuiging, doch steeds de waarheid van de Heilige Schrift, de Kerkvaders en Grote heiligen volgend.

Hoe is de praktijk van het Communiceren geevolueerd ?

In de Handelingen van de apostelen staat : ' En allen die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk'(Hand.2,44-47). Dit was het gebruik in de allereerste periode van de Kerk. Iedereen deed mee, belangrijk was een zuiver hart, vol eenvoud en blijdschap.

De eerste Christenen hielden de praktijk van de maaltijd in ere. Er was toen nog geen afzonderlijke ritus, los van de maaltijd.

Justinus (uit Palestina afkomstig en rond 165 gedood in Rome) zegt in zijn eerste apologie : 'Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen bijeen.Er wordt uit de geschriften van de apostelen en profeten gelezen... dan houdt de voorganger een toespraak....Dan wordt brood en wijn gehaald, en de voorganger spreekt met luide stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met 'Amen' te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld, waarvan IEDER zijn deel krijgt . Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht'. (Bijbel en Christendom, deel 1 p.62).

Pas veel later werd de Eucharistie een liturgie apart, zonder maaltijd.

Nog later, onder de Turkse overheersing en de synodale periode in de Russische Kerk, is het communiceren zeldzaam geworden. Waarschijnlijk niet uit onachtzaamheid, maar wél door een verlammend respect voor het Heilige.

Nochtans is de communie het noodzakelijk antwoord, het noodzakelijk compliment op het eucharistisch gebed. Het zegengebed en het gezamenlijk nuttigen maken samen de grondstructuur uit van de Eucharistie (naar A.Verheul : Grondstructuren van de Eucharistie,pp.82-83). Er was ooit een periode, waarop diegenen die niet communiceerden, vóór de consecratie de kerk verlieten. Dat heeft men echter in grote mate kunnen verhinderen, alhoewel het op sommige plaatsen nog gebeurt.

Een bijkomende reden, waarom de communiepraktijk verminderde, was waarschijnlijk de biecht-boetepraktijk. Men kreeg na de biecht een boete opgelegd, en men mocht pas communiceren, wanneer die boete volbracht werd. Het is nochtans geen gebruik in de Orthodoxe Kerk een boete op te leggen. Dit gebruik is aan het Westen ontleend. In de Orthodoxie gelooft men dat de biecht alle zonden vergeeft, een boete hoeft niet. God is de barmhartige, en vergeeft de mens als hij oprecht berouw heeft. God schenkt ons Zijn genade, wij moeten ze niet 'verdienen'. Christus heeft onze zonden op zich genomen.

Over de situatie vandaag schrijft Mgr.Kallistos : 'Recent zijn er in Griekenland en de Russische diaspora parochies die teruggekeerd zijn naar de oorspronkelijke primitieve gewoonte van de wekelijkse communie, en het blijkt dat het achter het ijzeren gordijn (het boek is van 1963 ! ) nog frequenter is geworden. Men kan hopen dat deze beweging zich in de komende tijden verder zal ontwikkelen en breder zal worden' (L'Orthodoxie, p 385).

Het roept heel wat vragen op, wanneer men in een orthodox land in de ene kerk niet eens de mogelijkheid heeft om te comunnie te gaan (nader in vreze Gods en met liefde...en de priester draait zich onmiddellijk weer om : ongehoord !), en men je in de andere bijna komt halen om deel te nemen aan de communie (heb ik zelf ervaren op de Athosberg : in het klooster Xenofontos ging niemand ter communie (reden : men ging direct na de liturgie eten, en men kan toch niet het lichaam van Christus ontvangen als men direct nadien moet eten !!??) terwijl het in het Russicon en vooral in Simonos Petros geen enkel probleem was, integendeel men nodigde u uit (en zonder voorafgaande biecht !)om te komen communiceren.

Hoe dikwijls te Communie gaan ?

Hier heerst onenigheid. Sommigen zeggen : dikwijls - twee tot driemaal per week, of zelfs elke dag. Anderen zeggen : slechts 3-4 maal per jaar. (JK, p.53)

De eerste Christenen communiceerden elke zondag. Zij kwamen allen samen in één of ander huis, lazen uit de schriften van het Oude Testament, hielden liturgie en communiceerden.

Het is pas in de loop van de geschiedenis dat de frequente communie is beginnen af te nemen (zie boven). De Heilige Simeon van Thessaloniki evenals Metropoliet Filaret van Moscou spreken van 40 maal per jaar, anderen spreken van 3-4 maal per jaar. Het is vooral in de 4e eeuw dat de communie zeldzaam wordt.Er waren zelfs Bisschoppen die gedurende jaren niet celebreerden, noch communiceerden ! Zij verkozen de jacht en banketten boven de eucharistie en de communie. De Heilige Johannes Chrysostomos constateert dat sommige Christenen maar communiceren op het feest van Theophanie, in de vasten en op Pasen. Men ging dit 'zelden' communiceren zelfs gaan aanvaarden.

Toch zien we doorheen de geschiedenis een oproep tot het veelvuldig communiceren.

Wanneer de Heilige Johannes Chrisostomos en andere Heilige Vaders de gelovigen aanzetten om dikwijls ter communie te gaan, dan willen zij breken met de slechte gewoonte van het zelden communiceren.

Voor de Heilige Communie is het nodig te vasten. Het best communiceert een Christen één of tweemaal per maand (volgens o.a. Filaret van Moscou), en dit, opdat de gelovige zich voldoende en in alle rust kan voorbereiden. In de vasten kan men regelmatiger communiceren. Indien mogelijk elke zondag ( o.a.Heilige Simeon van Thessaloniki). Dat men geen 5 weken is zonder de Heilige Communie (letterlijk :geen 40 dagen zonder de H. Kelk te naderen) (Simeon van Thessaloniki) (vrij uit :JK,p.55)

Diezelfde Heilige Johannes Chrysostomos heeft ook gezegd : 'Christus heeft ons de mogelijkheid gegeven om Zijn lichaam te eten, door ons tot een nog grotere vriendschap te verheffen en door ons zijn wens tegenover ons te tonen, want, aan hen die het wensen, toont Hij zich niet alleen, maar Hij laat hen ook toe om Hem aan te raken, Hem te eten en zich in Zijn lichaam te integreren om zich met Hem te verenigen en volop hun ziel te bevredigen' (H.Joh.Chrysostomos, Homelie 46, over de H.Johannes 2)

Vandaag ziet men een heropleving van de frequente Communie. Dit vraagt tijd, maar God is ons hierin nabij. Maar voegen we er aan toe :' Wie zullen wij prijzen ? zegt de H. Johannes Chrysostomos, hem die geregeld communiceert ? of hem die zelden communiceert ?' En hij antwoordt: noch de één noch de ander, maar hem die met een zuiver geweten communiceert' (JK,p56).

Verschil Communio en Communie van de Heilige gaven.

Alhoewel beide een nauwe band hebben met elkaar : men kan niet communiceren zonder dat men in communio leeft met de anderen. Toch is er een onderscheid.

'Communio' betekent : leven in de gemeenschap van gelovigen, de Kerk, verzameld rond het altaar, samen met de priester. In éénheid van geloof. In Liefde voor mekaar. Bij de 'Communie van de H.Gaven', biedt Christus zich persoonlijk aan ons aan. Wij gaan met een zuiver hart en groot verlangen het lichaam en bloed van Christus ontvangen, tot vergeving der zonden. De Communie van de gaven doet ons groeien naar de communio met elkaar. Christus gaat ons leiden vanuit ons innerlijk, opdat wij vanuit Christus zouden leven. 'Gaat nu allen heen in vrede' zegt de priester op het einde van de liturgie. Wij hebben Christus ontvangen en kunnen nu in vrede heengaan.

Moet men biechten voor de Communie ?

"In sommige kerken was vroeger de biecht vereist om te kunnen communiceren. Men moest bijna zonden uitvinden om te kunnen communiceren. De rituele en automatische binding tussen de twee sacramenten van berouw en Eucharistie ontnam de eerste zijn geloofwaardigheid en de tweede zijn blijmoedige inhoud van deelname aan het Eucharistisch banket. Wanneer, daarentegen, men ophield de biecht als voorafgaande aan de Communie te eisen, hielden de gelovigen, van deze last bevrijd, dikwijls op te biechten, en communiceerden soms zonder de noodzaak aan te voelen hun levensstijl in vraag te stellen. Zo loopt de Communie zelf het gevaar een rituele en mechanische daad te worden, waarin men het vreeswekkend aspect vergeet van de offerende liefde, die ons haar Bloed schenkt en ons haar Leven brengt.

Indien het dus zeker niet noodzakelijk is, ja zelfs niet raadzaam is om iedere keer dat men communiceert te biechten - des te meer dat het normaal is in iedere liturgie te communiceren om de oproep te beantwoorden 'nadert met vreze Gods, in geloof en in Liefde', en om nadien te zingen :'Wij hebben het ware licht aanschouwd' - blijft het niettemin essentieel voor het vervolmaken van ons leven in Christus, systematisch onze levensstijl en ons gedrag terug in vraag te stellen door een regelmatige biechtpraktijk. Het ritme van deze praktijk is in functie van de vrije beoordeling van ons eigen geweten' (Uit de toespraak van Vader Cyrille Argenti over de VERZOENING op het achtste westeuropees Orthodox Congres te Blankenberge).

Vooral in de Russische kerk en vele ex-communistische landen houdt men aan dit gebruik van te biechten voor de communie vast, alhoewel in het westen en op de Athos (en waarschijnlijk ook in vele Russische parochies) dit niet meer vereist wordt. Zo hoeft men in de Russische Kerk van Amsterdam en in het Russicon op de Athos enkel de zegen te vragen aan de priester (kwestie van te weten wie die vreemdeling is die te communie gaat !)

Na wat hierboven gezegd is, kunnen we besluiten. Het is een vaststaand feit dat de binding boete-Eucharistie niet juist is. De eerste Christenen namen de maaltijd, en allen kwamen tot de tafel des Heren. Ook de jonge Kerk heeft dit gebruik in deze zin gekend. Het is pas later, vooral tijdens de Turkse bezetting, en de Russische Synodale periode dat men de Communie-praktijk grondig reduceerde.Maar ook een bepaalde opvatting over biecht-boete heeft deze trend doen voortzetten.

Gelukkig maken we al geruime tijd een tendens gewaar om terug te keren tot de gewoontes van de eerste Kerken, en dus ook naar een diepere deelname aan de Heilige Liturgie.

Traditie en tradities

Eén van de balangrijke kenmerken van de Orthodoxie is haar gehechtheid aan de Traditie. Nogal dikwijls wordt dit feit aangeduid om de gewoonte van het niet-frequent communiceren goed te praten :'het is de traditie binnen deze of die geloofsgemeenschap'. Een onderscheid tussen Traditie en tradities kan hier opheldering brengen.

We citeren hiervoor uit het boek van bisschop Kallistos Ware (L'Eglise des sept conciles pp.270-271) :

'Alles wat uit het verleden komt heeft niet dezelfde waarde en is niet noodzakelijk juist. Zo deed het één van de bisschoppen op het concilie van Carthago in 257 opmerken. :'De Heer heeft gezegd : ik ben de Waarheid; Hij heeft niet gezegd : Ik ben de gewoonte'. Er is een verschil tussen de Traditie en tradities : vele tradities zijn menselijk en toevallig, het zijn godvruchtige opinies (of erger), maar ze zijn geen daadwerkelijk deel van de ene Traditie van de Christelijke boodschap bij uitstek.

Het is noodzakelijk, dat wij ons ondervragen over het verleden. In de Byzantijnse periode en later, hebben de orthodoxen zich daarover te weinig ondervraagd, en een zekere stagnatie is hiervan dikwijls het gevolg geweest. Vandaag kan deze houding niet voortduren : een betere scholing, het meer en meer incontact treden met westerse christenen, de secularisatie en het atheïsme hebben de orthodoxen ertoe gedwongen om deze erfenis beter te bestuderen, en een meer subtiele differentiëring tussen Traditiie en tradities te maken. Dit onderscheid is niet altijd gemakkelijk te maken. Het is ook nodig, dat wij de fouten van de 'oud gelovigen' als deze van de 'levende Kerk' proberen te vermijden : de enen zijn gevallen in een extreem conservatisme, de anderen, daarentegen, in een modernisme of een theologisch liberalisme welke de Traditie verwoest. Nochtans zijn de orthodoxen, ondanks hun gebreken,

Vandaag beter geplaatst dan hun voorgangers, om een meer onpartijdig oordeel te vellen. Het zijn vooral haar contacten met het Westen die de orthodoxen toestaat terug te keren tot haar eigen erfenis.

De waarachtige trouw aan het verleden moet een creatieve trouw zijn. De orthodoxie kan zich niet voldaan voelen met een 'steriele theologie van herhaling', dit wil zeggen, met een herhalen van formules waarvan men de zin niet meer begrijpt. Er is niets mechanisch aan een goed begrepen trouw aan de Traditie, het is niet slechts een overbrengen en tegelijk er zich eenvoudigweg niet meer interesseren aan datgene wat ons is gegeven. Een orthodox die zich bezint ziet de Traditie vanuit het innerlijke, het doordringt de geest. Om in de Traditie te leven, is het niet voldoende om zich intellectueel te hechten aan een systeem van doctrines, want de Traditie is heel wat anders dan abstracte stellingen. Het is een levend iets, een persoonlijke ontmoeting met Christus, in de Heilige Geest. In de orthodoxe opvatting is de Traditie niet statisch, maar dynamisch, het is geen erfgift dat passief wordt overgenomen, maar het is de levende en actuele ervaring van de Heilige Geest. Alhoewel innerlijk onveranderbaar - want God verandert niet- neemt zij voortdurend nieuwe vormen aan, die zich wederzijds aanvullen, zonder er iets aan te veranderen. De orthodoxen praten dikwijls alsof de periode van formules voorbij is, maar het is niet zo, en wellicht zullen wij ooit een nieuw oecumenisch concilie zien samenkomen die een verrijking zal brengen door nieuwe verklaringen.

Dit idee van een levende Traditie is duidelijk uitgedrukt door Georges Florofsky :

' De Traditie is het getuigenis van de Heilige Geest, de voortdurende openbaring en de voortdurende boodschap van het goede nieuws....Om de Traditie te aanvaarden en te begrijpen, moeten wij leven in de Kerk, moeten wij ons bewust zijn van de levende genade van de aanwezigheid van de Heer, moeten wij er de adem van de Heilige Geest voelen...De Traditie is geen principe dat beschermt en bewaart; zij is essentieel een principe van groei en van herstel... De Traditie is niet alleen maar een woordelijk herdenken maar ze is de eeuwige woonplaats van de Heilige Geest.'(Sobornost : the Catholicity of the church, in 'the church of God' pp.64-65)

De traditie is het getuigenis van de Heilige Geest : in de woorden van Christus :'Wanneer Hij zal komen, de Geest van Waarheid, zal Hij u naar de volle Waarheid leiden' (Joh.XVI,13).

Deze goddelijke belofte is de bron van de orthodoxe devotie ten aanzien van de Traditie.'

Besluit :

Als we eerlijk willen staan tegenover God, bestaat er niet zoiets als een volgen van een bepaalde taditie, omdat het nu eenmaal zo de 'gewoonte' is. Orthodoxen moeten durven terugkeren naar de oorspronkelijke betekenis van de Traditie. Gelukkig keren in onze tijd vele orthodoxen terug naar de oorspronkelijk Christelijke leer. Als Christenen moeten we de leiding van de Heilige Geest hierin erkennen.

Enkele getuigenissen van Heiligen, Kerkvaders en theologen over de Heilige Communie

Nicodemus de Hagioriet (1748-1809) was in zijn tijd een vurige voorstander van de frequente Communie. Hij werd omwille van dit standpunt ernstig aangevallen, maar een concilie van Constantinopel (1819) gaf hem gelijk. Voorstanders van de frequente Communie doen graag beroep op het grote gezag van deze Heilige.

De Heilige Johannes van Cronstadt legde de nadruk op het veelvuldige communiceren; alhoewel de leken in zijn tijd maar een 4-5 maal per jaar communiceerden. Hij legde wel de nadruk op het biechten. Aangezien hij geen tijd had om individuele biechten te houden, voerde hij een soort gemeenschappelijke biecht in . Allen beleden luidop en tegelijk hun zonden.Johannes van Cronstadt heeft nog een andere vernieuwing aangebracht : nl. het meer 'open' maken van de ikonostase, zodat iedereen kon zien wat er aan het altaar gebeurde.

Ook Vader Georges Khodre, libanees priester van het Patriarchaat van Alexandrië wilde het frequent Communiceren in ere herstellen. Dit deed hij via een jeugd-beweging die hij stichtte in 1941-1942.

'De heilige Communie is een onontkoombare plicht voor elke gelovige, omdat hij via dit sacrament zich met Christus en met andere gelovigen verenigt. Wij zijn geroepen van dikwijls te Communiceren en niet slechts twee of drie maal per jaar. Het regelmatig Communiceren heeft een bijzonder nut, maar mag echter geen aanleiding zijn tot het verlies van onze noodzakelijke eerbied voor het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus Christus'(gevonden op de internetsite van de Griekse Kerk in Nederland : www.grieksegids.nl/kerkfotos/kerk.htm)

Mgr Kallistis : zie het boven reeds geciteerde citaat.

In diezelfde zin als Mgr.Kallistos schrijft ook O.Clement (L'Eglise Orthodoxe,p. 95.)

Alexander Schmemann : 'Wij nemen deel aan de Heilige Communie 'alleen maar' omdat wij toegewijd, dit is heilige gemaakt zijn door Christus en in Christus. Wij nemen eraan deel om heilig te worden, d.w.z. om de gave der heiligheid in ons leven waar te maken' (Biecht en Communie,p.38, gecit. in 'Een open venster op de Orthodoxe Kerk, Ignace Peckstadt, p.12)

'Ideaal gezien is het hele leven van een christen, en zo zou het natuurlijk moeten zijn, een voortdurende voorbereiding voor de communie, zoals ook de 'geestelijke' vrucht van de communie dat is en zou moeten zijn' (Schmemann 'biecht en communie' p.41)

'Diep geloof en gevoel van 'onwaardigheid' is de enige weg om God in ons te ontvangen, zoals wij het trouwens telkens in de Goddelijke Liturgie bidden : 'God wees ons zondaars genadig' en verder 'Menslievende Meester, Heer Jezus Christus mijn God, maak dat deze Heilige Geheimen mij niet tot veroordeling strekken door mijn onwaardigheid maar tot genezing van ziel en lichaam' (gebed van de Heilige Johannes Chrysostomos voor de Communie)

In hetzelfde boek van Vader Ignace Peckstadt vindt men nog meer getuigenissen. Lees in dit verband vooral de bladzijden : 81-84.

Eén van de martelaren van Optina Poestyn , Vader Vasily, één van de drie nieuwe heiligen van de Russische Kerk en vermoord in 1993 zegt in zijn dagboek : 'De ellende van ons land is te wijten aan het onbegrip van de Russische priesterstand (en daardoor hun veronachtzamen) van de frequente communie' (Een bloedig Pasen, p.243) In voetnoot staat volgende aantekening 'Met de priesterstand wordt hier de witte geestelijkheid genoemd, de getrouwde priesters. In de 18e eeuw was in de Russisch-orthodoxe Kerk de traditie ontstaan dat een gelovige slechts éénmaal per jaar te communie hoefde te gaan. Nog steeds gaan vele kerkbezoekers weinig te communie. Een gewoonte die inderdaad een actieve geloofsbeleving in de weg staat.'

In het boek : een eigen kijk op de icoon en de Kerk, zegt archimandrit Zenon, Monnik en iconograaf :

'De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan 'deelnemen', niet

toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen.Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van 'aanwezigheid', enkel van 'deelneming'(....) Een zogenaamde 'geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren' (p.53-54)

De Heilige Basileios de Grote raadde de Christenen aan viermaal per week samen te komen voor de liturgische viering : op maandag, vrijdag, zaterdag en zondag. Als ideaal stelde hij evanwel de dagelijkse communie voor.Eén van de Oecumenische Concilies heeft beslist - en dat werd nooit herroepen - dat wie zonder geldige reden niet aan twee of drie eucharistische vieringen heeft deelgenomen uit de kerkgemeenschap uitgestoten wordt, of juister zichzelf van Christus uitsluit. (geciteerd in het boekje van Zenon p.55). Verder zegt Zenon nog : 'In onze grote catechese wordt gezegd dat wie gered wil worden viermaal per jaar de communie moet ontvangen of ten minste éénmaal. In onze tijd lijkt dit absurd : niemand onderhoudt dit voorschrift. Het leven heeft er anders over beslist. Ook de H.Johannes van Kronstadt gaf andere aanbevelingen' p.55.

Men kan zo doorgaan, men moet al heel lang zoeken om een Kerkvader te vinden die voorstander is van het niet-frequent communiceren, zo men er al één kan vinden.

Het communiceren is een belangrijk moment binnen de liturgie, een liturgie is maar volledig, als men ook tot de kelk genaderd is. Het is een sterk moment, wij ontvangen het lichaam van Christus, om vanuit Hem verder te kunnen leven ! Wij gaan te communie 'tot vergeving van onze zonden'.Zo is de Heilige Communie, evenals het sacrament van de ziekenzalving zelf zondenvergevend.

Een bekende canon van de Kerk, die nog altijd geldig is, zegt zelfs dat diegenen die niet regelmatig communiceren 'geexcommuniceerden' zijn: Al de gelovigen die de Kerk binnenkomen en de schriftlezingen volgen, maar niet blijven voor de gebeden en de Heilige Communie moeten worden geëxcommuniceerd, want zij veroorzaken wanorde in de Kerk ( 9e apostolische Canon)

Ook in de Katholieke Kerk was tot vorige eeuw de communiepraktijk niet frequent. Dank zij acties, onder andere bij ons, van Priester Poppe, met zijn eucharistische kruistocht en de 'bond van het Heilig Hart', is in de Katholieke Kerk de frequente communie een normaal onderdeel geworden van elke misviering.

Besluit :

Uit alles wat gezegd is, blijkt de frequente deelname aan de Heilige mysterieën het dichtst aan te sluiten bij het Evangelie, de Kerkvaders en de Eerste Kerk. Dit mag ons echter niet hoogmoedig maken. Iedereen volgt hierin zijn geweten. Het belangrijkste is niet HOEVEEL, maar HOE wij communiceren. Dit alles in respect voor ieders persoonlijk geweten.

Waar wij westerlingen de meeste moeite mee hebben is de argumentatie van de tegenstanders van de frequente Communie : Welk voedsel we ingenomen hebben, of we daarna niet direct gaan eten, of we de dag ervoor de liefde niet bedreven hebben, of we onze mond gespoeld hebben, tot zelfs of we onze tong geraspt hebben, zeggen dat alles Communie is (men bedoelt eigenlijk 'communio'), uit traditie, of we gebiecht hebben enz... Men leest en hoort dergelijke dingen ( zie : JK, p. 64-66).Wat hierbij opvalt, is, dat er geen eenduidig antwoord gegeven wordt op de vraag waarom men maar een paar maal per jaar communiceert. De ene zegt dit, de ander zegt dat...

In veel orthodoxe landen die jarenlang onder het juk van het communisme geleefd hebben, is er gedurende die jaren weinig kans geweest om zich grondig hierover te bezinnen. Een tekort aan boeken en degelijke theologische scholing maakte dat vele priesters geen of weinig studies hadden gedaan, soms geheel niet. Het enig godsdienstig onderricht kwam van ouders of grootouders, die dikwijls vast zaten aan bepaalde tradities. Het valt ook op, dat vele migranten uit die landen hier soms een veel behoudsgezinder standpunt innemen dan in hun eigen land van herkomst. Terwijl het juist goeddenkende theologen zijn aangevuld met een grondige kennis van de Bijbel en de Kerkvaders die ons een dieper inzicht in de betekenis van de Heilige Communie kunnen geven.

Maar Jezus kent het hart van elke mens. God is Barmhartig, hij is Liefde en een levengevende bron. Moge de Heilige Communie ons aanzetten tot verdieping van ons liturgisch en sociaal leven met en voor elkaar.

Kris Biesbroeck

10:01 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

03-05-12

Metropoliet Kallistos : Over de dood en de verrijzenis

                     

Over de dood en de verrijzenis

Door Metropoliet Kallistos Ware

 

DE KONINKLIJKE DEUREN OPENEN ZICH !

 

In de cultus van de russisch Orthodoxe Kerk, blijven de  centrale deuren van de iconostase tijdens de gebeden, die het begin van de Eucharistie voorafgaan, gesloten. Wanneer de Goddelijke Liturgie begint, gaan de deuren open, het heiligdom komt tevoorschijn en de priester zingt  het inleidend zegengebed.

Het is dit essentieel moment dat prins Eugène Troubetskoï (1863-1920), filosoof en russisch religieus, opriep in zijn laatste woorden op zijn sterfbed : “ De koninklijke deuren openen zich ! De grote Liturgie kan beginnen”. Voor hem was de dood geen poort die zich sluit maar een poort die zich opent, geen einde, maar een begin. Naar het voorbeeld van de eerste Christenen heeft hij de dag van zijn dood ervaren als een geboortedag.

Ons menselijk bestaan kan vergeleken worden met een boek. De meeste mensen beschouwen hun leven hier beneden als de  reële tekst, zij zien het toekomstige leven ,althans de voornaamste periodes ervan, - in de mate natuurlijk dat ze geloven in de realiteit ervan – als een  eenvoudig aanhangsel. Een authentieke christelijke houding is juist het tegenovergestelde. Ons huidig leven is in werkelijkheid niets meer dan het voorwoord., de inleiding op het boek ; het toekomstige leven vormt daarentegen de belangrijkste  gebeurtenis. Het moment van de dood vormt niet de conclusie van het boek, maar het begin van het eerste hoofdstuk. In verband met dit eindpunt, dat in werkelijkheid een vertrekpunt is, moet men zich twee dingen voor ogen stellen die zo evident zijn, dat men ze gemakkelijk vergeet. Vooreerst is de dood een onoverkomelijk en zeker feit. Vervolgens is de dood een mysterie. Wii moeten dus de dood beschouwen met tegengestelde gevoelens, met matigheid en realisme enerzijds,en met vrees en verwondering anderzijds.

In dit leven is er slechts één ding waar we zeker kunnen van zijn : wij zullen allen sterven – ten minste, indien  Christus’wederkomst niet daarvóór gebeurt. De dood is het enige feit dat vaststaat, dat onvermijdelijk is, waar de mens moet op rekenen. En indien ik het probeer te vergeten, indien ik mij wil verbergen voor haar onvermijdelijk karakter ervan, dan ben ik al verloren.

Het ware humanisme in onscheidbaar van het bewustzijn van de dood. Het is slechts door de realiteit van mijn nakende dood te trotseren en te aanvaarden dat ik waarachtig zal kunnen leven. Zoals D.H.Lawrence het heeft geconstateerd : “Zonder de zang van de dood is de zang van het leven onbeduidend en belachelijk”. Door de dimensie  van de dood beroven  wij het leven van  haar  ware grootheid.

Metropoliet Antoine van Souroge heeft het ook met kracht gezegd :  “De dood is de hoeksteen van onze houding tegenover het leven. Zij die angst hebben voor de dood, hebben ook angst voor het leven. Het is onmogelijk om geen angst te hebben voor het leven met al zijn complexiteiten en al zijn gevaren, indien  men angst heeft voor de dood (….). Indien wij schrik hebben voor de dood, zullen wij nooit klaar zijn om het ultieme risico te nemen, dan zullen wij ons leven laten voorbijgaan op een lafhartige, behoedzame en angstvallige manier. Het is slechts door de dood onder ogen te durven zien, door de plaats te bepalen die haar toekomt en ook onze plaats ten overstaan van haar, dat wij in staat zullen zijn om zonder vrees te leven en tot het uiterste van onze mogelijkheden te gaan” . (1)

Nochtans zou ons realisme en ons besluit om een betekenis te geven aan de dood niet mogen leiden tot een beperking van een tweede waarheid : het mysterieuze karakter van de dood.  Ondanks alles wat de verschillende religieuze tradities ons ook mogen vertellen : wij begrijpen bijna niets van “dit onbekend land waaruit geen enkele reiziger  terugkeert….” . Het is waar  wat Hamlet zegt : dat “de vrees voor de dood de wil in verwarring brengt”. Wij moeten weerstaan aan de bekoring om té ver te gaan zoeken en té veel te gaan zeggen.  Men moet de dood niet banaliseren . Het is een onoverkoombaar en zeker feit, maar ook de grote onbekende.

De Heilige Isaak de Syriêr (VIIe eeuw) drukt heel goed de eenvoudige realistische houding uit die men moet hebben ten overstaan van de dood : “Leg in uw hart, o mens, de gedachte dat je moet vertrekken. Zeg zonder ophouden : Zie, de engel die mij komt zoeken staat aan de poort. Waarom ben ik hier , om te doen alsof er niets aan de hand is  ? Mijn vertrek is voor altijd ; er zal geen terugkeer zijn’. Breng de nacht door met deze gedachte, mediteer hierover tijdens de ganse dag. En wanneer het moment van het vertrek komt, aanvaart het met vreugde, zeggende : ‘Kom in vrede ! Ik wist dat je zou komen en ik heb niet verwaarloosd  om op mijn weg te doen wat mij hiertoe nuttig zou kunnen zijn”  (2).

Over de plaats van de dood in ons leven en ons standpunt hiertegenover, volstaat het om drie dingen goed voor de geest te houden. Vooreerst : de dood is dichter bij ons dan wij het vermoeden. Vervolgens : zij is in geheel niet natuurlijk , zij is totaal tegengesteld aan het goddelijk plan, alhoewel zij toch een gave van God is. Tenslotte : het is een scheiding die geen scheiding is.

 LEVEN - DOOD,  DOOD - LEVEN

De dood is niet eenvoudigweg een ver verwijderde gebeurtenis die onze aards bestaan komt afsluiten, het is een gebeurtenis die reëel tegenwoordig is, die zich als maar verder rondom ons en in ons  voltrekt. “Elke dag zie ik de dood van nabij”, zegt de Apostel Paulus (1 Kor.15,31) ; “Elk ogenblik is de tijd van de dood” ,gaat T.S. Eliot nog verder. Alles wat leeft is een vorm van dood ; wij sterven de ganse tijd. Maar in deze dagelijkse ervaring wordt elke dood gevolgd door een nieuwe geboorte : elke dood is tevens een vorm van leven. Leven en dood staan niet tegenvover elkaar, zij sluiten mekaar niet uit, maar zijn met mekaar verweven. Gans ons menselijk bestaan is een mengeling van dood en verrijzenis. “ Als stervenden, en zie, toch zijn wij in leven” (2 Kor.6,9). Onze reis op deze aarde is een onophoudelijk Pasen, een voortdurende tocht van de dood naar een nieuw leven. Tussen onze aanvankelijke geboorte en onze uiteindelijke dood is gans de loop van ons bestaan samengesteld uit een reeks  “kleine” dood en geboorten.

Telkens wanneer wij gedurende de nacht inslapen, hebben wij een voorsmaak van de dood ; elke keer dat wij de volgende morgen ontwaken is het alsof wij opstaan uit de dood. Een joodse zegenspreuk zegt : “Gezegend zijt Gij o Heer onze God, Koning van het heelal, die elke ochtend uw wereld herschept” . Zo gaat het ook op dezelfde manier met ons : elke morgen als we ontwaken, zijn wij als herschapen. Wellicht zal ook onze ultieme dood op dezelfde wijze een  “herschepping” zijn, een inslapen gevolgd door  een ontwaken.

Wij hebben geen schrik om elke nacht in te slapen, omdat wij weten dat wij terug zullen ontwaken de volgende morgen. Kunnen wij dan ook niet hetzelfde vertrouwen hebben tegenover ons ultieme inslaping bij de dood ? Zouden wij dan niet kunnen rekenen op een ontwaken, herschapen, in de eeuwigheid ?

Dit model van leven-dood vinden wij ook, een beetje verschillend, in het proces van onze groei. In elke etappe moet er iets in ons sterven om naar de volgende etappe in ons leven te gaan. De overgang van zuigeling naar kind, van kind naar de adolescentie, van de adolescentie naar de rijpe volwassenheid, betekent telkens een innerlijke dood die een voorwaarde is voor de geboorte in iets nieuws. En deze overgangsperiodes, in het bijzonder deze van het kind naar de adolescentie, kunnen een bron van crisis zijn, zelfs zeer pijnlijke. Maar indien wij op een bepaald moment deze noodzaak om te sterven weigeren te aanvaarden, dan kunnen wij ons niet ontwikkelen tot echte personen. Zoals Georges MacDonald het schrijft in zijn roman Lilith, “Je zal dood zijn in de mate dat je zal weigeren te sterven” . Het is juist de dood van het oude, dat het nieuwe mogelijk maakt in ons. Zonder de dood kan er geen nieuw leven zijn.

Indien volwassen worden een vorm van dood zijn is, zo is het ook met betrekking tot het begin, de scheiding van een plaats of een persoon die we hebben liefgehad. Het zijn scheidingen in onze voortdurende groei naar rijpheid. Ten minste moeten wij op een dag de moed hebben om onze vertrouwde omgeving te verlaten, van ons te scheiden van onze actuele vrienden en van nieuwe banden te smeden. Wij zullen nooit kunnen realiseren wat we allemaal in ons hebben, ons daadwerkelijk beschikbaar vermogen. Door té lang te blijven steken in het oude, weigeren wij de uitnodiging te aanvaarden voor het nieuwe. Om de woorden van Cecil Day Lewis te hernemen : “ De differentiatie begint bij een vertrekpunt, en het is in de keuze van het loslaten dat men getuigt van de liefde”.

Een ander soort loslaten die wij op een dag zullen moeten trotseren is bv. de ervaring van het afwijzen, wanneer wij gaan solliciteren voor werk – hoeveel jongeren die pas afgestudeerd zijn van school of universiteit moeten vandaag de dag doorheen deze bijzondere vorm van de dood gaan ! Het afwijzen in de liefde. Er is dan iets wat werkelijk afsterft in ons wanneer wij ontdekken dat onze liefde zonder antwoord blijft en dat iemand anders de voorkeur geniet in onze plaats. En nochtans kan deze dood een bron zijn van nieuw leven. Voor vele jongeren is het mislukken in de liefde juist het begin van de rijpheid, hun inwijding in het volwassen zijn. De droefheid, het verlies van een geliefde, betekent tevens een dood in het hart van diegene die achterblijft. Wij hebben de indruk dat een deel van onszelf er niet meer is, dat wij beroofd zijn van een ledemaat. De droefheid wanneer men ze het hoofd biedt en innerlijk heeft aanvaard, maakt van ons meer authentisch levende mensen dan voordien.

Voor vele gelovigen, is de dood van het geloof – het verlies van onze meest intense zekerheden (minstens de in het oog springende) over God en de betekenis van het bestaan – bijna even traumatiserend als het verlies van een vriend of een echtgenoot. Maar dit is ook een ervaring van dood-leven waar wij moeten  doorheen gaan opdat ons geloof zou rijpen. Het authentieke geloof is een permanente dialoog met de twijfel. God overtreft oneindig datgene wat wij over Hem kunnen zeggen; onze geestelijke concepten zijn afgodsbeelden die moeten gebroken worden. Om volkomen levend te zijn, moet ons geloof voortdurend sterven.

In al deze gevallen zien wij dat de dood geen destructief, maar een creatief karakter heeft. Het is door de dood dat de verrijzenis komt. Iets wat sterft is iets wat geboren wordt ten leven. Is de dood die ons bij het einde van ons aardse leven overkomt niet van dezelfde orde ? Is zij niet de uiterste en meest formidabele dood-verrijzenis onder alle andere die wij hebben gekend sedert onze geboorte ? Verre van er totaal van afgesneden te zijn is de dood de meest omvangrijke en de meest volledige uitdrukking van alles wat wij in de loop van ons leven hebben meegemaakt. Indien de kleine vormen van dood waardoor wij moesten passeren ons geleid hebben naar iets wat ons overtreft, naar een verrijzenis, waarom zou dit dan ook niet waar zijn van het grote moment van de dood, wanneer de tijd gekomen is om deze wereld te verlaten ?

Maar het is niet alles. Voor de Christenen haalt dit model van dood - verrijzenis, dat zich  herhaalde malen heeft voorgedaan in ons leven , zijn diepste betekenis in het leven, de dood en de Verrijzenis van onze Redder Jezus Christus. Onze eigen geschiedenis moet begrepen worden in het licht van Zijn geschiedenis die wij elk jaar celebreren gedurende de Heilige Week, maar ook elke zondag in de Eucharistische Liturgie. Al onze kleine vormen van sterven en verrijzen vormen doorheen de geschiedenis een eenheid met Zijn  definitieve Dood en Verrijzenis, onze kleine vormen van Pasen worden opgeheven en herbevestigd in Zijn grote Pasen. De dood van Christus, volgens de liturgie van de Heilige Basilios, is een “scheppende dood van leven”. Zeker van zijn voorbeeld geloven wij dat ook onze dood  “een schepping ten leven” kan zijn. Christus is onze voorloper en aanvang. Zoals ook de orthodoxe Kerk in de homilie toegewezen aan de Heilige johannes Chrysostomos het  bevestigt tijdens de Paasnacht : “Dat niets de dood vreze, want de dood van Christus is ons geopenbaard; Hij heeft ze doen verdwijnen na (…) te hebben ondergaan. Christus is Verrezen, nu heerst het leven. Christus is verrezen, er is geen dood meer  in het graf” (3).

 

DE DOOD IS A-NORMAAL

De dood is dus onze gezel tijdens gans ons leven, als een dagelijkse permanente ervaring en herhaald tot in het oneindige. Nochtans, hoe vertrouwd zij ook is, ze blijft altijd een niet-natuurlijk gegeven. De dood maakt geen deel uit van het vooropgestelde plan van God voor Zijn schepping. God heeft ons geschapen, niet opdat wij zouden sterven, maar opdat wij zouden leven. Meer nog, Hij heeft ons geschapen als een ondeelbare eenheid. Vanuit het standpunt van de Joden en de Christenen, moet de menselijke persoon gezien worden in termen van ‘geheel’ (holistisch) zijn : wij zijn geen ziel die tijdelijk gevangen zit in een lichaam en die ernaar verzucht om eruit bevrijd te worden, maar een geïntegreerde totaliteit die lichaam en ziel omvat. Carl Gustav Jung had gelijk toen hij  de nadruk legde op wat hij een ‘mysterieuze waarheid’ noemde : “De geest is het levend lichaam gezien vanuit het innerlijke, en het lichaam is de uiterlijke manifestatie van de levende geest – de twee zijn werkelijk één”. Indien wij als dusdanig een scheiding maken tussen ziel en lichaam, dan is de dood een hevige aanslag op de eenheid van de menselijke natuur.

Indien de dood iets is wat ons allen te wachten staat, dan is zij in het diepste zelf a-normaal. Zij is afschuwelijk en tragisch. Voor de dood van onze naasten en onze eigen dood, wat ons realisme, onze gevoelens van droefheid ook mogen zijn, is onze huivering en zelfs onze verontwaardiging gerechtvaardigd : “Kom niet zacht binnen in die goede nacht. Tiert, ga tekeer tegen het verdwijnen van het licht” zegt de dichter Dylan Thomas. Jezus zelf heeft geweend voor het graf van Zijn vriend Lazarus (Joh.11,35); en in de hof van Gethsemanie, was Hij vervuld van angst voor het dreigende vooruitzicht van zijn eigen dood (Matth.26,38). De Apostel Paulus beschouwd de dood als een ‘vijand die moet vernietigd worden’ (1 Kor.15,26) en hij heeft het nauw verbonden met de zonde : “De prikkel van de dood is de zonde” (1 Kor.15,56). Het is omdat wij allen leven in een verscheurde wereld – in een wereld met een verstoord evenwicht, waar onenigheid heerst, een gekke wereld, een afgestompte wereld – dat wij zullen sterven.

Nochtans, zelfs al is de dood een tragisch gebeuren, zij is ook en tezelfdertijd een zegen. Alhoewel zij geen deel uitmaakt van Gods plan met de mensheid, is zij toch een gave van God, een uitdrukking van Zijn barmhartigheid en Zijn medelijden. Voor ons mensen die in deze verscheurde wereld leven, gevangenen voor altijd in de vicieuze cirkel van de vijand en de zonde, is dit een vreselijke en ondraaglijk noodlot. Daarom heeft God ons een uitweg aangeboden. Hij heeft de eenheid van ziel en lichaam gebroken, om hen dan opnieuw te kunnen herscheppen en te verenigen op de laatste dag, als de lichamen zullen verrijzen, en hen mee te voeren naar de volheid van het leven. Hij is als de pottenbakker die door de profeet Jeremias wordt geobserveerd : “Ik daalde af bij de pottenbakker, maar de pot die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw, en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde” (Jeremias 18,4-5). De goddelijke pottenbakker legt zijn hand op de pot van onze nederigheid, beschadigd door de zonde, en Hij breekt hem om hem op zijn beurt te kunnen opnieuw maken en hem zijn oorspronkelijke schoonheid terug te geven. De dood, in deze betekenis is ook het instrument van ons herstel. Zoals de orthodoxe Kerk het zingt op haar begrafenisdienst : “ Eertijds hebt Gij me gehaald uit het niets om mij gelijkvormig te maken aan het beeld van God, maar ik heb uw wet geschonden en Gij hebt mij overgeleverd aan de aarde waaruit ik genomen was, laat mij nu terugkeren naar uw gelijkenis en herstel mijn eerste schoonheid” (4). In het epitaaf (grafschrift) welke hij voor zichzelf had samengesteld, schrijft Benjamin Franklin : “ Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, als  een kaft van een oud boek, zijn inhoud is opgebruikt en verstoken van zijn letters en zijn goud. : ze voeden  de verzen ! Het werk zal echter niet verloren gaan, want zoals hij het geloofde, zal het opnieuw verschijnen in een nieuwe en veel mooiere editie, verbeterd en gewijzigd door zijn Auteur !”

Er is dus een dialectiek in onze verhouding tot de dood : maar de twee benaderingen zullen uiteindelijk niet tegenstrijdig zijn. Wij zien de dood als niet natuurlijk, a-normaal, tegengesteld aan het plan van de Schepper, maar we revolteren er niet tegen met droefheid en wanhoop. Wij beschouwen het ook als een deel van de goddelijke wil, een zegen en niet als een straf. Ze is ook een uitweg uit onze impasse, een middel van de genade, als de deur naar onze her-schepping. Het is onze terugweg. Om opnieuw de orthodoxe begrafenisdienst te citeren : “ Ik ben het verloren schaap : roep mij terug, o mijn Heiland, en red mij”. Wij naderen dus tot de dood met bereidwilligheid en hoop, met de Heilige Fransiscus van Assisië zeggend : “dat onze Heer zij geloofd voor onze zuster, de  lichamelijke dood” ; want doorheen deze lichamelijke dood, roept de Heer het kind van God tot zich terug. Over de grenzen van hun scheiding door de dood, zullen ziel en lichaam herenigd worden op de laatste dag. Deze dialectiek verschijnt duidelijk gedurende de orthodoxe begrafenis.  Niets wordt er gedaan om de droevige en schokkende realiteit van de dood te verduisteren. De kist blijft open, en het is dikwijls een pijnlijk moment wanneer familie en vrienden de één na de andere naderen om de overledene de laatste kus te geven. Nochtans is het tezelfdertijd, en dit op verschillende plaatsen het gebruik om geen zwarte klederen te dragen, maar witte, dezelfde die men draagt voor de dienst van de Verrijzenis gedurende de paasnacht : want Christus, verrezen uit de doden, roept de overleden christenen op om Zijn eigen Verrijzenis te delen.  Het is niet verboden om te wenen tijdens een begrafenis; het is zelfs veeleer goed, want de tranen kunnen het effect hebben van een zalf en de wonde  is nog veel dieper wanneer de pijn wordt verdrongen. Maar we moeten niet diepbedroefd zijn “zoals de anderen die geen hoop hebben” (1 Thess.4,13). Onze droefheid, hoe hartverscheurend zij ook moge zijn, is geen wanhoop, want, zoals wij het belijden in de Geloofsbelijdenis : wij verwachten “de verrijzenis uit de doden en het leven van het komend rijk”.

 

COMMUNIO IN CHRISTUS

 

Ten slotte is de dood een scheiding die geen scheiding is. De orthodoxe traditie hecht het grootste belang aan dit punt. Levenden en doden behoren tot één enkele familie. De afgrond van de dood is niet onoverkomelijk want we kunnen elkaar terug ontmoeten rond het altaar van God. De Russische schrijver Iulia de Beausobre (1893 – 1977) zegt : “De Kerk (…) is het punt waar de doden, de levenden en hen die nog moeten geboren worden mekaar ontmoeten, in wederzijdse liefde zich verenigend rond de rots van het altaar om hun liefde voor God te verkondigen” (5). Het is dit, wat ook een andere Russische auteur, de priester Macaire Gloukharev (1792 – 1847), zegt in een brief aan een gelovige in rouw :  “In Christus leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Levenden en doden : wij zijn allen in Hem. Het zou juister zijn om te zeggen : wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood. Onze God is geen God van doden, maar een God van levenden. Het is uw God, het is de God van de overledene. Er is slechts één God, en gij zijt verenigd in de Enige. Je kan alleen mekaar voor enige tijd niet zien, opdat de toekomstige ontmoeting vreugdevoller zou zijn. Dan zal niemand u deze vreugde kunnen ontnemen. Maar zelfs nu leef je samen; zij is alleen maar naar een andere kamer gegaan en heeft er de deur gesloten… De spirituele liefde kent geen zichtbare scheiding” (6).Hoe kan men deze permanente communio handhaven ? Er is vooreerst een valse weg die sommigen aantrekkelijk vinden, maar die de orthodoxe traditie absoluut verwerpt. Neen, de communio tussen levenden en doden heeft niets te maken met de relevante praktijken van het spiritisme of magie. In een authentiek christendom is er geen plaats voor technieken die zich richten op het communiceren met doden, zoals het beroep doen op mediums bv. In feite zijn deze technieken zeer gevaarlijk. Diegenen die deze technieken opzoeken stellen zich dikwijls bloot aan demonische krachten. Het spiritisme is ook een uitdrukking van ongegronde nieuwsgierigheid, van het soort zoals iemand die probeert door het sleutelgat te kijken van een gesloten deur. Zoals Vader Alexander Eltchaninoff (1881 – 1934) : “Wij moeten nederig het bestaan van het Mysterie erkennen, en niet pogen om via een diensttrap naar omhoog gaan om aan de deuren te luisteren” (7)

Na datgene wat we tot hiertoe gezegd hebben, en de levens van de heiligen leren het ons, zijn er zeker gevallen waar doden rechtstreeks met mekaar in contact treden, of het nu in een droom is of doorheen visioenen. Maar we moeten van onze kant, niet proberen deze contacten te forceren.

Elk kunstmatig middel die er op gericht is om de doden te manipuleren is in strijd met het christelijk geweten. De communio die ons met de doden verenigt situeert zich niet op het psychisch niveau, maar op het spirituele, en de plaats waar wij met mekaar in contact treden is geen salon, maar de eucharistische tafel. Het enig geldig fundament van onze communio met de doden is de communio in het gebed, vooral in de celebratie van de Goddelijke Liturgie. Wij bidden voor hen, en terzelfdertijd zijn wij er zeker van dat ook zij voor ons bidden; en het is door deze wederzijdse voorbede dat wij verenigd worden over de grenzen van de dood heen, in een band van intense  en eeuwigdurende eenheid.

Bidden voor de doden is voor een orthodox christen niet zomaar een bijzaak, een optie ; het is daarentegen een aanvaard en onveranderlijk element van onze dagelijkse cultus. De gebeden die wij zeggen  zijn veelvuldig : “Vat van wijsheid die de mensen bemint en alles leidt in het licht van  het heil. Enige Schepper van wie allen ontvangen die tot  U bidden. Schenk Uw rust o Heer aan de zielen van Uw dienaars, want hun hoop is op U gericht, onze Auteur, onze Schepper en onze God”, en ook nog “Laat rusten onder Uw heiligen, de zielen van Uw dienaars, in een plaats waar geen smart, droefheid en geweegklaag is, maar waar het eeuwige leven is”, en nog : “ Schenk o Heer aan Uw dienaars de rust en plaatst hen in  het Paradijs,daar waar de koren der rechtvaardigen en heiligen schitteren als de sterren; geef hen, Heer, de rust en vergeef hen al hun zonden”.

Onder deze gebeden zijn er met een sombere ondertoon; zij roepen de mogelijkheid op van een eeuwige scheiding met God : “Van het vuur dat niet uitdooft, van de duisternissen zonder licht, van het knarsen der tanden, van de wormen die voortdurend knagen en van elke diepste smart, red onze overleden gelovigen”.Deze voorbeden voor de doden hebben geen onverbiddelijke limieten. Voor wie bidden wij ? Stricto senso, in de publieke liturgische celebraties staan de orthodoxe regels de nominatieve gebeden niet toe, tenzij voor hen die gestorven zijn in de zichtbare communio met de Kerk. Maar er zijn gevallen waarbij onze gebeden veel langer zijn. Gedurende de vespers van Pinksterenzondag, worden zelfs gebeden gedaan voor hen die in de hel zijn : “Gij die op dit uitzonderlijk volmaakt en zaligmakend feest u gewaardigd hebt onze voorbeden te aanvaarden voor hen die in de hel zijn, en die ons in hoge mate de hoop gegeven hebt dat Gij de overledenen zult verlossen uit hun droefenis die hen verplettert, en geef hen hun verlichting…”(8).

Wat is de leerstellige basis van dit constante gebed voor de doden ? Hoe is het te verrechtvaardigen vanuit theologisch standpunt ? Het antwoord op deze vragen is buiengewoon eenvoudig en direct. De basis is onze solidariteit in de wederzijdse liefde. Wij bidden voor de doden omdat wij hen beminnen. De anglicaanse Aartsbisschop William Temple noemt dergelijke gebeden “het ministerie van de liefde”; en hij bevestigt het met de woorden welke elke orthodoxe christen tot de zijne zou willen maken : “Wij bidden niet voor hen omdat God hen zou verwaarlozen als we het niet doen. Wij bidden voor hen omdat wij weten dat Hij hen bemint en er zorg voor draagt, en wij vragen het voorrecht om onze liefde voor hen met die van God te verenigen”. En zoals Pusey het zegt : “ Weigeren om voor de doden te bidden is een zo koude gedachte, zo tegenstrijdig met de liefde, dat om deze enkele reden alleen al zij niet juist kan zijn .

Vanaf dat moment is geen enkele uitleg of rechtvaardiging van het gebed voor de overledenen nodig of zelfs mogelijk. En dergelijk gebed is eenvoudigweg de spontane uitdrukking van onze liefde voor elkaar. Hier op aarde bidden wij voor de anderen, waarom dan ook niet verder bidden  voor hen na hun dood ? Hebben zij opgehouden te bestaan      en zouden wij daarom moeten ophouden om voor hen te bidden ? Levenden of doden, wij zijn allen leden van eenzelfde familie. Zo moeten levenden en doden tussenbeide komen de een voor de ander. In de Verrezen Christus is er geen scheiding tussen doden en levenden; zoals Vader Macarius Gloukharev het zegt : “Wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood”. De fysische dood kan de banden niet uiteen halen van de liefde en van het wederzijds gebed die ons allen verenigt in één  en hetzelfde Lichaam.

Zeker, wij begrijpen niet juist hoe een dergelijk gebed in het voordeel is van de overledenen. Zo ook, wanneer wij bidden voor de levenden, kunnen wij niet uitleggen hoe deze voorbede hen kan helpen. Wij weten uit onze eigen ervaring, dat onze bede voor onze naaste  werkt, en daarom doen we het verder. Echter, of  zij zijn gericht op levenden of doden, deze gebeden werken op een manier die mysterievol blijft. Wij zijn onbekwaam om binnen te dringen in de juiste interactie van het gebed, in de vrije wil van een andere persoon, in de genade en de voorkennis van God. Wanneer wij bidden voor de overledenen, volstaat het te weten dat hun liefde blijft groeien en dat zij zo behoefte hebben aan onze steun. Laten wij de rest aan God over.

Indien wij daadwerkelijk geloven dat wij voordeel hebben van een ononderbroken  en blijvende communio met de doden, zullen wij de zorg moeten hebben om, in de mate van het mogelijke, over hen te praten, nu en niet in het verleden. Wij zullen niet zeggen “wij hebben elkaar lief gehad”, “wij waren zo gelukkig samen”, maar we zullen zeggen “wij houden nog van elkaar – nu méér dan ervoor”, “zij is mij dierbaarder dan ooit”, “wij zijn zo gelukkig samen”. Ik ken een Russische dame, lid van de gemeenschap van Oxford, die hardnekkig weigert dat men haar ‘weduwe’ noemt. Haar man is echter reeds jaren overleden, toch kan ze niet ophouden om te zeggen :”Ik ben zijn echtgenote, niet zijn weduwe”. Zij heeft gelijk.

Als we leren om over de doden zo te spreken, in het heden en niet in het verleden, zal dit ons helpen om een probleem op te lossen dat dikwijls bron is van angst voor vele mensen. Het komt te gemakkelijk voor dat men een verzoening met iemand waarvan we verwijderd zijn tot later uistelt . En dan komt de dood, voordat men zich met mekaar heeft verzoend. In een bitter zelfverwijt zijn we dan geneigd om te zeggen : “te laat, te laat, de mogelijkheid is voor altijd verdwenen, er kan niets meer gedaan worden”. Maar wij vergissen ons geheel, want het is niet te laat. En op dat moment kunnen wij naar huis terugkeren, en in ons avondgebed kunnen wij ons rechtstreeks tot de gestorven vriend wenden met wie we ruzie hadden. Wij kunnen dezelfde woorden gebruiken als toen hij nog levend en aanwezig was, en wij kunnen zijn vergeving vragen en onze liefde herbevestigen. Vanaf dat ogenblik zal onze wederzijdse relatie veranderd zijn. Zonder zijn gezicht te zien, noch zijn antwoord te horen, zonder te weten hoe onze woorden hem zullen bereiken, voelen wij in ons hart dat hij en ik een nieuwe aanvang hebben gemaakt. Het is nooit te laat om te herbeginnen.

DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM

Blijft nog de vraag die zo dikwijls gesteld wordt en onmogelijk te beantwoorden is met onze kennis : de verrijzenis van het lichaam.Wij hebben gezegd dat de menselijke persoon in het begin door God geschapen werd als een ondeelbare eenheid van lichaam en ziel, en dat wij over de grenzen van de scheiding door de fysische dood, de ultieme hereniging van lichaam en ziel verwachten op de laatste dag. Een hollistische anthropologie (= een anthropologie die de gehele mens bestudeert nvdv) zet ons aan, om niet alleen in de onsterfelijkheid van de ziel te geloven, maar in de verrijzenis van het lichaam. Het lichaam maakt immers een integraal deel uit van de ganse menselijke persoon, gans onsterfelijk moet ook lichaam én ziel inhouden. Wat is in dit geval de relatie tussen ons actueel lichaam en onze verrijzenis in de komende tijd ? Hebben wij in deze verrijzenis hetzelfde lichaam als nu of een nieuw lichaam ?

Het beste antwoord is wellicht het volgende :  het lichaam zal terzelfdertijd het zelfde zijn en een ander. Christenen  verstaan de verrijzenis van het lichaam nogal dikwijls op een  simplistische en kortzichtige manier. Zij stellen zich voor dat de essentiële materiële elementen van het lichaam, die opgelost en verspreid zijn door de dood, op één of andere manier terug bijeengebracht zullen worden op de dag van het oordeel, zodat het opnieuw samengesteld lichaam exact dezelfde minuscule delen van materie zal hebben als ervoor.

Maar zij die een continuïteit bevestigen tussen ons actuele lichaam en ons lichaam op de laatste dag, hebben niet noodzakelijk zo een letterlijke visie over de dingen.De Heilige Gregorios van Nyssa bijvoorbeeld, in “De schepping van de mens” en “de Ziel en de verrijzenis”, geeft ons een meer overwogen en verbeeldingrijke voorstelling. De ziel schenkt aan het lichaam een duidelijk verschillende vorm (eidos); zij markeert het lichaam met een merkteken of iets dat karakteristiek is, en  niet van buitenaf is opgelegd , maar vanuit het innerlijk. Het is dit merkteken dat het lichaam het karakter of de innerlijke geestelijke staat van de persoon uitdrukt. In de loop van ons leven hier op aarde zullen de fysische componenten verschillende malen van vorm veranderen, maar in zoverre de vorm die door de ziel wordt uitgedrukt, een continuïteit bezit die niet door deze lichamelijke veranderingen onderhevig is, kan men zeggen dat ons lichaam hetzelfde blijft. Er is een oorspronkelijke lichamelijke voortzetting, omdat er een voortzetting (continuïteit) is in de vorm gegeven door de ziel. Zoals C.S. Lewis het zegt : “Mijn vorm blijft één, alhoewel de materie waarvan ze gemaakt is voortdurend verandert. Ik ben in dit opzicht als de kromming van een waterval”.

Tijdens de ultieme verrijzenis, vervolgt de Heilige Gregorios, zal de ziel ons verrezen lichaam tekenen met hetzelfde merkteken die het had gedurende dit leven. Het is niet nodig dat dezelfde fragmenten bijeengebracht worden; hetzelfde merkteken volstaat opdat het lichaam hetzelfde zou zijn. Tussen ons huidig lichaam en ons verrezen lichaam zal er dus een waarachtige continuïteit zijn, die men nochtans niet moet interpreteren op een té naïeve materialistische manier.

Daaruit volgt : indien het lichaam in deze betekenis hetzelfde blijft in de verrijzenis, zal het evenzeer verschillend zijn. Zoals de Apostel Paulus het zegt ; “Een ziele-lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst !”(1 Kor.15,44). “Geestelijk” mag hier niet geïnterpreteerd worden in de betekenis van “niet materieel”. Het verrezen lichaam zal altijd een materieel lichaam zijn, maar tezelfdertijd zal het getransformeerd worden door de macht en de glorie van de Geest. Zo zal het bevrijd worden van alle beperkingen van de stoffelijkheid zoals we dit nu kennen .

Voorlopig kennen wij de materiële wereld en onze eigen materiële lichamen slechts in het toestand van val, de kenmerken begrijpen die de materie zal bezitten in een niet gevallen wereld gaat ons verbeeldingsvermogen ver te boven.

Wij kunnen slechts in beperkte mate raden naar de transparantie en de vitaliteit, de lichtheid en de gevoeligheid waarmee ons verrezen lichaam, tegelijk materieel en spiritueel, zal worden bekleed op het einde der tijden. Zoals de heilige Efrem de Syriër (+373) het schrijft : “Kijk naar dit individu waarin een leger demonen hun woonplaats heeft gezocht : men wist niet dat ze zich daar bevonden omdat hun leger zich veel fijner en subtiler voordeed dan de ziel. In één lichaam, en volledig, heeft dit leger kunnen verblijven. Maar de lichamen  der rechtvaardigen, die opstaan op de dag der verrijzenis zijn honderd maal fijner en eveneens subtiler . Ze gelijken op een geest die in staat zal zijn te groeien naar eigen wens, samen te krimpen en klein te worden. Als iets kleins, is hij op één plaats, groot geworden, is hij overal… Maar inwelke mate zal dit paradijs nog volstaan voor al deze geesten, waarvan de substantie zo subtiel is dat zelfs de gedachten het niet kunnen vatten.(9) Dit is misschien wel de beste beschrijving die wij zouden kunnen bedenken over de glorie van de verrijzenis. Laten wij de rest over aan de stilte. “Datgene wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard” (1 Joh.3,2). Twee weken voor zijn dood vroeg men aan Ralph Vaughan Williams wat het toekomstige leven voor hem betekende. Hij antwoordde : “Muziek, muziek. Maar in de komende wereld, zal ik geen muziek maken, met alle moeilijkheden en wisselvalligheden dat dit tot gevolg heeft. Ik zal muziek zijn” “Je bent muziek zolang de muziek duurt”, schrijft T.S.Elioth. En in de hemel is de muziek eeuwig.

NOTAS

1. Sobernost, « On Death », 1-2,1979,p.8

2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Grieks College van Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Grieks College van Rome, 1978, pp. 249-50.
9. » La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

16:06 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

14-03-12

Icoon en dogma

ICOON EN DOGMA

 

christ_patocrator.gif

De betekenis, die de icoon heeft voor de orthodoxe vroomheid en de theologische verklaring ervan geeft reeds de sleutel tot de belangrijkste punten van de orthodoxe dogmatiek. Het begrip icoon is immers dogmatisch gezien een kernpunt, dat in alle aspecten van de theologie terugkeert. Zo is de gedachte van de afbeelding al fundamenteel voor het begrip van de verhouding tussen God en de mens. De mens is geschapen ‘naar Gods beeld’, hij draagt de icoon van God in zich. Dit besef is voor de orthodoxe theologie en anthropologie zo primair, het bewustzijn van dit Godsbeeld dat de mens bij de schepping is ingeprent, is zo allesbeheersend, dat de gedachte van de erfzonde in de orthodoxe leer nooit zo scherp is gesteld als in het Westen. Men ziet de zonde als een verminking, beschadiging, aantasting, bezoedeling van het Godsbeeld, die de mens echter niet kan beroven van zijn oorspronkelijke adel, die hij tegelijk met het Godsbeeld heeft ontvangen.

Ook voor de christologie en de drievuldigheidsleer is de gedachte van de afbeelding allesbeheersend. Het goddelijk Woord is het beeld van God de Vader, waardoor hij primair een gedaante aanneemt, het ‘evenbeeld van zijn Wezen’,de ‘afstraling van zijn glorie’(Hebr.1,3). Het heilswerk van het Woord dat is vleesgeworden, dat een afbeelding is van de hemelse Vader en waarin ‘de ganse volheid der Godheid woont’ (Col.2,9), bestaat in het hernieuwen van het Godsbeeld dat door de zonde van de eerste mens is besmeurd. Christus is zo de ‘nieuwe Adam’, in wie het oorspronkelijke Godsbeeld van de oude Adam is hersteld. In overeenstemming hiermee wordt de opvatting van het heilswerk beheerst door de beeldgedachte : de verlossing van de mens bestaat hierin , dat hij hernieuwd wordt in het beeld en zo in Jezus Christus de hernieuwing van zijn Godsbeeld beleeft. Dit beeldbegrip is echter ook bepalend voor de visie op de Kerk, de ecclesiologie, want in de Kerk worden de vele ledematen geïncorporeerd in het ene beeld van Jezus Christus, de ‘volmaakte man’ (Ef.4,13), terwijl de afzonderlijke gelovigen ‘verheerlijkt worden in zijn beeld (2 Cor.3,18).

Zo is de orthodoxe theologie van de icoon de eigenlijke sleutel tot het begrip van het orthodoxe dogma.

Bron : Ernst Benz : De oosters orthodoxe kerk

09:10 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

09-03-12

Eerste Nederlandstalig boek over de poëzie en theologie van Efrem de Syriër

 

Eerste Nederlandstalige boek over de poëzie en theologie van Efrem de Syriër

 

 Onlangs publiceerde Bar Ebroyo Press, de uitgeverij van de Syrisch Orthodoxe Kerk, de eerste Nederlandstalige monografie over de voornaamste dichter van het oriëntaalse christendom, Efrem de Syriër (ca. 300-373). Beroemd om zijn weergaloze poëzie en symbolische theologie, wordt St. Efrem door alle Oosters Orthodoxe en Oriëntaals Orthodoxe Kerken vereerd evenals door de Katholieke Kerk. Dankzij het werk van geleerden als Edmund Beck, Robert Murray, Sebastian P. Brock, Tanios Bou Mansour en Phil J. Botha, is de studie van Efrems teksten en gedachten sinds de eeuwwisseling een steeds hogere vlucht aan het nemen. Kees den Biesen heeft heel het moderne onderzoek naar Efrem geëvalueerd en samengevat in Simple and Bold: Ephrem’s Art of Symbolic Thought en nu voor Nederlandstalige lezers een toegankelijke inleiding geschreven.

 

 

Efrem.jpg

 

 

Dit boek richt zich niet tot geleerde specialisten, maar tot geïnteresseerde lezers die nader kennis willen maken met deze grote dichter en kerkvader. Het eerste hoofdstuk, ‘Efrem in ruimte en tijd’, overbrugt eerst maar eens de grote geografische en historische afstand die hedendaagse christenen van Efrem scheidt. Het tweede hoofdstuk, ‘Efrem in taal en poëzie’ brengt hem dan nog wat dichterbij: het vertelt over het Syrisch, de Aramese taal waarin Efrem schreef, over de oudste Syrische literatuur, en over de literaire genres die we in Efrems werken tegenkomen.

Het derde hoofdstuk, ‘Een symbolische visie op God, mens en wereld’, dompelt de lezers onder in een grote stroom van citaten uit Efrems werken, aan de hand waarvan het hen binnenleidt in zijn christelijke kijk op de wereld waarin wij leven.Efrem gebruikt een manier van spreken en denken, die karakteristiek is voor heel de christelijke oudheid en middeleeuwen, maar voor hedendaagse lezers tegelijk een grote uitdaging én een grote verrijking vormt. Het vierde hoofdstuk, ‘Van symbolische taal naar symbolisch denken’, analyseert daarom twee prachtige teksten, die laten zien hoe Efrem taal gebruikt om over de mysteries van God en het mens-zijn te praten en na te denken.Om de actuele waarde van Efrems werken toe te lichten, laat het vijfde hoofdstuk, ‘De wijsheid van symbolische theologie’, zien hoe men de afgelopen decennia steeds meer oog heeft gekregen voor de kwaliteiten van zijn unieke Syrische theologie. Het zesde hoofdstuk, ‘Christelijke litera­tuur, liturgie en levenskunst’, bespreekt de potentiële betekenis van deze theologie voor hedendaagse christenen.

 

 

efrem 2.jpg

Efrem de Syriër

 

 

 Het boek verschijnt als paperback bij Bar Ebroyo Press, St. Efrem de Syriër Klooster, Glanerbrugstraat 33, 7585 PK Losser. Het telt 214 bladzijden en kost € 20,- exclusief verzendkosten, en is te bestellen via deze website: http://morephrem.com.

De auteur, dr. Kees den Biesen (1959) publiceerde interdisciplinaire studies over Efrems symbolische theologie en is lid van de Syrisch Orthodoxe Kerk. Als literatuurwetenschapper is hij gespecialiseerd in de vroegchristelijke literatuur van het Midden-Oosten, als filosoof in de intellectuele kracht van poëtische vorm en taal, en als christelijk intellectueel in symbolische theologie. Hij is bijzonder geboeid door de wisselwerking tussen kunst, intellect en levens­beschouwing, die hij ook bij Dante Alighieri bestudeert en waarover hij regelmatig cursussen en lezingen geeft.

Dank aan het Verborgen Licht: de vroegchristelijke poëzie van Efrem de Syriër is ook bij de auteur verkrijgbaar via een mailtje naar purshana@live.com.

 

17:15 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

22-02-12

Het triodium van de Grote Vasten

Het triodium van de Grote Vasten

Liturgische bemerkingen

De maandag die volgt op de Zondag van de onthouding van melk is de eerste dag van de Grote Vasten. Gedurende 40 dagen nodigt de Kerk ons uit om ons voor te bereiden op de tijd van de Passie en de tijd van Pasen.

1 – DE VASTEN

Men kan de vraag naar het vasten van voedsel negeren of het lichtzinnig opvatten. Nochtans heeft het vasten een daadwerkelijke spirituele waarde. Want de vasten is een "zich beschikbaar stellen" voor Christus en Zijn Woord. Maar men mag het vasten niet alleen beperken tot het zich onthouden van voedsel. De vasten moet ons vooral helpen om onze daden , onze gedachten, onze woorden beter te controleren. Om onze aandacht meer te richten op de eisen van de Heer, om ons terug te brengen tot onze ware dimensies opdat onze naaste wordt verhoogd. De vasten is een "geheel" waarvan men de innerlijke en uiterlijke aspecten niet mag scheiden, maar waarvan de eerste de meest belangrijke zijn.

2 – DE EUCHARISTISCHE LITURGIEëN

A – In de week

Volgens ons gebruik zijn op de dagen dat er gevast wordt ( ’t is te zeggen alle dagen van de Vasten, uitgezonderd de zaterdag en de zondag) geen celebraties van de Goddelijke Liturgie en dit als teken van berouw. Om de gelovigen toch toe te staan om tot de heilige Communie te naderen, worden de heilige gaven zorgvuldig bewaard na de Liturgie van de Zondag en worden op woensdag en vrijdag aan de gelovigen uitgedeeld in wat wordt genoemd de Liturgie van de Voorafgewijde gaven, ’t is te zeggen, waar de Heilige Gaven worden genut die vooraf werden geconsacreerd Deze Liturgie van de Voorafgewijde gaven, die in feite een vesperdienst is gevolgd door de communie, bevat zelf geen eucharistische consecratie. Op zaterdag celebreert men de Goddelijke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos.

B – De Zondag

Gedurende de vasten viert men de liturgie van de Heilige Basilios de Grote in plaats van deze van de Heilige Johannes Chrysostomos.

Deze Liturgie wordt in onze Kerk tien maal per jaar gecelebreerd, en wel als volgt :

-De 5 eerste Zondagen van de Vasten

- Op Witte Donderdag, en Paaszaterdag

- Op de vooravond van kerstmis en van Epiphanie ( maar indien deze feesten vallen op een zondag of een maandag, dan zal de Liturgie van de Heilige Basilios plaats vinden op de dag zelf van het feest)

- de eerste januari, feest van de heilige Basilius

3 – DE GROTE COMPLETEN

Het is het laatste van de officies van de dag die men de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de Grote Vasten opzegt.

In dit officie leest men een groot bijbels gebed van berouw, dit van Manasse, koning van Juda

4 – DE GROTE CANON VAN DE HEILIGE ANDREAS VAN CRETA

Het wordt in delen gelezen in de Grote completen, de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de eerste week van de Vasten, en integraal de woensdag avond van de vijfde week. Het is een groot gedicht van 250 strofen, verdeeld in 9 odes.

5 – DE HYMNE VAN DE ACATHIST

Het is een lang gedicht van lofprijzing aan de heilige Maagd Maria, die 24 strofen bevat, die gerangschikt zijn in alfabetische orde en verdeeld in vier delen. De vier eerste vrijdagen van de vasten leest men er een deel in van de avond tijdens de completen. De vijfde vrijdag leest men gans de hymne. Het officie heet "acathist", want men zingt het rechtstaand.(Letterlijk is het een hymne gedurende de zang waarin men niet zit)

In 626 bezetten de Avaren en de Perzen Constantinopel waarvan de Keizer Héraclitus was. De clerus en het volk zouden de ganse nacht in gebed hebben doorgebracht terwijl ze deze hymne aan de heilige Maagd zongen. En de stad werd gered. Men voegde daarbij de herinnering aan twee andere bevrijdingen van Constantinopel, wanneer de stad zich had te verdedigen tegen de Arabieren in 677 en 717. De auteur van de hymne zou voor de ene Patriarch Serge van Constantinopel geweest zijn, voor anderen dan weer zijn archivaris, Georges le Pisside.

6 – DE EERSTE ZATERDAG VAN DE VASTEN

Wij herdenken het mirakel van de kolivia van St. Théodoros de Rekruut, die stierf als martelaar in de 4e eeuw van ons tijdperk. Zie hier hoe het mirakel had plaatsgevonden : Julien de afvallige had het bevel gegeven om de producten die reeds aan de afgoden waren gegeven en verontreinigd waren door het bloed van de slachtoffers, op de markt te verkopen. De heilige martelaar verscheen aan de Patriarch van Constantinopel Eudoxius om de chistenen te vermanen zich slechts te voeden met kolivia, korenharen gekookt in water en gekruid met suiker, en die we nog nuttigen wanneer wij een requiem celebreren

14:15 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

21-12-11

Kerstmis

Kerstmis

 

Kerstmis7.jpg

 

 

Genealogie van Jezus Christus : zo begint het Evangelie. Maar wat betekent deze lange lijst van hebreeuwse namen ? Voor de Joden is het de noodzaak om de afkomst van de Messias van Koning David te onderlijnen. Een andere betekenis : in deze lijst staan moordenaars, echtbrekers, bloedschenners. Indien Jezus wordt geboren in mijn ziel, dan wordt Hij geboren ondanks en doorheen de opeenstapeling van mijn zonden. Jezus doordringt, vindt zijn weg doorheen mijn fouten, Hij overstijgt ze de één na de ander. Dit is zijn genealogie in mij. In deze doordringing schittert zijn barmhartigheid, zijn minzaamheid, ook zijn kracht. Maria, die het kind draagt in haar schoot, en Jozef laten zich inschrijven in Bethlehem. Het is niet te Rome, noch te Athene, noch te Jerusalem dat Jezus wilde geboren worden. Zo ook is voor ons het mysterie van de Geboorte slechts toegankelijk in het arme dorpje van Judea. Opgaan naar Bethlehem, burger worden van Bethlehem, de nederige geest van Bethlehem verwerven, niet bezitten.

De engelen zeggen niet eenvoudigweg dat de Redder is geboren. Zij zeggen : "Een Redder is U geboren", Jezus wordt geboren voor elke herder. Zijn geboorte blijft voor elk van ons een zeer persoonlijke gebeurtenis; Jezus is een gave aan elke mens.

Er is geen plaats in de herberg, noch voor Maria die Jezus draagt, noch voor Jozef. Er is geen plaats in de herberg van de wereld voor de leerling van Jezus. Indien ik er in slaag om mij een plaats te bereiden, welke moeilijke gelegenheid! Wat is er gemeenschappelijk tussen de herberg en de kribbe ?

(Un moine de l’Eglise d’Orient "Jesus"

 

Nu blijft er ons alleen te weten hoe wij Christus kunnen laten komen in ons huis. Wij weten dat hij niet neerziet op een schamel huisje. Hij gaat zelfs bij de tollenaars wanneer zij Hem aanroepen met oprechte gevoelens. Meer nog, Hij komt aan de deur en klopt, zoals hij het zegt in de Apocalyps. Voor ons is Hij gekomen in een maagdelijke schoot en gevormd uit het bloed van de Maagd, Hij is op een wonderbare wijze geboren. Voor ons ziet Hij niet neer op een kribbe in een dierenstal waar hij wilde rusten in doeken gewikkeld. Hij zal ook onze armoedige hut niet verafschuwen indien wij hem met nederigheid bidden, want hij is barmhartig en hij houdt van de mensen, Hij verhoort de nederige smeekbeden. Hij verlaagt zichzelf tot aan onze nederigheid, laten wij ons voor zijn voeten werpen en hiermee de wijsheid van de wijzen navolgend. Laten wij neervallen aan de voeten van hem die niet meer in doeken gewikkeld is, maar die neerzit op de troon van glorie, met de vader en de Heilige Geest. In plaats van goud, wierook en myrrhe, laten wij hem ons nederig gebed toevertrouwen. En daar Hij zijn rust vindt in de christelijke naastenliefde, laten wij ons omgeven door naastenliefde, laten wij ons voorbereiden. Als wij onze hongerige broeder zien, laten wij hem te eten geven; als w<e hen zien die dorst hebben, laten wij hen te drinken geven; indien iemand naakt is, laten wij hem kleden; indien iemand reiziger is zonder dak boven het hoofd, laten wij hem opnemen in ons huis en geven wij hem hospitaliteit; indien iemand ziek is, laten wij hem bezoeken, troosten en hem dienen ; laten wij liefde betonen tegenover de gevangenen en dienen wij hen volgens onze middelen. In één woord, laten wij onze broeders liefhebben als onszelf.

(Tikhon ZADONSKY "Ascètes russes")

2e homelie over Kerstmis

Wat hebben wij te zeggen, Hoe moeten wij het zeggen ? Zo een wonder wekt verbazing in mij. De Oude van Dagen is een klein kind geworden. Diegene die troont op de verheven troon van de hemel is geboren in een kribbe. De ontastbare, de eenvoudige, de niet samengestelde, de on-lichamelijke is aangeraakt door mensenhanden. Diegene die de banden van de zonde heeft losgemaakt is met doeken omwikkeld, omdat Hij het zelf wilde. Hij heeft besloten om de slaafsheid te veranderen in eer, om de schande met glorie te omkleden, en om te tonen dat de grenzen van de vernedering deze zijn van kracht. Ziedaar waarom Hij mijn lichaam op zich heeft genomen : opdat ik het Woord waardig moge zijn. Hij neemt mijn vlees en geeft zijn Geest, Hij geeft en neemt, Hij bereid mij een levensschat voor. Hij heeft mijn vlees aangenomen om mij te heiligen; Hij geeft zijn Geest om mij te redden. Vandaag is de oude band losgemaakt, de Duivel in verwarring gebracht, de demonen zijn op de vlucht geslagen, de dood vernietigd, het paradijs heropend, de vervloeking opgeheven, de zonde verworpen, de dwaling verworpen, en de waarheid komt terug. Het woord van godsvrucht is overal verspreid, het doorkruist de ganse wereld. De wijze van leven in de hemel is gepland op aarde, de Engelen zijn in communicatie met de mensen, de mensen praten ermee zonder enige vrees. Waarom : God is op aarde gekomen, de mens is binnengeleid in de hemel : dat is de grote verandering….

Wat valt er nog te zeggen ? hoe moet men spreken ? Ik zie een timmerman, een kribbe, een kind, doeken, een Maagd die berooid een kind baart. Alles is arm, alles ademt de armoede. Maar zie toch de rijkdom in deze armoede ! Terwijl hij rijk was heeft Hij zich voor ons arm gemaakt…O armoede, bron van onze rijkdom !

(Heilige Johannes Chrysostomos)

Over het leven in Christus.

Indien ik goed kon zijn, dan zou ik in mijn binnenste een plaats bereiden voor de Zoon van God, en de heer Jezus zou in mijn ziel een aangename woonplaats bereiden. Hij zou het versieren, hij zou er muren bouwen die tegen alle aanvallen bestand zijn en hoge torens, om in mij , indien ik het zou verdienen, een waardig verblijf voor hem en zijn Vader. Hij zou aldus mijn ziel verfraaien om ze bekwaam te maken voor zijn wijsheid, zijn wetenschap, voor gans zijn heiligheid, zodanig dat hij er met Hem God de Vader zou doen binnentreden en er een woonplaats zou vinden, dat hij zelfs het voedsel zou nemen die hij zou hebben bereid. Om zijn genaden te ontvangen laten wij in onszelf een zuiver hart voorbereiden, opdat de Heer Jezus het waardig zou vinden om er zijn intrek te nemen.

(Origines (Alexandrië 185 – Césarée 253 env)

09:43 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

19-12-11

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

DE FEESTICOON VAN KERSTMIS

 

Kerstmis (Koinonia).jpg

De icoon, die de geboorte van Christus voorstelt, roept heel wat vragen op:
* Wat wordt hier afgebeeld, en waar is dat op gebaseerd?
* Welke sfeer ademt deze Kersticoon?
* Waarom ligt het Christuskind in een grot?
* Wat betekenen die os en dat paard?
* Wie is die merkwaardige gestalte daar tegenover Jozef?
* Waarom ligt Maria met haar rug naar het kind toe?
* wat betekenen die twee vrouwen, die het kind in het bad
gaan doen?

In de kunst van het westen worden de voorstellingen van de geboorte van Christus doorgaans gekenmerkt door expressie van menselijke gevoelens: Maria is daar een liefdevolle, zorgzame moeder. De magiërs adoreren het kind. En de omgeving is die van een armoedige stal in winterse koude: het kind wordt nu en dan verwarmd door de adem van de dieren.

Op de Kersticonen is dit allemaal anders. De nadruk valt op de incarnatie (God is als mens verschenen): op het goddelijk licht dat in deze duistere wereld binnendringt in de gestalte van het goddelijke kind.

De magiërs zijn vorstelijk geklede heersers, mogelijk die uit psalm 72 (v. 10). Met de herders hebben zij gemeen, dat ze 'en profil' worden afgebeeld: omdat ze het licht nog niet hebben "gezien".

De grot verwijst naar deze wereld, een ruimte vol duisternis; en het kind is niet ècht een kind, maar een volwassene - voorzien van een aureool. De voederbak waar hij in ligt is tegelijkertijd een sarcofaag. Geboren worden is tegelijk het begin van sterven. De windsels zijn tegelijkertijd al een lijkwade (zie hiervoor de wijze waarop Lazarus wordt afgebeeld!)

In de eerste drie eeuwen kende de kerk geen Kerstfeest; men vierde epifanie. Op dit feest werden drie momenten herdacht waarop Jezus zich als de Christus openbaarde: de verschijning aan de wijzen uit het oosten, de doop in de Jordaan, de bruiloft in Kana waarop Jezus zijn eerste wonder verrichtte. De koningen die van verre komen (Jesaja 60: 8vv.) representeren de volken die de 'grote koning' komen vereren. En het doop is een verwijzing naar de doop waardoor de gelovigen met Jezus sterven en herboren worden.

In het protevangelie van Jacobus wordt de geboorte van Jezus beschreven als een zonsopgang: eerst zijn er wolken die licht worden en dan ineens is er een verblindend licht. Dat 25 december de geboortedag werd van Jezus hangt samen met het feit dat juist op die dag in het Romeinse Rijk het feest werd gevierd van Sol invictus, onoverwinnelijke zon. De invoering van het Kerstfeest, juist op deze dag, moet te maken hebben gehad met opportunisme van de kerk: het was opportuun om te verkondigen dat Christus, de zon der gerechtigheid, de plaats van deze zonnegod had overgenomen.

In de vierde eeuw ontstond binnen de kerk een stroming die bekend staat als het Arianisme: dit Arianisme zette vraagtekens achter de goddelijke natuur van Christus. Vandaar dat er behoefte ontstaat om te benadrukken, dat de verhevenheid en de majesteit van Christus al zichtbaar is geweest vanaf zijn geboorte: ook dit komt in de ikoon tot uitdrukking.

Waarom wendt Maria zich af van haar kind? Is het omdat ze "al deze woorden in haar hart overweegt" zoals we in het evangelie van Lucas lezen? Of is het om dat Jozef zich voor haar schaamt, zoals te lezen valt in het protoevangelie van Jacobus: "Waar zal ik u heenvoeren om uw schande te verbergen? Want deze plaats is verlaten? En hij vond aldaar een grot, en leidde haar daarin"? Het meest waarschijnlijk lijkt dat de afstand wordt gemarkeerd tussen het goddelijke kind en zijn (aardse) moeder. Toch neemt ook Maria, de Moeder Gods - zoals zij doorgaans in de oosterse traditie wordt genoemd - de gestalte aan van hemelkoningin: vandaar dat zij daar zo pontificaal is afgebeeld, liggend op een purperen kleed.

Jozef overdenkt wat het allemaal te betekenen heeft; de gestalte die met hem spreekt is volgens sommigen "de verzoeker" - in de gestalte van een herder; anderen menen dat het de profeet Jesaja is, die hem de oude profetieën te binnen brengt, waarin gesproken wordt over een meisje dat zwanger zal worden en een zoon zal baren.

Bij de geboorte opent zich de hemel: je zou verwachten dat het hemelse licht dan zichtbaar wordt, maar volgens de oosterse theologie is het hemelse licht voor mensen niet zichtbaar. We zouden het ook niet kunnen verdragen. In de aureolen en het goud wordt voor ons iets zichtbaar van een weerglans van het hemelse licht. Wat uit de hemel neerdaalt is de goddelijke geest, die zich uitstort over het kind. Hierbij valt te denken aan de doop in de Jordaan waarbij een stem uit de hemel zegt: "Gij zijt mijn zoon, de geliefde, in U heb ik mijn welbehagen".

De icoon reikt ons vele mogelijkheden aan tot meditatie: hebben we ervaring met de duisternis van deze wereld? Kunnen we onszelf identificeren met de 'herders', de 'vorsten' die op reis gaan om het kind te gaan zoeken? Kunnen wij 'het kind' zien als een licht, een gids, een Verlosser op onze eigen levensweg? Herkennen wij, zoals "de os en de ezel" in het Christuskind onze meester? (Zie Jesaja 1:3).

22:40 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

07-12-11

De Heilige Geest, Leven van de Kerk

 De Heilige Geest, Leven van de Kerk

 Binnen de trinitaire theologie wordt het object en de methode van onderzoek wederzijds beïnvloed en bepaald, en de Heilige Geest onttrekt zich aan elke bevooroordeelde of polemische bezinning. Hij, die de Adem en de band van liefde is, die onzichtbaar aanwezig is in Zijn gaven en in Zijn vruchten, de liefde, de eendracht, de verdraagzaamheid, de vreugde, de waarheid. De dogmatische formules drukken het diepe geloof en de innerlijke ervaring van de Kerk uit, méér nog dan zij er de aanleiding toe is. Een vernieuwende ervaring van het christelijk leven in de Heilige Geest, de groeiende betekenis van zijn opperste  en handelende Persoon, zowel in de Kerk als in de verborgenheid van het hart van de gelovige of in de schoot van de oecumenische beweging, stellen ‘betwiste vragen’ terug aan de dag, vooral de  discussie over het Filioque. Wij vertrouwen erop dat alleen een theologische formulering welke de volledige waarde van de persoon en het koninklijk werk van de Heilige Geest, zonder ondergeschiktheid van deze aan Christus en de kerkelijke instituties, maar veeleer in de ondergeschiktheid of de wederzijdse liefdesdienst van de goddelijke Personen, zich zal kunnen tot ontplooiing brengen en zich aan het christelijk geweten zal kunnen doen gelden met een innerlijke vanzelfsprekendheid  om zo een ‘oecumenisch symbool te worden van onze geloofsbelijdenis tot de Heilige Geest’. Het is het leven zelf van de Geest en in de Geest dat de theologische taal zal bepalen en die als de juiste en ware zal worden aanzien.

  1. I.                DE HEILIGE – GEEST  EN  PINKSTEREN

 De grote gebeurtenis van het nieuwe  verbond, dat bezegeld wordt door  het

bloedig, maar ook vreugdevolle Pasen van het geïncarneerde Woord, de

donderslag die een ganse gemeenschap van leerlingen en vrienden van Jezus

die aan Hem trouw waren gebleven tot verandering heeft gebracht ­- in een Kerk

als Kerk van God, uitverkoren Volk, koninklijk priesterschap, geheiligd door

het bloed van Jezus Christus - is het krachtig binnenstromen van de Heilige

Geest in het Cenakel op de morgen van Pinksteren.

 Gans de rijkdom van de leer der profeten en de geheiligde schrijvers over

de Geest van God, de woorden van Jezus zelf die de nabije en

noodzakelijke komst van de Heilige Geest, de Trooster aankondigen, de Geest van Waarheid, heeft maar een be-leefde realiteit kunnen worden

wanneer Hij die aangekondigd en verwacht werd uiteindelijk is gekomen, en wanneer Hij over elk lid van de apostolische gemeenschap is neergedaald onder de vorm van vurige tongen. Het is dan dat de gedoopte en hernieuwde Kerk door het Bloed van Christus is bevestigd en eens voor allen sterker geworden is in het nieuwe leven dat het leven in de Geest is, leven in de Geest van God.

Het is slechts vanaf deze oorspronkelijke ervaring, en vanuit dit nieuw leven dat het mogelijk is om over de betekenis van deze nieuwe dimensie van de primitieve gemeenschap na te denken en uit te drukken, een dimensie die van dan af een permanente en essentiële status is van de Kerk van Christus.

 

  1. II.             DE HEILIGE GEEST IN HET OUDE TESTAMENT EN DE

EVANGELIES

 

Het is moeilijk om te spreken over de Heilige Geest. Het is zelfs moeilijk om het specifieke mysterie te beschrijven van Hem van wie wij zelfs de naam niet kennen, of liever, die zich openbaart onder verschillende namen : de wind, de adem, de zalving, de duif, de Geest, de Heilige, de Trooster, de vlam, de wolk, het licht, de vrede, de vreugde, de communio,de liefde…

In de Bijbel wordt de Geest niet gedefinieerd, maar beschreven en  geopenbaard in Zijn werken, en achter deze handelingen tekent zich het mysterievol en onaantastbaar gelaat af van diegene die het leven en de trinitaire personen onthult.

Het woord “Geest” (ruah,pneuma,spiritus) betekent : de luchtstroom, lucht die zich verplaatst, de wind, het hevig geruis, krachtig, geducht, in staat om neer te halen maar ook om op te richten, of een licht geruis dat nauwelijks hoorbaar is zoals bij het geritsel van bladeren, ‘die het geknakte riet niet breekt, noch de kwijnende vlaspit niet dooft’ (Matt.12,20), een subtiele realiteit, onstoffelijk maar voelbaar, levenschenkend, versterkend.

De Bijbel toont ons de Geest van God die altijd in gemeenschap met het Woord aan het werk is in de wereld. Het Woord van God is de organisator, de interne reden van de dingen en de kosmische orde, de universele Alfa en Omega, zelfs van de mens, van zijn verstand, van zijn roeping tot Meester, van Koning en Hogepriester van het universum. Dit is de betekenis van de tegenwoordigheid van het Woord van God in de schepping, gegrift in het innerlijke van de mens. Het vestigt in hem het principe zelf van het goede, het ware en het mooie, van het zijn zelf. De Geest is niet minder aanwezig, maar hij is ongrijpbaarder, beweeglijk, levendig, doordringt het redelijke met leven, bepaalt de aantrekkingskracht van het ware, van een gelaat, van een vorm, van een gebaar…

 De Geest van God werkt samen met het Woord van God aan de schepping van de wereld, hij koestert en geeft leven aan de oorspronkelijke wateren met zijn moederlijke kracht, Hij schenkt ons de kiemen van het leven, Hij verwarmt een inert geworden primaire materie. Bij de oorsprong van de mens, geroepen tot het zijn  en het verstandelijk vermogen door het almachtige Woord van de Vader, is het weer de Geest van God die in de mens de levensenergie , de levensadem komend van God en die leven geeft aan de klei, inblaast en instort. Het is de Geest die in de mens het beeld van God gestalte geeft en hem inwijdt in zijn koninklijke waardigheid, die hem doet ingaan op het appèl tot kinderlijke gehoorzaamheid aan de vader.

 In de gevallen situatie en in de tijd van de goddelijke pedagogie, van de herstellende voorzienigheid,  is de Heilige Geest deze innerlijke stem die onvermoeibaar de mens oproept om terug te keren naar de oorsprong en hem voortdurend aan zijn bestemming herinnert. Het is een innerlijke stem die murmelt : “Kom naar de Vader” (Heilige Ignatius van Antiochië), een onrust die de mens eraan doet werken en die hem ontrukt aan zijn verwaandheid.

 Gans de heilige geschiedenis van Israël, nog voor de tijd van de Kerk, is reeds een langzame pedagogie van God, die spreekt tot dit volk ‘met het versteende hart’, die Hij zich heeft uitgekozen en die Hij bemind heeft en waarmee Hij zich verloofd heeft in de woestijn, aan wie Hij zijn Woord heeft geopenbaard door de profeten. De hand van God staat ingeschreven in de structuur zelf van de historische gebeurtenissen, in het appèl en de stem van de profeten die het Woord van God overleverden. De Geest van God is altijd aanwezig, hij doordringt de profeten, Hij inspireert hen en sterkt hen om te getuigen, hij vervult de dichters en de psalmisten, Hij leidt het volk…, verzekert een langzame groei in kracht om te komen tot de volle rijpheid, tot een steeds ongeduldiger en smartelijker verwachting van de Redder, van de messiaanse tijden, van de uitstorting van de Heilige Geest in de laatste dagen. De Geest is ook de kracht die het Volk van het Verbond ontvangt om trouw te zijn aan het verbond, hij is ook het innerlijk licht dat aan de Schriften hun wijsheid geeft, alsook aan de verscheidenheid van de tussenkomsten van God in de geschiedenis.  Het is slechts in het licht van de Geest dat de profane geschiedenis wordt tot heilige geschiedenis, gericht op Gods Voorzienigheid, op haar onophoudelijke wil tot heil en leven.

 Niet alleen de geschiedenis van de volkeren, maar ook deze van elk individu vindt haar hoogste coherentie in het licht en het intellect van de Geest. De levensadem, het vitale principe verwerft een bovennatuurlijke dimensie, transcendent, persoonlijk, van  Gods tegenwoordigheid, van het diepste innerlijk van de mens zelf, die deze meevoert om zich te realiseren, door zichzelf te overschrijden, om het appèl van Godswege te verlangen, om het gelaat van Christus te herkennen, om Zijn appèl te willen en te kunnen volgen.

 Wij worden op een onmerkbare getrokken naar de oevers van het meer van Galilea, waar jonge vissers door een mens uit hun land in hun hart worden aangesproken voor een moeilijke taak met deze woorden : ‘Steek nu verder van wal en werpt uw netten uit voor de vangst’, en na de wonderlijke visvangst : ‘volg mij, ik zal u vissers van mensen maken’(Luc.5,4-11 en Matt.4,18-22) Twee woorden volstaan voor de tollenaar Levi (Mattheus), gezeten in zijn bureau van de douane : ‘Volg-mij’. ‘En hij stond op, liet alles achter en volgde hem’ (Luc.5,27-28).

 Elders voltrekt zich de oproep als een kettingreactie : ‘Jezus nodigt twee leerlingen van Johannes de Doper uit om Hem te volgen, waarvan Andreas, broer van Simon Petrus : ‘Komt het zien’. Op zijn beurt brengt Andreas Simon tot Jezus, vervolgens ontmoet Jezus Philippus en zegt hem : Volg mij’. Vervolgens is het Philippus die over Jezus getuigenis aflegt aan Nathanaël : ‘Kom het zien’ (Joh.1,35-51).

 De aantrekkingskracht wordt nauwkeuriger, de bekendheid verspreidt zich op een onweerstaanbare wijze. Want Jezus is vervuld van de Geest van God, van zijn macht (Luc.4,14) Hij toont zich in Galilea als een gewijde van de Geest, een gezalfde (Luc.4,18), Zijn woord zelf is vol van genade, autoriteit en kracht (Luc.4, 22,32,35,36). Er valt veel te zeggen  over deze tegenwoordigheid van de Geest van God in Jezus, in Zijn onderricht en in Zijn werken.

 Enkele teksten uit het Evangelie benadrukken en verduidelijken het : A) De duif bij Jezus’doopsel in de Jordaan daalt uit de hemel neer en rust op Hem bij het verlaten van de Jordaan, op het moment zelf dat de stem van de Vader te horen is. Het is de eeuwige beweging van de Geest van God die voortkomt uit de Vader en die zijn verblijf of woonplaats heeft in de Zoon van alle eeuwigheid. De Heilige Geest is de Geest van Jezus, hij doordringt Hem en manifesteert zich aan Hem, Hij maakt zich kenbaar aan de wereld. Zo zal de Geest werken in de Kerk, het Lam Gods openbaren, ervan met kracht getuigenis afleggen, de bruidegom manifesteren…. De openbaring van de Heilige Geest, de tijd van de Geest, is het volle licht, het eeuwige vuur dat straalt over het mysterie van Christus. B) Het verblindende vuur van de Tabor, de ongeëvenaarde witheid van de klederen van Jezus, en opnieuw de stem van de Vader, de wolk die de leerlingen van Jezus scheidde en die hen op de aarde wierp van vrees, zijn enkele andere gevolgen van de tegenwoordigheid van de Geest : het licht dat verlicht, dat leidt, dat inspireert, dat verblindt en zelfs blind maakt, de witheid van de klederen, glorie van Christus en schittering van Zijn godheid en uitstraling van Zijn Geest; de stem van de Vader die zich laat horen door Zijn leerlingen in de Geest ; ten slotte de wolk die Jezus scheidt van Zijn leerlingen (op de Tabor en in de Hof van Olijven), die de intimiteit verbreekt, die de durf van de leerlingen vernietigt en hen tegen de grond werpt van vrees. C) De vertroosting van Jezus voor Zijn Lijden, de ‘belofte’ van de Geest, ‘de andere Trooster, de Paracleet, de Geest van Waarheid, die voortkomt uit de Vader, die de Vader zal zenden in mijn Naam, die u alles zal leren, die u in herinnering zal brengen alles wat ik gezegd heb, die van mij zal getuigen’ (Joh.14,15).

 Jezus moet vertrekken : ‘Het is beter voor u dat ik heenga, want indien ik niet heenga, zal de Trooster niet tot u komen; maar als ik heenga, zal ik Hem zenden’.

 Het is het glorierijk opstijgen van Jezus naar de Vader die begonnen is met de Passie en haar hoogtepunt heeft met de hemelvaart : ‘Zie, ik zend de belofte van de Vader over u neer’(Luc.24,49).

 Wij komen nu terug op ons vertrekpunt, met Pinksteren, maar hierbij passeren wij het aardse leven van Christus, een leven vol van de Geest, van zijn gaven, van ‘tekens’ van de Geest, voorbijgaande ook aan de Passie, het Kruis, de ontlediging, de opperste armoede en daardoor het ideaal van de Zaligsprekingen realiserend waarvan Jezus het grote en het enige ware voorbeeld is : ‘Welzalig de Arme van Geest, want aan Hem behoort het Rijk der Hemelen’.

 De woestijn van de bekoring, de berooidheid en de eenzaamheid van de Mensenzoon gedurende zijn aards optreden, de groeiende vijandschap van het Volk van Israël, het Lijden, de Dood, de Hel : dat is de weg waarheen de Geest Jezus leidt in volle gehoorzaamheid aan Zijn Vader, tot in de verlatenheid van de dood, tot in de dood aan het Kruis.

 En het is op dat moment dat het licht van de Verrijzenis opspringt vanuit het verzegelde graf, het voorbijgaan van de morgenster,het omvergooien van de steen. Het Kruis van de spot en de dood worden instrument van leven en glorie, het Graf : bron van Verrijzenis….Deze innerlijke kracht die de zegels van het lege graf breken en de steen verbrijzelt, deze overvloedige vreugde welke de myrondraagsters en de leerlingen vervulde, dit verblindende licht van de Verrijzenis : ook dit alles is de aanwezigheid van de Geest die in Jezus verblijft, zelfs in de dood en dat de hel niet kan omvatten. Deze kracht van verrijzenis, deze kracht van nieuw leven, dit onweerstaanbaar principe dat gegraveerd is in de eeuwige terugkeer van de jaarlijkse seizoenen, is maar een kleinigheid als men het vergelijkt met het opstijgen uit de hel, het binnendringen van het licht in de duistere nacht, met de uitbarsting van vreugde en vrede vanuit  de angst, droefheid en de vrees. Ook dit is het werk van de Heilige Geest, de kracht  van de Vader die Zijn Zoon doet opstaan en hem de overwinning op de dood schenkt.

 Maar er is nog een unieke tijd in de geschiedenis van het heil, de tijd  tussen de Verrijzenis en Pinksteren, de vijftig vrolijke en vertrouwvolle dagen, de zeven weken van afwachten die opgaan in de Achtste Dag, de Eerste Dag van de achtste week in de komst van Pinksteren.  Deze wordt voorafgegaan door een pauze, een laatste pedagogie, een tijd van afwachten en stilte van gans de schepping op de drempel van het moment dat de ganse schepping zich voorbereidt om over te gaan, samen met de mens, in de hoedanigheid van een nieuw zijn van de Kerk, in de nieuwe schittering die uitstraalt over de schepping en haar onweerstaanbaar van binnenuit omvormt.

 Als zojuist, in de Jordaan, de Duif ons het Lam en de Bruidegom openbaarde, de Dienaar van Jahweh uit de messiaanse tijden, , en als dit de permanente werking betekent van de Geest : ons het gelaat van Jezus te ontsluieren, en doorheen Hem, ons te leiden tot de Vader, dan is het vandaag de Zoon die vanaf de Vader ons de Geest zendt, de Trooster die onder ons verblijft en die het leven zelf van de Kerk uitmaakt. Wederzijdse Dienst, dubbel getuigenis van Christus in de Geest en de Geest in Christus. Dit is de fundamentele openbaring van het Evangelie van Jezus. Dubbele werking van de Vader in de wereld door de Zoon en de Adem, door de Zoon en de Geest,’de twee handen van de Vader’ (Heilige Ireneus) die zich openen om de gevallen schepping te omarmen, en die zich weer sluiten om de vernieuwde schepping tot de Vader te brengen.

 

III   DE HEILIGE - GEEST IN DE EUCHARISTIE EN DE KERK

 

Deze dubbele dienst van het Woord en de Geest in de voorbereiding van het heil van het oude Testament, in de vervulling van het heil van het Evangelie, in de realisatie en de bekendmaking van het heil in de Kerk, is de fundamentele wet, het geheim, het permanent mysterie van het evenwicht en het welzijn zelf van de Kerk doorheen de geschiedenis. Elke poging om de Geest afhankelijk te maken van, te beperken in haar historische vorm, alsook elke poging om hem te bevestigen op een exclusieve wijze ten nadele van het werk en de tegenwoordigheid van Christus, zijn erop gericht om het evenwicht van het leven van de Kerk te ontregelen : nu eens in de betekenis van een tijdelijke macht, van het juridisme van verstikkende instituties die het intiemste van de persoon of de gemeenschap schenden, en dat uiteindelijk kan leiden tot ongevoeligheid en onderdrukking van het licht en het vuur van de Geest. Dan weer in het belang van verschillende vormen van verlichting en extatisme dat het principe zelf van de traditie en de hiërarchische autoriteit verwerpt, alsook de sacramentele vormen…Gans het leven van de Kerk wordt doordrongen door deze dubbele aanwezigheid en van deze wederzijdse invloed van Christus en de Heilige Geest.

 In het eerste stadium van het christelijk leven, worden wij door het doopsel en de zalving geënt  op het Pasen en het Pinksteren van ons heil. Het leven van een christen zal slechts een progressieve nooit aflatende verwerkelijking moeten doormaken. Het permanente teken van dit steeds hernieuwde doopsel in de Heilige Geest situeert zich in  de wekelijkse bijeenkomst van de Kerk in de Eucharistie. Indien  het doopsel ons ent op het Lichaan van Christus en onze spirituele gevoelens opwekt, dan is het de Eucharistie die ons het noodzakelijke voedsel geeft die ons elke dag meer en meer doet groeien. Op haar beurt, is de Eucharistie de plaats waar de onzichtbare band en de wederkerige dienstbaarheid van Christus en de Geest het sterkst voelbaar is.

Men heeft dikwijls de neiging om in de Eucharistie slechts het christocentrisch 

aspect te zien, van de ‘reële tegenwoordigheid’ van Christus. Dit is waar en

evident en het staat ook centraal, maar wat is de plaats en de actie van de

Heilige Geest in het eucharistisch mysterie, dat de kerk vormt en haar behoudt

in het zijn, in haar levendigheid en het leven ? Op elk moment van de

Eucharistie is de Geest aanwezig en aan het werk, Hij is de meester van Zijn

gaven, hij realiseert de tegenwoordigheid van Christus.

 Vóór de consecratie wordt de Geest aanroepen over de bedienaars en de gelovigen opdat zij zouden gezuiverd worden en geen hindernis zouden vormen voor de consecratie van de eucharistische gaven.

 Gedurende de consecratie is de epiclese het moment bij uitstek van de aanroeping van de Heilige Geest over het brood en de wijn van de offerande, maar ook en terzelfder tijd over de ganse gemeenschap, in een voortdurend Pinksteren dat zich voortzet in de Kerk, van Eucharistie naar Eucharistie.

 Na de consecratie bidt de Kerk dat God de vruchten van de Geest zou verlenen : ‘ voor de reiniging van de ziel, de vergeving van de zonden, tot gemeenschap met de Heilige Geest, tot de volheid van het Koninkrijk Gods maar niet tot vonnis of veroordeling’ (epiclese van de Heilige Johannes Chrysostomos), ‘Wij allen hebben deel aan het ene Brood en de ene Kelk. Doe ons één worden met elkander in de gemeenschap van de ene Heilige Geest….(epiclese van de byzantijnse liturgie van de heilige Basilios).

 Het gebed over de nederdaling van de Heilige Geest is een gebed die evenzeer de gemeenschap zelf aangaat als de eucharistische elementen. De verandering van de gaven doet zich voor in het vooruitzicht van de communie van de gelovigen aan de goddelijke mysteriën. Deze epiclese is dus een gebed van eenheid (Heilige Basilios), want de Heilige Geest is de Geest van Pinksteren waar allen bijeen waren, zij waren één van hart en ziel (cf Hand.2,42). Deze eensgezindheid van de primitieve apostolische gemeenschap blijft voor altijd een voortdurende icoon van de betekenis van de Eucharistie, van de leitourgia, de gemeenschappelijke actie van dankzegging en communio voor het goddelijk leven.

 De consecratie heeft haar hoogtepunt in de eucharistische communie, en deze zelfde Geest, die neerdaalt over de gaven en ze omvormt tot het Ware Lichaam en Ware Bloed van Christus, omvormt ook ons door dezelfde beweging van heiliging in Lichaam en Bloed van Christus en in Tempels van Zijn levengevende Geest. Men kan niet genoeg het gevaar onderstrepen dat men de consecratie zou gaan isoleren , enerzijds van de trinitaire context

En anderzijds van het doel : de heiliging van de kerkelijke gemeenschap die geroepen is om zich totaal om te vormen  in een tempel van de reële tegenwoordigheid  van de Heilige Drie-eenheid, als ‘teken’ van liefde en eenheid. Het is dus van belang dat men altijd voor ogen houdt dat noch de Eucharistie wordt geïsoleerd, noch dat de consecratie als een apart gegeven wordt beschouwd, noch dat de epiclese wordt begrepen als iets dat gescheiden is van gans het leven van de Kerk. Deze is volledig een voordurende Eucharistie, waar de Kerk zich haar bruidegom in herinnering brengt , Zijn gedachtenis in ere houdt, deze van de Passie, de Verrijzenis, de Hemelvaart, waar zij zich verenigt met de hemelse voorspraak van de hogepriester Jezus bij de Vader, waar zij tenslotte, ten aanzien van de wereld, met vertrouwen de Glorierijke Wederkomst van Christus verkondigt, de Rechter over de levenden en de doden. Deze blijde bevestiging van de komst en de tegenwoordigheid van de Verrezen en glorievolle Christus verkondigt de Kerk in aanwezigheid van de Heilige Geest. De aanroeping van de Geest, de vurige smeking van de gemeenschap tijdens de epiclese is dus méér dan een moment van de Eucharistie, het is zelfs het hoogtepunt; het is een essentiële dimensie van de Eucharistie in haar geheel, van gans het leven van de Kerk, het is een zich plaatsen onder de hoede van en een vernieuwende onderwerping aan de levengevende  Heilige Geest, een totale en liefdevolle gehoorzaamheid aan de Geest van God. Het is in deze volledige beschikbaarheid, in deze stilte dat de ontmoeting met de verheerlijkte Christus wordt gerealiseerd  en dat de Geest ons wordt medegedeeld. Dat de Geest wordt voorgesteld in de Kerk, volgens de belofte van de Verlosser.

 Maar de liturgische en spirituele ervaring van de Kerk vermeldt niet één epiclese, één aanroeping tot de Heilige Geest, maar wél twee verschillende epiclesen tegelijk en onscheidbaar : in de eerste, smeekt de Kerk – het Lichaam van Christus – om de komst van de Heilige Geest : het is een klassieke vorm van de pneumatologische epiclese. In de tweede, de chistologische epiclese, kondigt de Kerk – Tempel van de Heilige Geest, aan de wereld de komst van Christus de Heer aan, zij verwacht Hem en roept : Maranatha, Kom Heer Jezus !’.

 Door de Geest te aanroepen, indentificeert de Kerk zich met Christus de Hogepriester, verenigt zich met zijn priesterlijk gebed, deze van de Passie en deze van de hemelse Glorie,  neemt deel aan de hemelse voorspraak van Jezus bij de Vader voor de wereld, wordt aldus de plaats van de aanwezigheid van de Geest van de Vader, de Trooster, die de welwillendheid en de verzoening manifesteert van de Vader met de mensen.

 Door de heilige Geest in het diepste van zichzelf te ontvangen wordt de kerk op intieme wijze met Hem verbonden door de uitstorting van Zijn gaven, in deze mate dat de Geest zelf ‘voor ons smeekt met onuitsprekelijke verzuchtingen’ (Rom.8,26) ‘die ons doet uitroepen : Abba, Vader . De Geest zelf getuigt dat wij kinderen van God zijn (Rom.8,15-16), die wacht en bevestigt dat de Heer Jezus komende is. Het is in de Geest dat de Kerk de Bruid is, versierd en mooi gemaakt  met Zijn gaven, geïnspireerd en ontvlamd door de Geest in haar ongeduldige verwachting van de wederkomst van Christus Jezus in ons : ‘En de Geest en de Bruid zeggen : Kom ! En hij die het hoort, zegge : Kom ! Wie dorst heeft kome !  Wie wil, neme het water des levens, om niet !...Hij die dit alles betuigt, Hij zegt : Ja, Ik kom haastig ! Heer Jezus, kom ! (Openb.22, 17,20).Alle structuren van de Kerk worden bepaald door deze dubbele bemiddeling : van de Zoon in de Geest en van de Geest in de Zoon, door deze dubbele reële aanwezigheid van de Heer Jezus en van de Trooster, en in hen en door hen, door de ontmoeting met de Vader, bron en einddoel van de trinitaire communio.

 Er is in de Kerk een fundamenteel evenwicht, maar het wordt niet voor eens en altijd verworven voor iedereen. Het moet telkens vernieuwd worden : tussen het principe van de traditie, de gehoorzaamheid, de orde, de sacramentele vormen,de liturgie enerzijds, en de vrijheid, de schepping,  de eigen verantwoordelijkheid, de onherleidbare onkreukbaarheid van de menselijke persoon, van de locale gemeenschap, van de goddelijke genade die de vormen verinnerlijkt, de plaatsen, de tijden, die een verticale relatie verzekert tussen de persoon en God, tussen de locale bijeenkomst en de Meester. Het is in deze zin dat de inspiratie van de Geest altijd moet hernieuwd worden, het kan niet worden gesystematiseerd, maar ze incarneert  zich telkens opnieuw. De waarheid is altijd levendig, nooit geheel in overeenstemming met de dogmatische formules en met de regels van het geloof die ze uitdrukt en omsluit.

 Elke poging om de Geest onder het gezag te brengen van een menselijke autoriteit, zelfs een plaatsvervanger of een vervanger, een vertegenwoordiger van Christus, gaat voorbij aan de legitieme aanspraken van de hiërarchie, schept een on-evenwicht en een diepe malaise  binnen het leven zelf van de kerkelijke eenheid, vanwege de profetische charismata welke de Geest van God opwekt bij de leken, van de toegang van deze tot het koninklijk en profetisch priesterschap in de Kerk door het doopsel, hetzij in het uiterlijk leven van de Kerk door de tragedie van de schisma’s die de historische en zichtbare éénheid van het Lichaam van Christus verbreken en die evolueren volgens hun eigen wet, afgesneden van de levenskracht van de wortels van de Kerk, door een vermindering van geloof en van de volheid van de middelen tot heiligheid.

 Een gezonde theologie van de Heilige Geest verzekert ons een evenwicht tussen de clerus en de leken, in een unieke concelebratie rond de eucharistische tafel, het doet de geheiligde staat  van de leken weer de spontane zin voor de volle verantwoordelijkheid binnen de Kerk terug vinden, voor zijn leven en de heiliging van de Kerk. Het is in de context van deze volledige inzet van de leken dat zich de uitoefening van de apostolische autoriteit welke de bisschop en de hiërarchie bezit, zich situeert. Deze autoriteit vergt een vrije en souveraine aanhankelijkheid van het Godsvolk, en het is de mate van die vrije verantwoordelijkheid dat de vrije en volle autoriteit van de bisschop over de Kerk zal bepaald worden, een autoriteit die een dienst is in nederigheid, liefde, armoede, vereenzelviging met kleinen en armen (de Goede Herder, de voetwassing).

 Zeker, het gebed van de Kerk is dit van de apostelen en hun opvolgers, maar het is vooral een echo van de hemelse voorspraak van Christus, waarvan de Geest het loon  is, de gave en het getuigenis. Als object van het hemelse gebed van de verheerlijkte Christus is de Geest het object (en subject) van het gebed van de ganse Kerk. De epicletische dimensie, de relatie van totale onderworpenheid en afhankelijkheid tekent geheel het Lichaam van de verrezen Christus, in de eenheid en uniciteit van het Koninklijk Priesterschap van de Kerk. De apostelen en hun opvolgers zijn alleen bevoegd , niet om te bidden, maar om voor te gaan in het gemeenschappelijk gebed van de Kerk, om de continuïteit te verzekeren en te dienen in de tijd. Maar deze eensgezinde en voortdurende epiclese van de Kerk, haar openheid op de Heilige Geest en haar verwachting, bepalen niet minder het apostolaat en de hiërarchische successie die eruit voorvloeit.

 Het Woord is de garantie dat het wel degelijk de Geest is die handelt,  het identificeert zich ermee in de gave van de  onderscheiding der geesten. Maar het Woord onderwerpt als zodanig de Geest niet aan de hiërarchie of aan de instituties. De Heilige Geest wekt ook vandaag nog profetische charisma’s op die in conflict kunnen geraken met de hiërarchie, die bevestigd werden,maar niet onfeilbaar zijn. Ze kunnen opgeroepen worden tot berouw en zij kunnen ook het oordeel van God ondergaan. Het profetisme is evenzeer inherent aan de Kerk als het koninklijk priesterschap, of beter gezegd : het bepaalt één van de essentiële en onvervreemdbare aspecten van de Priesterlijke Zalving van de Kerk door de Heilige Geest op Pinsteren. Het profetisme is een karakteristiek  merkteken van de authenticiteit en de permanente en souvereine aanwezigheid van de Geest. Deze is een Geest van dienstbaarheid, maar de goddelijke dienstbaarheid  is niet altijd en in alles die van de gevestigde hiërarchie.

 

IV   DE HEILIGE GEEST IN DE MENS

 

 a) De Heilige Geest is niet alleen het doel van ons gebed, Hij is er der oorsprong van, de kracht, de bezieler, de inspiratie. Hij is diegene die voor ons bidt, die de voorspreker is in ons en voor ons bij de Vader : ‘De Heilige Geest komt onze zwakheid te hulp. Want we weten  niet eens, wat we behoren te vragen; maar de Geest zelf smeekt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. Deze zelfde Geest doet ons roepen : Abba-Vader’ (Rom.8,  16 en 26).

 b) De Heilige Geest is ook het voorwerp van het gebed, van ons spiritueel zoeken.  Het verwerven van de Geest van God : dit is het doel van het christelijk leven (Heilige Seraphim van Sarov). Volgens een andere lezing van het Evangelie van Lucas, ons overgeleverd door de Heilige Gregorios van Nyssa, kan in de plaats van het Rijk van God, de tweede vraag (van het Onze Vader) volgende woorden omvatten: ‘ Dat uw Heilige Geest over ons kome en ons zuivert’ (Luc.11,2).

De vraag naar het Rijk Gods is dus een vraag om de Geest van Christus. Al de rest volgt eruit., het is het totale gebed, een gebed van vertrouwen, over de grenzen heen van woorden in een liefdevolle stilte.

 c) De Heilige Geest is ook diegene tot wie de christen zich richt in zijn gebed. Het gebed tot de heilige Geest is, zullen wij zeggen, het gebed om het gebed, het herstel, onze manier van bidden, de gerichtheid van ons zijn naar de dialoog.

d) De Heilige Geest, tenslotte, is de innerlijke kracht die roepingen doet ontstaan, die in het kind het verlangen naar God, zijn appèl, zacht en volhardend, doet waarnemen. Die in hem het verlangen doet ontstaan naar het priesterschap, de smaak voor de Kerk, de vreugde van Gods tegenwoordigheid, deze innerlijke ervaring. Langzaamaan zal dit appèl duidelijker worden, dwingender, het kan ook verdwijnen, afstompen. Deze zachte adem kan veranderd worden in een storm, deze waakvlam kan onvlammen als bij een hevige brand. Het bestaat in elke mens, christen of heiden, hij is altijd aan het werk. Hij vormt de mens tot het goede, tot het betere van hemzelf, tot het ware, tot de liefde, hij opent de ogen om Christus te herkennen en lief te hebben, hij wekt zijn slapend geloof op, hij sterkt het en geleid het. De Heilige Geest is de grote bouwer van de éénheid, deze innerlijke kracht die handelt als een levenskracht en die werkt en ons voortstuwt naar de volle rijpheid, hij doet mensen in overeenstemming  leven en  maakt één wat verstrooid was.

 

 V.   CONCLUSIE :

 HET OPNIEUW ONTDEKKEN VAN DE HEILIGE GEEST IN DE      

 EENHEID.

 Binnen de christelijke belijdenissen is er momenteel een diepgaande terugkeer merkbaar naar de betekenis van de Heilige Geest. Wij plukken vandaag de vruchten van een periode van terugkeer naar de bijbelse bronnen, de Vaders, de oude liturgieën, of beter gezegd : naar de Geest van de Schriften, de geest van de liturgie, naar haar communautaire betekenis, naar haar innerlijke samenhang, naar haar authentieke en realistische symboliek. In de mate van deze terugkeer naar  de aandachtige studie der bronnen zal ook de Heilige Geest meer en meer duidelijk naar voor komen. Hij verlicht, brengt vrede, hij maakt gans het lichaam van Christus, de verscheurde christenheid één.

 De religieuze literatuur, zowel katholieke als protestantse, kent een grote vooruitgang in haar belangstelling voor de Heilige Geest, en dit op verschillende niveaus : artikels, bijbelstudies, algemene  of geleerde werken. Veelvuldig zijn de studiedagen, de oecumenische sessies of de gespecialiseerde permanente commissies, retraites van priesters, dominees, studenten, leken, die de Heilige Geest kiezen als gemeenschappelijk bezinningsthema. Dit is des te meer opmerkelijk, omdat onlangs nog, de Heilige Geest de grote onbekende’ was, zoals een katholiek expert het op het Vaticaans Concilie heeft genoemd, ‘diegene, waarover men niet wist hoe erover te praten en waarvan de woorden hol klonken’. Dit aan de oppervlakte komen van de heilige Geest binnen de religieuze actualiteit heeft het concilie bereikt en veelvuldig zijn de stemmen die oproepen tot een evenwichtige theologie van de Geest. ‘In de mate, schrijft P.Laurentin, dat de Kerk een plaats weet te geven aan de Heilige Geest, treedt zij op de weg van de liefde, van het initiatief, van de dienst, van een groeiende uitstraling, van een versterking van de banden  tussen de christenen op elk hiërarchisch niveau, en ruimer gezien, van alle mensen onderling. In de mate dat zij de Geest vergeet, verstart zij in het materialisme van haar structuren en van haar wetten, zij lijkt dan vreemd aan de mensen’ (Le Figaro,14-9-64).

Een andere bisschop betreurt dat er geen enkele vermelding over de Heilige Geest te vinden is in het conciliaire schema over de Kerk : ‘ Deze lacune is een groot obstakel ten overstaan van de orthodoxen…Verwaarlozen om over de Geest te praten betekent dat men op het morele vlak blijft hangen, in plaats van zich te verheffen op het theologische…Men zegt dat de christenen getuigen zijn; dit is juist, maar de Geest is de énige getuige die door ons spreekt’ (Le monde,17-9-64).(*)

 Zeker, datgene wat in Rome en Genève gebeurt gaat ons in hoge mate aan, en men kan het zich moeilijk voorstellen dat de ‘oosterse’ Orthodoxie onbewogen zou blijven bij deze gemeenschappelijke stap vooruit van de christenheid naar een verjonging van haar kerkelijk leven door de nieuwe kracht van de Geest die ons dwingt en aanspoort. Of het gaat over de collegialiteit, of de rol van de leken, of over het huwelijk van de priesters, of de betekenis van de Schriften, of de plaats van de autoriteit en haar limieten in de Kerk, er is nog steeds een grote stap voorwaards te gaan. Momenteel hebben we er alleen een eerste aanzet toe. De Orthodoxie vertrouwt erop dat de christenen van de westerse traditie eens het essentiële van de theologie van de Heilige Geest terug zullen vinden, zullen weten te antwoorden op al deze vragen alsook op vele andere welke de moderne wereld hen stelt, met betere accenten, met een grote innerlijke evidentie.

 Maar deze zelfde problemen stellen zich met hoogdringendheid ook in de Kerken en gemeenschappen van de historisch Orthodoxe traditie. De administratieve structuren van de ‘oosterse’ Orthodoxie worden meer en meer in vraag gesteld. De massale verplaatsingen van orthodoxe volkeren, de immigraties of emigraties naar gebieden van hoofdzakelijk katholieke of protestantse regio’s  tonen de neiging, enerzijds, om de historische Orthodoxie te de-oriëntaliseren, anderzijds, heeft zij daardoor de kans om gist te zijn en het zaad voor een oecumenische dialoog en voor een innerlijke vernieuwing in het hart van de verschillende tradities zelf die met de verstrooide Orthodoxie in contact komen. In ruil daarvoor wordt van de Orthodoxie verwacht om het Orthodox geloof  opnieuw te gaan formuleren in functie van de krachtlijnen van de oecumenische dialoog, voornamelijk in een vernieuwing van het kerkelijk en sacramenteel leven, van de betekenis van het trinitaire pneumatologisch dogma, zoals het beleefd wordt in de liturgische en spirituele ervaring. Weigeren om deze canonische structuren, de ‘taal’ en de liturgische praktijk  te actualiseren zou voor de Orthodoxie zelf betekenen dat zij naar de zijkant van deze grote beweging van christelijke vernieuwing verdrongen zou worden, een vernieuwing die bezield wordt door de machtige adem van de Geest-Schepper, Zuiveraar en Levendmaker. Zich ervan  onthouden zou gelijk staan met zich te verstarren in een steriel genot van een waarheid en een schoonheid die onbekwaam is om uit te stralen, omdat het beroofd is van leven en jeugdigheid. De echte diepere betekenis van de Heilige Geest terugvinden betekent voor orthodoxen meer en meer tempels en kanalen worden waardoor de Geest kan stralen, maar waarmee hij ook zonder ophouden de wereld overstelpt,opdat de wereld zou geloven en in Hem het gelaat van Christus zou herkennen  en zo de Weg, de Waarheid en het Leven zou terugvinden. De Heilige Geest voert ons tot Christus, maar het is de Geest die ons Christus geeft in een onophoudelijk Pinksteren van liefde waarin wij leven en waarin we niet mogen ophouden om de uitstorting van de Geest af te smeken over de Kerk, en door de Kerk over de wereld.

 (Uit CONTACTS, nr 55, III-1966)

 Vertaling : Kris B

 

(*) Men mag niet uit het oog verliezen dat deze tekst een conferentie is, die in 1964 werd uitgesproken. De conciliaire schema’s waren teksten die voorbereid werden door de romeinse Tribunalen en die door de bisschoppelijke tussenkomsten van tafel werden geveegd. De decreten, vruchten van de werkzaamheden van Vaticanum II, geven een ruime plaats aan de Heilige Geest en Zijn werk in de Kerk, maar ze raken het theologisch probleem niet aan. Twintig jaar na de sluiting van het concilie zal Johannes Paulus II in zijn encycliek, die trouwens merkwaardig is, nog altijd vermijden om het probleem van het filioque aan te snijden of er een oplossing voor te zoeken.

15:46 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

23-11-11

Archimandriet Symeon : Het Evangelie verkondigen aan de wereld van vandaag

Het Evangelie verkondigen aan de wereld van vandaag

 

Door Archimandriet Symeon (Cossec)

Tekst van de conferentie gegeven op 31 mei 2008 in het Instituut St.Serge te Parijs ter gelegenheid van de pastorale bijeenkomst van het Aartsbisdom van de Russische parochies in West Europa.

 

 Het lijkt mij normaal dat christenen en vooral de voorgangers zich de vraag stellen : ‘Hoe moeten wij aan de wereld van vandaag het Evangelie verkondigen ?’. De reden hiervoor is te vinden in het feit,dat wij in een geëvolueerde wereld leven, die nog altijd verder zal evolueren. De wijze waarop wij leven en denken toont ons het specifiek eigen karakter van onze tijd aan. De bewustwording van onze verantwoordelijkheid zet ons ertoe  aan om erover na te denken en te proberen oplossingen te vinden voor de manier waarop wij een dynamische pastoraal moeten beleven in overeenstemming met de wereld waarin we leven.

 Het is niet mijn bedoeling om u een gebruiksaanwijziging te geven die  compleet is en die ons zou toestaan om onze problematiek definitief op te lossen : het zou verwaand en volkomen nutteloos zijn en vlug achterhaald. Ik zal trachten enkele persoonlijke bedenkingen naar voor te brengen waarvoor ik uw geduld en begrip vraag, want ze zijn  enkel het resultaat van datgene wat ik zelf tot op vandaag heb kunnen ervaren.

Versta dit zo : wat ik u voorstel is sterk beperkt door de subjectiviteit en het particularisme van datgene wat ik heb beleefd en wat ik in mijn dagelijks leven als monnik en priester heb ondervonden.

 De eerste gedachte die mij voor de geest is gekomen in verband met het onderwerp dat ons hier interesseert is deze :

Hoe heeft Christus zijn taak opgevat toen Hij geconfronteerd werd met het in praktijk brengen van Zijn goddelijke zending ? Door Zijn menswording, was Hij geïncultureerd in de joodse beschaving van die tijd. Wat heeft Hij met deze cultuur gedaan ? Hij bevond zich voor menselijke wezens die niet in overeenstemming leefden met het judaïsme : Hoe heeft Hij hierop gereageerd ?  Hij moest het heil tot de mensen brengen die Hem omringden en door hen aan de gehele wereld, en dit ging niet vanzelf ! Diegenen die Hij ontmoette leefden in de verwachting van een tijdelijk heil : bevrijd te worden van het Romeinse juk ! De joodse hiërarchie was zeker van zichzelf wanneer het ging over de wijze van leven volgens de wet van Mozes. Hoe heeft hij de goddelijke boodschap, de goede boodschap van het heil, geopenbaard aan allen ? En wij kunnen deze lijst van vragen nog verder aanvullen !

 Als wij de manier waarop de Heer Jezus zich gedraagt, vóórdat Hij in het openbaar sprak, onder ogen nemen, wat zien wij dan ?

Vanaf het moment dat Hij door Johannes gedoopt werd , trok Hij zich terug in de woestijn : het is niet de eerste maal dat wij zien dat Christus zich terugtrekt. Hij stijgt dikwijls in de boot van de leerlingen om naar de ‘andere oever’ te gaan, naar daar waar Hij de noodzakelijke rust zal vinden voor het gebed met Zijn Vader.

 Wij lezen het ook in het Evangelie volgens Mattheüs, na de boodschap dat Johannes de Doper onthoofd is : (cf.14,v13). ‘Bij dit nieuws trok Jezus zich terug in de boot naar een afgelegen verlaten plaats’ en verder in vers 21 :’Nadat Hij de menigte had weggezonden, ging hij de berg op om op een afgelegen plaats te bidden’ en vervolgens, op het ultieme moment, nog altijd volgens Mattheüs (cf.26,v36) : ‘Toen kwam Jezus met hen op een domein Gethsemani genaamd en Hij sprak tot Zijn leerlingen ‘blijf hier terwijl ik verderop ga bidden’.

 Deze enkele voorbeelden tonen ons klaar en duidelijk, dat Jezus telkens wanneer Hij voor een belangrijk moment stond (publiek leven of Lijden), of wanneer Hij opnieuw het woord ging nemen, zich telkens terugtrok om te bidden.

 Het besluit lijkt simpel en wellicht banaal, maar moeten  we ze ons niet in de herinnering brengen in het licht van de spanningen die ons omringen, ook ten overstaan van het activisme dat ons in bezit neemt en vooral voor de verantwoordelijkheden die ons  worden opgelegd.

Wij moeten eerst God vinden voordat wij het woord God uitspreken, wij moeten Christus eerst ontmoeten voordat wij kunnen leven met Hem.

 Hoe kunnen wij dat in ons leven waarmaken ? Voor ieder zal dit op een andere manier zijn : de middelen zullen verschillen naargelang onze situatie in de wereld, men is gehuwd met een bevoorrechtte familie en tegelijk priester zijnde. Een monnik in een monasterium heeft niet dezelfde middelen dan hij die in de wereld woont. Een Bisschop die belast is met een bisdom dat consequent is zal een betere oplossing vinden of de minst slechte… Maar het is duidelijk, dat niets kan gebeuren vanuit een bevoorrecht moment indien het niet vertrekt vanuit de stilte, de afzondering, het gebed, en dit om het pastoraal werk opnieuw centraal te kunnen stellen,om te kunnen getuigen van het enig essentiële : De goddelijke Liefde die ons redt.

 Wij mogen geen schrik hebben om ons terug te trekken daar waar wij leven, om Hem te ontmoeten die alles in allen is. Een hoek van het bureau, een gebedshoek, een stukje tuin, de anonimiteit van het stedelijk vervoer, een verblijf in de natuur, een tijd van bezinning in een monasterie en veel andere plaatsen kunnen ons voorbereiden om de zending die de onze is te vervullen. En zoals de Heer Jezus het ons getoond heeft, om te gaan putten daar waar het levend water te vinden is !

 Laat ons nu even nagaan hoe Christus zich gedragen heeft tegenover de omringende cultuur. De bloedverwantschap van Jezus is joods. Als tweede persoon van de Drie-eenheid, als Woord die vlees geworden is, komt Hij onder ons wonen ( dit is de basis van de theologie van de incarnatie), Hij is perfect verwant met de cultuur van het land waarin Hij geboren is. Het is door deze inculturatie dat hij langzaamaan de goddelijke boodschap, waarvan Hij de gemandateerde is, heeft overgedragen. Wij zien de Heer die zich aankleedt als alle mensen van zijn tijd, wij vinden Hem etend en drinkend met hen die Hem omringen, op een oosterse manier : in het eenvoudig en broederlijk delen met elkaar. Hij zal het religieuze respecteren en ze verinnerlijken, Hij ging trouw naar de synagoge, hij wisselde van gedachten met de wetsgeleerden over de wet zoals de gewoonte het wilde, en veel andere dingen nog. Om samen te vatten : het betekent dat de Redder de culturele schat ontving van Zijn voorvaders, dat Hij uit deze schat putte maar zonder er  zich erdoor te laten vervreemden van zichzelf. Elke cultuur heeft behoefte om overgedragen te worden. Hij zal aan deze beweging deelnemen met het onderscheidingsvermogen die Hem toekomt : Hij is niet gekomen om de wet op te heffen (de wet was een integrerend deel van de joodse cultuur), maar hem te vervullen. Dit wil zeggen : om de ontwikkeling aan te moedigen van wat goed is en te verwerpen alles wat hinderlijk, nutteloos en voorbijgestreefd is.

 Laten we dit nu wat verder ontwikkelen : in deze cultuur, waarin de Heer zich incarneert, waarin Hij zich perfect integreert zal Hij zich als zodanig niet laten vangen door Zijn afwijkend gedrag : datgene wat Hij moet verkondigen is het heil van de mens door God en niet het heil van de mens door de mens. Welnu, het was de gewoonte van sommige Farizeeën ( niet alle Farizeeën waren slecht !) om alles tot hen terug te brengen op een hoogmoedige wijze. Dit is een slechte manier om de wet van Mozes toe te passen : het leven van de eredienst (cultus) was reeds sedert lang tot een cultuur omgevormd voor de Hebreeën en hun kinderen. Dit was een gevaarlijke schending welke wij  vandaag een afwijkend fundamentalisme zouden noemen : de zogenaamde cultuur ‘van de eredienst’ (cultus) had de neiging om gebruikt te worden voor egoïstische belangen waar God vanzelfsprekend  afwezig was…. De Heer zal zich door de valstrikken van deze beweging niet laten strikken. Hij zal ze met kracht aan de kaak stellen en zich voornemen om die kennis over te dragen waarvan het belang een experimenteel karakter zal hebben : Hij zal aan allen laten zien hoe men de liefde tot God en de mensen moet beoefenen.  Dit zal als gevolg hebben dat Hij dikwijls uit noodzaak gedwongen werd om tegendraads te handelen voor datgene wat de mensen daadwerkelijk aanbelangde, en dit tot verbazing van velen die wakker geschut werden door de schoonheid van de Zaligsprekingen : vervulling van de wet waarvan het duidelijk op zijn kop zetten van vele dingen meer dan één zal verbazen !.

 Misschien moeten wij hier een verband zien tussen cultuur en traditie. De traditie voedt zich aan de cultuur en deze laatste verduidelijkt zich in het geheel van de openbaring van het denken en het christelijk leven ons gegeven door Christus.

Om te resumeren zouden we kunnen zeggen dat de Heer door te emigreren vanuit Zijn plaats binnen de Heilige Drie-eenheid, om in onze wereld te gaan wonen,aanvaard heeft om geconfronteerd te worden met de joodse cultuur, door dewelke Hij ons het grote nieuws van het universele heil heeft gebracht en zo alles wat Hij als Schepper aan de mens had gegeven, tot ontwikkeling kan brengen en voltooien. Zo zuivert Hij alles wat de mens heeft besmet en geeft Hij hem toegang tot de ware cultuur : deze van de Liefde, de echt ware en fundamentele kennis, die eenmaal ze doorgegeven is de enig ware Traditie wordt.

 Wat moeten wij dan vandaag de dag dan heel concreet doen ?

 Zeker de houding van Jezus volgen. Geen schrik hebben van onze cultuur, van onze beschaving. Wij moeten alles wat diegenen die ons zijn voorgegaan hebben verworven gebruiken, maar zonder slaafsheid, met gezond  verstand en een creatieve geest. Veel intellectuelen hebben, na de Russische emigratie van rond de jaren 1920, gezocht om banden te leggen met de cultuur welke ze ontmoetten in hun land van aankomst. Zowel door de ballingen als door de orthodox geworden westerlingen wordt deze emigratie uit Rusland gezien als een opzettelijk plan van God, om het orthodox geloof bekend te maken buiten haar traditioneel culturele ruimte. Maar dit werd ook mogelijk door de openheid van de Russen voor de cultuur waarin ze leefden. Zij beschouwden zich als de erfgenamen van een schat : zij wilden hem delen met hen die God riep om dit te ontdekken. De vertaling van de liturgische en spirituele teksten, alsook de celebratie in de taal van het land in vele kerken hebben dit geloof doen kennen zoals het beleefd werd. Citeren wij in dit verband het werk van metropoliet Antoine van Souroge, deze grote predikant van het Evangelie, onvermoeibare spirituele Vader voor allen die het vroegen. En wat moeten wij niet zeggen van een Paul Evdokimov, van een Vladimir Lossky en hun werk op het theologisch vlak, van een Leonid Ouspensky op het vlak van de iconen, om slechts de meest schitterende te vermelden. Zij waren allen geworteld in hun erfenis en tegelijk totaal openstaand voor de cultuur van de andere. Zij waren bereid om het met hen te delen .

 Vader Cyrille Argenti zaliger gedachtenis zegt ons, tussen zoveel andere woorden door, dit : ‘Voor de orthodoxie is de zending essentieel het scheppen van een locale Kerk met haar eigen cultuur… Het gaat er niet om de cultuur van de moeder-kerk te exporteren, noch om de cultuur als zodanig van het land van zending te aanvaarden. Het gaat om een nieuwe schepping, om een werk van de Kerk gericht op een nieuwe culturele schepping met alles wat dit inhoudt’

 Vandaag wordt heel mooi werk verricht op het plan van de liturgische zang door het monasterie van Cantauque. Geholpen door grote specialisten van de traditionele byzantijnse muziek, hebben de monniken deze zang weten aan  te passen aan de franse taal en aan de muzikale sensibiliteit van ons land (wat niet eenvoudig is). Deze nieuwe schepping is een mooie realisatie die allen die gevoelig zijn voor de projecten van deze aard moet aanmoedigen.

 Wij hebben nieuwe kerken nodig voor onze verschillende gemeenschappen : moet men systematisch kerken bouwen met koepels of byzantijnse modellen nabootsen ? Met het risico dat men zich met dit type niet  in het landschap integreert !.

Zouden er niet voldoende architecten te vinden zijn die voldoende creativiteit weten aan de dag te leggen om ons voorstellen te doen van kerk-modellen die in harmonie zouden staan met de omgevende natuur en die evenzeer de liturgische noden respecteren van onze parochies en monasteria?.

 Waar is de Basilios van vandaag die ons een theologie van hoog niveau heeft nagelaten en die plaatsen wist te creëren  om de armen en zieken troost te bieden : waar zijn de basiliossen van vandaag ? De Heilige Basilios wist dat er geen breuk mogelijk was tussen de liturgie en de concrete uitoefening van de liefde.

 Het is niet nodig om de hard rock muziek te copiëren om in de kerk te zingen, noch om onze iconostases te realiseren in plastiek om de cultuur van vandaag en hier te beleven. Maar wellicht zullen we bv. moeten proberen om datgene wat onze voorvaderen hebben gedaan met de iconostase in de tijd van de eerste kerk, aan te passen, om zo toe te staan dat in onze heiligdommen de sacrale ruimte goed bewaard blijft, en die tevens zou toelaten dat de celebraties van de heilige mysteriën goed zichtbaar blijven.

 Alles wat ik kom te onderlijnen, en deze voorbeelden zijn zeker niet voldoende, vraagt een waarachtige houding van innerlijke ommekeer, nederigheid, begrip voor de ander en het nastreven van de goddelijke wil. De Apostel Petrus, Paulus en de andere apostelen hebben een solide basis gelegd voor onze Kerk. Het is door het luisteren naar de Heilige Geest en in de trouw aan Christus dat zij zich hebben weten aan te passen aan de noden en aan de verschillende culturen van hen die zij ontmoetten, maar ook om oplossingen te zoeken voor de verschillende problemen die zich stelden : moet men, of niet, de ritus van de besnijdenis bewaren ? Paulus was er voor om dit niet op te leggen aan de heidenen die zich bekeerden, Petrus had een andere mening ! Na een confrontatie werd een oplossing gevonden in het gebed en in de liefde dat op de twee de overhand kreeg en in het verlangen van de innerlijke bekering van ieder.

 De Apostel Paulus zegt :  ‘Er zijn geen joden noch grieken meer…’, wij weten goed wat hij hiermee bedoelde. Wij moeten in dezelfde zin verder gaan, en hopelijk zullen we niet horen wat op een bepaalde dag een vreemde orthodoxe hiërarch mij zei : ‘Wij kunnen mekaar niet verstaan want we hebben niet dezelfde cultuur..’.

 Op de vraag : ‘Hoe moeten wij het Evangelie vandaag de dag verkondigen ?’, kunnen we antwoorden door het woord en het leven. Wat is het meest belangrijke : getuigen : getuigen door het woord of door het leven ? In de periode van de antieke vervolgingen , evenals gedurende de vervolgingen die velen onder onze broeders hebben gekend in de communistische landen, hebben sommige martelaren (dus zij die getuigenis hebben afgelegd van hun geloof) hun mond gebruikt om zich te verdedigen en zijn tot het uiterste gegaan, tot aan het geven van hun leven voor Christus.  Anderen hebben daarentegen het wapen van de stilte gebruikt, zoals lammeren die men naar de slachtbank leidt. De Heer zelf heeft aan Pilatus en aan diegenen die Hem ondervroegen geantwoord, maar Hij had weten te zwijgen op andere momenten. Wat zeker is, is dat zij allen getuigen zijn door de authenticiteit van hun leven.

 Een woord is overtuigend indien het de waarachtige , eerlijke en oprechte uitdrukking  is van een authentieke ervaring.

Het is nu enkele jaren geleden dat ik de gelegenheid had om mooie woorden te beluisteren over de barmhartigheid van God en over datgene wat wij moeten beleven met onze broeders. De priester die zich uitdrukte had echt het talent van een redenaar en zijn uiteenzetting heeft mij overtuigd. Later, toen hij een belangrijke hiërarchische post bekleedde, zou ik graag in hem de voortzetting hebben gezien van een waarachtige apostel van de evangelische barmhartigheid, maar helaas, hij stelde daden die zozeer in tegenspraak waren met zijn woorden, dat ik voortaan niet meer kon instemmen met zijn woorden. Een simpele vraag om vergiffenis zou alles weer hebben kunnen goedmaken, maar die dag is er nooit gekomen…. Wanneer ik een klein kind was, werd ik opgevoed door religieuzen. Ik herinner me nog steeds één van hen : ik heb hem nooit horen praten, maar zijn blik, zijn nederigheid, zijn steeds vrolijk gezicht hebben mij getekend tot op vandaag en ik dank God voor deze man die zonder ook maar één woord te zeggen, mij heeft doen inzien tot wat een waarachtige band met God kan leiden.

 Ik zal niet verder uitweiden met voorbeelden : geheel de wereld zal het begrepen hebben : het woord evenals het leven kunnen helpen om het Evangelie te verkondigen, maar dan enkel op voorwaarde dat men eerlijk is en dat men de hypocrisie in de vuilbak gooit met een goed deksel erop.

 Wat wil zeggen ‘het Evangelie verkondigen’ ? Het betekent de Blijde Boodschap verkondigen, te weten, dat God ons liefheeft en ons zonder voorwaarde bemint en dat wij hiervan getuigen zijn.

 Men moet vandaag, meer dan gisteren, getuigen van deze onvoorstelbare liefde die God kenmerkt!. Maar hoe ? Vooreerst door nogmaals te kijken hoe Jezus heeft gehandeld.

 Herinneren wij ons de ontmoeting met de Samaritaanse, Jezus vroeg haar te drinken.

Herinneren wij ons de ontmoeting met Zacheüs aan wie Jezus vroeg om een maaltijd klaar te maken.

Herinneren wij ons  ook de zondares die Jezus toestond om Zijn voeten te zalven met haar tranen en ze af te drogen met haar haar, tot grote ergernis van Zijn gasten.

En vervolgens nog de overspelige vrouw die op het punt stond gelyncht te worden. Jezus redde haar, en veroordeelde haar ook niet, maar hij nodigde haar met zachtheid uit om niet meer te zondigen….

 Ik zal hier eindigen met de parabel van de verloren Zoon, een hoogtepunt van de uitdrukking van Gods barmhartigheid, er bestaat geen grotere manifestatie van Liefde zonder voorwaarde welke de schepper geeft aan Zijn schepsel, ondanks zijn vrijwillige verwijdering….

Waar is het oordeel ?

Waar is de veroordeling ?

Waar is het misprijzen ?

Waar en wanneer voert de Heer hen mee in de schuld ?

 Wij moeten zeer waakzaam zijn voor de manier waarop wij allen die ik kom te citeren, gaan behandelen : deze uitleg zou voor ons moeten volstaan om te begrijpen wat dient gedaan te worden om het Evangelie vandaag de dag aan de wereld te verkondigen !

 Als je het wilt, laten we ook nog het medelijden eraan toevoegen, die maakt dat Jezus lijdt met hen die lijden, weent met hen die wenen. Dit zet Hem ertoe aan de zieken te genezen, de gebrekkigen te doen opstaan, het zicht te geven aan de blinden en de zoon van de weduwe van Naïm  en Zijn  vriend Lazarus te doen opstaan uit de doden.

Vergeten we ook niet de vergiffenis aan de beulen, zijn geduld met Zijn leerlingen.

Maar dit volstaat niet !

 Men moet handelen naar het beeld van wat Jezus heeft gedaan. Wij moeten alles doen om barmhartig te zijn; wij moeten alles doen om niet te oordelen, om niet te veroordelen, om niet te misprijzen en verder, om niet het gevoel van schuld te geven in het hart van diegene die voor ons staat en die wacht op onze liefde !

 Wij moeten categorisch elke moraliserende houding weigeren die slechts een gevoel geeft van afwijzing en die elke poging van begrip en liefde uitsluit.

 In de wereld van vandaag worden wij, als wij het Evangelie moeten verkondigen, geconfronteerd met dezelfde situatie als die waar Christus mee geconfronteerd werd : er zijn altijd kwaadaardige mensen, dieven, leugenaars, hypocrieten, moordenaars, prostituees van allerlei soort, overspelige mannen en vrouwen….

Maar er zijn ook een heleboel nieuwe vormen van zwakheid, van bekoringen, van situaties die we niet gewoon zijn noch op voorbereid of zo weinig…

Wat moeten wij doen ten overstaan van vrouwen die abortus plegen  : moeten we hen zeggen dat het goed is en hen bemoedigen in hun laksheid ? Zeker niet. Moeten we hen zeggen dat ze veroordeeld zijn en dat God hen in geen enkel geval zal vergeven (ik ken een vrouw die uitgesloten werd van de sacramentele communie omwille van een abortus) ?. Neen, dit is niet de goede houding : het antwoord op deze vraag kennen wij : Christus legt eerst vanuit Zijn liefde een verzachtende zalf op de wonde veroorzaakt door de zonde (als er al sprake is van zonde….), vervolgens is Hij medelijdend en barmhartig en moedigt Hij aan om niet meer terug te vallen in de zwakheid.

 Wat moeten wij doen en zeggen ten overstaan van jongeren die meer en meer ‘als’ gehuwden leven zonder het sacrament van het huwelijk te hebben ontvangen? Leven zij in zonde ? Ik denk niet dat dit de goede oplossing is. Wellicht is het beter hen uit te leggen, zonder te oordelen, dat zij zich hierdoor van de genade beroven, maar dat zij op het geschikte moment altijd nog het sacrament kunnen ontvangen. En vervolgens is het wellicht gepast dat wij begrijpen dat sommige jongeren angst hebben om zich te engageren en dat deze angst dikwijls gevoed wordt door weinig bemoedigende voorbeelden die wij hen hebben gegeven ! Hoeveel vrouwen en mannen hebben hun partner bedrogen en verbergen hypocriet hun fout door hun partner te laten geloven dat alles goed gaat. Dikwijls slepen zij daarmee ook hun omgeving mee in de miserie. Dat diegene die nooit gezondigd heeft de eerste steen werpe….

 Ten overstaan van deze situaties is het van belang eerst proberen te begrijpen waarom dit gebeurt of bestaat, vooraleer men zich overgeeft aan het oordeel of de veroordeling. En indien dit niet gaat door middel van het intellect, dan moet men het doen vanuit het hart!

 Er zijn nog heel wat zaken die men niet begrijpt, nl. alles wat betrekking heeft op de seksualiteit is zeer complex : niemand kan het ontkennen en vele priesters worden geconfronteerd met moeilijke situatie wanneer zij hun problemen aan hem komen toevertrouwen. Of het nu gaat om situaties binnen of buiten het huwelijk, binnen het priesterschap of het monachisme. Wie begrijpt bv. Het feit, dat twee personen van hetzelfde geslacht zich tot mekaar aangetrokken voelen : geen enkele wetenschappelijke, sociologische of een andere is toereikend, en zelfs indien er al een uitleg voor zou zijn, wat zullen wij doen ? Tot wat dient de verwerping, de veroordeling, het misprijzen, het schuldgevoel ? Dit is nooit de houding van de Heer geweest. Wat moeten wij doen om waarachtige getuigen van het Evangelie van Christus te zijn ? Laten wij misschien beginnen met nederig te zijn, laten we geen beoordelaars zijn.  Laten wij proberen om te doen begrijpen wat liefde is, of wat het niet is.  Dat het niet goed is de ander te gebruiken als een instrument van plezier (en dit geldt voor elke vorm van seksuele gerichtheid). Men kan  de vraag van de integriteit en zelfs van onthouding naar voor brengen, maar dan niet onder de vorm van een systematische verplichting maar als een mogelijke keuze die in vrijheid overwogen kan worden. Indien men het lijden die uit deze situaties voorkomt heeft bemind en begrepen, dan is men dicht bij datgene wat Christus zou hebben gedaan in onze plaats. Indien men de persoon zou hebben aangemoedigd om de zonde te vermijden, door te verduidelijken dat het niet de seksuele daad zelf is die een zonde is, maar datgene wat men ermee doet, zal gehandeld hebben als een herder.

 Het lijkt me dat de verschillende spirituele verantwoordelijken (leken, diakens,priesters,bisschoppen) pastorale bijeenkomsten zouden moeten organiseren om al deze nieuwe ethische vragen te behandelen.

Niet om wetten voor te schrijven en leringen ex-cathedra, maar om samen te zoeken naar een evangelische aanpak van de verschillende vragen die onze broeders en zusters uit ons midden raken. Men heeft er alles bij te winnen om niet laks te zijn, noch om als rechters op te treden die veroordelen, maar wel om te zoeken hoe in waarheid te beminnen : ziedaar wellicht de voornaamste en meest waarachtige ascese van de authentieke herder….

 Het zou ook passen om te spreken over de verkondiging van het Evangelie aan jongeren (en minder jongeren) die zich drogeren met alle mogelijke vormen van verdovende middelen en alcohol. Wij moeten hier dezelfde besluiten trekken als bij het voorgaande : geen onnodige oordelen, geen oneerbiedige veroordeling, maar luisteren naar diegene die door een gebrek aan liefde moet lijden en  meegesleept wordt in valse oplossingen: nogmaals wil ik benadrukken, dat we hen die in zulke situaties zijn beland duidelijk moeten maken dat zij door God worden bemind,en ook door ons, zoveel als in onze mogelijkheid ligt. Wij moeten hen zeggen dat Christus hen nooit zal verwerpen(citeer in dit geval het Evangelie) en dat gans Zijn barmhartigheid hen wordt verleend wanneer zij vallen…. Dat Jezus niet gekomen is voor hen die zich sterk achten, maar voor hen die zwak zijn, ‘een arme heeft geroepen, God luistert naar hem’ zegt de psalmist. Wij moeten in deze woorden geloven en er van overtuigd zijn dat ze ook aan ons worden gezegd, wie we ook zijn !

 Wellicht zullen sommigen onder u me zeggen : gij hebt niet gesproken over de manier waarop wij het Evangelie moeten verkondigen aan de atheïsten, de niet-gelovigen en de onverschilligen. Er bestaan dialogen met deze verschillende categorieën van mensen, en ik denk dat dit een goede zaak is, maar het lijkt me dat datgene wat het meest ontbreekt aan deze problematiek een zekere evidentie van de liefde is, iets wat de aandacht trekt, de opmerkzaamheid, het hart….

Datgene wat het meest van al ontbreekt is dat deze mensen zouden kunnen zeggen ‘ziet hoe ze elkaar liefhebben’ ! Nog onlangs heeft een atheïst die de moed had om aan een liturgie deel te nemen die ik in Bretagne celebreerde mij bevestigt dat het hem onmogelijk is in God te geloven zolang diegenen die zich op Hem beroepen, de evidentie van de onenigheid manifesteren. Waarschijnlijk was dit een gemakkelijke rechtvaardiging ? Maar indien dit zo niet  was ? Gaan wij soms niet te ver in onze geruststellende zelfrechtvaardiging. In elk geval als we gans ons leven zoeken om als christenen onder mekaar, van welke kleur ze ook zijn, lief te hebben, dan is dit zeker geen verloren zaak en het zal een goede manier blijven om het Evangelie te verkondigen aan de wereld van vandaag !.

 Ik wil u een tekst citeren die mij zeer aanspreekt. Hij is geschreven door Vader Lev Gillet, de monnik van de Oosterse kerk. Het is een uittreksel van het werk , getiteld : de eucharistische offerande. Hij richt zich tot priesters, maar je zal zien dat deze tekst evengoed van toepassing is voor ieder van ons :

‘De priester moet er op de eerste plaats zijn  voor hen die lijden.  Als hij in één zin gans de boodschap van Christus moet samenvatten, dan moet hij zich houden aan dit woord van de Heer : ‘Kom tot Mij, gij allen die belast en beladen zijt en ik zal u verkwikken.’ Want de taak van een priester bestaat erin om alle fysisch en moreel lijden, elke nood aan…    te oriënteren op de Redder.  Het is hier onmogelijk om in concrete details te treden over de hulp die de priester moet geven om het menselijk lijden te verzachten. Want elk geval is op een zekere manier, origineel en uniek. Men kan voor de verschillende gevallen geen algemeen regel opleggen. Datgene wat zeker is en toepasbaar in alle gevallen, is, dat het niet voldoende is om aan de gekwetste ziel een liefdevolle vermaning te geven, of hen te begeleiden naar geschikte instellingen. De priester heeft niets gedaan zolang hijzelf niet de last van de andere heeft gedeeld, zonder dat hijzelf ook niet heeft getracht om deze last te dragen (op een manier die verschilt naargelang van de situatie, en ze moet geleid worden door de genade) zolang zijn medelijden hem niets ‘kost’ en hem niet op weg zet naar een duidelijk offer. Onder diegenen die lijden heb je op de eerste plaats de zondaars. Hun kwaad vereist van de priester een nederigheid, die de zonde veroordeelt maar nooit de zondaar. Het vereist eveneens een voetwassing, gedaan  met fijngevoeligheid en een bijzondere tederheid.

Hoe kan de priester de voeten van de zondaar wassen ? Misschien door met hem te praten, misschien door hem het goede dat in elke mens aanwezig is van de zonde te leren onderscheiden en door de zondaar te helpen om zich te concentreren op deze lichtstraal en hem te doen groeien. Maar zeker door het gebed en door een zwijgzame, handelende liefde. Hij moet de zondaar liefhebben, over de grenzen van zijn zonde heen (dit is alleen mogelijk door de genade)… Heer Jezus leer mij meer en meer de diepten van Uw barmhartige liefde te doorgronden en deze liefde te verkondigen aan allen die Gij mij op mijn weg laat ontmoeten.’

 Ik wil deze zin, door Christus gericht aan een heilige franse moniale van de orde van de Augustinessen : Moeder Yvonne de Beminde, meegeven :’Ik maak geen enkel onderscheid tussen een onschuldig hart en een bezoedeld hart. Het is diegene die mij het meeste liefheeft die mij het dierbaarst is !.

Wij moeten hier besluiten en plaats laten voor vragen en dialoog.

Als wij niet volledig kunnen antwoorden op deze immense vraag die het thema van onze diocesane bijeenkomst vormt, lijkt mij deze houding de moeite waard om voor te stellen : in de mate dat wij onvoldaan zullen blijven voor de manier waarop wij vandaag getuigen proberen te zijn, in de mate dat wij zullen zoeken hoe wij in waarheid moeten zeggen tot hen die ons omringen, dat ALLEN DOOR GOD BEMIND WORDEN ! , zal de Heer zijn werk kunnen verderzetten doorheen zijn apostelen, zijn gelovigen, zijn herders !. Laten we ons niet vergissen, het is eerst God die zich aan ons openbaart en deze openbaring heeft geen einde : zoals Vader Alexander Men het heeft gezegd : ‘Het christendom begint pas!’

 Vertaling : Kris B

12:05 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

16-11-11

Biecht en communie : Alexander Schmemann

Biecht en Communie

 

Aartspriester Alexander Schmemann

 

Wat  is  in  deze  voorbereiding  d eplaats  van  de  sacramentele  biecht  ?    Een vraag die we moeten stellen en proberen te beantwoorden  omdat  in  vele  Orthodoxe kerken de leer is ontstaan en tegenwoordig algemeen wordt geaccepteerd, dat het voor leken  onmogelijkis  de  communie  te ontvangen  zonder  voorafgaande sacramentele  biecht  en  absolutie.  Zelfs wanneer  iemand  veelvuldig  de  communie wenst te ontvangen, moet hij toch iedere keer opnieuw biechten of minstens de acramentele absolutie ontvangen.

 Maar nu is het moment gekomen om openlijk te stellen dat, wat er ook voor uiteenlopende en ernstige redenen waren, waardoor deze leer en praktijk konden ontstaan, die redenen niet alleen niet gebaseerd zijn op de Traditie,maar in feite tot zeer verontrustende misvormingen leiden van de Orthodoxe leer over de Kerk, over de Eucharistie en over het Boete-Sacrament zelf.

 Om  zich  hiervan  te  overtuigen  behoeft  men  zich  slechts  de oorspronkelijke  opvatting  van  de  Kerk  over  het  Sacrament  van  boete  in herinnering te brengen. Dit was en is nog steeds volgens de oorspronkelijke leer van de Kerk, het Sacrament van verzoening met de Kerk, van terugkeer tot de  Kerk  en  tot  haar  leven    van  hen  die  geëxcommuniceerd  waren,  dit  wilzeggen, voor hen die waren buitengesloten van de Eucharistische samenkomst van de Kerk. In het begin was, wegens het hoge morele levenspeil dat men van de leden van de Kerk verwachtte, slechts éénmaal zo’n verzoening toegestaan :“Indien  iemand  na  de  grote  en  heilige  roeping  (  van   het  Doopsel)  door  de duivel en door de zonden is verleid, kan hij maar éénmaal boeten”, lezen we in De Herder van Hermas,een christelijk document uit de tweede eeuw, “want indien iemand vele malen zondigt en telkens boete doet, baat hem de boete niet”.

 Later, en vooral na de massale kerstening van het Romeinse Rijk, die volgde op de bekering van Keizer Constantijn, werden de strenge regels voorde Boete wat verzacht, maar de opvatting over het sacrament zelf veranderde geenszins.  De  biecht  was  alleen  voor  degenen  die  door  de  kerk geëxcommuniceerd waren wegens daden en zonden, die  duidelijk omschreven waren in de canonieke Traditie van de Kerk. En dat het sacrament van de Boete nog  steeds,  ook  vandaag,  door  de  Kerk  zo  begrepen  wordt,  blijkt  immers duidelijk  uit  het  gebed  van  de  absolutie  :  “….verzoen  hem  (haar)  met  de Heilige Kerk in Christus Jezus, onze Heer….” (Dit i s, tussen haakjes, HET gebed voor de absolutie dat in de Orthodoxe Kerken algemeen in gebruik is. Het  tweede  gebed,  onbekend  in  menige  Orthodoxe  kerk  –  “….en  ik, onwaardige priester, vergeef u en ontsla u van uw zonden door de macht die mij gegeven is….”, is van westerse oorsprong en ver scheen in onze liturgische boeken in de tijd van de snelle “latinisering” van  de Orthodoxe Theologie).

 Betekent  dit,  dat  de  niet-geëxcommuniceerden,  de  trouwe  gelovigen, door de Kerk als zonder zonden werden beschouwd ? Natuurlijk niet. De leer van de Kerk zegt immers dat niemand behalve God zonder zonden is en dat er “geen mens op aarde leeft die niet zondigt”  Maar de Kerk heeft ook altijd geleerd dat, hoewel er zonden zijn die een christen excommuniceren, er ook zonden zijn die niet leiden tot deze breuk met de gemeenschap der gelovigen en deelname aan het Sacrament.  Nicolas Cabasilas schrijft :

 “Er zijn zonden die niet ten dode zijn volgens de l eer van de heilige Johannes. En daarom is er niets dat de christenen, die geen zonden hebben begaan welke hen scheiden van Christus en ten dode voeren, kan weerhouden van de gemeenschap met de heilige Mysteriën en de deelname ter heiliging, niet  alleen  uiterlijk,  maar  wezenlijk,  want  zij  blijven  levende  ledematen, verenigd met het Hoofd….”

 Het is echter niet zo dat deze zonden – de algehele  zondigheid, zwakheid en onwaardigheid van ons leven – geen berouw en ver geving behoeven. De gehele  voorbereiding  voor  de  Communie  is,  zoals  we  gezien  hebben, doortrokken van dat  berouw  en  een kreet om  vergiffenis.  De  sacramentele biecht  en  de  sacramentele  absolutie  zijn  daarvoor  echter  niet  noodzakelijk, omdat  die  alleen  golden  voor  geëxcommuniceerden.  Onze  “niet  dodelijke” zonden en onze algehele” “zondigheid” belijden wij telkens wanneer we bijeen zijn voor het sacrament van Christus’ Tegenwoordigheid. Het gehele leven van de Kerk is in feite gevestigd op dit voortdurend berouw. Tijdens de Heilige Liturgie zelf belijden we onze zonden en vragen we om vergeving in het gebed van het Trisagion :

 ….vergeef ons alle bewuste en onbewuste zonden. Hei lig onze zielen enlichamen en geef ons om U te dienen in heiligheid al de dagen van ons leven….

 En wanneer we de Heilige Kelk naderen vragen we vergeving voor onze “vrijwillige  en  onvrijwillige  zonden,  begaan  in  woord  en  daad,  bewust  en onbewust”  en geloven wij dat we, naar de mate van  ons berouw, vergiffenis verkrijgen  juist  door  onze  deelname  aan  het  Sacrament  der  vergeving  en genezing.

 Het  moet  dan  ook  duidelijk  zijn  dat  de  leer,  die  stelt  dat  het Boetesacrament  absolute  voorwaarde  is  voor  het  toelaten  van  de  gewone gelovigen  (de  leken)  tot  de  communie,  niet  alleen  afwijkt  van  de oorspronkelijke en algemene Traditie van de Kerk, maar ook een verminking is van  de  Orthodoxe  leer  over  de  Kerk,  van  de  Eucharistie  en  van  het Boetesacrament zelf. Een verminking van de leer over de Kerk, omdat het de facto haar leden in twee categorieën verdeelt, waarbij voor de ene categorie (de leken), de wedergeboorte door de Doop, de heiliging door de Zalving, “het medelid  worden  met  alle  Heiligen  van  Gods  hofhouding”,  niet  voldoende geacht  worden  voor  het  deelkrijgen  aan  het volledige  lidmaatschap,  dit  wil  zeggen  het deelhebben aan het sacrament waarin de Kerk zichzelf realiseert als het Lichaam van Christus en de Tempel van de Heilige Geest. Die visie verminkt de leer over de Eucharistie omdat zij aan de communie andere voorwaarden stelt dan het lidmaatschap van de Kerk en het praktisch onmogelijk maakt de Eucharistie te zien en te ervaren als het sacrament bij uitstek van de Kerk, als de daad waardoor, in de woorden van de Basilius- Liturgie, “wij allen die deelhebben aan het ene Brood en de ene Beker, één worden met elkaar in de gemeenschap met de Heilige Geest”.

 Tenslotte is het een misvorming van het Sacrament van Boete zelf omdat het,  door  een  formele  en  in  feite  enige voorwaarde  te  worden  voor  de  communie,  de biecht  in  de  plaats  stelt  van  de  wezenlijke voorbereiding voor de communie, die, zoals we gezien  hebben  bestaat  uit  een  diep  innerlijk berouw.  De nadruk en de hele beleving van het sacrament verschuift van berouw naar absolutie, en wordt begrepen in termen van een bijna magische macht. Het is die formele, half-magische, half-juridische “absolutie”, en niet  de verzoening met de Kerk waarvan  hij  door  zijn  zonden  was  geexcommuniceerd,  die  iemand tegenwoordig in de biecht zoekt, en hij zoekt die niet omdat zijn zondigheid hem dwars zit (meestal vindt hij dat iets vanzelfsprekends en onvermijdelijks) maar omdat het hem het “recht” geeft om met een goed geweten tot de Heilige Gaven te naderen. En nu het niet meer dan een “voor waarde” is geworden, is het Boetesacrament, - zo beslissend, zo ontzagwekkend in de vroege Kerk –feitelijk zijn werkelijke betekenis en plaats in de Kerk kwijt geraakt.

 Hoe is het mogelijk geweest dat een dergelijke leer in de Kerk is kunnen ontstaan  en  tot  norm  is  geworden  ,  en  door  velen  wordt  verdedigd  als  een quintessence van de Orthodoxie ? Daar zijn drie belangrijke factoren voor aan te wijzen. Eén hebben we reeds genoemd. Het nominale, minimalistische en lauwe reageren op het appèl dat de Kerk op haar leden doet, het verwaarlozenvan de sacramenten wat de Vaders openlijk veroordeelden en wat aanvankelijk leidde tot het minder en minder ontvangen van de communie, en tenslotte tot de “eens-per-jaar-verplichting”, die er van gemaakt is .  Dan spreekt het vanzelf dat een christen, die maar zelden tot de Heilige Mysterieën nadert en die overigens best  tevreden  is  met  zijn  feitelijke “excommunicatie”,  wel  verzoend  moet worden met de Kerk en niet tot de communie kàn word en toegelaten tenzij via het Boetesacrament.

 Een tweede factor, totaal verschillend van de vorige, was de invloed van de monastieke biecht – de geestelijke leiding die e en ervaren monnik gaf aaneen minder ervarene – waarvan de bedoeling “een voortdurende “blootstelling van  de  ziel”  was  van  de  laatste  aan  de  eerste.    De  “Starets”  aan  wie  een dergelijke geestelijjke leiding en “biecht” was toe vertrouwd, hoefde niet per sé priester  te  zijn  (van  oorsprong  werd  het  monastieke  leven  in  feite onverenigbaar geacht met het priesterschap) en dit zich uitspreken had volstrekt niets te maken met het Boetesacrament.  Het vormde een integraal onderdeelvan het monastieke leven en de discipline die gebaseerd was op de volstrekte gehoorzaamheid, en op de verloochening van de eigen wil door de monnik.  Zo was  het  volgens  de  Byzantijnse  monastieke  typica  van  de  twaalfde  en  de dertiende  eeuw  de  monnik  verboden  zowel  om  de  communie  te  ontvangen alswel zich ervan te onthouden naar eigen beslissing, zonder de toestemming van de abt of van zijn geestelijke leidsman, want, om één van deze typica te citeren,  “wie  zichzelf  de  Communie  ontzegt,  volgt      zijn  eigen  wil”.  In vrouwenkloosters had de abdis eenzelfde volmacht.  Hier is dus sprake van een “biecht” van niet-sacramentele aard en in zekere zi n te vergelijken met wat we vandaag “gericht gesprek” zouden noemen.  Maar historisch gezien is dit van grote, ja zelfs van beslissende invloed geweest op de sacramentele biecht. In een tijd van geestelijk verval (waarvan men bijvoorbeeld nog duidelijk sporen terugvindt in de canons van het zogenaamde Concilie van Trullo, dat in Constantinopel  werd  gehouden  in  691)  en  van  verlies  van  het  morele  en geestelijk gezag van de “seculiere” geestelijken,  werden de kloosters praktisch de enige echte centra voor geestelijke leiding en waren de monniken de enige geestelijke raadgevers voor de Orthodoxen.  En zo gingen langzamerhand de twee  vormen  van  biechtpraktijk  –  de  “sacramentele”  en  de  “geestelijke”  in elkaar over : de geestelijke kon de voorbereiding voor de Heilige Communie worden  en  de  “sacramentele”  kon  geestelijke  problem en  insluiten  die  er vroeger niet bijhoorden.

 Maar  hoe  gerechtvaardigd  deze  ontwikkeling,  geestelijk  en  historisch gezien, ook was, hoe heilzaam ook onder de toenmalige omstandigheden, ze heeft  het  hare  bijgedragen  tot  de  grote  verwarring  die  nu,  in  onze tegenwoordige omstandigheden, waarschijnlijk, meer kwaad dan goed doet. Er bestaat natuurlijk  geen enkele twijfel over de essentiële behoefte die er binnen de Kerk is aan pastorale en geestelijke begeleiding.  Maar waar het om gaat is dit  :  wordt  deze  behoefte  voldoende  opgevangen  binnen  onze  drie-tot-vijf minuten  biecht  met  een  lange  rij  wachtenden  van  al  diegenen  die  met  hun eenmaal-per-jaar biecht hun “plicht” vervullen ? Is  het dan wel mogelijk om tot de kern van de zaak door te dringen terwijl de biecht het tweeslachtige heeft van een biecht die geen biecht meer is en zich toch ook niet helemaal tot een geestelijk gesprek ontwikkelt ? En dan nog een vraag : is iedere priester, vooral een jonge, voldoende ervaren en “toegerust” voor zi jn taak om alle problemen op te lossen en zelfs om ze helemaal te begrijpen ? Hoeveel tragische fouten, hoeveel geestelijk schadelijke adviezen, hoeveel vergissingen hadden vermeden kunnen  worden  als we  ons  aan  de  werkelijke  Traditie  van  de  Kerk  hadden gehouden en als we de sacramentele biecht uitsluitend hadden voorbehouden aan de biechteling die zijn zonden wil belijden en daarnaast een gelegenheid in ander  verband  had  kunnen  vinden  voor  de  zo  noodzakelijke  pastorale  en geestelijke begeleiding.  Hierdoor zou de priester zich onder andere ook hebben kunnen realiseren, hoe hij in sommige gevallen zelf in gebreke blijft, wat een reden voor hem zou zijn om voor zichzelf hulp en leiding te zoeken – bij zijn bisschop of bij een andere priester of bij de geestelijke ervaring van de Kerk.

 De  derde  en  helaas  beslissende  factor  was  wederom  het  Westerse  en scholastieke en juridische begrip van Boete.  Er is heel veel geschreven over de “Westerse gevangenschap” van de Orthodoxie, maar sl echts weinigen beseffen hoe verstrekkend en diepgaand de misvorming is, die de Westerse invloeden in het leven van de Kerk hebben teweeggebracht. Op de eerste plaats wat het begrip over de sacramenten betreft. Die invloed van het Westen heeft geleid tot de bovengenoemde verschuiving van berouw en verzoening met de Kerk, als de essentie van het Sacrament van Boete, naar de absolutie, die vrijwel uitsluitend werd  gezien  in  termen  van  juridische  macht.  Terwijl  in  de  orrspronkelijke Orthodoxe opvatting bij de absolutie gedacht wordt aan de priester als getuige van de waarachtigheid en ongeveinsdheid van het berouw en hij daarom  gezag heeft om de goddelijke vergiffenis en de “verzoening van de penitent met de Heilige  Kerk  in  Jezus  Christus”  te  verkondigen  en  te  bezegelen,  wordt  de absolutie binnen het Westerse juridische raamwek een “macht in zich zelf” – zodanig  dat  hier  en  daar  de  waarlijk  vreemde  praktijk  is  ontstaan,  dat  de absolutie gevraagd en gegeven wordt, zonder dat er gebiecht is. Het verschil, dat  in  beginsel  bestond  –  genoemd  door  Cabasilas  –  tussen  zonden  die excommunicatie tot gevolg hebben en zonden die een mens niet afscheiden van de  Kerk,  werd  volgens  de  rationalistische  redenering  van  het  Westen  een verschil enerzijds tussen “doodzonden” – die de mens de “staat van genade” ontnamen  en  daarom  sacramentele  absolutie  noodzakelijk  maakten  –  en anderzijds de “dagelijkse zonden”, die de staat van  genade niet aantasten en waarvoor een akte van berouw voldoende is.  In het Orthodoxe Oosten, en met name  in  Rusland  (onder  invloed  van  de  latiniserende  theologie  van  Peter Moghila en zijn volgelingen, was het gevolg van deze leer dat er een dwingend verband ontstond tussen de biecht en iedere communie. De ironie van het geval wil  dat  deze  meest  duidelijke  van  alle  latijnse  “in filtraties”  door  vele Orthodoxen  als  de  norm  bij  uitstek  van  de  Orthodoxie  wordt  beschouwd, terwijl wat niet meer dan een poging is om de norm te herwaarderen in het licht van  de  werkelijke  orthodoxe  traditie,  vaak  voor  een  Rooms-Katholieke afdwaling wordt uitgemaakt !

 

------------------------------------------------------------------------------------------------

 

'De Eucharistie is een maaltijd, een Agape : je kan er enkel aan 'deelnemen', niet toekijken hoe anderen eten, wat trouwens onwelvoeglijk zou zijn ! Waarom denk je, moesten de catechumenen buiten gaan net voor de communie ? Precies omdat alle aanwezigen deelnemen aan de offerande wat ook deelnemen aan de Eucharistie betekent; welnu, de catechumenen, dit zijn nl. de niet-gedoopten, mochten noch aan de offerande, noch aan de Eucharistie deelnemen. Ik herhaal het : men kan bij de liturgie niet spreken van 'aanwezigheid', enkel van 'deelneming'(....) Een zogenaamde 'geestelijke communie is volkomen ondenkbaar. De Kerk kent enkel de reële communie.De eucharistie is heilig, maar ze is ook voedsel. Men kan ze niet reduceren tot een symbool en metafysische gevoelens koesteren' - ‘Een eigen kijk op icoon en de Kerk’ Archimandriet Zenon – monnik, p.53-54.

------------------------------------------------------------------------------------------------

15:21 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

19-10-11

Naar een nieuw tijdperk van de orthodoxe theologie ?

Naar een nieuw tijdperk van de orthodoxe theologie ?

Door Pater Hervé LEGRAND o.p

In de lokalen van de Academie voor theologische studies van Volos, werd van 3 tot 6 juni laatstleden, een internationaal universitair colloquium gehouden, georganiseerd door professor Pantelis KALAITZIDES, actief directeur van deze academie die een belangrijke plaats inneemt in de griekse theologische reflexie. Onder de bescherming van de universiteiten van Münster (leerstoel van de orthodoxe theologie), van Fordham (orthodoxe studies), en van deze van Cluj-Napoca, Roemenië, zijn er drie en twintig tussenkomsten geweest waarrond werd gediscussieerd, en dit voor een vijftigtal genodigden,over de toekomst van de theologie : "In verband met de neo-patristieke synthese en de post-patristische theologie, kan de orthodoxe theologie bepalend zijn ?". Het geheel van de werkzaamheden werd op de televisie uitgezonden.

Pater hervé LEGRAND, is dominicaan, en emeritus hoogleraar aan het "Institut catholique" van Parijs . Hij is lid van de theologische commissie voor de dialoog tussen de katholieke en de orthodoxe kerk in Frankrijk. Hij is ook stichtend lid van de Groep "Saint Irénée", een internationale groep die zich bezig houdt met theologische arbeid met het doel om zich te engageren voor een dialoog op lange termijn , de taal en de cultuur van katholieken en orthodoxen overschrijdend.

In 1936 werd er aan de universiteit van Athene een internationale bijeenkomst gehouden over de toekomst van de orthodoxe theologie. Deze bijeenkomst is beroemd gebleven door de dringende uitnodiging van Vader Georges Florofsky, professor aan het instituut "Saint Serge", om hem te bevrijden van zijn "Babylonische ballingschap" ( in de akten van de conferentie, gepubliceerd door Hamilcar S.Alivisatos, Proces Verbaal van het Eerste Congres van Orthodoxe theologie te Athene, 29 november-6 december 1963, Athene 1939, zijn bijdrage bevindt zich onder de titel "Westliche Einflüsse in der russischen Theologie"pp.212-231). Daaronder verstond Vader Florofsky om zich te ontdoen van de latijnse invloeden die hij had ondergaan te Kiev in het begin van de 18e eeuw, wanneer men hem onderrichtte in deze taal, en evenzeer in het duitse idealisme dat binnengedrongen was onder voorwendsel van een "Russische religieuze filosofie". Voor Florofsky, was dit laatste noch russisch noch orthodox ! Om te ontsnappen aan deze "pseudomorfose" (Voor een kritische benadering van dit concept kan men Dorothea Wendebourg consulteren, "Pseudomorphosis : een theologische beoordeling als een axioma voor onderzoek in de geschiedenis van de kerk en de Theologie", The Greek Orthodox Theological Review, 42,1997,321-342) – een uitdrukking die een kans inhoudt -, de theologie moest "terugkeren naar de Vaders", zonder hen te herhalen, en zich als taak voorhoudend te werken aan een "neo-patristieke synthese".

Welnu, 75 jaar later werd een ontmoeting gehouden van hetzelfde type, dit maal in Volos, halverwege tussen Athene en Thessalonika, maar ditmaal in een verschillend klimaat : voor verschillende tussenkomsten, voortkomend uit gans de orthodoxe oikoumenè – negen rapporteurs komende uit de Verenigde-Staten, zes uit Griekenland, twee uit Antiochië, uit Roemenië, uit Rusland, uit Engeland, één uit Georgië, en één uit Servië- het moment was gekomen om afstand te nemen van deze neo-patristische synthese die verhinderd zou hebben, zij het onvrijwillig, dat de orthodoxie zich zou meester maken van hedendaagse vraagstukken en bijdragen aan hun discussies.

Relevantie en limieten van de "neo-patristische" synthese

Het appèl van Florofsky had onbetwistbaar positieve effecten in de Kerken van de diaspora, evenals in hun moeder-Kerken. Doorheen de werken van verschillende auteurs deed het de invloed van de scholastiek en het piëtisme in Roemenië met Staniloäe achteruitgaan. Gesteund door de westerse patristische vernieuwing en de heropleving van de interesse voor de concilies, werd de als dusdanig georiënteerde orthodoxe theologie, een beluisterde stem in de oecumenische ontmoetingen en dit door de gedachten van de vaders aan te bieden op een ontologische en "existentiële" wijze.

In Volos gingen twee algemene uiteenzettingen over de contextuele dimensie van elke theologie vooraf aan de nauwkeurige analyse van wat Florofsky verstond onder " neo-patristieke synthese" ( Markus, Plested, Vambridge) en onder "christelijk hellenisme" (Vader Pavel Gavrilyuk, University St.Thomas, Minesota), voordat de verschillende sprekers slechts een genuanceerde evaluatie voorstelden. Alhoewel zij een goede verankering in de Traditie verzekerden, heeft deze synthese een buitensporige concentratie op de Vaders opgewekt, onvoldoende om de huidige wereld het hoofd te bieden. Hebben zij niet, zonder grote vragen te stellen, de autoritaire en patriarchale structuren van hun tijd aanvaard die bovendien religieus intolerant waren ? In deze context hebben zij nauwkeurig het lot van de Kerk verbonden met dit van het Rijk en hun anthropologie heeft de vrouwen vergeten. Door dit alles zijn vele dingen nog altijd achter gebleven in de orthodoxe wereld.

Meer nog, kan de theologie een zo grote normativiteit bijdragen aan de "consensus van de Vaders" wanneer de geschiedenis een zo grote heterogeniteit vertoont ? Hoe kan men Florofski volgen, voor wie het hellenisme een eeuwige categorie was van de christelijke existentie, terwijl de overgang van het Evangelie van de semitische naar de griekse wereld, door zijn succes zelf een precedent moest vormen om in andere culturen te vernieuwen, veeleer dan een niet te overschrijden aankomstpunt.

Situatieschets van de actuele orthodoxe theologie.

De vraagstellingen die voorafgingen bleven niet op het niveau van algemeenheden. Zij hebben alle uiteenzettingen doorgenomen die, discipline per discipline hebben gezocht om een situatieschets te geven van de actuele orthodoxe theologie. Wij zullen er hier slechts een vlug idee van geven. Volgens de deken van het instituut van theologie St. Vladimir (New-York) verzwakt het theologisch weten in haar ontplooiing de relevantie zelf van het onderzochte paradigma; volgens Tamara grdzelidze (COE), vergt de oecumenische ontmoeting ook een nieuw plaatsen in de context. Terwijl de theologie van de Vaders essentieel een commentaar op de Schrift is,constateren twee uiteenzettingen haar zwakke plaats in de actuele orthodoxe theologie door het feit van de overheersende rol van de patristieke exegese, die ver verwijderd is van de historisch-kritische methode en waarvan vele resultaten pastoraal niet meer kunnen ontkend worden.

Het neo-patristieke paradigma zou ook een theologisch anti-occidentalisme hebben versterkt en het zou waarde hebben, volgens Georges Demacopoulos (Fordham) om onderzocht te worden volgens de methode van de post-koloniale studies. Andere analyses zijn verbonden met een verdieping van de betrekkingen tussen wetenschap en geloof, dogmatiek en fundamentele theologie, traditie en hermeneutiek (Assad Elias Kattan, MÛnster) alsook de autoriteit van de vaders in de latere theologie (Vader André Louth, Durham). Twee Roemeense theologen hebben op kritische wijze, de ene de ethnotheologie van Vader Dumitru Staniloäe (Michail Neamtu), de andere de afwezigheid van een uitgewerkte sociale moraal ontleed (Radu Preda), een gebrek waaraan de Russische Kerk op dit moment iets probeert te doen (Russisch orthodoxe Kerk, de fundamenten van de sociale doctrine, Editions du Cerf, 2007).

De nieuwe generatie die zich in Volos uitte, toonde er haar levendige zorg voor een theologie die meer hermeneutisch en contextueel is. Men betreurde er dat er te weinig aandacht was voor de theologie van de bevrijding (Aristoti Papanikolaou, Fordham), voor de aanacht voor de armen ( Peter Bouteneff, Saint Vladimir, New York) en voor de vrouwen (Eleni Kasselouri, Volos). Evanals de katholieke theologie, zal de orthodoxe theologie een "theologie van de religies" moeten uitwerken (Emmanuel Clapsis, Institut de la Sainte-Croix, Boston) Zij beschikt eveneens niet over een waarachtige missiologie : voor het moment is geen enkele betekenisvolle inculturatie te onderscheiden in de orthodoxe missies (Athanasios Papathanasiou, Vrije universiteit van Griekenland).

Professor Pantelis Lalaïtzidis, directeur van de Academie van Volos en voornaamste organisator van deze ontmoeting, resumeert de geest door te affirmeren, in een weinig provocerende formule, dat de orthodoxe theologie voortaan een "post-patristische" theologie moet worden in de betekenis dat zij zich niet meer erop kan concentreren om "de voortzetting, het bijhouden of de herinterpretatie van deze van de Vaders" te zijn. Naar hun voorbeeld moet zij contextueler worden indien zij trouw wil blijven aan de huidige wereld, anders zou ze een soort van patristisch fundamentalisme kunnen worden.

Minder institutioneel dan de conferentie van Athene van 1936, had deze van Volos de zegen ontvangen van de oecumenische patriarch, Zijne Heiligheid Bartholomeüs Ie, vergezeld van een lange brief met aanmoedigingen; zij is verzekerd geworden van de actieve deelname van vijf bisschoppen, onder andere van de metropolieten Jean van Pergamon (Zizioulas) en Hilarion van Volokolamsk (patriarchaat van Moscou), waarvan de bijdrage werd gelezen in absentia. De tussenkomsten van alle grote orthodoxe Kerken ( met uitzondering van Bulgarije), hadden een gemeenschappelijke taal dank zij de vertrouwdheid van deze generatie met de hedendaagse cultuur : zij hebben reeds verschillende posities betrokken in vooraanstaande westerse universiteiten zoals Cambridge, Durham, Fordham, Notre Dame (verenigde Staten) of Münster en reeds in het dekanaat van hun faculteit (St.Vladimir en Belgrado).

Zal de conferentie van Volos dezelfde bijzondere betekenis hebben dan deze van 1936 ? Haar thematiek, dat kan men voorspellen, zal zich stoten aan de weerstand van conservatieve groepen, die vreemd staan tegenover de actuele wereld, daarbij hun eigen land inbegrepen. In een reflexie die noodzakelijk schijnt voor anderen, zullen zij een nieuw "complot tegen de orthodoxie" aan de kaak stellen die slechts een "de-hellinisering" van het christendom voor ogen heeft en de theologie van de Vaders verloochent. De nieuwe oriëntatie van de orthodoxe theologie zal niet afhangen van dergelijke slogans. Zij zal afhangen, enerzijds, van de rijkdom van de theologische uitwisselingen die reeds aan de gang zijn tussen de diaspora en de moeder Kerken, maar anderzijds en meer nog, van de aandacht die de theologen hebben voor de vragen van het orthodoxe volk dat geconfronteerd wordt met vragen die onbekend waren in vroegere generaties, dikwijls met kracht zoals dat het geval lijkt te zijn met Griekenland. Een belangrijke rol dat de bijeenkomst van Volos nog niet in staat is om in te schatten komt ook van een Russische theologie waarvan de heropleving steunt op een merkwaardige traditie (Hyacinthe Destivelle, Les sciences théologiques en Russie. Réforme et renouveau des sciences ecclésiastiques au début du 20e siècle, Editions du Cerf, 2010). En iets wat wij niet kunnen voorzien zal zich wellicht terugvinden in deze nieuwe generatie, zoals in die van het verleden, geniale scheppers, zoals de huidige metropoliet van Pergame, die zijn hoge eisen deelt met de deelnemers van een bijeenkomst aan wie het niet ontbreekt aan intellectuele ambities.

In Volos was de bezinning verantwoordelijk, gedurfd en auto-kritisch op een niet gecomplexeerde wijze : om zich als orthodox te identificeren . Men had er geen nood om zich voortaan te vergelijken met een westerling, min of meer goed begrepen ( een anti-occidentalisme onlangs redelijk verspreid in de griekse theologie (bv bij Romanides of Yannaras), ), werd bestudeerd door Pantelis Kalaïtzides in zijn thesis aan de universiteit van Thessalonika ; (Hellenisme en anti-occidentalisme dans la theologie grecque des années 1960,2008 (in het grieks).Alhoewel de dialoog tussen orthodoxen en katholieken bijna niet wordt opgeroepen, zal de toekomst deze gemeenschappelijke plaats welke orthodoxen en katholieken scheidt door hun onderlinge verschil van hun cultuur weerleggen. Overigens staan ze doctrinaal dicht bij elkaar. De voorwaarden, die heel complex zijn, die deze nieuwe generatie geeft om een theologie uit te werken die meer hermeneutisch is, verschilt niet zoveel van de katholieke theologie.. Het lijkt mij heel duidelijk dat wij deze uitdaging tesamen zullen moeten overwinnen, beter dan als gescheidenen. In mijn ogen is het een goede boodschap op zich; en waarschijnlijk ook een herstel voor de publieke opinie die dikwijls slechts in de toenadering van katholieken en orthodoxen een bondgenootschap ziet voor de verdediging van de moraliteit in het publieke domein.

Vertaling : Kris Biesbroeck

11:37 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

12-10-11

De 7 oecumenische concilies

De 7 oecumenische concilies

 

oecumenisch concilie van Nicea2.jpg

 Het concilie van Nicea

 

1 Het concilie van Nicea (325)

Dat Arius, priester van Alexandrië, veroordeelde en daardoor de Mensgeworden Zoon van God als wezensgelijk met de Vader definieerde. Ook hield men zich bezig met de materiële organisatie van de Kerk. De eerste vier patriarchaten werden vastgelegd : in volgorde : Rome, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem (Later zou ook Constantinopel patriarchaat worden).

2. Het concilie van Constantinopel  (431).

Dat de geloofsbelijdenis (Credo) vastlegde en waar Constntinopel als Nieuw Rome (het  werd de hoofdstad van het Romeinse rijk), de tweede ereplaats ontving na Rome en boven Alexandrië.

3. Het concilie van Efese (431).

Dat de ketterij van Nestorius veroordeelde en verklaarde dat er in Christus geen twee personen naast elkaar bestonden – God en een mens die Jezus heette – maar dat de godheid en de mensheid in één persoon verenigd waren, de persoon van het Woord, Zoon van God : daarom is Maria de moeder van Jezus, moeder van God (Theotokos)

4 Het concilie van Chalcedon (451).

Dat bij het aanvaarden van één persoon in Jezus Christus de monofysieten veroordeelde : deze laatsten wilden geen onbderscheid maken tussen de persoon (hypostasis) en de natuur (physis) : als Christus één persoon is, zo beweerden zij, dan kan hij geen  twee naturen hebben maar slechts één, de goddelijke. Het concilie hield staande dat er twee naturen in de ene persoon van het Woord zijn en dat deze twee naturen verenigd zijn ‘zonder in elkaar over te gaan, elkaar te wijzigen, te verdelen of te scheiden’.

5 Het concilie van Constantinopel. (553).

Keizer Justinianus wilde aan de monofysieten, die hij tot de Kerk wilde terugbrengen, bewijzen dat het concilie van Chalcedon niet in het nestorianisme vervallen was en daarom haalde hij dit nieuwe concilie over om drie theologen uit de vijfde eeuw te veroordelen, die verdacht waren van nestoriaanse neigingen.

6. Het concilie van Constantinopel (680)

Dat een afwijkende vorm van het monofysitisme, het monotheletisme , veroordeelde. Volgens het monothelitisme heeft Christus wel twee naturen maar slechts één wil : de goddelijke wil. Het concilie stelde daartegenover dat de mensheid in Jezus Christus geen abstracte werkelijkheid is, maar dat deze zich  uit in een vrije wil die vrij en in alles aan de goddelijke wil onderworpen is. Christus heeft dus twee willen.

7.Het concilie van Nicea (784.

Dat zich uitsprak over de rechtgelovige leer over de beelden (iconen) die Christus en de heiligen voorstellen. De Zoon van God is werelijk vlees en een echte mens geworden : Hij kan dus uitgebeeld worden, evenals de heiligen.  DEeze beelden moeten vereerd worden, want het werkelijke voorwerp van de verering is degene die ze voorstellen, maar zij kunnen niet het voorwerp worden van aanbidding omdat men deze alleen voor God  mag verrichten. De verering van de beelden werd bestreden door verschillende ‘iconoclastische’ byzantijnse keizers.

Latere schrijvers vergelijken de zeven concilies met de zeven zuilen van de Wijsheid of met de zeven gaven van de heilige Geest.

Het is niet omdat de Orthodoxe Kerk geen ander dan de zeven concilies als oecumenisch  beschouwd, dat haar leergezag zich beperkt tot een bepaald historisch tijdperk. De Orthodoxe Kerk verklaart zich trouw aan het geloof van de oude concilies – de gemeenschappelijke erfenis van het christelijke Oosten en Westen – en ze is zich bewust de Ene Kerk te zijn  waarvan deze concilies vroeger de uitdrukking waren.

 

Uit: De Orthodoxe Kerk – huistorische en specifieke aspecten – door Bisschop Athenagoras van Sinope.

 

 

 

 

 

 

10:34 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

05-10-11

De icoon en de liturgie

De icoon en de liturgie

 

De architecturale vormen van een tempel, de fresco’s, de iconen, de objecten van de cultus, zijn niet er enkel als een soort objecten van een museum , maar zoals de ledematen van een lichaam leven zij hun eigen mysterievol leven. Zij zijn geïntegreerd in het liturgische mysterie. Het is zelf essentieel en men kan een icoon nooit begrijpen buiten deze integratie. In de huizen van de gelovigen wordt de icoon geplaatst op een hoogte en belangrijk punt van de plaats: zij leidt het gezicht naar omhoog en naar het enig noodzakelijke. De biddende contemplatie doordringt om zo te zeggen de icoon en houdt op bij de levendige werkelijkheid die zij uitbeeldt. In haar liturgische traditie, symbiose van de betekenis en de aanwezigheid, heiligt zij de tijd en de plaatsen, van een neutrale plaats maakt ze een ‘huiskerk’, het leven van een gelovige, een biddend leven, een innerlijke altijddurende liturgie. Een bezoeker die binnenkomt buigt voor de icoon, be-mediteert de blik van God en groet daarna de heer des huizes. Men begint met God te loven, de eer aan de mensen komt nadien. De icoon is nooit een decoratie, de icoon centreert gans het huis op de uitstraling van het hiernamaals.

Op dezelfde wijze zullen allen die een orthodoxe kerk binnengaan getroffen worden door een heftige sensatie van onophoudelijk leven. Zelfs buiten de erediensten is alles in de afwachting van de heilige mysteriën, alles is bezield en gericht op Hem die komt om zich als voedsel te geven.

Tijdens een dienst, zullen de liturgische teksten gaan rond het gecelebreerde gebeuren en het becommentariëren. Het liturgisch mysterie stelt de icoon van het feest aanwezig en maakt het levendig. En vooreerst, de icoon doet in de liturgie zelf een iconografische functie, een toneelmatig uitbeelding zien van gans de economie van het heil.

Tijdens de cherubijnenzang : "Wij die op mystieke wijze verbeelden de cherubijnen en die zingen aan de levendmakende drie-eenheid", dan overstijgen wij het aardse en nemen we op een mysterievolle wijze deel aan de eeuwige liturgie gecelebreerd door Christus zelf in de hemel. De icoon van de synaxe toont ons de vergadering der engelen, met vele ogen en met vele vleugels. Op de icoon van de eeuwige liturgie, omringen zij de celebrant hogepriester Christus, opdat, "zoals ook het Evangelie van de glorie van Christus, de icoon van God, schittert in de ogen van de gelovige"(Dom J.Dirks, Les saintes icones, p44).

De gelovigen stellen op mysterievolle wijze de engelen voor, zij zijn levende iconen, "anglophanieën", menselijke plaats van de engelen, van aanbidding en gebed. Hic et nunc, is alles deelname, offerande, aanwezigheid en eucharistie : "Wij offeren u het uwe" en "wij prijzen u" In deze grandioze symfonie, zal elke gelovige zijn oudere metgezellen zien,patriarchen, apostelen, martelaren,heiligen, als werkelijk aanwezig zijnden, en het is met hen dat hij deelneemt aan het Mysterie; als mede liturg van de engelen zingt hij : " In uw heilige iconen, beschouwen wij de hemelse tabernakelen en wij juichen van een zeer zuivere vreugde…."

 

Paul evdokimov : L’art de l’icone : theologie de la beauté, p 151-152

Vertaling : Kris biesbroeck

16:56 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

12-07-11

Een spirituele blik hervinden op de mens en de schepping

Een spirituele blik hervinden op de mens en de schepping

Patriarch Bartholomeüs

 

De oecumenische patriarch Bartholomeüs Ie, waarvan de zetel is te Istanbul (het oude Constantinopel) heeft op 12 april laatstleden de franse vertaling voorgesteld van zijn boek getiteld “A la rencontre dy mystère. Comprendre le christianisme orthodoxe d’aujour’hui” dat gepubliceerd is bij Cerf. Bij deze gelegenheid heeft de patriarch een toespraak gehouden voor de vertegenwoordigers van de pers en de verantwoordelijken van de kerken – katholieken, protestanten , orthodoxen Wij reproduceren hierbij de bijzonderste passages van zijn toespraak.

“De intieme band welke bestaat tussen theologie en leven”

Het instituut Saint serge, gesticht in 1925, was de ziel van de theologische vernieuwing die schitterde vanuit Parijs. De “school van Parijs” heeft haar theologische reflexie ontwikkeld volgens een dubbel perspectief : enerzijds de religieuze filosofie, erfgenaam van de sophiologie van Vladimir Soloviev en geïllustreerd door twee buitengewone denkers, Nicolas Berdiaev en Vader Serge Boulgakov, en anderzijds de neo-patristische synthese geleid door Vader Georges Florofsky, Vladimir Lossky en anderen.

Het lijkt ons belangrijk dat de “school van Parijs” de intieme band welke er bestaat tussen theologie en het leven, de liturgische en spirituele ervaring van de kerkelijke gemeenschap  heeft weten te valoriseren – zoals wij het bescheiden doen in ons werk . In een laatste analyse, zelfs al gebruikt zij de wetenschappelijke bekwaamheid, is de theologie een gave en zij openbaart een charismatische ervaring door enkelen voor het geheel van de Kerk. God openbaart zich op de Sinaï als “Hij die is” (Ex.3,14), maar dat wat aan onze geest ontsnapt, kennen wij beter doorheen datgene wat Hij niet is. Zo is de theologie een vorm van goddelijke “onwetendheid”, zoals Gregrios Palamas het schreef in de 14e eeuw. Niet een onwetendheid in de zin van agnosticisme, maar een onwetendheid die steunt op de ervaring van het mysterie van de levende en levengevende God. Ziedaar waarom mijn werk als titel draagt “A la rencontre du mystère”. Zonder deze apophatische en proefondervindelijke benadering, zal de theologie  verworden tot een intellectuele speculatie zonder band met de Levende noch zelfs met het leven van de mensen. Dit principe, dat zo dikwijls werd verwaarloosd verklaart ons wellicht waarom de christelijke theologie op onze dagen zo weinig wegen voorhoudt voor de hedendaagse wereld.

In elk geval heeft de bescheiden “school van parijs” de ganse orthodoxie weten te inspireren in een dialoog die rijk en levend is met het christendom in zijn geheel genomen. Het onderricht van deze theologen was niet zuiver gericht op de orthodoxie; het kwam er voor hen vooral op aan te getuigen met het hart van hun geloof in de context van de moderniteit, opdat het Westen zich zou vertrouwd maken met dit geloof in Christus om er zekere karakteristieken van mee te dragen. Maar om dit te doen, moeten bruggen gebouwd worden opdat het Oosten en het Westen tot een dialoog zouden komen. Dit is een werk dat generaties duurt. Enig in deze betekenis is de bijdrage van de franse theoloog Olivier Clément, leerling van Vladimir Lossky en van Paul Evdokimov : wij zijn hem het ganse werk van een “leidsman” verschuldigd.

De historische roeping van het oecumenisch patriarchaat

Het oecumenisch patriarchaat, dat zich incarneert in het centrum van de totaliteit van de orthodoxe kerken overal ter wereld, is een institutie van 16 eeuwen oud, en heeft een supra-nationaal en supraregionaal karakter. Zijn spirituele verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van het christelijk geloof bij alle volkeren, van welk ras of taal zij ook mogen zijn, maakt dat het zijn activiteit uitstrekt doorheen gans de wereld tot in Amerika, het Verre Oosten en Australië. Na de pijnlijke scheuring tussen de kerken van  het eerste en het tweede Rome in 1054, is de oecumenische patriarch voortgegaan met zijn rol van garant voor de eenheid te vervullen, een rol die zijn voorgangers reeds vanaf de eerste eeuwen vervulden in het Oosten, door hun dienstbaarheid en solidariteit te geven aan de Oosterse Kerken. Gedurende de moeilijke periodes en tot de recente actualiteit, is de oecumenisch patriarch geregeld geconsulteerd om problemen op te lossen die zich voordeden tussen de Kerken. De materiële zwakheid van onze Kerk in haar actuele historische conditie is volgens ons geen obstakel voor de realisatie van haar missie, wel integendeel; want “de kracht van God ontplooit zich in de zwakheid”

Eén van de essentiële taken van het oecumenisch patriarchaat is te waken  op de communio van de orthodoxe autocephale kerken. Zijn primaatschap is juist in dienst van de kerkelijke communio, wat een verantwoordelijkheid impliceert en een voorrecht in de initiatieven ten dienste van de panorthodoxe eenheid. Dit levendig sentiment van verantwoordelijkheid en van leadership voor de andere volkeren en voor God verklaart de onvermoeibare inzet van het patriarchaat om de orthodoxe eenheid te versterken op wereldvlak, een inspanning die moeilijk blijkt te zijn omwille van de nationale spanningen en de politieke verdeeldheden.

De verschillende vormen van dialoog

Vanaf het begin van de 20e eeuw, is het oecumenisch patriarchaat volledig bertrokken bij de oecumenische beweging en is er een dynamische leider van geweest. In januari 1920, sprak een encyckliek van de patriarch van Constantinopel over de noodzaak om een liga van Kerken op te richten. Dit laatste resulteerde in 1948 onder de vorm van de oecumenische Raad van Kerken : deze laatste vertegenwoordigde voor de orthodoxie geen universele Kerk in de canonische term van het woord, maar een plaats van delen van christenen onderling die bedroefd waren omwille van  hun scheidingen. Het oecumensich patriarchaat neemt tegelijk ook deel aan locale oecumenische entiteiten, en zit wederzijdse theologische dialogen voor die geleid worden met de verschillende niet-orthodoxe christenen en zelfs met andere monotheïstische religies.

De meest geslaagde dialogen en de meest vruchtbare die tot op vandaag geleid werden door het Patriarchaat waren deze met de oosterse orthodoxe Kerken, die geleid hebben tot de gemeenschappelijke Verklaring van 1989, en deze geëngageerd sedert meer dan veertig jaar met de rooms katholieke Kerk. Deze officiële dialoog tussen onze Kerken gaat onvermijdelijk over moeilijkheden, het vraagt een groot geduld en nederigheid, maar wij denken dat deze vooruitgang onomkeerbaar is in de betekenis van de komende éénheid, wanneer de Heer het toestaat.

In elk geval, ondanks de telkens terugkerende beschuldigingen die het moet dragen, de waarheid van het evangelie te verloochenen, heeft het oecumensich patriarchaat nooit zijn engagement beperkt in de dialoog onder alleen maar christelijke belijdenissen, ervan overtuigt van zijn bredere rol in de wereld en zijn universele verantwoordelijkheid.  Zich bevindend op het kruispunt van de continenten, van beschavingen en gemeenschappen van geloof, heeft het oecumenisch patriarchaat het altijd als haar verantwoordelijkheid gezien om een brugfunctie te vervullen tussen christenen, moslims en joden. Sedert 1994 hebben wij verschillende Multi-religieuze dialogen geleid die verdiepende discussies toestonden tussen de christelijke gemeenschap, de joodse en de muzelmaanse, en dit over themata zoals de religieuze vrijheid, de verdraagzaamheid en de vrede. Wij moeten immers absoluut een confrontatie tussen de religies vermijden, en God kan nooit een voorwendsel zijn voor geweld en de dood tegenover andere personen of naties.

De coëxistentie in de verscheidenheid van  culturen en de religies.

Tijdens de conferentie die door onze zorgen werd georganiseerd te Brussel in 2001 over de vreedzame coëxistentie tussen het jodendom, het christianisme en de Islam als gevolg van de aanslag van 11 september, verwierp in de eindverklaring “ de hypothese dat de religie bijdraagt aan de cultuurshock”, en trok de aandacht op de rol van het geloof om bij te dragen aan een constructieve en instructieve dialoog tussen de beschavingen”

Deze ontmoetingen hebben onze ogen geopend voor de diversiteit van culturen en religies alsook voor de complexiteit van de mondiale realiteit. De wereldevolutie karakteriseert voortaan een verregaande secularisatie en een pluralisme. Geen enkel van onze landen kan zich niet meer voorstellen als mono-etnisch, unireligieus of monocultureel. In Frankrijk telt de islam niet minder dan vijf miljoen gelovigen, hetzij 8% van de bevolking. Veeleer dan dit te zien als een bedreiging of als een probleem, moet deze sociale realiteit gezien worden als een uitdaging waarop wij kunnen antwoorden vanuit een wederzijds respect, dialoog en broederlijke ontmoetingen.

Geloof en vrijheid, bewustzijn en rechten van de mens.

De vraag naar de vrijheid en de rechten van de mens, zo centraal voor onze moderne en geseculariseerde wereld, lijkt ons belangrijk om ons voor de geest te halen, want zijn ontvangt specifieke antwoorden van de kant van de orthodoxe traditie. In de eerste plaats, voor de moderne wereld is vrijheid synoniem van keuze. Welnu, de waarachtige vrijheid is een gave van hierboven en wordt slechts verworven doorheen een spirituele strijd. Elke persoon bevat een goddelijke vonk van vrijheid en hij is “gelast” om een kind van de enige en authentieke God te worden.

De vrijheid, in de volle zin van het woord, wordt niet verworven in een individueel of communautair egoïsme, maar in de erkenning – dikwijls moeilijk – van de ander. In de hedendaagse steden en de  geseculariseerde stedelijke milieus heeft het leven het isolement van de mensen aangemoedigd en de verdachtmaking jegens de vreemdelingen vermeerderd, met name met de recente achteruitgang van de economische situatie en de crisis in de werkgelegenheid. Nochtans hangt onze bestemming van de wereld en van de komende eeuw af van de wijze waarop wij de anderen behandelen. Op het oecumenisch patriarchaat heeft men geen schrik van de vreemdelingen,wij hebben hen lief. Wij hebben de woorden van de apostel tot de onze gemaakt “ vergeet niet zorg te dragen voor de vreemdelingen” (Hebr.13,2), het is onze dagelijkse praktijk gedurende eeuwen. Wij leggen er de nadruk op dat alle mensen gelijk zijn, zowel voor de wet van God als voor de burgerlijke wet.

Wanneer wij in de wereld van vandaag zoveel wreedheid zien die nog altijd verder worden bedreven tegen personen en volkeren, zonder dat wij reageren, dan vragen wij ons af hoe wij kunnen voorwenden dat wij vrij zijn ? Wij zijn ervan overtuigd dat de geloofsgemeenschappen waarlijk de wereld moeten wakker maken van de bevangenheid en de onverschilligheid. Want “de rechten van de mens zijn niet enkel een uitvinding van de Verlichten : zij horen toe  aan de essentie zelf van het christelijk geloof en van elke religie die van nature de vrijheid en de religieuze tolerantie belooft. Wanneer wij als gelovigen mislukken wanneer het gaat over intolerantie en de marteling, dan zijn wij noch religieus, noch menselijk. En zijn wij niet vrij. En wanneer wij  als gelovig volk de marteling van andere volkeren ontkennen, dan weigeren wij per slot van rekening ons te herkennen in de anderen. Het geloof en de tolerantie delen dezelfde taal. Haar alfabet is de vrijheid. Iedere menselijke persoon is geschapen op een unieke wijze naar het beeld van God en vormt een mysterie die wij moeten respecteren.

Engagement ten gunste van het milieu

De laatste tientallen jaren is de evolutie van onze wereld gemarkeerd door wat wij zouden noemen : een ecologisch ramp. De laatste grote gebeurtenis is de nucleaire catastrofe van Fukushima in Japan, en dit als gevolg van een hevige aardbeving. Algemeen gesproken zijn de specialisten van het milieu eenstemmig om te onderlijnen dat de verandering van het klimaat die zij zien gebeuren op wereldvlak en die kan uitgelegd worden door de uitstoot van gas door de menselijke activiteit, het ecosysteem kan verstoren en vernietigen. Welnu, dit kan niet alleen het menselijk ras vernietigen, maar ook de wereld van de dieren en planten die van elkaar afhankelijk zijn. Het zijn de keuzes en de daden van de moderne mens die geleid hebben tot deze tragische situatie, en die op zich een spiritueel en moreel probleem vormen. De apostel Paulus, goddelijk geïnspireerd, heeft negentien eeuwen geleden dit probleem beschreven in zijn brief aan de Romeinen, door er de ontologische dimensie van te onderlijnen :” De schepping is onderworpen aan de vruchteloosheid, - niet vrijwillig maar omwille van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft…Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is” (Rom.8,20,22).

Dank zij de wetenschappelijke ontmoetingen, die het heeft georganiseerd en waaraan vertegenwoordigers van verschillende christelijke Kerken en religies van de wereld hebben deelgenomen alsook specialisten van verschillende universitaire disciplines, heeft het oecumenisch patriarchaat zich ingezet om een klimaat van stabiliteit en vernieuwende samenwerking tot stand te brengen tussen de religieuze wereld en de wetenschap, zich funderend op het fundamentele principe  volgens dewelke – om het objectief te bereiken en de natuurlijke omgeving te behouden – de twee partijen moeten samenwerken in wederzijds respect. Deze samenwerking tussen wetenschap en religie is erop gericht bij te dragen aan de ontwikkeling van een ethiek van de leefomgeving : dit heeft tot doel, volgens ons, aan te tonen dat het gebruik van de wereld en het genot van de materiële goederen eucharistisch moet zijn, zich moet laten vergezellen door een lofprijzing aan de Schepper. Omgekeerd vormen een slecht gebruik van de leefomgeving en de deelname ervan zonder verwijzing naar God een zonde, niet alleen tegenover de Schepper maar ook tegenover de schepping.

Deze waarachtige zonde ten overstaan van de leefomgeving vindt haar oorzaak in ons egoïsme en in de valse waarden die wij hebben ontvangen zonder enige kritiek. Wij hebben er nood aan om onze relatie met de wereld en met God opnieuw te overdenken. Zonder deze metanoïa, zonder deze “ommekeer van hart” zijn alle maatregelen voor het behoud van de schepping, welke ook onze goede bedoelingen zijn ondoeltreffend, want wij buigen ons alleen over de symptomen en niet over de oorzaken van de situatie.

Wij worden uitgenodigd om tot ons op te nemen datgene wat de paas hymnografie “een andere wijze van leven” noemt. Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding tegenover de natuurlijke schepping. Wij weigeren om het Woord van God te zien in de oceanen van onze planeet, in de bomen van onze continenten, en in de dieren die de aarde bevolken. Wij verloochenen onze eigen natuur die ons oproept om het Woord van God in de schepping te onderscheiden, indien wij “deelnemers aan de goddelijke natuur” (2 Petr.1,4) willen worden. Hoe kunnen wij  de kosmische  draagwijdte ontkennen dat het goddelijk Woord is vlees geworden ?  Waarom nemen wij de geschapen natuur niet waar als een uitbreiding zelf van het lichaam van Christus ?

“De kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie”

De oosterse theologen hebben altijd terecht de kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie onderlijnd De Heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op de tegenwoordigheid van het Woord van God in alle dingen (cf. Coll.3,11). De goddelijke logos blijft het centrum van de wereld op mysterieuze wijze het eerste principe en haar laatste doel openbarend  (cf.Petrus 1,20). Het is daarom dat de orthodoxe christenen op de zondag van Pasen, wanneer de celebratie van Pasen zijn hoogtepunt bereikt zingen :”Nu is alles vervuld met goddelijk licht : de hemel en de aarde en alle dingen op aarde. Dat gans de schepping zich verheuge !” Wanneer de Kerk de eigen kosmische dimensies van het Woord van God niet herkent, door zich te houden aan de zuiver “spirituele” vraagstukken, zonder band met de realiteit van de wereld, dan verwaarloost zij haar zending die erin bestaat om God te smeken om de ganse verontreinigde kosmos te transformeren.

Iedereen onder ons is geroepen om een spirituele blik op de schepping te hervinden, in de betekenis van wat de ascetische traditie van het oosters christendom noemt “de beschouwing van de natuur”. Dit philokalisch ethos, dat in staat  is om de schoonheid van de werken van God te onderscheiden, zou het gemeenschappelijk goed moeten worden van alle christenen. Deze bezorgdheid wordt elders uitgedrukt bij vele artiesten. Wij denken aan dit vers van Paul Claudel, in zijn gedicht De zwarte vogel in de opgaande zon : “ Het is slechts een gezuiverde ziel die de geur van de roos zal begrijpen” Elk ding celebreren in zijn evidentie en zijn geheim : dat is onze verantwoordelijkheid als christenen.

Ondanks onze onrust zijn wij optimistisch en vertrouwend in de schat van goedheid dat het menselijk zijn , geschapen naar het beeld van God om op Hem te gelijken(Gen.1,26) verborgen houdt. Zoals wij het hebben uitgedrukt in Venetië in 2002 met de betreurde Johannes Paulus II : “Het is niet te laat. De wereld die door God geschapen is bezit ongelooflijke krachten tot genezing. Wij zouden in één generatie de aarde kunnen leiden naar een toekomst voor onze kinderen. Laat ons ervoor zorgen dat deze generatie nu begint, met de hulp en de zegen van God !” Maar het past dat wij handelen op alle niveau’s : de Kerken, de diocesen, de parochies, de verenigingen en de personen indien wij een verantwoordelijke liefde hebben voor onze kinderen en voor de komende generaties.

Uit : SOP 358 – mei 2011 pp.23-27

Vertaling : Kris Biesbroeck

09:03 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

11-05-11

De parochie

        De parochie                        

 

De Parochie is de oudste institutie van de Kerk. Zij heeft beproevingen doorstaan en weerstand geboden voor het welzijn van de christenen, gedurende gans haar bestaansgeschiedenis. De parochie is geen 'deeltje' van de Kerk. Zij IS de kerk. Want  niets ontbreekt aan de parochie opdat zij een Kerk zou zijn. De parochie is onze kerkelijke gemeenschap in een bepaald gebied.  Overal waar het volk van God, het priesterschap en het heilig Altaar is, daar is de Kerk. Welnu, de Kerk bevat deze drie elementen : het zijn de christenen met hun priester, die in naam van de bisschop de Goddelijke Liturgie celebreren.  Onze parochie is onze Kerk. Ieder christen, als lid van zijn parochie, behoort toe aan de Kerk. Iedereen in zijn parochie is verenigd met de Kerk en blijft ermee in contact. Het in zijn eigen kerk dat elke gelovige is gedoopt. In het doopregister van die kerk is zijn naam ingeschreven, op dezelfde wijze als hij ingeschreven is in de registers van zijn geboorteplaats, om zijn rechten als burger te kunnen uitoefenen.  Door zijn doopsel ontvangt de gedoopte ook nog een ander burgerschap : dit van het koninkrijk der hemelen. In diezelfde parochieregisters zal men ook de namen schrijven van alle kinderen die later zullen geboren worden, de dag van hu doopsel, het huwelijk en hun begrafenis. Dit inschrijven in de registers van de parochie is een heilige daad, want de registers zijn in zekere zin kopieën van de boeken van God zelf. Iedereen kan zo de band herkennen die zijn parochie verbindt met de Kerk waaruit ze is ontstaan. Wij zijn allen broeders, want wij hebben een nieuwe geboorte gekend door het doopsel dat wij ontvingen uit dezelfde doopvont . Wij zijn allen één lichaam, want wij ontvangen allen dezelfde communie aan dezelfde kelk die ons verenigt met Christus en met elkaar. Wij zijn allen parochianen van een kleine gemeenschap van christenen in de schoot van een grotere gemeenschap, die de Kerk is. Juist daarom moet men niet breken met de parochie om welke reden dan ook. Vooreerst, wat betreft  onze kerkelijke praktijk : de kerk is ons sacraal verblijf, het is de cultusplaats in de parochie. Het is waar, dat de cultus die er gecelebreerd wordt er is voor alle christenen, maar vooral wordt ze gecelebreerd voor allen die deel uitmaken van deze parochie (zoals wij het in de loop van onze diensten zeggen) : de voorgangers, het koor, zij die bidden en zij die dienen. Voor hen die goed doen en de weldoeners van de parochie waarin ze dagelijks leven. Het is een zeer slechte gewoonte, en zelfs een zonde om zijn parochie om verschillende redenen te verlaten en om de Goddelijke Liturgie ergens anders te gaan meevieren. Dit geldt ook voor het doopsel, het huwelijk, de collieven enz... Buiten het feit, dat dit kan gezien worden als een soort misprijzen ten overstaan van de heilige waaraan de kerk is toegewijd, en die de beschermer en behoeder is van de ganse parochiale infrastructuur. Het is ook een tekort aan  medevoelen en zelfs van een zekere onverschilligheid voor alles wat er in de parochie wordt gedaan en leeft. Wij moeten aandacht hebben voor de noden van de parochie. Niet alleen alles in de steek laten en elders gaan, maar we moeten  haar ook datgene schenken wat in onze mogelijkheden ligt voor haar voorspoed en dus voor het welzijn van allen. De parochie is onze eigen tuin, en men laat zijn eigen tuin niet in de steek om ergens anders de bloemen te gaan besproeien !. Men zegt terecht dat wij de parochie kunnen definiëren als de kleine cel van de grote Kerk. Indien wij in de Kerk geloven, indien wij haar welzijn voor ogen hebben, dan moeten wij beginnen met al onze aandacht te richten op onze eigen parochie.

Uit Exapla - Uitg. Tertios - Katerini - Griekenland

Vertaling : Kris Biesbroeck

          

14:25 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

28-04-11

Paasboodschap van Patriarch Bartholomeüs

+ B A R T H O L O M E O S

DOOR DE GENADE GODS AARTSBISSCHOP VAN KONSTANTINOPEL, HET NIEUWE ROME, EN OECUMENISCH PATRIARCH,
AAN ALLE GELOVIGEN VAN DE KERK: GENADE, VREDE EN BARMHARTIGHEID ZIJ U, VAN CHRISTUS DE HEILAND, DIE IN HEERLIJKHEID IS OPGESTAAN.

 

 

PatriarchBartholomeusI.jpg

 

Geliefde broeders en zusters, dierbare kinderen in de Heer,

Met vreugde en vrede richten wij opnieuw  tot u de vreugdevolle en hoopvolle groet: «Christus is verrezen»!

De omstandigheden en de gebeurtenissen van onze huidige tijd lijken deze vreugdevolle groet niet te rechtvaardigen. De natuurrampen die plaats hebben gevonden met de aardbevingen, de tsunami en de dreiging van mogelijke ontploffing van kerncentrales, maar ook het oorlogsgeweld en terroristische aanslagen met zijn vele slachtoffers, laten zien dat onze wereld zwaar gewond is en in doodsnood onder de druk van natuurlijke en geestelijke krachten.

Toch is de opstanding van Christus een werkelijk feit en verleent aan de gelovige Christenen zekerheid en aan alle mensen de mogelijkheid om de ongunstige gevolgen te boven te komen van natuurrampen en geestelijke ontsporingen.

De natuur komt in opstand wanneer het hoogmoedig trotse menselijke verstand de ongekend grote krachten tracht te temmen, die de Schepper heeft gelegd in de schijnbaar onomvangrijke en trage elementen. Wanneer we vanuit een geestelijke oogpunt de ongunstige natuurverschijnselen bezien die de laatste tijd onze planeet herhaaldelijk treffen, zouden we op de gedachte kunnen komen dat dit alles niet los staat van de geestelijke ontsporing van de mens. De tekenen van de ontsporing, zoals de hebzucht, de onverzadigbare geldzucht, gecombineerd met de onverschilligheid tegenover de armoede van velen die veroorzaakt wordt door de overmatige zelfverrijking van enkelen, lijken voor de natuurwetenschappers geen verband te hebben met de natuurrampen.

Maar toch, voor de onderzoeker die het geestelijk bekijkt, verstoort de zonde niet alleen de harmonie van de geestelijke verhoudingen, maar ook die van de natuurlijke orde.

Er bestaat een mystiek verband tussen het ethische kwaad en het natuurlijke kwaad en als wij van het tweede verlost willen worden, moeten wij in ieder geval aan het eerste verzaken. Onze opgestane Heer Jezus Christus, de nieuwe mens en God, is het voorbeeld van de weldoende invloed van het heilige op de natuur. Hij heeft de natuurlijke en geestelijke ziekten genezen, en weldoend en de mensen helend ging Hij rond, en tegelijkertijd bracht Hij het door de storm in beroering gebrachte meer tot kalmte en vermenigvuldigde Hij de vijf broden zodat vijfduizend man verzadigd werden. Zo combineerde Hij het herstel van de geestelijke en natuurlijke harmonie. Wanneer wij een gunstige invloed willen uitoefenen op de huidige ongunstige omstandigheden van de natuur en van de politiek, is er geen andere weg dan die van get geloof in de opgestane Christus en het onderhouden van Zijn, voor ons mensen heilzame, geboden.

Christus is opgestaan en heeft de volmaakte zeden van de mens medeverheven die deze zeden verdorven had, toen Hij de eerstgeborene werd en de wegbereider bij de hergeboorte van de wereld, van de mensen en de natuur. De boodschap van de opstanding is niet zonder wezenlijke invloed op de kwaliteit van het menselijk leven en de gelijkmatige werking van de natuur. Hoe voller en dieper wij de opstanding van Christus zullen beleven in het diepst van ons hart, des te weldadiger zal de invloed zijn van ons bestaan op heel de mensheid en de wereld van de natuur. De natuurwetenschappers hebben misschien het verband nog niet opgemerkt tussen het herboren worden van de mens en van de natuur, maar de ervaring van de heiligen – moge die ook onze ervaring zijn – verzekert ons dat het bewezen is, dat de mens die wezenlijk in Christus herboren is, de door de zonde verstoorde harmonie van de natuurlijke verschijnselen herstelt. Degene die in Christus heilig is, verplaatst bergen ten goede –en de slechte tegen God gerichte mens doet de grond verschuiven en onmetelijke golven zich hoog verheffen ten kwade.

Mogen wij naderen tot de heiligheid van de opgestane Christus, opdat door Zijn genade de natuurlijke en geestelijke golven die onze huidige wereld treffen tot kalmte worden gebracht.

De genade van onze opgestane Heer Jezus Christus zij met u allen, geliefde kinderen in de Heer. Amen.

Heilig Pascha 2011

Bartholomeos, Aartsbisschop van Konstantinopel,
vurige voorspreker voor u allen bij de opgestane Christus

17:10 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit | Tags: voer sleutelwoorden in |  Facebook |

13-04-11

Oud testamentische drie-eenheid

OUD TESTAMENTISCHE TRINITEIT

Van Andreï Roeblov – ca.1412

Tretjakov-Galerij  -  Moscou

 

 

 

drie-eenheid 793.jpg

 

Deze wereldberoemde icoon was bestemd voor de iconenwand in het door de Heilige Sergius van radonesj gestichte klooster te Zagorsk (ongeveer70 km. Van Moscou verwijderd). De voor de icoon benutte gegevens berusten op de allegorische verklaring van het zeer bekende hoofdstuk 18 uit het boek Genesis. Daar wordt verhaald, dat aan Abraham drie engelen verschenen en door hem gastvrij werden ontvangen onder de eik van Mamre. Links zou God e Vader herkennen, in het midden Christus en rechts de Heilige Geest (maar dit is slechts een hypothese !) De volstrekte gelijkheid tussen de goddelijke personen is nimmer zo verheven uitgebeeld. Hoogste spirituele expressie, ritmische bewogenheid, glans der tinten geven aan het geheel een weergaloze schoonheid.Het is de opgave van de schilder om zijn beeld zo te schilderen dat hij deze goddelijke werkelijkheid zichtbaar maakt. Dan komt het bij de meditatie en de verering van die icoon tot een echte ontmoeting met God.

Dat was het opzet van Andreï Roeblov : zijn Godsontmoeting meedelen opdat ook wij die zouden ervaren. Hij bediende zich bij dit ‘spreken zonder woorden’ van kleuren, vormen en symbolen, waarmee zijn kunstvolle hand zo eenmalig trefzeker kon omgaan. Luisteren wij nu bij dit ‘spreken zonder woorden’ naar de taal van het schilderij, om zo de diepte en de zin van zijn boodschap in ons op te nemen.

We kijken even naar de opbouw van de icoon : een rechthoek, waarin een cirkel, en in het midden een driehoek. Rechthoek en driehoek samen zijn het fundament van de icoon. De plaats van de engel in het midden is door de loodrechte middenas vastgelegd. De twee diagonalen bepalen de plaats van de twee andere engelen.Hun hoofden komen niet buiten de diagonalen. De cirkel is het symbool van de goddelijke volmaaktheid, omdat er in God begin noch einde is. Eigenlijk is de cirkel zo bepalend voor het beeld van de drie personen dat alles war er buiten staat gerust weg zou mogen vallen, zonder afbreuk te doen aan de waarde van de icoon. In het midden zien we een gelijkzijdige driehoek. Reeds in de vroegchristelijke kunst gold de driehoek als symbool van de drie-eenheid Gods. De bovenste rand van de tafel is de grondlijn aan wiens uiteinde de beide andere engelen zitten. De driehoek heeft zijn hoogste punt in het hoofd van de middelste engel en valt over zijn rechterschouder in de handen van de engel links. Over zijn linkerschouder echter loopt een  lijn in de richting van de rechterhand van de engel die rechts zit. Rechthoek en driehoek geven de icoon een doorzichtige samenstelling, geborgenheid en eenheid. Toch doet de icoon helemaal niet stroef of gekunsteld aan. Het hoofd van de engel in het midden buigt over de middellijn naar links, terwijl de kelk op tafel iets naar rechts verschoven is. Het schijnbaar verstoorde evenwicht is daarmee weer hersteld.

De neiging naar links van het hoofd van de engel in het midden wordt nog versterkt door de naar links overhellende boom achter hem. Een gelijkaardige neiging naar links vertoont ook de engel rechts. De richting van de berg boven de engel rechts – niet alle reproducties laten deze berg voldoende tot zijn recht komen – deze richting verduidelijkt de beweging van zijn hoofd nog eens en onderstreept die beweging. Door deze neiging naar links van de hoofden is Roeblov erin geslaagd een levendige en gesloten gemeenschap tussen de drie personen van zijn icoon op te roepen. De drie engelen vormen een eenheid die het resultaat is van een beweging van de twee engelen rechts naar de engel links toe. Deze engel links heeft een  rechte houding. De beweging van de twee anderen maakt duidelijk dat hij deze neiging naar hen toe aanvaardt.

We konden duidelijk zien dat er een beweging naar links te erkennen is. Men kan zich afvragen of er ook van links naar rechts een beweging te ontdekken valt. Dan zou zich de kring sluiten. Het feit dat de pelgrimsstokken van links naar rechts steeds sterker overhellen schijnt op die beweging te wijzen. Bij aandachtig toezien kan men inderdaad een beweging naar rechts erkennen. De uitgestrekte, zegenende vingers van de engelen links en in het midden, duiden op een beweging, die vanuit de schoot van de engel links over zijn rechterhand van de engel in het midden gaat. Deze beweging naar rechts loopt verder door naar de rechterhand van de engel rechts. Hier vloeit ze dan spontaan over via de linkerarm van de rechtse engel in de reeds beschreven lijn van de hoofden naar links, die ook de berg en de boom in dezelfde beweging opneemt en vormt zo een volledige kringloop.Midden in deze kringloop staat een kelk op tafel. De ruimte die vrijblijft tussen de knieën van de engelen, die aan beide uiteinden van de tafel zitten, duidt nog eens de vorm van een kelk aan. Nu weliswaar in een vereenvoudigde vorm. De vorm van de kelk vinden we dan nog een keer terug in het gedeelte helemaal onder, in de ruimte die vrij blijft tussen de twee voetbanken van de twee uiterste engelen. Van zo groot belang was voor Roeblov deze enen kelk dat wij zijn vorm verschillende keren op de icoon terugvinden. De kelk zelf, de tafel waarop hij staat, de ruimte tussen de voetbankjes, en tenslotte in zijn grootste vorm getekend door de lijnen van de twee uiterste engelen vormen, te beginnen bij hun voeten en doorlopend tot aan hun schouders. Als wij deze laatste vorm van de kelk nauwkeurig bekijken, lijkt de engel in het midden er bijna helemaal in te verdwijnen. Voor Roeblovs tijdgenoten was de betekenis van deze meervoudige symbolen duidelijk. Ze willen niet alleen verwijzen naar het gastmaal bij Abraham, maar ook op het unieke offer van Jezus op Calvarië, dat wij bij iedere Liturgie gedenken en ontvangen.De opening aan de voorkant van de tafel onderstreept dit nog eens uitdrukkelijk. Alle stenen altaren in de byzantijnse kerken hebben een dergelijke opening die relieken bevatten opdat ieder bij de viering aandachtig zou zijn : we voelen ons verbonden met de martelaren van heel de Kerk.

Concentreren wij ons nu op de kleuren van de icoon.

In verschillende schakeringen verdeelt zich de blauwe kleur over de drie engelen. Blauw is de kleur van de godheid en de hemelse waarheid. Zacht, bijna in een zilveren kleur, komt het blauw van onder de vleugels der engelen te voorschijn. De grootste oppervlakte van dit blauw  zien wij bij de engel in het midden. En het is een krachtig blauw. De vele plooien van zijn gewaar laten een rijke nuancering toe van het blauw in licht en donker. Bij de beide andere engelen is blauw de kleur van het onderkleed. Alleen een klein smal streepje blauw zien we bij de engel links. Maar een rijker blauw en een groter gedeelte zien we bij de engel rechts. Alle nuanceringen van het blauw duiden waarschijnlijk de ons geopenbaarde kennis aan die wij bezitten over de hemelse waarheid en godheid, van de drie goddelijke personen. Het hoogtepunt van de kleurencompositie is zeker het donkerrood op het onderkleed van de engel in het midden. De oranjeachtige streep op de rechterschouder die dit rood onderbreekt, laat deze kleur nog feller uitkomen.

Wat is daar nu de betekenis van ?

De jeugdige gelaatstrekken van de engelen, waarvan niemand ouder of jonger genoemd kan worden, tonen dat er in de goddelijke Drie-eenheid geen vroeger of later , geen gisteren of morgen, maar alleen het tijdloze NU van de drie goddelijke Personen bestaan. De jeugdige gestalten verenigen in zich de kracht en de bevalligheid van de beide geslachten, want bij God is er geen onderscheid tussen man en vrouw; in Hem die als de ene drievuldig is, wordt de verscheidenheid niet opgeheven maar ver-eend en vervuld.Iedere persoon die door de Russische monnik wordt geschilderd is altijd op een ander betrokken. Roeblov die zelf in een broederlijke gemeenschap leefde, weet dat leerling-zijn niets anders betekent dan een in Jezus afgestorven leven te leiden, arm te worden aan zijn eigen ‘ik’, om rijk te worden naar de inwendige mens. De geestelijke vrucht wordt alleen geboren uit offerbereidheid en overgave van zichzelf. Roeblov legt in al zijn iconen de kracht tot deemoed, zoals hij die zelf wel ontvangen heeft van Jezus, door wie hij zich geroepen wist.Wat is nu de geestelijke inhoud, de spiritualiteit en de theologie van Roeblovs Drievuldigheidsicoon ? Toen Abraham in het dal van Mamre op het middaguur voor zijn tent zat, ontving hij in de personen van de drie mannen het bezoek van God zelf. ‘Filoxenia’ –dit wil zeggen gastvrijheid – noemt de orthodoxe kerk deze icoon. Gastvrijheid betekent voor een Oosterling echter méér dan aan een vreemde voedsel en een dak boven zijn hoofd geven. Gastvrijheid betekent ook tafelgemeenschap (communio): vandaag een eigen, bijzonder innige vorm van vriendschap. Met de voorstelling van dit éénmalig bezoek van God aan Abraham is Roeblovs icoon echter geenszins verklaard. In de drie bezoekers ziet en schildert de Russische meester de Heilige Drie-eenheid. Daarom de bijzondere cirkel en de vorm van een driehoek., een verwijzing naar Gods eeuwigheid en Gods Drie-persoon-zijn. De aureolen die de hoofden van de engelen omstralen schijnen als drie zonnen in de helderste kleuren van de icoon. De Oosterse Kerk omschrijft dit zo : ze zijn  immers in drie personen het ene licht van drie zonnen. De bezoekers zitten rond de tafel waarop één beker staat : de éne , voor allen gemeenschappelijke spijs en drank. Ook het goud van hun vleugels en het blauw dat ze in hun kleding en onder hun vleugels dragen wijst op één godheid, die alles gemeenschappelijk heeft. Alle drie hebben ze dezelfde pelgrimsstok die erop wijst dat God geen egpïstische of in zich berustende God is, maar de ene God die op tocht gegaan is naar zijn schepping toe. Twee grote gespreksthema’s vullen de ruimte. Twee thema’s die nauw met elkaar verbonden zijn. Daarom is het bijeenzijn van de drie nu van zo grote betekenis. Ze hebben een belangrijke beslissing te treffen en ze willen dat doen in een goddelijke eensgezindheid. Roeblov zelf wilde dat men zijn icoon verstond als het besluit van de Heilige Drie-eenheid tot de menswording van de Zoon. En daarmee komt er een volledig nieuwe trek in de afbeelding van de Drie-eenheid. We staan daarmee aan de oorsprong van het denken over God. Want zolang God is heeft Hij zich tot de wereld uitgesproken . Ook als de wereld zich ven Hem afkeert, houdt Hij er van. Daarom moet deze beslissing van de Heilige Drie-eenheid genomen worden. Het worstelen om het ‘ja’ van de Vader is nog niet afgesloten. Het definitieve Ja tot deze opdracht is nog in wording. Met dit ‘ja’ van de Zoon, wil de Vader de wereld verlossen. Dit is het eerste gespreksthema van de Drie. De verlossing en bevrijding van de wereld uit alle demonische macht.En het tweede thema : God wil de wereld naar zich toe trekken, thuis laten komen bij Hem en opnieuw één met de wereld zijn. Daarom wil de Vader afstand doen van de Zoon, koste wat het wil, opdat de Zoon de mensen zou benaderen, als het ware aan huis zou gaan bezoeken. De beraadslaging tot dit ‘Ja’ zien wij op de icoon. Dit ‘Ja’ wordt des te belangrijker, omdat het voor de Zoon niet een ‘Ja’ is, dat wellicht roem en eer meebrengt, het is het bewuste ‘Ja’ voor een leven van mislukkingen, fiasco’s, dood. Dood aan een Kruis. Wat zal het antwoord zijn van de Zoon ? Wordt het slechts een ‘Ja’ woord ?

De Geest :

De engel rechts die (waarschijnlijk) de Heilige Geest verzinnebeeldt, stemt zonder voorbehoud toe en laat  zijn grenzeloze bereidheid en beschikbaarheid erkennen. In zijn gelaatsuitdrukking zien wij de Trooster, die troost brengt en troostend bijstaat. Zoals een Russische Theoloog het ooit zei, is Hij de goede bron van alle goedheid. Met deze overgave troost Hij de Zoon Jezus, die om de wereld te redden, zich vernederen en ontledigen laat tot in de Godsverlatenheid toe om onder de mensen als hun dienaar te zijn, om hen te redden uit hun ik-zucht en liefdeloosheid. Daarom kan de engel die de Heilige Geest mogelijks kan verzinnebeelden, niets anders dan zich naar de Zoon toebuigen. Maar moet dan de Zoon alléén in de wereld komen en de Geest niet ? Ja, ook Hij ! Hij zal niet enkel de Zoon begeleiden, Hij zal ook de mensen tot Hem voeren. Het zal Pinksteren worden op aarde, waar Hij zich zal uitstorten op alles en allen die Hem verwachten. Ja, ook Hij zal in de wereld komen om allen binnen te voeren in het wezen van God. Vuur wil Hij zijn, volheid van Gods liefdegloed. Hij zal mensen ervoor warm maken dat zij tot elkaar komen in éénheid en als broers eendrachtig samenwonen, opdat er vrede op aarde kan komen. Want liefde zoekt naar eenheid. Deze opdracht van de Heilige Geest schijnt aanvaard. Zo zal geschieden.

Bij het blauw komt in zijn bovenkleed ook nog het groen. . Zo openbaart zich Gods geest die door Zijn werken het heelal, de gehele schepping tot leven brengt en nieuw zal maken. Bewust van Zijn oneindige volheid en kracht, neigt zich de engel die de Heilige Geest verzinnebeeldt zich tot de engel in het midden met een liefdevol en beslist ja.

De Zoon :

De engel in het midden verzinnebeeldt (waarschijnlijk) de Zoon. Hij is het Woord van in de beginnen van de eeuwige Vader. De engel die de Zoon verzinnebeeldt, keert zich luisterend en  antwoordend tot de Vader. Wij zijn hier getuigen van een moment van het gesprek binnen het goddelijk samenzijn en hun eeuwige eensgezindheid. Omdat God geen zwijgende God is, geen oer-eenzame, geen éénvoudig-persoonlijke, maar een drievoudig persoonlijke God is, daarom zijn ze hier bijeen om in een gesprek het heil van de wereld voor te bereiden.

Er is hier geen tegenspraak van de zoon te ontdekken. Hier is enkel luisterende bereidheid tot een gruwelijke weg. Het bloedrood onderkleed herinnert aan het purper van de Byzantijnse Keizers, maar ook aan de ernst van de liefde, waarmee Jezus in plaats van de mensen gehoorzaam wil zijn. Een weg die leidt tot de dood aan het Kruis. Deze weg wil voorzeker overwogen en bezonnen zijn.Alleen bij Hem is het blauw van de hemelse godheid en waarheid tot bovenkleed geworden. Want juist in Jezus wil de godheid zich openbaren en veruitwendigen.De boom achter de middelste engel stelt de levensboom van het paradijs voor. Volgens een oude legende met een diepe zin, werd het Kruis van Golgotha gemaakt uit de levensboom uit het Paradijs. Zal Hij het kunnen dragen ?

Zijn hoofd neigt zich naar links, naar de vader. Zijn knie, zijn armen en de geopende vingers, die aan een zegenend gebaar doen denken, wijzen naar rechts, naar de Heilige Geest. Als wou Hij verwijzen naar Hem, die uit alles wat hij bevrijdt, de goddelijke bijstand die hem terzijde staat in leven en sterven duidelijk wordt.

De Vader :

De engel links zit zo te zeggen helemaal rechtop op zijn troon. Hij verzinnebeeldt (waarschijnlijk) God de vader. De bijna loodrecht gehouden pelgrimsstok in Zijn hand onderlijnt de rechte houding. Zijn bovenkleed in roze en goud, kleuren die de hoogste in rang aanduiden, verraden in Hem de ‘Oorsprong’, de bron van alle goedheid en daarom van alle leven. Van  Zijn blauw onderkleed is enkel maar een heel smalle streep te zien. De Vader woont in het ontoegankelijk licht. Geen mens heeft Hem ooit gezien, of is in staat Hem te zien. Het is voor de Christelijke kunst steeds bijzonder moeilijk geweest de Vader voor te stellen. Want Hij heeft zich als Vader nooit aan de mensen getoond. Alleen in Zijn Zoon wil Hij zich aan de wereld tonen. Wanneer de byzantijnse kunstenaars God de Vader als de Albeheerser, als de Pantocrator wilden afbeelden in de koepels der kerken, lieten ze het beeld van Jezus op zich inwerken en zetten dit laatste in de plaats van de ongenaakbare, onzichtbare God de Vader, de Pantocrator. Jezus is toch het beeld van de onzichtbare God.Ook Roeblov wil op zijn manier de onzichtbaarheid en ontoegankelijkheid van God de Vader aanwijzen, die hij in de engel links  (waarschijnlijk) voorstelt. Daarom schildert hij van het onderkleed maar een kleine smalle streep, nauwelijks zichtbaar onder Zijn bovenkleed. Van de drie goddelijke Personen heeft de Vader zich op directe wijze het minst aan de wereld geopenbaard.

Roeblov is er in geslaagd de drie Personen van de Drie-eenheid niet alleen in gesprek met elkaar te tonen. Hij maakt ons de innigste band van een één-zijn in liefde zichtbaar, die bepalend zijn voor het drievoudig persoonlijk leven van God.  Het grote thema van deze icoon is de beweging van de éné persoon naar de andere toe. Hier trekt niemand iets naar zich toe, want onze God is niet zoals de goden der wereld, die aan zichzelf denken, die naar zich toe trekken, voor zich opeisen. Onze God leeft in betrokkenheid op de ander en kijkt voortdurend naar de ander uit. Ja, inderdaad, hier wordt , niet geëist. Hier neigt zich de ene persoon naar de ander, en schenkt hem Zijn liefde.

Het is uit dank voor deze overgrote liefde van de Vader, dat zich de Zoon en de Heilige Geest dankbaar antwoordend  overgeven. Deze beweging van het dankbaar antwoord is zo sterk, zo geweldig, dat ze als een stormgloed het intiem goddelijk bereik overstijgt.

Dit gebeuren wil de hele schepping in de vreugde en de Vrede, in de dankbaarheid en overgave betrekken. Ook de berg en de boom op de achtergrond, beeld van levenloze en levende natuur, moeten helemaal aan deze beweging, die alles door Jezus naar de Vader stuwt, deelnemen.

Vanuit deze beweging van steeds circulerende liefde, van de ene goddelijke persoon naar de andere toe, moet de beslissing  van de Zoon getroffen worden. Hier wordt de wil van de drie personen geboren. Hun eenheid in liefde wil ons mensen binnendragen in het geopende en gastvrij op ons wachtende Vaderhuis. Thuiskomen, thuis-zijn ! De mens staat voor de uitnodigende blik van de Vader, die hem wil binnenleiden in Zijn goddelijke Liefde. Hij wil hem van alle kanten met liefdevolle kracht omgeven, als het ware zijn hand boven hem houden, met deze macht der liefde hem nieuw maken, zodat het doen en laten van de mens louter liefde zou zijn.

God heeft een doel : het god-verlaten zijn, het zijn zonder God moet een einde nemen. De Vader wil zijn mensen omvormen tot liefde : Hij wil dat iedereen vol wordt van liefde, thuiskomt in de liefde, en uiteindelijk zelf liefde wordt. Dit alles wil Hij waarmaken. Wat voor een heilige bedoeling, wat voor een wonderbare liefde !

De Kelk

In het midden van de icoon staat op de tafel een kelk, met een kleine kalfskop daarin. Het kalf was in veel wetten van het Oude Testament bestemd voor het offer. Het wordt op Roeblovs icoon tot zinnebeeld van Gods zoenoffer. Zo ziet het raadsbesluit van de Drie-ene God eruit. Jezus Christus zal tot zoenoffer voor de zonden van de mensen worden.

Bescheiden maar toch vastbesloten is het gebaar waarmee de Vader naar de kelk wijst.

Dit gebaar is tegelijkertijd bevel en uitnodiging. Maar ook een bewijs van de allergrootste liefde. De Vader bestemt zijn eigen Zoon voor het offer. De Zoon heeft het bevel verstaan en buigt zich beamend naar de vader toe.

De hand van de Zoon rust zwaar op de tafel. En ook Zijn gezicht toont dat hij zich de ernst van de opdracht bewust is. Biddend en zoekend naar hulp neigt zich daarom de stok van de Zoon naar de Heilige Geest, die vol stille weemoed zijn bereidheid om mee te werken aan het verlossingswerk tot uitdrukking brengt bij het begin en bij de voltooiing. Hij is de bijstand, die hem terzijde staat.

Kruis als levensboom

De verlossing zal werkelijkheid worden op de levensboom van het kruis. Het hout van het kruis is bereid en neigt zich naar de Zoon toe om Hem als zijn schoonste vrucht aan te nemen. Dit heilsgebeuren wordt door het Bloed tot werkelijkelijkheid.  Maar niet door het Bloed van Jezus Christus, die het eens en voorgoed zal vergieten om zo verlossing te bewerken voor alle tijden.

 

Het bloedrode onderkleed wijst op de bloedige voltrekking van dit verlossingswerk. Waarom is uw gewaad zo rood en zijn uw kleren als die van een druivenperser, vraagt de profeet Jesaja aan de Messias ? En het antwoord luidt : ‘Ik heb geheel alleen de wijnpers getreden en van mijn volk was er niemand om mij te helpen’. Golgotha, schande en dodenheuvel, voor de stadsmuren van Jeruzalem. Daar valt de Mensenzoon definitief in de handen van de mensen. Zijn leven dat de Zoon offert, neemt de Vader aan als plaatsvervangend voor de gehele schuld van alle mensen. Hij heeft het doorstaan. Het is volbracht. Jezus’dood betekent een brug voor ons. De weg naar de Vader is open. De dood is mee opgenomen in de zege.

Pelgrimsstok

De pelgrimsstok in de hand van de engel wijst naar onder, naar de plaats waar de mensen wonen, uit het donker vanwaar God zo ver is, kan de mens bevrijd worden. Zonde en dood moeten wijken voor het goddelijk licht en de vreugde. Nu is het verlossingswerk van de Drie-ene God volop bezig. God zelf trekt de mens omhoog uit zijn liefdeloosheid en zijn ik-zucht waarin hij gevallen was en plaatst hem in de navolging van Christus. Zij die verloren waren horen het reddend woord en aanvaarden het. Al zijn uw zonden rood als scharlaken, ze zullen witter worden dan sneeuw. Dat mogen all weer thuisgekomen verloren zonen beleven. God zelf droogt hun tranen van berouw en boete. Het zal wel niet louter toevallig zijn dat de groep van de Drie-eenheid maar één weg openlaat waarlangs wij toegang hebben tot Hem. De achtergrond is door de vleugels van de engelen afgeschermd. Ook van de zijkanten is geen toegang. Het perspectief van de zitbanken sluit de toegang af en verplicht ons de engelengroep eerbiedig rond te gaan tot we er voor staan, voor het altaar tegelijkertijd. Maar kijk ! Helemaal beneden tussen de voetbanken van de engelen links en rechts blijft er een ruimte vrij. Deze groene ruimte heeft de vorm van een kelk die naar boven naar het altaar wijst.Hier wordt ons toegang verleend tot de gemeenschap van de Drie-persoonlijke God. De opening die wij aan de voorzijde van roeblov’s altaar zien wil ons duidelijk maken van welke aard onze roeping zal zijn. De opening is voor de relieken van de martelaren bestemd. Ook wij zijn geroepen om getuigen van Christus te zijn tot aan het uiteinde der aarde. Ook voor ons blijft er slechts één toegang om tot de kring der heilige Drie-eenheid te geraken. Het is de toegang die aan de opening van de relieken van de martelaren voorbijgaat. Langs deze weg worden wij mee opgenomen in het eeuwige drievoudig-persoonlijke gesprek, niet als stomme toeschouwers of als dove toehoorders, maar als actieve gesprekspartners, als leerlingen van Jezus die het Oude en voorbij gaande laten voor wat het is, om Hem te volgen en te dienen die het eerst Zijn leven voor ons gaf. Mag het ons ook veel kosten, hier gaat het erom Jezus lief te hebben, zich aan Hem over te geven en Hem te eren door de inzet van ons hele leven. Hier roept de Heer van het leven ons toe : ‘Komt allen tot Mij die uitgeput en onder lasten gebukt gaat en volgt Mij na’.

 Abba ! Vader !

 En Gods heilige Geest, die ons alle waarheid leert, roept biddend in ons : ‘Abba, Vader!’.

Door de Heilige Geest zijn wij echt opgenomen binnen de kringloop van de liefde, die ons van alle kanten omgeeft. En als wij in de Heilige Geest opnieuw geboren worden, dan hebben wij ook een levendige hoop en een roeping dat dit alle moeite waard is te leven.

 In de navolging van Jezus bereikt ons leven en ons liefhebben in de Heilige Geest het doel van alles : de Vader.

 Het onmogelijke is voor de mens mogelijk geworden. Er is uit dit besluit in liefde van de Drie-ene iets nieuws geboren. Door Hem en met Hem is leefbare gemeenschap haalbaar geworden. Het broederlijk samenzijn van mensen in stad en land, in de kerk en andere gemeenschappen, komt voort uit dit heilig voorbeeld. Gods eenheid in liefde bewerkt onder ons deze heilige broederlijke eenheid in liefde.

 ‘God, hebt Gij een doel met ons leven, roept Gij ons tot deze navolging ? Wilt Gij dat wij één zijn in uw Liefde ?

Ja, Vader, uw wil geschiede ! Ook onder ons. Mogen wij door uw Heilige Geest vol worden van Uw Liefde!’

 

De duitse tekst is van Gerhard Jan Rötting (Jesus-Bruderschaft)

Vertaling en bewerking : Kris Biesbroeck

10:16 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

06-04-11

Evdokimov : Hert woord van God in de liturgie

Het Woord van God in de liturgie

Vader Michel Evdokimov

 

In welke zin kan men spreken van het Woord in de liturgie van de orthodoxe Kerk ? Alles in de liturgie is Woord, beluisterbaar Woord : lezingen, gezongen hymnes, zichtbare Woorden : iconen, levende iconen die de gelovigen zijn, de architectuur van het gebouw; voelbaar Woord : eten, drinken, reuk van de wierook… Het Woord van God is tezelfdertijd een openbaring van het goddelijk zijn en een weg naar zijn diepste mysterie.

In de Bijbel is spreken, handelen. Bij het begin der schepping, spreekt God, “Hij zegt”, en het universum verlaat het niet zijn, ontplooit zijn pracht onder zijn  verrukkelijke blik : Hij zag dat het goed was. Als van eeuwigheid bij God zijnde, zelf God zijnde, is dit Woord vlees geworden om onder de mensen te wonen. En de mensen hebben zijn glorie kunnen aanschouwen, zoals de heilige Johannes schrijft, het woord “glorie” hiermee in het Oosterse christendom aanduidend : de bijzondere aanwezigheid van de Geest van God, deze Geest die, volgens de woorden van het Credo, heeft gesproken, en dat nog altijd spreekt, door de profeten, hij vervolgt met te zeggen dat alles wat wij kunnen zeggen betreffende het Woord van God, altijd een trinitaire dimensie zal hebben. Een passage van de Handelingen der Apostelen (4,31), dat aan het begin stond van de verkondiging van het Woord, toont deze aanwezigheid van de drie-eenheid : “ Terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord  Gods met vrijmoedigheid”. Wanneer wij in een plaats  bijeenkomen in naam van Christus, zoals deze eerste christenen, dan  vestigen wij de Kerk, dan komt de Heilige Geest bij ons zijn intrek nemen en ons getuigenis van het Woord dat komt van de Vader maakt het  doeltreffend, geeft het zijn ganse  macht.

Het woord als persoon

De kracht van het christendom ligt niet in haar onderricht, wat zeker heel belangrijk is, maar tevens gevoelig is aan verdraaiingen, vervormingen, afwijkend in zuiver intellectuele speculaties of morele voorschriften. De kracht van het christendom ligt in de persoon van de altijd levende Heer. Vader Alexander Men (1935-1990) vraagt zich af : wie verzamelde de christenen van de eerste eeuwen ? Het was niet het geschreven Woord, er bestonden slechts weinig manuscripten waar het volk toegang tot had (men zou nog moeten wachten tot Gutenberg, in de 15e eeuw, om de Bijbel te zien verspreiden in de schoot van het christelijk volk), maar het was de aanwezigheid van de levende Heer in ieder lid van zijn lichaam.

Wij hebben dikwijls de gevoeligheid van deze aanwezigheid  verzwakt of zelfs verloren,ten voordele van een intellectuele speculatie, van een abstracte hermeneutiek over de historiciteit, de filologie, de authenticiteit van de teksten, allemaal onbelangrijke dingen alhoewel  ze toch noodzakelijk zijn. Maar het essentiële , de vereniging met God ,ligt daar niet. “Ik ben de waarheid” zegt Christus, anders gezegd, wij kennen de waarheid in de mate  waarin we leven in Christus. En het Woord van God kennen, is beginnen te beminnen als persoon, is zich erdoor laten leiden op de weg van het leven.

Hoe leven geven aan het Woord in de liturgie ?

Gans de Kerk is een bevoorrechte plaats waar men de aanwezigheid van het Woord aanvoelt, voornamelijk in de middeleeuwse kathedralen, waar zoveel generaties elkaar hebben opgevolgd en die op de muren  als het ware onzichtbare sporen hebben nagelaten, onzichtbare sporen, maar wel reëel   door hun gebeden. Wanneer een gemeenschap zich installeert in een neutrale plaats, dan voelt men in de loop van de maanden en de jaren  die volgen, dat de muren zich laden met aanwezigheid. In het Westen zijn de pijlen van de kathedralen als menselijke woorden gericht op de hemel, op de ontmoeting van een goddelijk Woord. In het Oosten verlaagt het goddelijk Woord zich naar het menselijke in de vorm van de koepel, waaronder het volk bijeenkomt, als in de holte van de goddelijke hand.

De liturgie is een daad die geleid wordt door het volk en voorgezeten wordt door de priester. Wie maakt deze handelende en reële  daad in waarheid ? Het is de Heilige Geest. De apostel Paulus is formeel : “ Niemand kan zeggen  : Jezus is Heer ! tenzij door de Heilige Geest “ (1 Kor 12,3). Wij zijn dus gewaarschuwd : om het Woord levend te maken, om binnen te gaan in het mysterie van zijn aanwezigheid, worden wij uitgenodigd om ons naar de Geest van God toe te keren, en deze zal op zijn beurt dit Woord in ons hart griffen. Op dezelfde wijze als de Heilige Geest de macht had om het kind Gods in de schoot van Maria voort te brengen, op dezelfde wijze kunnen wij hem vragen om deze aanwezigheid in het diepste van ons wezen voort te brengen en op te wekken bij gelijk welke gelegenheid. Dit appèl tot de Geest willen wij formuleren bij het begin van elke liturgie, van elk goddelijk officie, evenals bij ons persoonlijk gebed in het verborgene van onze kamer. Deze “Koning van de hemel, trooster” is “overal tegenwoordig”, wij kunnen hem aanroepen bij gelijk welke omstandigheden, hij “vervult alles”, hij is altijd daar, het zijn wij die dikwijls afwezig zijn.

De epiclese of de zending van het Woord

Elk gebed waarin wij aan de Vader vragen om ons de Geest te zenden om het Woord levendig te maken in ons, heet “epiclese” ( in het grieks : aanroeping). Dit  gebed leidt niet alleen de liturgische diensten  of het persoonlijk gebed in, maar het bevestigt de doeltreffendheid van het sacrament :  zo zal het zijn in de eucharistie, het Woord dat vlees geworden is om gedeeld te worden; in het huwelijk, reeds op de bruiloft van Cana, het Woord als gave van liefde; in het doopsel, het Woord dat het bewijs is van de dood en de verrijzenis van hem die ondergedompeld was in het water opdat ook wij “in de nieuwheid des levens zouden wandelen” (Rom 6,4)

De liturgie zelf, krachtens haar diepe doordrongenheid van bijbelse teksten, wordt een beleefde commentaar, onder de vorm van een drama, van het Woord, op dezelfde wijze als de prediking, de iconografie, de hymnografie. De orthodoxe Kerk houdt ervan haar theologie te zingen, telkens opnieuw, zonder genoeg te krijgen van de grote waarheden of dogmas van het christelijk geloof. Zingen is dus in koor een commentaar geven van het Woord. Bovendien zijn deze commentaren beleefd in het hart van een mystieke ervaring waar de bijbelse gebeurtenis opspringt buiten het verloop van de tijd van een uurwerk, die sterft en die aldus ontvangen wordt in een boven-tijdelijke duurzaamheid als instrument van het heil. Zo zingen wij met Kerstmis : vandaag – een tijdloos vandaag maar mooi en wel gefixeerd op 25 december – is Christus geboren, wij worden reële getuigen van zijn geboorte, zoals met Pasen, zijn Verrijzenis. De dag van de Aankondiging aan  Maria, het is ook aan ons dat de engel Gabriël zich richt terwijl hij ons antwoord verwacht : “U geschiede naar Uw Woord”. Dit jaar hebben wij op het feest van de Theofanie een kleine jongen gedoopt : hij is gedoopt op hetzelfde ogenblik als de Heer, afdalend in de wateren van de Jordaan in Zijn gezelschap! Op die manier introduceert de geheiligde tijd van de liturgie ons in een eeuwig heden. De eeuwigheid is niet voor en niet na de tijd, zij heeft geen begin en geen einde, zij is de gans andere, de dimensie waarop de tijd zich kan openstellen voor het Woord dat niet ophoudt te handelen in de geschiedenis der mensen.

In de loop van het eerste gedeelte van de liturgie van het Woord is er een processie, de Kleine Intocht genoemd : de priester draagt plechtig het Evangelie, icoon van het Woord, gaat dooreen het volk en treedt het heiligdom binnen langs de Koninklijke poort. Dit Woord heeft zich geïncarneerd, het komt in de wereld om elke mens te verlichten, wij ontvangen het, wij vieren het want het heeft zich getoond aan de wereld om zich te laten kennen en de Vader te doen kennen en ons te leiden in het Koninkrijk.

Beluisterd Woord, volmaakt Woord

Nadat het Woord is weergegeven moet het nu beluisterd worden. Juist voor dat het uitgesproken wordt is er een gebed dat uitnodigt tot inkeer, een waarachtige epiclese : “Doe het zuivere licht  van de kennis van uw godheid stralen in onze harten,o Meester, vriend der mensen, en open de ogen van ons verstand opdat wij uw evangelische boodschap zouden begrijpen…”

Deze plechtstatigheid, dit zich uiten is noodzakelijk voor de inkeer, want men leest het Evangelie niet zoals men een krant leest of een roman. De woorden van het Evangelie geven openheid op een “ergens anders” waarvoor we ons willen engageren. Van dit gebed van hierboven kunnen we twee dingen onthouden : de vraag is gesteld om ons bekwaam te maken , enerzijds om de goddelijke inhoud van de teksten te onderscheiden en anderzijds om de ogen van ons verstand te openen. Zonder de hulp van onze Meester is de menselijke intelligentie niet in staat om de boodschap te vatten. Het is de Heer die zijn woorden van inzicht doet neerdalen in ons hart, in het verborgene van het zijn waar de Geest van waarheid verblijft. Door de actie van de Geest, hebben deze woorden een kracht om ons te transformeren, hierdoor kan mijn leven veranderen. Vader Alexander Men bevestigt dat indien de mensen deze woorden daadwerkelijk in de praktijk zouden brengen, zelfs al was het maar de helft van de Bergrede, dan zouden zij bevrijd worden van hun depressies, hun neurosen, van hun ontmoediging voor het leven.

Van zijn kant, schrijft metropoliet Antoine Bloom (1914-2003) in een gebed die hij heeft opgesteld om de lezing van het Woord in te leiden : “Help mij om de angst te overwinnen. Want ik zou niet willen hebben dat ik zou vallen over de passages die mij dwingen om mijn leven te veranderen, om mijn gedragingen met de mensen te veranderen, met mijzelf. Het idee van deze verandering beangstigt mij. Help mij om de moed te vinden, de durf en ook de wijsheid…”

Men leest niet ongestraft het Woord van God, het onttrekt ons aan deze wereld om ons te leiden naar het Koninkrijk, het verlicht de duisternissen van deze wereld waarin God zich heeft geïncarneerd, niet om te oordelen, maar om te redden.

Evangelische en eucharistische epiclese

Bij de epiclese voor de lezing van het Evangelie in de liturgie van het Woord, correspondeert in de eucharistische liturgie, de grote epiclese op het moment van de omvorming van het brood en de wijn in het lichaam en bloed van Christus : Wij offeren u deze onbloedige logosdienst ; wij roepen Uw hulp in; wij bidden en smeken u: Zend uw heilige Geest neer over ons en over deze voor u neergelegde gaven. En maak van dit brood, het kostbaar lichaam van uw Christus; Amen. En wat in deze kelk is, het kostbaar Bloed van uw Christus; Amen. Ze herscheppend door uw Heilige Geest . Amen, Amen, Amen

Deze eucharistische epiclese komt na de instellingswoorden (“Dit is mijn lichaam…dit is mijn bloed..” Het bevestigt de realiteit van het eucharistisch mirakel, maakt het werkdadig. Er zijn dus twee grote epicletische momenten : het eerste, wanneer het Woord gaat gelezen worden en gepredikt, het tweede wanneer het Woord op mysterieuze wijze wordt gebroken en geconsumeerd . Zoals de heilige Jeronimos het schrijft : “Wij eten zijn vlees en bloed in de goddelijke Eucharistie, maar ook bij de lezing van de Schriften”, in het zicht van de communio met Christus. Een reële communio, zelfs in het geval sommige personen niet zouden communiceren aan het brood en aan de wijn, maar zich “eucharistisch”zouden kunnen verenigen met het gelezen Woord.

De icoon als Woord

Er is het geschreven woord en het gezongen woord, en er is de icoon dat eigen is aan de Oosterse Kerk, maar men vindt het ook elders. De icoon waar het Woord zich laat zien, dat de ziel doordringt door de blik. Gans het lichaam neemt deel aan het leven van de geest, volgens de woorden van sint Paulus : “Verheerlijk dus God in uw lichaam” (1 Kor.6,20). Alle zintuigen zijn gemobiliseerd, zonder het lichaam is de geest niets. De blik is een belangrijk toegangsmiddel tot de spirituele realiteiten. Tot de twee leerlingen die hem vroegen waar hij woont, antwoord Jezus : “Kom en ge zult zien” In het eerste verbond werd Israël uitgenodigd om het oor gericht te houden : “Luister Israël”, maar met de menswording wordt de visie aaneengeregen : Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. “Gij zult de hemel geopend zien”. Er is bovendien wederkerigheid : wij kijken en wij laten ons bekijken, wij ontvangen het geschilderde Woord in de icoon en dit Woord verwelkomt ons, opent ons op onze eigen diepgang. Zo is het ook met elk Woord dat van God komt en dat belast is met een rijke volheid van betekenis, dat ons vervult met een onuitsprekelijke aanwezigheid.

De icoon als plaats van epiphanie

Zo verschijnt de icoon als een plaats van epiphanie, ’t is te zeggen : plaats van aanwezigheid van een gemanifesteerd onderwerp (Christus, de Maagd, de heiligen, deze of die gebeurtenis). Zij is de dogmatische uitdrukking van het Woord van Waarheid. Zij is geen beeld tussen anderen in een wereld die verzadigd is aan beelden, zij suggereert een eeuwige tegenwoordigheid buiten de tijd. Zoals de liturgische hymnes die het Woord van God becommentariëren gedurende een celebratie, de icoon is evenzeer een commentaar van het Woord. Om deze redenen moet zij onderworpen zijn aan zekere dogmatische criteria om geauthentificeerd en gewijd te worden. Er bestaan canons die moeten worden geëerbiedigd, men kan niet gelijk wat schilderen ( bijvoorbeeld : niets denkbeeldig, alleen de zijnden die werkelijk geleefd hebben : zo is de voorstelling van de Vader als een ouderling met een baard anticanonisch).

In de 8e eeuw barstte in het Oosten de iconoclastische crisis los : achter de wijgering om de God-mens af te beelden verborg zich in wezen de weigering van de menswording, van de mogelijkheid van het Woord om vlees te worden, en dus gezien te worden. Men moest een concilie in 787 bijeenroepen om de verering van de iconen te herstellen. De concilievaders verklaarden onder andere “dat wat het Woord zegt, toont ons de icoon in stilte”. In deze gelijkheid tussen icoon en Woord geeft men er zich rekening van dat de iconen, deze  mysterieuze gasten in de heilige ruimte, geïntegreerd zijn in het liturgisch mysterie waaraan ze deelhebben. De zichtbare Kerk op aarde en de onzichtbare Kerk verenigen zich in de celebratie van dezelfde glorie van God.

De afdaling van Christus in de hel                                                                                                     

Om Adam en Eva te redden

En met hen gans de mensheid

Het zijn de feesticonen die ons met de grootste evidentie het Woord van God laten horen. Het is een zeer rijk onderwerp, en ik stel mij tevreden met één thema, dat van de nederdaling in de hel waar de prediking aan de doden weerklinkt (1 Petr.4,6). Wij lezen in het evangelie van Johannes (3,17) dat de Vader zozeer de wereld heeft liefgehad dat “hij zijn Zoon heeft gezonden, niet om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld zou worden gered” En om dit te bereiken moet de Zoon doorheen de dood gaan en verrijzen.

Vanaf de geboorte van het Kind-God, sluipt de dood rondom hem. Op de icoon van de Geboorte, is hij neergelegd in een kribbe die de rechthoekige vorm suggereert van een graf, hij is in doodslinnen gewikkeld, het geheel is gesitueerd in een zwarte holte die gegraven is in de korst van de aarde die in de iconografie het koninkrijk van de dood doet vermoeden. Een drievoudige lichtstraal dat uit de hoge komt duidt op de aanwezigheid van de Drie eenheid die bij deze geboorte een ereplaats heeft. Deze sfeer van de dood wordt nog versterkt buiten de kribbe, door de moord op de Onschuldigen, door het rampzalige voorgevoel van Simeon : “een zwaard zal uw hart doorboren”, zegt hij tot de moeder van het kind dat geboren is in een symbolische hel. Christus wordt geboren om te sterven. Het westen, met de popularisering van de kribbe door Franciscus van Assisië in de 13e eeuw, zal meer de nadruk leggen op de vreugde van de geboorte van een kind, een familiaal feest, het is de ontroerende kant van de zaak. De twee posities zijn waar op voorwaarde dat wij een evenwicht vinden in de zachte ontboezeming van de “christelijke nacht”   met de tragiek van de incarnatie, en dat wij deze tragiek niet verbannen naar een monofysitische hemel waar de menselijke tederheid zou verdwijnen.

Op de icoon van Theofanie, die het doopsel van Christus voorstelt, dompelt Christus zich onder in de wateren van de Jordaan, symbool van oorspronkelijke chaos en van een hel waar hij elke duivelse aanwezigheid verjaagt, en er terug uit opstaat in het volle licht bij het aanhoren van de Vader (“Deze is mijn Zoon, mijn welbeminde”) en bij de ontmoeting van de Heilige Geest die onder de vorm van  een duif op hem rust. Deze icoon illustreert de interpretatie van de heilige Paulus : het is in de dood van Christus dat wij gedoopt zijn (Rom 6,3).

“Wij verkondigen ons heil in woorden en beelden”

Op de icoon van de Verrijzenis, gebeurt de beweging van de verrijzenis zich van hoog naar laag, en niet van laag naar hoog zoals in de westerse voorstellingen. Het Woord daalt af in de afgrond van de dood, de prediking begint  in de hel (1 Petrus 3,19) zoals het voorafgaandelijk met Johannes is gebeurd, de voorloper op aarde als onder de aarde. Hij wordt gewoonlijk voorgesteld aan de zijde van de Redder. Hier strijdt Christus alleen, op het kruis heeft hij zijn Geest gegeven. Hij heeft zichzelf gegeven, hij is vernederd ( dat is de “kenose”), door te gehoorzamen aan het Woord van de Vader, om te sterven op het kruis en hen te bevrijden die gebonden waren door de ketenen van de dood. Door Adam en Eva te redden uit de afgrond, dit wil zeggen de ganse mensheid die zo zijn opgestaan om een weg ten leven te leiden.

Bij wijze van besluit, ziehier een hymne van de zondag van de orthodoxie ( eerste zondag van de vasten als voorbereiding op Pasen ) : “Niemand heeft het Woord van de Vader kunnen beschrijven, maar wanneer Christus het vlees heeft aangenomen, o Moeder van God, heeft hij aanvaard om het verscheurde beeld te beschrijven en te herstellen in zijn oude vorm, door het te verenigen met de goddelijke schoonheid. Het is daarom dat wij ons heil belijden en verkondigen in woorden en in beelden”.

Uit “SOP 356

Vertaling : Kris Biesbroeck

08:54 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

30-03-11

Kallistos Ware : Over de dood en de Verrijzenis

Over de dood en de verrijzenis

Door Metropoliet Kallistos Ware

 

DE KONINKLIJKE DEUREN OPENEN ZICH !

 

In de cultus van de russisch Orthodoxe Kerk, blijven de  centrale deuren van de iconostase tijdens de gebeden, die het begin van de Eucharistie voorafgaan, gesloten. Wanneer de Goddelijke Liturgie begint, gaan de deuren open, het heiligdom komt tevoorschijn en de priester zingt  het inleidend zegengebed.

Het is dit essentieel moment dat prins Eugène Troubetskoï (1863-1920), filosoof en russisch religieus, opriep in zijn laatste woorden op zijn sterfbed : “ De koninklijke deuren openen zich ! De grote Liturgie kan beginnen”. Voor hem was de dood geen poort die zich sluit maar een poort die zich opent, geen einde, maar een begin. Naar het voorbeeld van de eerste Christenen heeft hij de dag van zijn dood ervaren als een geboortedag.

Ons menselijk bestaan kan vergeleken worden met een boek. De meeste mensen beschouwen hun leven hier beneden als de  reële tekst, zij zien het toekomstige leven ,althans de voornaamste periodes ervan, - in de mate natuurlijk dat ze geloven in de realiteit ervan – als een  eenvoudig aanhangsel. Een authentieke christelijke houding is juist het tegenovergestelde. Ons huidig leven is in werkelijkheid niets meer dan het voorwoord., de inleiding op het boek ; het toekomstige leven vormt daarentegen de belangrijkste  gebeurtenis. Het moment van de dood vormt niet de conclusie van het boek, maar het begin van het eerste hoofdstuk. In verband met dit eindpunt, dat in werkelijkheid een vertrekpunt is, moet men zich twee dingen voor ogen stellen die zo evident zijn, dat men ze gemakkelijk vergeet. Vooreerst is de dood een onoverkomelijk en zeker feit. Vervolgens is de dood een mysterie. Wii moeten dus de dood beschouwen met tegengestelde gevoelens, met matigheid en realisme enerzijds,en met vrees en verwondering anderzijds.

In dit leven is er slechts één ding waar we zeker kunnen van zijn : wij zullen allen sterven – ten minste, indien  Christus’wederkomst niet daarvóór gebeurt. De dood is het enige feit dat vaststaat, dat onvermijdelijk is, waar de mens moet op rekenen. En indien ik het probeer te vergeten, indien ik mij wil verbergen voor haar onvermijdelijk karakter ervan, dan ben ik al verloren.

Het ware humanisme in onscheidbaar van het bewustzijn van de dood. Het is slechts door de realiteit van mijn nakende dood te trotseren en te aanvaarden dat ik waarachtig zal kunnen leven. Zoals D.H.Lawrence het heeft geconstateerd : “Zonder de zang van de dood is de zang van het leven onbeduidend en belachelijk”. Door de dimensie  van de dood beroven  wij het leven van  haar  ware grootheid.

Metropoliet Antoine van Souroge heeft het ook met kracht gezegd :  “De dood is de hoeksteen van onze houding tegenover het leven. Zij die angst hebben voor de dood, hebben ook angst voor het leven. Het is onmogelijk om geen angst te hebben voor het leven met al zijn complexiteiten en al zijn gevaren, indien  men angst heeft voor de dood (….). Indien wij schrik hebben voor de dood, zullen wij nooit klaar zijn om het ultieme risico te nemen, dan zullen wij ons leven laten voorbijgaan op een lafhartige, behoedzame en angstvallige manier. Het is slechts door de dood onder ogen te durven zien, door de plaats te bepalen die haar toekomt en ook onze plaats ten overstaan van haar, dat wij in staat zullen zijn om zonder vrees te leven en tot het uiterste van onze mogelijkheden te gaan” . (1)

Nochtans zou ons realisme en ons besluit om een betekenis te geven aan de dood niet mogen leiden tot een beperking van een tweede waarheid : het mysterieuze karakter van de dood.  Ondanks alles wat de verschillende religieuze tradities ons ook mogen vertellen : wij begrijpen bijna niets van “dit onbekend land waaruit geen enkele reiziger  terugkeert….” . Het is waar  wat Hamlet zegt : dat “de vrees voor de dood de wil in verwarring brengt”. Wij moeten weerstaan aan de bekoring om té ver te gaan zoeken en té veel te gaan zeggen.  Men moet de dood niet banaliseren . Het is een onoverkoombaar en zeker feit, maar ook de grote onbekende.

De Heilige Isaak de Syriêr (VIIe eeuw) drukt heel goed de eenvoudige realistische houding uit die men moet hebben ten overstaan van de dood : “Leg in uw hart, o mens, de gedachte dat je moet vertrekken. Zeg zonder ophouden : Zie, de engel die mij komt zoeken staat aan de poort. Waarom ben ik hier , om te doen alsof er niets aan de hand is  ? Mijn vertrek is voor altijd ; er zal geen terugkeer zijn’. Breng de nacht door met deze gedachte, mediteer hierover tijdens de ganse dag. En wanneer het moment van het vertrek komt, aanvaart het met vreugde, zeggende : ‘Kom in vrede ! Ik wist dat je zou komen en ik heb niet verwaarloosd  om op mijn weg te doen wat mij hiertoe nuttig zou kunnen zijn”  (2).

Over de plaats van de dood in ons leven en ons standpunt hiertegenover, volstaat het om drie dingen goed voor de geest te houden. Vooreerst : de dood is dichter bij ons dan wij het vermoeden. Vervolgens : zij is in geheel niet natuurlijk , zij is totaal tegengesteld aan het goddelijk plan, alhoewel zij toch een gave van God is. Tenslotte : het is een scheiding die geen scheiding is.

 

LEVEN - DOOD,  DOOD - LEVEN

De dood is niet eenvoudigweg een ver verwijderde gebeurtenis die onze aards bestaan komt afsluiten, het is een gebeurtenis die reëel tegenwoordig is, die zich als maar verder rondom ons en in ons  voltrekt. “Elke dag zie ik de dood van nabij”, zegt de Apostel Paulus (1 Kor.15,31) ; “Elk ogenblik is de tijd van de dood” ,gaat T.S. Eliot nog verder. Alles wat leeft is een vorm van dood ; wij sterven de ganse tijd. Maar in deze dagelijkse ervaring wordt elke dood gevolgd door een nieuwe geboorte : elke dood is tevens een vorm van leven. Leven en dood staan niet tegenvover elkaar, zij sluiten mekaar niet uit, maar zijn met mekaar verweven. Gans ons menselijk bestaan is een mengeling van dood en verrijzenis. “ Als stervenden, en zie, toch zijn wij in leven” (2 Kor.6,9). Onze reis op deze aarde is een onophoudelijk Pasen, een voortdurende tocht van de dood naar een nieuw leven. Tussen onze aanvankelijke geboorte en onze uiteindelijke dood is gans de loop van ons bestaan samengesteld uit een reeks  “kleine” dood en geboorten.

Telkens wanneer wij gedurende de nacht inslapen, hebben wij een voorsmaak van de dood ; elke keer dat wij de volgende morgen ontwaken is het alsof wij opstaan uit de dood. Een joodse zegenspreuk zegt : “Gezegend zijt Gij o Heer onze God, Koning van het heelal, die elke ochtend uw wereld herschept” . Zo gaat het ook op dezelfde manier met ons : elke morgen als we ontwaken, zijn wij als herschapen. Wellicht zal ook onze ultieme dood op dezelfde wijze een  “herschepping” zijn, een inslapen gevolgd door  een ontwaken.

Wij hebben geen schrik om elke nacht in te slapen, omdat wij weten dat wij terug zullen ontwaken de volgende morgen. Kunnen wij dan ook niet hetzelfde vertrouwen hebben tegenover ons ultieme inslaping bij de dood ? Zouden wij dan niet kunnen rekenen op een ontwaken, herschapen, in de eeuwigheid ?

Dit model van leven-dood vinden wij ook, een beetje verschillend, in het proces van onze groei. In elke etappe moet er iets in ons sterven om naar de volgende etappe in ons leven te gaan. De overgang van zuigeling naar kind, van kind naar de adolescentie, van de adolescentie naar de rijpe volwassenheid, betekent telkens een innerlijke dood die een voorwaarde is voor de geboorte in iets nieuws. En deze overgangsperiodes, in het bijzonder deze van het kind naar de adolescentie, kunnen een bron van crisis zijn, zelfs zeer pijnlijke. Maar indien wij op een bepaald moment deze noodzaak om te sterven weigeren te aanvaarden, dan kunnen wij ons niet ontwikkelen tot echte personen. Zoals Georges MacDonald het schrijft in zijn roman Lilith, “Je zal dood zijn in de mate dat je zal weigeren te sterven” . Het is juist de dood van het oude, dat het nieuwe mogelijk maakt in ons. Zonder de dood kan er geen nieuw leven zijn.

Indien volwassen worden een vorm van dood zijn is, zo is het ook met betrekking tot het begin, de scheiding van een plaats of een persoon die we hebben liefgehad. Het zijn scheidingen in onze voortdurende groei naar rijpheid. Ten minste moeten wij op een dag de moed hebben om onze vertrouwde omgeving te verlaten, van ons te scheiden van onze actuele vrienden en van nieuwe banden te smeden. Wij zullen nooit kunnen realiseren wat we allemaal in ons hebben, ons daadwerkelijk beschikbaar vermogen. Door té lang te blijven steken in het oude, weigeren wij de uitnodiging te aanvaarden voor het nieuwe. Om de woorden van Cecil Day Lewis te hernemen : “ De differentiatie begint bij een vertrekpunt, en het is in de keuze van het loslaten dat men getuigt van de liefde”.

Een ander soort loslaten die wij op een dag zullen moeten trotseren is bv. de ervaring van het afwijzen, wanneer wij gaan solliciteren voor werk – hoeveel jongeren die pas afgestudeerd zijn van school of universiteit moeten vandaag de dag doorheen deze bijzondere vorm van de dood gaan ! Het afwijzen in de liefde. Er is dan iets wat werkelijk afsterft in ons wanneer wij ontdekken dat onze liefde zonder antwoord blijft en dat iemand anders de voorkeur geniet in onze plaats. En nochtans kan deze dood een bron zijn van nieuw leven. Voor vele jongeren is het mislukken in de liefde juist het begin van de rijpheid, hun inwijding in het volwassen zijn. De droefheid, het verlies van een geliefde, betekent tevens een dood in het hart van diegene die achterblijft. Wij hebben de indruk dat een deel van onszelf er niet meer is, dat wij beroofd zijn van een ledemaat. De droefheid wanneer men ze het hoofd biedt en innerlijk heeft aanvaard, maakt van ons meer authentisch levende mensen dan voordien.

Voor vele gelovigen, is de dood van het geloof – het verlies van onze meest intense zekerheden (minstens de in het oog springende) over God en de betekenis van het bestaan – bijna even traumatiserend als het verlies van een vriend of een echtgenoot. Maar dit is ook een ervaring van dood-leven waar wij moeten doorheen gaan opdat ons geloof zou rijpen. Het authentieke geloof is een permanente dialoog met de twijfel. God overtreft oneindig datgene wat wij over Hem kunnen zeggen; onze geestelijke concepten zijn afgodsbeelden die moeten gebroken worden. Om volkomen levend te zijn, moet ons geloof voortdurend sterven.

In al deze gevallen zien wij dat de dood geen destructief, maar een creatief karakter heeft. Het is door de dood dat de verrijzenis komt. Iets wat sterft is iets wat geboren wordt ten leven. Is de dood die ons bij het einde van ons aardse leven overkomt niet van dezelfde orde ? Is zij niet de uiterste en meest formidabele dood-verrijzenis onder alle andere die wij hebben gekend sedert onze geboorte ? Verre van er totaal van afgesneden te zijn is de dood de meest omvangrijke en de meest volledige uitdrukking van alles wat wij in de loop van ons leven hebben meegemaakt. Indien de kleine vormen van dood waardoor wij moesten passeren ons geleid hebben naar iets wat ons overtreft, naar een verrijzenis, waarom zou dit dan ook niet waar zijn van het grote moment van de dood, wanneer de tijd gekomen is om deze wereld te verlaten ?

Maar het is niet alles. Voor de Christenen haalt dit model van dood - verrijzenis, dat zich  herhaalde malen heeft voorgedaan in ons leven , zijn diepste betekenis in het leven, de dood en de Verrijzenis van onze Redder Jezus Christus. Onze eigen geschiedenis moet begrepen worden in het licht van Zijn geschiedenis die wij elk jaar celebreren gedurende de Heilige Week, maar ook elke zondag in de Eucharistische Liturgie. Al onze kleine vormen van sterven en verrijzen vormen doorheen de geschiedenis een eenheid met Zijn  definitieve Dood en Verrijzenis, onze kleine vormen van Pasen worden opgeheven en herbevestigd in Zijn grote Pasen. De dood van Christus, volgens de liturgie van de Heilige Basilios, is een “scheppende dood van leven”. Zeker van zijn voorbeeld geloven wij dat ook onze dood  “een schepping ten leven” kan zijn. Christus is onze voorloper en aanvang. Zoals ook de orthodoxe Kerk in de homilie toegewezen aan de Heilige johannes Chrysostomos het  bevestigt tijdens de Paasnacht : “Dat niets de dood vreze, want de dood van Christus is ons geopenbaard; Hij heeft ze doen verdwijnen na (…) te hebben ondergaan. Christus is Verrezen, nu heerst het leven. Christus is verrezen, er is geen dood meer  in het graf” (3).

 

DE DOOD IS A-NORMAAL

De dood is dus onze gezel tijdens gans ons leven, als een dagelijkse permanente ervaring en herhaald tot in het oneindige. Nochtans, hoe vertrouwd zij ook is, ze blijft altijd een niet-natuurlijk gegeven. De dood maakt geen deel uit van het vooropgestelde plan van God voor Zijn schepping. God heeft ons geschapen, niet opdat wij zouden sterven, maar opdat wij zouden leven. Meer nog, Hij heeft ons geschapen als een ondeelbare eenheid. Vanuit het standpunt van de Joden en de Christenen, moet de menselijke persoon gezien worden in termen van ‘geheel’ (holistisch) zijn : wij zijn geen ziel die tijdelijk gevangen zit in een lichaam en die ernaar verzucht om eruit bevrijd te worden, maar een geïntegreerde totaliteit die lichaam en ziel omvat. Carl Gustav Jung had gelijk toen hij  de nadruk legde op wat hij een ‘mysterieuze waarheid’ noemde : “De geest is het levend lichaam gezien vanuit het innerlijke, en het lichaam is de uiterlijke manifestatie van de levende geest – de twee zijn werkelijk één”. Indien wij als dusdanig een scheiding maken tussen ziel en lichaam, dan is de dood een hevige aanslag op de eenheid van de menselijke natuur.

Indien de dood iets is wat ons allen te wachten staat, dan is zij in het diepste zelf a-normaal. Zij is afschuwelijk en tragisch. Voor de dood van onze naasten en onze eigen dood, wat ons realisme, onze gevoelens van droefheid ook mogen zijn, is onze huivering en zelfs onze verontwaardiging gerechtvaardigd : “Kom niet zacht binnen in die goede nacht. Tiert, ga tekeer tegen het verdwijnen van het licht” zegt de dichter Dylan Thomas. Jezus zelf heeft geweend voor het graf van Zijn vriend Lazarus (Joh.11,35); en in de hof van Gethsemanie, was Hij vervuld van angst voor het dreigende vooruitzicht van zijn eigen dood (Matth.26,38). De Apostel Paulus beschouwd de dood als een ‘vijand die moet vernietigd worden’ (1 Kor.15,26) en hij heeft het nauw verbonden met de zonde : “De prikkel van de dood is de zonde” (1 Kor.15,56). Het is omdat wij allen leven in een verscheurde wereld – in een wereld met een verstoord evenwicht, waar onenigheid heerst, een gekke wereld, een afgestompte wereld – dat wij zullen sterven.

Nochtans, zelfs al is de dood een tragisch gebeuren, zij is ook en tezelfdertijd een zegen. Alhoewel zij geen deel uitmaakt van Gods plan met de mensheid, is zij toch een gave van God, een uitdrukking van Zijn barmhartigheid en Zijn medelijden. Voor ons mensen die in deze verscheurde wereld leven, gevangenen voor altijd in de vicieuze cirkel van de vijand en de zonde, is dit een vreselijke en ondraaglijk noodlot. Daarom heeft God ons een uitweg aangeboden. Hij heeft de eenheid van ziel en lichaam gebroken, om hen dan opnieuw te kunnen herscheppen en te verenigen op de laatste dag, als de lichamen zullen verrijzen, en hen mee te voeren naar de volheid van het leven. Hij is als de pottenbakker die door de profeet Jeremias wordt geobserveerd : “Ik daalde af bij de pottenbakker, maar de pot die de pottenbakker uit leem wilde maken, mislukte onder zijn hand; toen begon de pottenbakker opnieuw, en maakte er een andere pot van, juist als hij wilde” (Jeremias 18,4-5). De goddelijke pottenbakker legt zijn hand op de pot van onze nederigheid, beschadigd door de zonde, en Hij breekt hem om hem op zijn beurt te kunnen opnieuw maken en hem zijn oorspronkelijke schoonheid terug te geven. De dood, in deze betekenis is ook het instrument van ons herstel. Zoals de orthodoxe Kerk het zingt op haar begrafenisdienst : “ Eertijds hebt Gij me gehaald uit het niets om mij gelijkvormig te maken aan het beeld van God, maar ik heb uw wet geschonden en Gij hebt mij overgeleverd aan de aarde waaruit ik genomen was, laat mij nu terugkeren naar uw gelijkenis en herstel mijn eerste schoonheid” (4). In het epitaaf (grafschrift) welke hij voor zichzelf had samengesteld, schrijft Benjamin Franklin : “ Hier ligt het lichaam van Benjamin Franklin, drukker, als  een kaft van een oud boek, zijn inhoud is opgebruikt en verstoken van zijn letters en zijn goud. : ze voeden  de verzen ! Het werk zal echter niet verloren gaan, want zoals hij het geloofde, zal het opnieuw verschijnen in een nieuwe en veel mooiere editie, verbeterd en gewijzigd door zijn Auteur !”

Er is dus een dialectiek in onze verhouding tot de dood : maar de twee benaderingen zullen uiteindelijk niet tegenstrijdig zijn. Wij zien de dood als niet natuurlijk, a-normaal, tegengesteld aan het plan van de Schepper, maar we revolteren er niet tegen met droefheid en wanhoop. Wij beschouwen het ook als een deel van de goddelijke wil, een zegen en niet als een straf. Ze is ook een uitweg uit onze impasse, een middel van de genade, als de deur naar onze her-schepping. Het is onze terugweg. Om opnieuw de orthodoxe begrafenisdienst te citeren : “ Ik ben het verloren schaap : roep mij terug, o mijn Heiland, en red mij”. Wij naderen dus tot de dood met bereidwilligheid en hoop, met de Heilige Fransiscus van Assisië zeggend : “dat onze Heer zij geloofd voor onze zuster, de  lichamelijke dood” ; want doorheen deze lichamelijke dood, roept de Heer het kind van God tot zich terug. Over de grenzen van hun scheiding door de dood, zullen ziel en lichaam herenigd worden op de laatste dag. Deze dialectiek verschijnt duidelijk gedurende de orthodoxe begrafenis.  Niets wordt er gedaan om de droevige en schokkende realiteit van de dood te verduisteren. De kist blijft open, en het is dikwijls een pijnlijk moment wanneer familie en vrienden de één na de andere naderen om de overledene de laatste kus te geven. Nochtans is het tezelfdertijd, en dit op verschillende plaatsen het gebruik om geen zwarte klederen te dragen, maar witte, dezelfde die men draagt voor de dienst van de Verrijzenis gedurende de paasnacht : want Christus, verrezen uit de doden, roept de overleden christenen op om Zijn eigen Verrijzenis te delen.  Het is niet verboden om te wenen tijdens een begrafenis; het is zelfs veeleer goed, want de tranen kunnen het effect hebben van een zalf en de wonde  is nog veel dieper wanneer de pijn wordt verdrongen. Maar we moeten niet diepbedroefd zijn “zoals de anderen die geen hoop hebben” (1 Thess.4,13). Onze droefheid, hoe hartverscheurend zij ook moge zijn, is geen wanhoop, want, zoals wij het belijden in de Geloofsbelijdenis : wij verwachten “de verrijzenis uit de doden en het leven van het komend rijk”.

 

COMMUNIO IN CHRISTUS

 

Ten slotte is de dood een scheiding die geen scheiding is. De orthodoxe traditie hecht het grootste belang aan dit punt. Levenden en doden behoren tot één enkele familie. De afgrond van de dood is niet onoverkomelijk want we kunnen elkaar terug ontmoeten rond het altaar van God. De Russische schrijver Iulia de Beausobre (1893 – 1977) zegt : “De Kerk (…) is het punt waar de doden, de levenden en hen die nog moeten geboren worden mekaar ontmoeten, in wederzijdse liefde zich verenigend rond de rots van het altaar om hun liefde voor God te verkondigen” (5). Het is dit, wat ook een andere Russische auteur, de priester Macaire Gloukharev (1792 – 1847), zegt in een brief aan een gelovige in rouw :  “In Christus leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Levenden en doden : wij zijn allen in Hem. Het zou juister zijn om te zeggen : wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood. Onze God is geen God van doden, maar een God van levenden. Het is uw God, het is de God van de overledene. Er is slechts één God, en gij zijt verenigd in de Enige. Je kan alleen mekaar voor enige tijd niet zien, opdat de toekomstige ontmoeting vreugdevoller zou zijn. Dan zal niemand u deze vreugde kunnen ontnemen. Maar zelfs nu leef je samen; zij is alleen maar naar een andere kamer gegaan en heeft er de deur gesloten… De spirituele liefde kent geen zichtbare scheiding” (6).

Hoe kan men deze permanente communio handhaven ? Er is vooreerst een valse weg die sommigen aantrekkelijk vinden, maar die de orthodoxe traditie absoluut verwerpt. Neen, de communio tussen levenden en doden heeft niets te maken met de relevante praktijken van het spiritisme of magie. In een authentiek christendom is er geen plaats voor technieken die zich richten op het communiceren met doden, zoals het beroep doen op mediums bv. In feite zijn deze technieken zeer gevaarlijk. Diegenen die deze technieken opzoeken stellen zich dikwijls bloot aan demonische krachten. Het spiritisme is ook een uitdrukking van ongegronde nieuwsgierigheid, van het soort zoals iemand die probeert door het sleutelgat te kijken van een gesloten deur. Zoals Vader Alexander Eltchaninoff (1881 – 1934) : “Wij moeten nederig het bestaan van het Mysterie erkennen, en niet pogen om via een diensttrap naar omhoog gaan om aan de deuren te luisteren” (7)

Na datgene wat we tot hiertoe gezegd hebben, en de levens van de heiligen leren het ons, zijn er zeker gevallen waar doden rechtstreeks met mekaar in contact treden, of het nu in een droom is of doorheen visioenen. Maar we moeten van onze kant, niet proberen deze contacten te forceren.

Elk kunstmatig middel die er op gericht is om de doden te manipuleren is in strijd met het christelijk geweten. De communio die ons met de doden verenigt situeert zich niet op het psychisch niveau, maar op het spirituele, en de plaats waar wij met mekaar in contact treden is geen salon, maar de eucharistische tafel. Het enig geldig fundament van onze communio met de doden is de communio in het gebed, vooral in de celebratie van de Goddelijke Liturgie. Wij bidden voor hen, en terzelfdertijd zijn wij er zeker van dat ook zij voor ons bidden; en het is door deze wederzijdse voorbede dat wij verenigd worden over de grenzen van de dood heen, in een band van intense  en eeuwigdurende eenheid.

Bidden voor de doden is voor een orthodox christen niet zomaar een bijzaak, een optie ; het is daarentegen een aanvaard en onveranderlijk element van onze dagelijkse cultus. De gebeden die wij zeggen  zijn veelvuldig : “Vat van wijsheid die de mensen bemint en alles leidt in het licht van  het heil. Enige Schepper van wie allen ontvangen die tot  U bidden. Schenk Uw rust o Heer aan de zielen van Uw dienaars, want hun hoop is op U gericht, onze Auteur, onze Schepper en onze God”, en ook nog “Laat rusten onder Uw heiligen, de zielen van Uw dienaars, in een plaats waar geen smart, droefheid en geweegklaag is, maar waar het eeuwige leven is”, en nog : “ Schenk o Heer aan Uw dienaars de rust en plaatst hen in  het Paradijs,daar waar de koren der rechtvaardigen en heiligen schitteren als de sterren; geef hen, Heer, de rust en vergeef hen al hun zonden”.

Onder deze gebeden zijn er met een sombere ondertoon; zij roepen de mogelijkheid op van een eeuwige scheiding met God : “Van het vuur dat niet uitdooft, van de duisternissen zonder licht, van het knarsen der tanden, van de wormen die voortdurend knagen en van elke diepste smart, red onze overleden gelovigen”.

 Deze voorbeden voor de doden hebben geen onverbiddelijke limieten. Voor wie bidden wij ? Stricto senso, in de publieke liturgische celebraties staan de orthodoxe regels de nominatieve gebeden niet toe, tenzij voor hen die gestorven zijn in de zichtbare communio met de Kerk. Maar er zijn gevallen waarbij onze gebeden veel langer zijn. Gedurende de vespers van Pinksterenzondag, worden zelfs gebeden gedaan voor hen die in de hel zijn : “Gij die op dit uitzonderlijk volmaakt en zaligmakend feest u gewaardigd hebt onze voorbeden te aanvaarden voor hen die in de hel zijn, en die ons in hoge mate de hoop gegeven hebt dat Gij de overledenen zult verlossen uit hun droefenis die hen verplettert, en geef hen hun verlichting…”(8).

Wat is de leerstellige basis van dit constante gebed voor de doden ? Hoe is het te verrechtvaardigen vanuit theologisch standpunt ? Het antwoord op deze vragen is buiengewoon eenvoudig en direct. De basis is onze solidariteit in de wederzijdse liefde. Wij bidden voor de doden omdat wij hen beminnen. De anglicaanse Aartsbisschop William Temple noemt dergelijke gebeden “het ministerie van de liefde”; en hij bevestigt het met de woorden welke elke orthodoxe christen tot de zijne zou willen maken : “Wij bidden niet voor hen omdat God hen zou verwaarlozen als we het niet doen. Wij bidden voor hen omdat wij weten dat Hij hen bemint en er zorg voor draagt, en wij vragen het voorrecht om onze liefde voor hen met die van God te verenigen”. En zoals Pusey het zegt : “ Weigeren om voor de doden te bidden is een zo koude gedachte, zo tegenstrijdig met de liefde, dat om deze enkele reden alleen al zij niet juist kan zijn .

Vanaf dat moment is geen enkele uitleg of rechtvaardiging van het gebed voor de overledenen nodig of zelfs mogelijk. En dergelijk gebed is eenvoudigweg de spontane uitdrukking van onze liefde voor elkaar. Hier op aarde bidden wij voor de anderen, waarom dan ook niet verder bidden  voor hen na hun dood ? Hebben zij opgehouden te bestaan        en zouden wij daarom moeten ophouden om voor hen te bidden ? Levenden of doden, wij zijn allen leden van eenzelfde familie. Zo moeten levenden en doden tussenbeide komen de een voor de ander. In de Verrezen Christus is er geen scheiding tussen doden en levenden; zoals Vader Macarius Gloukharev het zegt : “Wij zijn allen levend in Hem, er is geen dood”. De fysische dood kan de banden niet uiteen halen van de liefde en van het wederzijds gebed die ons allen verenigt in één  en hetzelfde Lichaam.

Zeker, wij begrijpen niet juist hoe een dergelijk gebed in het voordeel is van de overledenen. Zo ook, wanneer wij bidden voor de levenden, kunnen wij niet uitleggen hoe deze voorbede hen kan helpen. Wij weten uit onze eigen ervaring, dat onze bede voor onze naaste  werkt, en daarom doen we het verder. Echter, of zij zijn gericht op levenden of doden, deze gebeden werken op een manier die mysterievol blijft. Wij zijn onbekwaam om binnen te dringen in de juiste interactie van het gebed, in de vrije wil van een andere persoon, in de genade en de voorkennis van God. Wanneer wij bidden voor de overledenen, volstaat het te weten dat hun liefde blijft groeien en dat zij zo behoefte hebben aan onze steun. Laten wij de rest aan God over.

Indien wij daadwerkelijk geloven dat wij voordeel hebben van een ononderbroken  en blijvende communio met de doden, zullen wij de zorg moeten hebben om, in de mate van het mogelijke, over hen te praten, nu en niet in het verleden. Wij zullen niet zeggen “wij hebben elkaar lief gehad”, “wij waren zo gelukkig samen”, maar we zullen zeggen “wij houden nog van elkaar – nu méér dan ervoor”, “zij is mij dierbaarder dan ooit”, “wij zijn zo gelukkig samen”. Ik ken een Russische dame, lid van de gemeenschap van Oxford, die hardnekkig weigert dat men haar ‘weduwe’ noemt. Haar man is echter reeds jaren overleden, toch kan ze niet ophouden om te zeggen :”Ik ben zijn echtgenote, niet zijn weduwe”. Zij heeft gelijk.

Als we leren om over de doden zo te spreken, in het heden en niet in het verleden, zal dit ons helpen om een probleem op te lossen dat dikwijls bron is van angst voor vele mensen. Het komt te gemakkelijk voor dat men een verzoening met iemand waarvan we verwijderd zijn tot later uistelt . En dan komt de dood, voordat men zich met mekaar heeft verzoend. In een bitter zelfverwijt zijn we dan geneigd om te zeggen : “te laat, te laat, de mogelijkheid is voor altijd verdwenen, er kan niets meer gedaan worden”. Maar wij vergissen ons geheel, want het is niet te laat. En op dat moment kunnen wij naar huis terugkeren, en in ons avondgebed kunnen wij ons rechtstreeks tot de gestorven vriend wenden met wie we ruzie hadden. Wij kunnen dezelfde woorden gebruiken als toen hij nog levend en aanwezig was, en wij kunnen zijn vergeving vragen en onze liefde herbevestigen. Vanaf dat ogenblik zal onze wederzijdse relatie veranderd zijn. Zonder zijn gezicht te zien, noch zijn antwoord te horen, zonder te weten hoe onze woorden hem zullen bereiken, voelen wij in ons hart dat hij en ik een nieuwe aanvang hebben gemaakt. Het is nooit te laat om te herbeginnen.

DE VERRIJZENIS VAN HET LICHAAM

Blijft nog de vraag die zo dikwijls gesteld wordt en onmogelijk te beantwoorden is met onze kennis : de verrijzenis van het lichaam.Wij hebben gezegd dat de menselijke persoon in het begin door God geschapen werd als een ondeelbare eenheid van lichaam en ziel, en dat wij over de grenzen van de scheiding door de fysische dood, de ultieme hereniging van lichaam en ziel verwachten op de laatste dag. Een hollistische anthropologie (= een anthropologie die de gehele mens bestudeert nvdv) zet ons aan, om niet alleen in de onsterfelijkheid van de ziel te geloven, maar in de verrijzenis van het lichaam. Het lichaam maakt immers een integraal deel uit van de ganse menselijke persoon, gans onsterfelijk moet ook lichaam én ziel inhouden. Wat is in dit geval de relatie tussen ons actueel lichaam en onze verrijzenis in de komende tijd ? Hebben wij in deze verrijzenis hetzelfde lichaam als nu of een nieuw lichaam ?

Het beste antwoord is wellicht het volgende :  het lichaam zal terzelfdertijd het zelfde zijn en een ander. Christenen  verstaan de verrijzenis van het lichaam nogal dikwijls op een  simplistische en kortzichtige manier. Zij stellen zich voor dat de essentiële materiële elementen van het lichaam, die opgelost en verspreid zijn door de dood, op één of andere manier terug bijeengebracht zullen worden op de dag van het oordeel, zodat het opnieuw samengesteld lichaam exact dezelfde minuscule delen van materie zal hebben als ervoor.

Maar zij die een continuïteit bevestigen tussen ons actuele lichaam en ons lichaam op de laatste dag, hebben niet noodzakelijk zo een letterlijke visie over de dingen.De Heilige Gregorios van Nyssa bijvoorbeeld, in “De schepping van de mens” en “de Ziel en de verrijzenis”, geeft ons een meer overwogen en verbeeldingrijke voorstelling. De ziel schenkt aan het lichaam een duidelijk verschillende vorm (eidos); zij markeert het lichaam met een merkteken of iets dat karakteristiek is, en  niet van buitenaf is opgelegd , maar vanuit het innerlijk. Het is dit merkteken dat het lichaam het karakter of de innerlijke geestelijke staat van de persoon uitdrukt. In de loop van ons leven hier op aarde zullen de fysische componenten verschillende malen van vorm veranderen, maar in zoverre de vorm die door de ziel wordt uitgedrukt, een continuïteit bezit die niet door deze lichamelijke veranderingen onderhevig is, kan men zeggen dat ons lichaam hetzelfde blijft. Er is een oorspronkelijke lichamelijke voortzetting, omdat er een voortzetting (continuïteit) is in de vorm gegeven door de ziel. Zoals C.S. Lewis het zegt : “Mijn vorm blijft één, alhoewel de materie waarvan ze gemaakt is voortdurend verandert. Ik ben in dit opzicht als de kromming van een waterval”.

Tijdens de ultieme verrijzenis, vervolgt de Heilige Gregorios, zal de ziel ons verrezen lichaam tekenen met hetzelfde merkteken die het had gedurende dit leven. Het is niet nodig dat dezelfde fragmenten bijeengebracht worden; hetzelfde merkteken volstaat opdat het lichaam hetzelfde zou zijn. Tussen ons huidig lichaam en ons verrezen lichaam zal er dus een waarachtige continuïteit zijn, die men nochtans niet moet interpreteren op een té naïeve materialistische manier.

Daaruit volgt : indien het lichaam in deze betekenis hetzelfde blijft in de verrijzenis, zal het evenzeer verschillend zijn. Zoals de Apostel Paulus het zegt ; “Een ziele-lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst !”(1 Kor.15,44). “Geestelijk” mag hier niet geïnterpreteerd worden in de betekenis van “niet materieel”. Het verrezen lichaam zal altijd een materieel lichaam zijn, maar tezelfdertijd zal het getransformeerd worden door de macht en de glorie van de Geest. Zo zal het bevrijd worden van alle beperkingen van de stoffelijkheid zoals we dit nu kennen .

Voorlopig kennen wij de materiële wereld en onze eigen materiële lichamen slechts in het toestand van val, de kenmerken begrijpen die de materie zal bezitten in een niet gevallen wereld gaat ons verbeeldingsvermogen ver te boven.

Wij kunnen slechts in beperkte mate raden naar de transparantie en de vitaliteit, de lichtheid en de gevoeligheid waarmee ons verrezen lichaam, tegelijk materieel en spiritueel, zal worden bekleed op het einde der tijden. Zoals de heilige Efrem de Syriër (+373) het schrijft : “Kijk naar dit individu waarin een leger demonen hun woonplaats heeft gezocht : men wist niet dat ze zich daar bevonden omdat hun leger zich veel fijner en subtiler voordeed dan de ziel. In één lichaam, en volledig, heeft dit leger kunnen verblijven. Maar de lichamen  der rechtvaardigen, die opstaan op de dag der verrijzenis zijn honderd maal fijner en eveneens subtiler . Ze gelijken op een geest die in staat zal zijn te groeien naar eigen wens, samen te krimpen en klein te worden. Als iets kleins, is hij op één plaats, groot geworden, is hij overal… Maar inwelke mate zal dit paradijs nog volstaan voor al deze geesten, waarvan de substantie zo subtiel is dat zelfs de gedachten het niet kunnen vatten.(9) Dit is misschien wel de beste beschrijving die wij zouden kunnen bedenken over de glorie van de verrijzenis. Laten wij de rest over aan de stilte. “Datgene wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard” (1 Joh.3,2). Twee weken voor zijn dood vroeg men aan Ralph Vaughan Williams wat het toekomstige leven voor hem betekende. Hij antwoordde : “Muziek, muziek. Maar in de komende wereld, zal ik geen muziek maken, met alle moeilijkheden en wisselvalligheden dat dit tot gevolg heeft. Ik zal muziek zijn” “Je bent muziek zolang de muziek duurt”, schrijft T.S.Elioth. En in de hemel is de muziek eeuwig.

NOTAS

1. Sobernost, « On Death », 1-2,1979,p.8

2. Oeuvres spirituelles, » 34e discours » , Desclée de Brouwer, 1981, p. 215 (texte modifié sur la base de la traduction anglaise effectuée directement à partir du syriaque par le Monastère de la Sainte Transfiguration, Boston, Massachusetts, 1984, p. 315).
3. Pentecostaire, t.1, Grieks College van Rome, 1978, pp. 21-22.
4. Grand Euchologe et Arkhiératikon, Diaconie apostolique, 1992, p. 212.
5. Creative Suffering, Londres, 1940, p. 44.
6. 5. Tyszkiewicz et Dom Th. Belpaire, Écrits d’ascètes russes, Éditions du Soleil Levant, 1957, p. 104.
7. Ecrits spirituels, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 29), 1979, p. 42.
8. Pentecostaire, t.2, Grieks College van Rome, 1978, pp. 249-50.
9. »La Harpe de l’Esprit » , in Sebastian Brock, L’Oeil de Lumière, Abbaye de Bellefontaine (Spiritualité orientale N° 50), pp. 222-223.

Extrait du livre Le royaume intérieur, Cerf/Le Sel de la Terre, 1993.
Traduit de l’anglais par Lucie et Maxime Egger.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

10:06 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

02-03-11

Het triodium van de Grote Vasten

Het triodium van de Grote Vasten

 

Liturgische bemerkingen

De maandag die volgt op de Zondag van de onthouding van melk is de eerste dag van de Grote Vasten. Gedurende 40 dagen nodigt de Kerk ons uit om ons voor te bereiden op de tijd van de Passie en de tijd van Pasen.

1 – DE  VASTEN

Men kan de vraag naar het vasten van voedsel negeren of het lichtzinnig opvatten. Nochtans heeft het vasten een daadwerkelijke  spirituele waarde. Want de vasten is een “zich beschikbaar stellen”  voor Christus en Zijn Woord. Maar men mag het  vasten niet  alleen beperken  tot het zich onthouden van voedsel. De vasten moet ons vooral helpen om onze daden , onze gedachten, onze woorden beter te controleren. Om onze aandacht meer te richten op de eisen van de Heer, om ons terug te brengen tot onze ware dimensies opdat onze naaste wordt verhoogd. De vasten is een “geheel” waarvan men de innerlijke en uiterlijke aspecten niet mag scheiden, maar waarvan de eerste de meest belangrijke zijn.

2 – DE EUCHARISTISCHE LITURGIEëN

A – In de week

Volgens ons gebruik zijn op de dagen dat er gevast wordt ( ’t is te zeggen alle dagen van de Vasten, uitgezonderd de zaterdag en de zondag) geen celebraties van de Goddelijke Liturgie en dit als teken van berouw. Om de gelovigen toch toe te staan om tot de heilige Communie te naderen, worden de heilige gaven zorgvuldig bewaard na de Liturgie van de Zondag en worden op woensdag en vrijdag aan de gelovigen uitgedeeld in wat wordt genoemd de Liturgie van de Voorafgewijde gaven, ’t is te zeggen, waar de Heilige Gaven  worden genut die vooraf werden geconsacreerd Deze Liturgie van de Voorafgewijde gaven, die in feite een vesperdienst is gevolgd  door de communie, bevat zelf geen eucharistische consecratie. Op zaterdag celebreert men de Goddelijke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos.

B – De Zondag

Gedurende de vasten viert men de liturgie van de Heilige Basilios de Grote in plaats van deze van de Heilige Johannes Chrysostomos.

Deze Liturgie wordt in onze Kerk tien maal per jaar gecelebreerd, en wel als volgt :

-De 5 eerste Zondagen van de Vasten

- Op Witte Donderdag, en Paaszaterdag

- Op de vooravond van kerstmis en van Epiphanie ( maar indien deze feesten vallen op een zondag of een maandag, dan zal de Liturgie van de Heilige Basilios plaats vinden op de dag zelf van het feest)

- de eerste januari, feest van de heilige Basilius

3 – DE GROTE COMPLETEN

Het is het laatste van de officies van de dag die men de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de Grote Vasten opzegt.

In dit officie leest men een groot  bijbels gebed van berouw, dit van Manasse, koning van Juda

4 – DE GROTE CANON VAN DE HEILIGE ANDREAS VAN CRETA

Het wordt in delen gelezen in de Grote completen, de maandag, de dinsdag, de woensdag en de donderdag van de eerste week van de Vasten, en integraal de woensdag avond van de vijfde week. Het is een groot  gedicht van 250 strofen, verdeeld in 9 odes.

5 – DE HYMNE VAN DE ACATHIST

Het is een lang gedicht van lofprijzing aan de heilige Maagd Maria, die 24 strofen bevat,  die gerangschikt zijn in alfabetische  orde en verdeeld in vier delen. De vier eerste vrijdagen van de vasten leest men er een deel in van de avond tijdens de completen. De vijfde vrijdag leest men gans de hymne. Het officie heet “acathist”, want men zingt het rechtstaand.(Letterlijk is het een hymne gedurende de zang waarin men niet zit)

In 626 bezetten de Avaren en de Perzen Constantinopel waarvan de Keizer Héraclitus was. De clerus en het volk zouden de ganse nacht in gebed hebben doorgebracht terwijl ze deze hymne aan de heilige Maagd zongen. En de stad werd gered. Men voegde daarbij de herinnering aan twee andere bevrijdingen van Constantinopel, wanneer de stad zich had te verdedigen tegen de Arabieren in 677 en 717. De auteur van de hymne zou voor de ene Patriarch Serge van Constantinopel geweest zijn, voor anderen dan weer zijn archivaris, Georges le Pisside.

6 – DE EERSTE ZATERDAG VAN DE VASTEN

Wij herdenken het mirakel van de kolivia van St. Théodoros de Rekruut, die stierf als martelaar in de 4e eeuw van ons tijdperk. Zie hier hoe het mirakel had plaatsgevonden : Julien de afvallige had het bevel gegeven om de producten die reeds aan de afgoden waren gegeven en verontreinigd waren door het bloed van de slachtoffers, op de markt te verkopen. De heilige martelaar verscheen aan de Patriarch van Constantinopel  Eudoxius om de chistenen te vermanen zich slechts te voeden met kolivia, korenharen gekookt in water en gekruid met suiker, en die we nog nuttigen wanneer wij een requiem celebreren

 

08:34 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

23-02-11

Borelly : Canonische discipline in de orthodoxe kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

10:07 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

16-02-11

Endokimov Paul : Het heilige

Het heilige

 

De gewone omgangstaal gebruikt dikwijls de uitdrukkingen : de heilige wil, de heilige plicht, de heilige wet, een heilig man. In de loop van de semantische evolutie zal de term “heilig” zich losmaken  van haar wortels en een morele betekenis aannemen die ver  staat van haar initiele ontologische betekenis.

Voor alles, stelt het heilige zich boven de elementen van deze wereld en stelt zij het binnendringen vast van wat R.Otto het “ganz Andere” noemt, alsoluut anders, verschillend van deze wereld. De Bijbel geeft ons de juiste betekenis : God alleen is “ontos” – waarachtig in alles wat hij is, de Heilige; het schepsel is er in zekere zin van afgeleid; het heilige of de heilige is nooit zo door zijn eigen natuur, door zijn essentie, maar altijd door participatie. De term Qadosh, agios,sacer,sanctus, houdt een relatie in van totaal toebehoren aan God en postuleert een uitzondering. De act die heilige maakt ontneemt iets of een zijnde zijn empirische condities en plaatst hem in communio met het numineuze, dat wat hun natuur verandert en dat onmiddellijk aan de omgeving het mysterium tremendum doet ervaren, de heilige siddering voor de tegenwoordigheid van dit “numineuze”. Het is niet de schrik voor het onbekende, maar een zeer karakteristieke mystieke ontzetting die elke manifestatie van de transcenderende, zijn energetische uitstraling vergezeld doorheen de realiteiten van deze wereld : “ Vrees voor mij zal ik doen uitgaan. Alle volkeren die gij aantreft zal ik in paniek brengen” zegt God (EX.23,27; of nog :”Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar gij staat is heilige grond” (Ex,3,5).

Het is onder de onechte elementen van deze wereld, de ontstellende intrede van een “onschuldige” realiteit, want geheiligd, wat betekent gereinigd en teruggebracht tot zijn  originele staat, tot zijn authentisch  noodlot :  de  zuivere verzamelplaats van een aanwezigheid, opdat het heilige van God erin ruste en uitstraalt. Immers, “deze plaats is heilige” door de aanwezigheid van God, zoals dat gedeelte van de Tempel  heilig was dat de ark van het Verbond bevatte, zoals de “Heilige schriften” het  zijn, want zij bevatten de aanwezigheid van Christus in zijn woord, zoals gans de Kerk heilig is, want God verblijft er en maakt het tot “Huis van God”, hij spreekt er en geeft het zijn voedsel. De “Vredeskus”, tijdens de  liturgische synaxis werd “heilig” genoemd want  het bezegelde de communio met de aanwezige Christus. De engelen, “tweede lichten” zijn heilig want zij leven in het licht van God en stralen het uit. De profeten, de apostelen, “de heiligen van Jeruzalem” zijn heilig door de charismen van hun dienstverlening. Het is door een “uitverkiezing” dat Israël het ethnos agion, een “heilige natie” was; en in de economie van het Nieuwe Israël wordt elke gedoopte  “gezalfde”, gezalfd met de gaven van de heilige Geest; deze gaven integreren hem in Christus opdat hij zou “participeren aan de natuur van God” (IIPetrus 1,4), en door deze deelname, wordt hij heilig , heiligt hij zich. De bisschoppen onder hen kennen zich de titel toe van sanctus frater,  en een patriarch draagt de titel “zijne heiligheid”, niet krachtens zijn menselijke realiteit, maar door zijn bijzondere deelname aan het priesterschap van Christus, enige opperpriester, alleen heilig.

De liturgie brengt ons een zeer uitdrukkelijke lering over deze notie. Voordat hij het eucharistisch maal offert, zegt de priester : “het heilige voor de heiligen” en de verzamelde gelovigen, alsof gegrepen door deze ontzagwekkende eis, antwoord door zijn onwaardigheid te belijden : Tu solus sanctus, Alleen de Heer Jezus Christus is heilig”. De enige, de unieke Heilige door zijn natuur is Christus, zijn leden zijn slechts heilig door het participatie aan deze unieke heiligheid. “Uw licht weerkaatst op de gezichten van uw heiligen” zingt de Kerk. “Christus heeft zijn Kerk liefgehad…opdat zij heilig zou zijn” (Ef.5,25-27), en “de gelovigen worden  heiligen genoemd omwille van de heilige dingen waaraan  zij deelhebben”legt Nicolas Cabasilas uit. Jesaja (6,5-6) geeft er een zeer nauwkeurige beschrijving van : “Ik ben een mens wiens lippen onzuiver zijn…maar één van de serafijnen vloog naar mij toe met in de hand een brandende kool die hij van het altaar had genomen met  een tang…en hij raakte mijn mond aan en zegt : dit heeft uw lippen aangeraakt, uw ongerechtigheid is weggenomen” De mens is  heilig geworden door zuivering, want de machten van daarboven hebben hem aangeraakt. De priester “herdenkt” dit visioen van  Jesaja : hij kust de rand van de kelk, symbool van de doorstoken zijde van Christus zeggend : Dit heeft mijn lippen aangeraakt, neem mijn ongerechtigheden  weg en zuiver mij van mijn zonden” De lepel waarmee de priester zich bediend om de heilige gaven te geven noemt in het grieks “lavis”, pincet, waarvan ook Jesaja spreekt, en de spirituelen,  die de eucharistie voor de geest halen, zeggen : “Gij nuttigt het vuur”

Uit deze unieke goddelijke bron vloeit, door participatie, de liturgische heiliging voort welke alle daden van het menselijk leven  integreren volgens hun daadwerkelijke bestemming.

De mens  geraakt er aan gewend om te leven in de wereld van God, in de diepten  waarin hij een paradijselijke toekomst kan waarnemen; het universum wordt opgebouwd in de cosmische liturgie, als tempel van de glorie van God. Dit doet ons begrijpen dat alles virtueel heilig is en dat er niets profaan is,  niets neutraal, want alles is op God gericht  ( het  liturgisch “gedenken” betekent zich op God richten, alles terugbrengen in de herinnering, tot  gedachtenis van God). Niettemin, naast het heilige vormt zich zijn karikatuur, de bedenkelijke deelname aan de “Prins van  de duisternis, aan de demoon.Het is daarom dat de heilige Gregorius van Nyssa categoriek  simpel weg het menselijke en het zuivere profane als onbestaand beschouwt. Ofwel is de mens  de “engel van het licht”, de icoon van God, zijn gelijkenis, of hij draagt het masker van het beest en  speelt hij voor aap.

De liturgie gewijd aan de taal van het heilige, introduceert in de wereld symbolen. Een symbool ( een kruis, een icoon, een tempel) vertegenwoordigt een deelnam aan het hemelse, zelfs in haar  uiterlijke materiële verschijning. Echter, een fragment van de tijd of het heelal wordt een hiërofanie, een  verzamelplaats  voor het heilige, en dit, zonder dat er iets verandert voor de fysieke ogen die blijven deelnemen aan de empirische omgeving. Maar tussen het heilige en zijn materiële drager, bestaat er een ontologische communio ( tussen de materie van de sacramenten of het menselijk zijn enerzijds, en de energieën van de genade van het andere anderzijds).  In het uiterste geval, de communie gaat over tot een consubstantialiteit en een totaal metabolisme : het brood en de eucharistische wijn betekenen noch symboliseren het lichaam en bloed , maar zij zijn het. Dit is het mirakel van de “identiteit door de genade” waarvan de heilige Maxim spreekt; de heilige Arsenius verscheen aan zijn leerlingen, onder de vorm van vuur, licht-mens :  hij ving het niet alleen op, hij bracht het voort. Maar voor deze beperkte gevallen zegt het woord van het evangelie : “Wie oren heeft om te horen hij hore”.

 

UitL’Art de l’icone’- Paul Evdokimov – pp.105-108

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

10:59 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

08-02-11

Romanides : Het leven in Christus

HET LEVEN IN CHRISTUS

door Vader John. S.  Romanides

De heilige opdracht voor de Orthodoxie van vandaag en in het bijzonder voor de jongeren, die zich vaak van het liberalisme van de vorige generaties willen losmaken, is om de overwinning van Pasen in het dagelijkse leven van de Kerk te  herontdekken. Het gemeenschappelijk geloof en de verering van de Apostelen en de Vaders blijven essentieel onveranderd in onze liturgische en canonische boeken, maar in de praktijk, in de geest van de clerus en de gelovigen, heerst er een grote verwarring, die zonder twijfel te wijten is aan een gebrek van geestelijk inzicht in de aard zelf van het werk van Christus in de Kerk. Talrijke personen die beweren orthodox te zijn en die het oprecht willen zijn, stellen zich  het leven van de Kerk voor als zijnde in overeenstemming met hun eigen vage gevoelens,en niet in de geest van de Apostelen en de Kerkvaders. Wat ontbreekt, is een levendige aanvaarding van wat het sacramentele leven van de Kerk vooronderstelt.
Dit gebrek aan duidelijkheid verklaart in hoge mate de zwakheid van de Kerk in de westerse wereld en in het bijzonder wanneer het gaat over de houding ten opzichte van de verschillende varianten van schismas en ketterijen.Zij die niet kunnen begrijpen dat „de Geest zelf getuigenis aflegt aan onze geest dat wij kinderen van God zijn „(Rom 8,16) kunnen de Waarheid niet verkondigen, maar moeten zich de vraag stellen: zijn wij zelf niet  buiten de waarheid en, bijgevolg, afgestorven leden van de Kerk?

  1. 1.   Vooronderstelling van het sacramentele leven.

In tegenstelling tot de meeste Westerse belijdenissen die de dood als een normaal verschijnsel aanvaarden, of het beschouwen als een  gevolg van een juridische beslissing van God om de zondaar te straffen, stelt de Traditie van de Kerkvaders van het Oosten dat de dood wezenlijk aan de zonde gebonden is (1 Kor.56), en dat zij tot de macht van de duivel behoort (Hebr.2,14). De Vaders van het Oosten verwierpen het idee dat God de auteur van de dood is, en dat men in deze wereld normaal kan leven , onder voorwaarde dat men de natuurwetten volgt waarvan men veronderstelt dat zij  het universum besturen.

De orthodoxe opvatting van het universum is onverenigbaar met een statisch systeem van natuurlijke morele wetten. De wereld wordt daarentegen opgevat als het actieterrein  van levende personen. Een levende en persoonlijke God  ligt aan de oorsprong van de schepping. Zijn alomtegenwoordigheid sluit echter geen andere wil uit die door Hem zelf tot stand gebracht is, en die de macht heeft om Gods wil, de wil van de Schepper, te verwerpen.

Zo is de duivel niet alleen in staat om te bestaan, maar ook om te streven naar de vernietiging van Gods werken. Hij doet dit door de schepping naar het niets te trekken waaruit het gekomen is. De dood, die ‘een terugkeer is naar het niets’ (Heilige Athanasius – de incarnatio Verbi, 4-5), vormt de essentie zelf van de duivelse macht over de schepping (Rom.8,19-22).

De verrijzenis van Christus, in de realiteit van Zijn vlees en beenderen (Luc.24,39) vormt niet alleen het bewijs van het ‘abnormale karakter van de dood, maar noemt haar ook de echte vijand (1 Kor.15,26).

Maar als de dood een abnormaal verschijnsel is, kan er niet zoiets zijn als een ‘morele wet’, inherent aan het universum. De Bijbel, minstens, kent het niet (Rom.8,19-22). Anders heeft de Heer Jezus Christus zich tevergeefs opgeofferd voor ‘onze zonden’ om ons van deze slechte wereld te verlossen (Gal.1,4). Het lot van de mens was in het begin volmaakt, het moet ook nu terug volmaakt worden, zoals God volmaakt is (Ef.5,1;4,13). Deze voltooiing van de volmaaktheid werd onmogelijk gemaakt door de komst van de dood in de wereld (Rom 5,12), want ‘de angel van de dood’ is de zonde (1 Kor.15,56).

Eenmaal gebonden aan de macht van de dood, kan de mens zich slechts met verwaandheid aan zijn vlees interesseren (Rom 7,14-25).Zijn instinct van zelfbescherming  vervult zijn dagelijks leven en zet hem ertoe aan om vaak onrechtvaardig te handelen tegenover anderen, dit voor zijn persoonlijke winst. (1 Thess.4,4). Iemand die gebonden is door de angst om de dood (Hebr.2,15), kan in zijn leven geen scheppende liefde voortbrengen en navolger van Christus zijn (Ef.5,1). De dood en het instinct van zelfbescherming liggen aan de wortel van de zonde, die de mens van de eenheid in de liefde, het goddelijk leven en de waarheid scheidt. Volgens de Heilige Cyrillos van Alexandrië, is de dood de vijand die de mens verhindert  om God en de naaste te beminnen en om niet bezorgd te zijn om zijn eigen zorgen en zijn eigen comfort. Uit angst om elke waarde te verliezen, probeert de mens aan anderen te bewijzen dat hij werkelijke iemand is. Hij probeert zich dan naar buiten toe te gedragen alsof hij méér is dan anderen, op sommige punten althans. Hij houdt van degenen die hem vleien en verafschuwt diegenen die hem beledigen. Een belediging treft diepgaand de mens die vreest om onbelangrijk te worden!. Datgene wat de wereld beschouwt als een ‘natuurlijk mens’, is gewoonlijk iemand die leeft van gedeeltelijke leugens en teleurstellingen.Hij kan slechts hen liefhebben die hem een zekere veiligheid bezorgen, terwijl zijn instinct van morele en fysische zelf-bescherming hem oproept om zijn vijanden te haten (Matth. 5,46-48; Luc.6,32-36). De dood is de bron van het individualisme : het is zij die de macht bezit  om als scheidsrechter van de mens ‘het lichaam aan de dood’ volledig te onderwerpen (Rom 7,18).Het is de dood die, door de mens te herleiden tot egocentrisme en egoïsme, hem blind maakt voor de waarheid. En de waarheid wordt door velen verworpen, want zij is moeilijk te aanvaarden. De mens verkiest het liefst deze waarheid te aanvaarden die zijn persoonlijke verlangens tevredenstelt. De mensheid beoogt eerder de veiligheid en het geluk dan het lijden en de liefde te aanvaarden, want dit stelt zijn persoonlijke verlangens tevreden (Fil.1,27-29). De natuurlijke mens verkiest een godsdienst die hem een veiligheidsgevoel geeft  met morele voorschriften en eenvoudige regels die gevoelens van comfort geven en die geen enkele verloochening van zijn ‘ik’ vereisen in ‘het afgestorven zijn aan de leerbeginselen van de wereld’ (Kol.2,20).

De Apostelen en de Vaders brengen ons geen voldongen geloof vol van ‘gevoelens van vroomheid’  of  ‘troost’. Integendeel, op elke bladzijde horen wij een overwinningskreet over de dood en de vergankelijkheid.‘O dood,waar is uw prikkel ? O graf waar is uw overwinning ?..Genade aan God, die ons de overwinning geeft door Christus Jezus’ (1 Kor.15,55-57).

De overwinning van Christus op de duivel, die de mens van God en de naaste scheidt, heeft de macht van de dood vernietigd (Ef.2,13-22). Deze overwinning op de dood en de vergankelijkheid werd in het vlees van Christus vervuld (ibid.2,15), zoals ook voor de rechtvaardigen die ervoor gestorven zijn (1 Petrus 3,19). ‘Christus is verrezen uit de doden, door de dood heeft hij de dood overwonnen aan hen die in het graf zijn heeft hij het leven geschonken’ (Hymne van Pasen). Het Koninkrijk Gods is reeds aanwezig zowel over de grenzen van het graf heen als hier op aarde (Ef.2,19). De deuren van de hel kunnen niet zegevieren over het Lichaam van Christus (Matth.16,18). De macht van de dood kan het koninkrijk van het leven niet overweldigen. Elke dag nadert de duivel en zijn koninkrijk zijn definitieve nederlaag(1 Kor.15,26). Deze zekerheid hebben wij gekregen in het Lichaam van Christus.

2. Sacramentele deelname aan de overwinning van het kruis

De deelname aan de overwinning van het kruis is niet enkel maar hoop voor de toekomst, maar een aanwezige werkelijkheid  (Ef. 2,13-22). Zij wordt toegekend aan diegenen die gedoopt zijn (Rom.6,3-4) en gegrifd op het Lichaam van Christus (Joh.15,1-8). Er bestaat echter geen magische garantie voor het heil en de onafgebroken deelname aan het leven van Christus (Rom.9,19—2).

Christus is gekomen om de macht van de verdeeldheid te vernietigen, door diegenen te verenigen die in Hem geloven in het diepste van Zijn Lichaam. Het uiterlijk teken  van de Kerk is de eenheid in Liefde (Joh.17,21), terwijl het centrum en de bron van deze eenheid de eucharistie is : ‘want daar er één Brood is, vormen wij, die verscheiden zijn, één lichaam, omdat wij deelhebben aan één  enkel Brood’ 1 Kor.6,19-20). De doop en de myronzalving enten ons op het Lichaam van Christus, terwijl de eucharistie ons levend maakt in Christus en ons samen één maakt door de inwoning van de Heilige Geest in ons lichaam (1 Kor.6,19-20).

Het geloof is onvoldoende voor ons heil. De catechumenen, die reeds ‘gelovigen’ waren, moesten er voor hun doopsel op waken om datgene te verwerpen wat de wereld als ‘het normale’ beschouwt, door te sterven aan het lichaam van de zonde en de dood, en om te verrijzen in de éénheid van de Heilige Geest. Dit wil zeggen, dat wij moesten met verenig worden met de andere leden van een locale gemeenschap in Christus en het gemeenschappelijk leven in Liefde. De Orthodoxie kent niet zoiets als een  sentimentele liefde voor de mensheid. Het is met concrete mensen dat wij verenigd moeten worden om in Christus te leven. De enige weg die tot de liefde tot Christus leidt is de realiteit van de andere Christenen lief te hebben.’Ik zeg u, wat gij niet gedaan hebt voor één van deze geringsten, dat hebt gij ook voor Mij niet gedaan’ (Matth.25,45). De liefde voor het lichaam van Christus bestaat niet uit vage abstracties over de noodzaak om ideologen of menselijke beweegredenen te dienen. De liefde, volgens het beeld van Christus, bestaat erin om gekruisigd te worden voor de wereld, om zich van alle vage ideeën los te maken, om de volle complexiteit van het gemeenschappelijke te ‘leven’, om Christus lief te hebben in het lichaam van de broeders met hun zeer reëel bestaan. Het is zo gemakkelijk om over liefde en goedheid te spreken, maar het is moeilijker om in een intieme en waarachtige relatie te treden met mensen van verschillende afkomst. Het is nochtans dit wat de dood en de Verrijzenis van Christus heeft teweeggebracht : een  gemeenschap der heiligen die niet aan zichzelf denken, niet aan hun eigen  meningen, maar die ononderbroken hun liefde voor Christus en de andere mensen uitdrukken, zoekende om zich te verootmoedigen, zoals Christus zich heeft verootmoedigd. Wat niet mogelijk was onder de wet van de dood is mogelijk geworden door de eenheid in de Geest van leven.

3. Hoe wij vandaag de overwinning van het kruis verwezenlijken.

Gedurende haar bestaan heeft de kerk altijd moeten vechten tegen de zonde en de corruptie van haar eigen leden, en dikwijls ook in de schoot van haar geestelijkheid. Zij kon echter altijd de aangewezen middelen toepassen, want zij was in staat om de vijand te herkennen. De Kerk is in de waarheid, niet omdat al haar leden zonder zonde zijn, maar omdat het sacramentele leven altijd in haar aanwezig is, en hiertegen is de duivel machteloos. ‘Wanneer u zich vaak in één plaats verzamelt, is de macht van de duivel gebroken’ (H. Ignatios van Antiochië, Epistel aan de Efesiërs,13). Telkens als de leden van een Gemeenschap bijeenkomen om de Eucharistie te celebreren en ze in staat zijn om gemeende vredeskussen uit te delen voordat men communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus is de duivel verslagen. Nochtans, indien één lid van het Lichaam van Christus onwaardig communiceert, eet en drinkt hij zijn veroordeling (1 Kor.11,29). Wanneer een Christen in het geheel niet communiceert aan het Lichaam en Bloed van Christus in elke Eucharistie, is hij geestelijk dood (Joh.6,53). De Kerk heeft altijd geweigerd om het gebruik goed te keuren waarbij een groot aantal gelovigen de Eucharistie bijwonen, maar slechts weinigen communiceren. Aanwezigheid en deelname aan het gebed en de communie zijn onafscheidelijk (7e apostolische canon; Heilige Johannes Chrysostomos,3e homelie aan de Efesiërs). ‘ Hij die zich niet verenigt met de Kerkelijke gemeenschap heeft daardoor zelf zijn hoogmoed bewezen en heeft hij zichzelf veroordeeld’ (Heilige Ignatius van Antiochië, Efesiërs 5). De bijbelse en patristieke traditie is unaniem op dit punt : iemand kan slechts een levend lid van het Lichaam van Christus zijn, indien hij gestorven is voor de macht van de dood en leeft in de hernieuwing van de Geest van leven. Omwille van dezelfde reden werden zij, die Christus gedurende zijn folteringen hebben verloochend, gezien als geëxcommunieerden. Eens dat een christen met Christus stierf  in de doop,verwachtte men van hem dat hij bereid zou zijn om op gelijk welk moment met Christus te sterven. ‘wie Mij voor de mensen verloochent,hem zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is’ (Matth.10,33). De 10e Canon van het Eerste Oecumenisch Concilie neemt geen genoegen met de wijding te verbieden van diegenen die Christus gedurende de vervolgingen hebben verloochend, maar verklaart ook automatisch elke wijding van dit soort als ongeldig, zelfs al hebben ze plaatsgevonden in totale onwetendheid van de wijdende bisschop. Hij die dergelijke wijding zou hebben toegediend werd zelfs ook zijn priesterschap ontnomen. Hoe ernstiger is de zonde tegen de beloften van het doopsel van hen die te lui zijn om naar de Kerk te gaan. De goedkeuring die onze clerus van vandaag toekent aan onze sacramentele praktijk is nog meer onaanvaardbaar ! Indien de christen geëxcommunieerd was omdat hij Christus verloochend had na uren van fysische foltering, dan zijn zij die week na week zichzelf excommunieren des te meer te veroordelen. De kwaliteiten en de methodes van de duivel zijn niet veranderd, De duivel is gelijk aan zichzelf gebleven, zoals Paulus het beschrijft :”ook zijn dienaars doen zich voor als dienaars van gerechtigheid” (2 Kor.11,15).  De macht van de dood in de wereld is dezelfde gebleven. De middelen van het heil, door de dood van het doopsel en het leven van de Eucharistie zijn ook dezelfde gebleven (ten minste in de liturgische boeken van de Kerk). De Canons van de Kerk zijn niet veranderd. Wij kiezen nog altijd dezelfde Schriften die bekrachtigd zijn door de Vaders. Hoe kunnen wij dan onze moderne zwakheden verklaren ?  Zij zijn nog nooit zo evident geweest. Er kan slechts één antwoord zijn op die vraag. De leden van de Kerk bestrijden de  kwade niet meer in de geest van de Bijbel.  Veel Christenen gebruiken de Kerk voor hun eigen belangen en interpreteren de leer van Christus volgens hun eigen gevoelens. De essentiële taak van de orthodoxe jeugd moet vandaag de dag daarin bestaan, dat zij terugkeren tot de waarheid van de Apostelen en de Vaders, om niet meer te handelen volgens de wetten van de prins der duisternissen en de grondbeginselen van deze wereld. Want daarvoor is Christus gestorven. Dit  verloochenen betekent Christus’kruis en het bloed der martelaren verloochenen. Vooraleer de ‘strengheid’ van de leer der Kerkvaders te bekritiseren, moet de moderne orthodoxie terugkeren naar de vooronderstellingen van het leven in Christus in de Schrift, en erop letten om de leer van Christus niet te verderven.

P.R. Jean ROMANIDES in SYNAXE No 21 (p.26-28) en No 22 (p.23-26)

Vertaling :Kris Biesbroeck

 

10:45 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

01-02-11

Waarom valt Orthodox Pasen op een andere datum ?

Waarom valt Orthodox Pasen op een andere datum?

Geplaatst door Samos Magazine op zondag, maart 14, 2010
.

In de eerste paar eeuwen na Christus vierde bijna iedere plaatselijke kerk Pasen op een verschillende datum. Sommige kerken bepaalden de datum aan de hand van het Joodse Pesach, andere vierden Pasen ieder jaar op 27 maart, en zo waren er nog meer tradities die allemaal een andere uitkomst gaven.


Het eerste Oecumenische Concilie in Nicea (een algemene vergadering van de hele kerk, gehouden in 325) maakte daar een eind aan. Men wilde één regel gebruiken om de datum van het feest van de Opstanding te berekenen. Zo besloot men dat het feest van de Opstanding altijd na Pesach moest vallen, zoals ook de Opstanding zelf na Pesach was. Verder moest het een zondag zijn, de eerste dag van de week, als de nieuwe of Achtste Dag van de Schepping. En ook moest het feest vallen op de eerste zondag na de eerste volle maan, na de eerste dag van de lente. Een vaste datum kwam dus niet in aanmerking. De datum van Pesach wordt op een soortgelijke manier berekend, en deze berekening zou meestal voldoende moeten zijn om Pasen na Pesach te laten vallen. Voor de jaren waarin dat niet zo was voegde het Concilie toe "na het Joodse Pesach".

Het verschil in paasdatum is niet alleen het gevolg van het feit dat de Orthodoxe Kerk nog eeuwen na 1582 (het jaar waarin Rome de Gregoriaanse kalender invoerde) de Juliaanse kalender heeft gebruikt, hoewel de paasdatum wel volgens de Juliaanse kalender wordt berekend. Lang daarvoor heeft de Orthodoxe Kerk al overwogen de berekening te hervormen, maar men wilde geen methode invoeren waardoor Pasen vóór Pesach zou kunnen vallen.

In het kort: wanneer het volle maan is na Gregoriaans 3 april (= Juliaans 21 maart), dan valt Orthodox Pasen gelijk met Westers Pasen (zoals in 2010); begint Pesach echter op of na Witte Donderdag, dan wordt de paasdatum nog een week opgeschoven. Dat was bijvoorbeeld zo in 2009: volle maan op 9 april, Pesach op 9 april (Witte Donderdag in de Westerse kalender), Westers Pasen op de eerstvolgende zondag (12 april), Orthodox Pasen één week later, op 19 april.
Is het volle maan na Gregoriaans 21 maart, maar voor Juliaans 21 maart, dan gebruikt de Orthodoxe Kerk de volgende volle maan en valt Pasen 4 weken later dan in het Westen. Ook dan geldt de Pesach-regel, waardoor het verschil 5 weken kan worden.

De laatste keer dat Pasen in Oost en West op dezelfde datum zal vallen is 24 april 2698. Daarna is het verschil tussen de kalenders zo groot dat dit nooit meer voorkomt. Het maximale verschil tussen de Westerse en Orthodoxe Paasdatum is dan opgelopen tot 6 weken
Ook dit jaar valt het Orthodox Paasfeest nog samen met het Rooms Katholieke.

 

10:45 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

28-01-11

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

Als gij in de woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde

--------------

Augustinus

 

 

Augustinus164.jpg

 

Deze wereld is voor alle gelovigen die verlangen naar het vaderland, wat de woestijn was voor het volk van Israël. Het joodse volk doolde rond op zoek naar het vaderland, maar onder Gods leiding kon het onmogelijk verdwalen. Het bevel van God zelf was de weg voor de joden. Hoewel hun omzwervingen veertig volle jaren duurden, waren de echte halteplaatsen op hun tocht niet erg talrijk, zoals gij allen weet. Hun reis verliep zo traag omdat zij door God op de proef werden gesteld, niet omdat Hij ze in de steek liet.

Zoals de Schrift zegt en wij u al zo dikwijls voorgehouden hebben, belooft God ons een onuitsprekelijke heerlijkheid en een geluk “dat geen oog gezien heeft, geen oor heeft gehoord en in geen mensengeest is opgekomen”. Wij worden echter bedroefd door de pijn van dit leven en trekken lering uit de bekoringen van het huidige bestaan. Maar indien gij in deze woestijn niet van dorst wilt omkomen, laaf u dan aan de liefde. Dat is de bron die de Heer ons op aarde heeft willen schenken, om te verhinderen dat wij onderweg zouden bezwijken. Natuurlijk zullen wij er ons nog veel rijkelijker aan laven later in het vaderland zelf.

Zojuist werd u het evangelie voorgelezen. Gingen de woorden of tenminste de laatste woorden van deze passage van het evangelie over iets anders dan over de liefde ? Daar stond dat wij met onze God in het gebed een overeenkomst gesloten hebben : als wij willen dat God ons onze zonden vergeeft, moeten ook wij de zonden vergeven die anderen tegen ons bedreven hebben. Alleen de liefde echter kan vergeven. Neem de liefde weg uit uw hart en er blijft niets over dan haat die van geen vergeven weet. Laat er liefde in uw hart zijn : zij vergeeft zonder zich veel zorgen te maken en zij kent geen kleingeestigheid.

De eerste brief van Johannes is feitelijk niets anders dan één lange aanbeveling van de liefde. Wij zijn niet bang dat de liefde vervelend wordt, al komen wij er nog zo dikwijls op terug. Hoe zou er immers nog sprake kunnen zijn van liefde, als zij gaat tegenstaan ? Wanneer het precies door de liefde is dat wij op de juiste wijze van al het overige houden, dan moet zijzelf toch erg beminnenswaard zijn. Indien de liefde nooit uit ons hart mag verdwijnen, mogen wij evenmin ooit ophouden over haar te spreken.

Uit : “Eenheid in liefde” Augustinus preken over de brief van Johannes – vertaald door TJ van Bavel. P117-118

 

11:02 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

04-01-11

Laham : de parochie als eucharistische gemeenschap

 

De parochie als eucharistische gemeenschap

Buiten de eigen specifieke kenmerken van elke parochie, is het voornaamste  kenmerk van elke parochie onze gemeenschappelijke deelname aan de liturgie, onze communio in dezelfde tijdruimtelijke  context aan het Lichaam en bloed van Christus. Het objectief van deze inleiding zal dus zijn , te begrijpen hoe de eucharistie onze gemeenschap oriënteert, ze bijeenbrengt en haar een kracht tot getuigenis geeft.

De term “gemeenschap” betekent “samen verenigd zijn”, een band rond éénzelfde centrum. Dit centrum kan een zelfde belang zijn, een activiteit, een identiteit. De notie van gemeenschap bevat dus zowel een notie van eenheid, maar ook een cirkel, een limiet en dus een kronkel. Vandaag  komt dit veel voor bij gemeenschappen die zich , bijvoorbeeld rond de groepen Facebook verzamelen, de segmenten van de markt die personen hergroeperen die dezelfde koopgedragingen hebben, de blogs die gekenmerkt worden  als zijnde “gemeenschappen”, enz..

Daarentegen bevat het bijvoeglijk naamwoord “eucharistisch” onmiddellijk een notie van openheid die teruggaat op de term “eucharistie”, wat betekent “dank zeggen”, danken – in het bijzonder voor het heilswerk van de Drie eenheid : God wordt mens opdat de mens zou opgenomen worden in Christus, god zou worden, door de genade van de Heilige Geest. Het gaat hier dus om een openheid naar God toe, maar ook impliciet, om een openheid naar al diegenen die dezelfde eucharistie celebreren ( want door te comminiceren aan dezelfde Christus, zijn wij met elkaar verbonden). Door de eucharistie worden wij eenzelfde lichaam en niet alleen op een denkbeeldige wijze : indien een lid lijdt, dan lijden alle leden met hem, om St.Paulus te parafraseren.

Een dubbele beweging van inwendigheid en uitwendigheid

De notie van eucharistische gemeenschap kan ook betrekking hebben op een tweede dynamiek, waar een neerdalende beweging en een sociale – horizontale dimensie elkaar kruisen. Volgens een eerste aanvoelen definieert de eucharistie zich voor alles als een deelname aan het lichaam en bloed van de Verrezene. Mijn persoonlijke ontmoeting met God primeert – de communie wordt het middel waardoor ik gered word. Dit aanvoelen richt zich aldus zo om van de eucharistie een individuele daad te maken, die beantwoordt aan een persoonlijk appèl, als gevolg waarvan ik naar de kerk ga om mij met God te verenigen. Dat mijn medegelovigen dit ook doen is hierbij bijkomstig, ondergeschikt.

Een tweede gevoeligheid zou de neiging hebben om het accent vooral te leggen op het collectieve aspect, op de sociale band. De parochie definieert zich als datgene wat mij aan andere personen bindt in functie van mijn identiteit en mijn religieus toebehoren. Voor mij zal de communautaire geest primeren, de ontmoeting met die of die andere persoon ( en het is anderzijds op deze criteria dat ik zal kiezen naar welke parochie ik ga).

Elk van ons voelt zich meer thuis in deze of die bepaalde gevoeligheid. Het is ook mogelijk dat wij zullen afwisselen en dat wij ons nu eens meer zullen erkennen in de “individualistische” tendens en dan weer in de meer “sociale” dimensie. Niettemin schijnt het dat deze twee “neigingen”, indien zij op een evenwichtige manier worden beleefd in feite complementair zijn en dat zij al hun betekenis geven aan de parochie.

Zoals metropoliet Jean (Zizioulas) ons eraan herinnert in zijn boek L’Eucharistie, l”Evêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer, coll.”Theofanie”,1994), de gemeenschap met de heilige gaven (verticale dimensie ) is tegelijk een “communio met de heiligen” (’t is te zeggen in brede zin, met alle deelnemers aan het Lichaam en Bloed van Christus). Ons zo tot Christus wenden verplicht ons ertoe ook tot de anderen te naderen(…) In dit verband nodigt de liturgie van de heilige Basilios ons direct na de epiclese uit om deze dubbele communio met God en de andere mensen te vragen :”En allen die aan dit ene brood en deze unieke kelk deelhebben, laten wij ons met elkaar verenigen in de communio van de unieke Heilige Geest”.

De eerste Christenen, een model van eucharistische communio

Het voorbeeld van de eerste christenen, zoals het beschreven staat in de Handelingen der apostelen blijft voor ons het juiste model van de eucharistische gemeenschap. De eerste gedoopten “waren ijverig in de leer van de apostelen, trouw aan de broederlijke liefde, het breken van het brood en het gebed (…) Allen die het geloof bezaten hadden alles gemeenschappelijk. Zij verkochten hun eigendommen en hun goederen en verdeelden alles aan allen volgens hun behoefte. Dag na dag kwamen zij één van hat in de tempel bijeen en braken het brood in hun huizen, namen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart. En elke dag voegde de Heer diegenen toe die zullen gered worden” (Hand. 2,42-47).

Wij vinden hier de dubbel dynamiek van de christelijke gemeenschap, inwendig en uitwendig, verticaal en horizontaal : essentieel gecentreerd op het Woord en het breken van het brood, ze breidde zich uit zonder ophouden, totaal naar God toe gekeerd geeft zij tegelijk een plaats aan de ander doorheen de vreugde van de gemeenschappelijke maaltijd of de verdeling der goederen.

Anderzijds, karakteriseert deze eerste gemeenschap zich door de diversiteit van zijn “wijzen van zijn” en haar actie gebied : de liturgie, het gebed, de missionaire actie.. In zekere mate schijnt geen enkel aspect van het leven te ontsnappen aan de eucharistische communio.

Van  onze kant past het ons af te vragen of na twee duizend jaar, deze daadkracht van de eucharistische gemeenschap actueel is gebleven en of onze parochies bekwaam zijn de vlam die de eerste christenen deed ontbranden  levendig is gebleven.

De wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap.

Zelfs al kan het banaal schijnen om er aan te herinneren, het Geloof vertegenwoordigt de eerste voorwaarde voor het bestaan van een parochie. Het verschil tussen een parochie en elke andere vereniging is voor alles het Geloof, de aanhankelijkheid aan iets die niet vanzelf gaat, en in feite de aanhankelijkheid aan Iemand, een Gans-Andere. Het lijkt mij dat wij ons altijd zouden moeten afvragen hoe ons geloof te vermeerderen opdat we niet zouden vervallen in een simpel humanisme ( of misschien in het ritualisme). De parochiegemeenschap steunt dus voor alles op mijn geloof, een persoonlijk opgenomen geloof, maar een geloof ook dat ik deel met de andere leden van de gemeenschap. Daarom moet men zich afvragen hoe wij dat geloof in het parochiale leven kunnen uitdrukken, hoe wij de gelijkvormigheid tussen eucharistie en geloof reëel kunnen vestigen. Op deze vragen kunnen twee antwoorden worden gegeven.

Samen zich verenigen en deelnemen aan de liturgie

Het geloof dat “God onder ons” is en dat Hij zich tegenwoordig stelt “telkens wanneer twee of drie in zijn naam verenigd zijn” openbaart zich in het eenvoudige feit om zich een “vergadering” te vormen (wat de betekenis is van de term ‘Kerk’), in wat Vader Alexander Schmemann heeft genoemd “het sacrament van de vergadering” in zijn boek L’Eucharistie, Sacrament du Rouaume (Editions YMCPress/OEIL, coll.”L’Echelle de Jacob”, 1985), , ’t is te zeggen, dit mirakel waardoor “zondige  en onwaardige personen het lichaam van Christus worden”. Als wij  ons geloof manifesteren, een actieradius geven aan God, is het nodig dat wij bijeenkomen om zich tezamen met God te verenigen. Daaruit vloeit de noodzaak voort van een fysieke aanwezigheid in eenzelfde plaats en verder, een bewuste en totale deelname aan de eucharistie van alle gelovigen, van een gemeenschappelijke actie die alle gelovigen betreft (betekenis van het woord ‘Liturgie’).

Elk woord naar God gericht – uitgesproken met verheven stem of in het innerlijk van het hart – is een daad van geloof die de hoop van de bijeenkomst onderhoudt. Wij geloven in het bijzonder dat het gebed in de Kerk, in de bijeenkomst, wordt beluisterd, want mijn persoonlijk geloof wordt er, zo kan men zeggen, vervolledigd en versterkt. Zo bestaan er in de liturgie enkele specifieke momenten waar de gebedsintenties meer uitdrukkelijk zijn, meer particulier, meer gedurfd ook, maar altijd in de onderwerping aan Gods wil. Men kan denken aan de dringende gebeden na het Evangelie, waar wij voor elkaar bidden, voor de naasten van de anderen (de zieken, de zwangere vrouwen, de gestorvenen, enz…). De Grote Intocht of het gebed direct na de épiclese ( bijzonder uitvoerig in de liturgie van de heilige Basilios) zijn andere gelegenheden om tot God onze persoonlijke intenties te richten.

De roeping van elke parochie is zonder twijfel verbonden met de ernst waarop wij deze gebeden beschouwen. Hoe beluisteren wij de soms lange lijst met de namen van de overledenen ? Hoe kunnen wij ons gebed intensifiëren opdat wij de vragen van andere leden van de gemeenschap tot de onze maken ? Kan men ook niet ergens anders gebedsintenties die meer specifiek zijn inlassen? (….)

De missionaire roeping van de parochie

 

Zoals Christus, offert en draagt de eucharistische gemeenschap in de liturgie alle lijden van de wereld op aan de Vader. Verenigt met de glorievolle Christus in het lijden gelooft zij dat zij een boodschap van hoop kan brengen aan de wereld, dit vereist een uitgaan uit zichzelf, een beweging naar buiten toe.

In zijn boek over”Le Mystère de L’Eglise” (Cerf,2003), inspireert Vader Boris Bobrinskoy zich op de bewegingen van het hart om deze realiteit uit te drukken : “ In de hartcontractie(systole) heeft men het opeenhopen, het toestromen van het bloed in het hart. In de distole, de vernieuwing van de lichaamscellen door het bloed, dat zelf vernieuw is door de goddelijke Adem” Zo ook, bij de offerande van de gehele wereld in de liturgie ( in het bijzonder bij de Grote Intocht), correspondeert de offerande  met de wereld van de verkondiging van de blijde boodschap, het getuigenis in onze levens van het bestaan van het Koninkrijk.

Deze beweging van uiterlijkheid vindt haar plaats in het ‘laat ons in vrede heengaan” die, in plaats van de liturgie te sluiten haar werk doet in de wereld –“de liturgie na de liturgie”, ’t is te zeggen onze zending als christen.”Meer dan ooit verwacht onze wereld in crisis (…) van de eucharistische communauteit dit getuigenis van vreugde welke het goede nieuws ons brengt in het Koninkrijk van de Ontmoeting, die alle “aardse voedingsmiddelen”doet verbleken voor de moderne mens die vruchteloos naar zijn absolute dorst hunkert(…) ” aldus Costi Bendaly, libanees orthodox denker die bijzonder heeft bijgedragen  tot de initiële vernieuwing in de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) in het Midden Oosten.

Deze openheid die zich aan de gelovige opdringt ( en die haar bron put aan het innerlijk leven van de communauteit) kan verschillende vormen aannemen : doorheen de ontmoeting met andere christenen maar ook – en wellicht vooral- met de niet-gelovigen.

De openheid op de anderen

Men kan hier de verschillende vormen van openheid van de parochie in lijst brengen door concentrische vormen, vertrekkend van de personen die dicht bij ons staan om te gaan tot de andere christenen, niet orthodoxen. De parochie richt zich vooreerst op haar oud-leden, die vertrokken zijn om persoonlijke redenen (bijvoorbeeld door te verhuizen). De vraag is te weten hoe wij contact met hen kunnen onderhouden is te onderzoeken  volgens de verschillende contexten en de verschillende mogelijkheden ( persoonlijk bezoek, tijdschrift of site van de parochie, e-mailen enz..

De parochie heeft slechts zijn betekenis wanneer zij verbonden is met een bisschop, die garant staat voor de eenheid van de Kerk en haar conformiteit met het Evangelie, en dus garant is voor de eucharistie. De communio met de bisschop verzekert de realiteit van onze eucharistie en getuigt dat zij geen individuele geïsoleerde ritus is maar een communio met de totaliteit van de gelovigen. Zo wordt door de Bisschop de openheid van de parochie op het geheel van de gelovigen mogelijk gemaakt. Deze eenheid met de Bisschop drukt zich uit doorheen de relatie die wij kunnen ontwikkelen met de andere parochies van het diocees. Daden kunnen ondernomen worden om onze band met de Kathedraal te verstevigen. Anderzijds kunnen samenvoegingen tussen parochies ondernomen worden.

De roeping van gans de parochie is anderzijds de banden tussen de orthodoxen te verstevigen. Het historisch getuigenis van een zeker aantal parochianen in de (Franse) Orthodoxe Fraterniteit getuigen reeds hiervan. Kan de aanwezigheid in de grote steden van een grote verscheidenheid van orthodoxe kerken van verschillende tradities geen uitnodiging zijn om mekaar beter te leren kennen en de eenheid te concretiseren ? Het bezoek aan parochies van andere tradities, de organisatie van een interparochiale catechese of nog : de progressieve introductie – zonder syncretisme- in de schoot van onze liturgische praktijk van parels van de Levendige liturgische Traditie van de ene Kerk, zouden wellicht het bouwen van bruggen kunnen bevorderen tussen de verschillende orthodoxe gemeenschappen.

Ten slotte, over de zuivere orthodoxe sfeer heen, zou de parochie kunnen bijdragen tot een betere dialoog met de zogenaamde christenen van het Oosten ( ’t is te zeggen leden van de pre-chacedonische Kerken – Armeniërs, Kopten, de Kerk van Indië enz…) en ook met de Katholieken en de protestanten, waarmee wij ons soms verenigen met diepe vriendschapsbanden. Het deelnemen aan groepen van bezinning, Bijbelstudie of gebed met christenen van andere confessies moet in feite een dubbel getuigenis bevatten : voor de niet-orthodoxen ,de rijkdom van onze traditie; voor de andere orthodoxen die minder spontaan geneigd zijn om toe te treden tot de oecumenische ontmoetingen: de kracht van het geloof en het gebed die ons kunnen aanzetten om te communiceren met andere christenen.

De openheid over de grenzen van het “religieuze” heen.

Ten slotte, het behoort tot de parochie om over de grenzen van de specifieke religieuze sfeer uit te stralen en een manier van uitdrukking te vinden die adequaat  is in de “profane” wereld. In de conferentie die hij gegeven heeft over dit thema en die uitgegeven is in een klein boekje getiteld “Le témoignage de la communauté eucharistique “(Editions An-Nourn Beyrouth, 1992), toont Costi Benali dat “de eucharistische gemeenschap zich niet mag ontdoen van deze essentiële dimensie van haar getuigenis die ingeschreven staat in de historische concrete engagementen, in de dagelijkse strijd, in haar hoop op het Koninkrijk”. En hij verduidelijkt dat men “de reikwijdte van het heil in het zuivere religieuze” niet mag beperken, onderlijnend dat “het heil van Christus een radicale bevrijding is uit elke miserie, elke beroving, elke vervreemding” Vader Cyrille Argenti citerend, nodigt hij ons uit om niet “weg te vluchten in de eucharistische celebratie en daarbij de strijd in de wereld te ontvluchten”.

Vanaf dan kunnen wij ons afvragen wat wij moeten doen om niet te vervallen in een dualisme “spiritueel leven/dagelijks leven”, hoe kunnen wij historische daden stellen, hoe nederig bijdragen om de wereld om te vormen ? Deze vraag is zeer groot, werkelijk, en verdient een diepgaande bezinning. Men kan hierbij  twee voorstellen formuleren, die verre van de pretentie hebben  rond de vraag heen te draaien.

Het vasten van het delen

Het eerste betreft de band tussen ons vasten (in het bijzonder deze van de grote vasten) en de ondersteuning van de meest kwetsbaren. “Vasten om die armer is dan wijzelf te ondersteunen”, dit is de betekenis van de collecte die over het algemeen gehouden wordt in de parochies bij het begin van de Vasten. Het is een Vasten van het verdelen, want het staat toe om mensen te helpen met het geld dat wij hebben geschonken. Costi Bendaly toont dat het hier gaat “om te antwoorden op de consumptiemaatschappij door de bekering van het verlangen, om niet meer  te verspillen, maar om getransformeerd te worden in Christus, worden zoals Hij en in Hem, gave, onthaal en delen”

De tweede suggestie zal een appèl inhouden voor een investering in het leven van elke dag, onder de inspiratie van een heilige als Moeder Maria, wiens leven in dienstbaarheid radicaal was. Velen onder ons zijn reeds geëngageerd, ten persoonlijke titel, in verenigingen als het ACAT (vereniging in Frankrijk voor de afschaffing van het martelen), Montgolfière (hulp aan de mensen zonder papieren), Sint Egidio enz..om er maar enkele te citeren. Zou men niet kunnen profiteren van de ervaringen van sommige parochianen om deze verenigingen te leren kennen door bijvoorbeeld een forum van verenigingen op te richten ? Zou onze parochie  discreet en gevrijwaard van elke politieke inmenging geen soort van draaiende schijf kunnen worden van  belangeloze hulp ?

Het teken van Gods aanwezigheid in de wereld

Zo vormen de verschillende wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap het teken van de tegenwoordigheid van God in de wereld.  Een gebed kan ons helpen om bewust te worden van deze bijzondere zending, een gebed dat zodanig permanent  en voortdurend herhaald wordt in onze liturgie dat wij het niet meer horen; dit gebed duidt expliciet op de roeping van de parochie welke is : onze persoonlijkheden,de andere gelovigen en het geheel van de wereld rond Christus bijeen te brengen. Dit gebed is in feite een oproep, een vermaning, een bemoediging; over het algemeen geformuleerd door de diaken, en zij gebied ons om “onszelf, mekaar en gans ons leven aan Christus onze God toe te vertrouwen.

Jean Jaques LAHAM

Jean jaques LAHAM is van oorsprong Libanees, deed zijn studies in Frankrijk. Hij is gedipomeerde van de “Ecole des hautes études commerciales”. Hij is consultant in het beheer van ondernemingen. Hij is verbonden zowel aan de libanese orthodoxe communauteit (patriarchaat van Alexandrië)als aan de Franstalige parochie van de Crypte van de heilige Drie eenheid, rue Daru te Parijs.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

10:09 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

29-12-10

Olivier Clément : Martelaarschap en verrijzenis

Martelaarschap en verrijzenis

 

Olivier Clément

 

Martelaarschap betekent getuigen. Maar getuigen van Christus op het vlak van de dood betekent iemand worden die opnieuw moet verrijzen. Christelijk martelaarschap is een mystieke ervaring, de eerste getuige in de geschiedenis van het christendom. Het werd in het begin van de geschiedenis opgeschreven in verband met het martelaarschap van Stephanus de “protomartelaar”, in de handelingen der Apostelen : “Maar hij, vol van de Heilige geest,sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande aan de rechterhand Gods”…. Dan voerden zij hem buiten de stad en stenigden hem, en terwijl hij werd gestenigd, bad Stephanus “ Heer Jezus, ontvang mijn Geest. En op de knieën vallend riep hij met luide stem : Heer, reken hen deze zonde niet aan. En toen hij dit zei, sliep hij in (Hand.7,55-60). Een glorievolle visie   ….gebed voor de vervolgers…. Als de geschiedenis rond is en een ander getuige tot de dood gebracht wordt, “openen zich de hemelen” en staat het de liefdes-energieën toe om hun intrede te doen in de wereld.

 

Martelaarschap was de eerste vorm van heiligheid om in de Kerk vereerd te worden. En wanneer er niet langer martelaren in het bloed waren, kwamen de martelaren in de ascese, de monniken in de plaats. Van de monniken komt het gezegde ,dat de betekenis van het martelaarschap uitdrukt : “Geef je bloed en ontvang de Geest”. Het martelaarschap is het antwoord.

 

Een martelaar kan op het eerste gezicht een man of vrouw zijn. Maar wanneer ze verpletterd worden door het lijden, worden ze gelijk aan de gekruisigde Christus, en de macht van de verrijzenis krijgt vat op hen. In een direct relaas, zonder enige verfraaiing geschreven , in het begin van de 3e eeuw, zien wij een jonge christelijke vrouw in de gevangenis de geboorte van haar kind bewenen (als een zwangere vrouw was aangehouden werd ze pas ter dood gebracht na de geboorte van haar kind). De gevangnisbewaarder schimpte op haar, maar Felicitas legde hem op zachte toon uit dat op het moment van het martelaarschap een ander zal lijden in haar. Haar vriendin Perpetua voelde niets toe zij werd bedreigd door wilde stieren. Zij werd kortstondig gespaard, voordat zij uit de “extase van de Geest” kwam, alsof zij ontwaakte uit een diepe slaap. En de martelaars, vooraleer samen de dood tegemoet te gaan, geven elkaar de vredeskus, zoals tijdens de eucharistische liturgie. Voor de authentische christen bestaat de dood niet. Hij werpt zichzelf voor de verrezen Christus. In Hem is de dood een vieren van het leven.

 

Felicitas was acht maanden zwanger toe ze werd gearresteerd…Haar  barensweeên kwamen op. Zij leed veel en kreunde. Eén van de cipiers zij tot haar, “Als als je al huilt voor dit, wat zal je doen als je voor de wilde dieren geworpen zal worden ?... Felicitas antwoordde hem, “Dan zal er een ander in mij zijn die wil lijden voor mij want het is voor Hem dat ik zal lijden”…

 

Perpetua werd bij een razende stier geworpen. Zij viel op haar rug. Vanaf het ogenblik dat ze kon , zat ze weer recht… zij stak haar haar, dat was losgekomen,  weer op. Een martelaar kan niet sterven met slordig haar, uit vrees dat ze eruit zou zien alsof ze in rouw is, en dit kan niet op deze dag van glorie. Dan stelde ze zich recht en richtte zich tot Felicitas die blijkbaar ingestort was. Zij ging tot haar, gaf haar de hand en hielp haar terug rechtop. Toen zij hen recht zagen staan, luwde de woede van het volk. De martelaars werden weggenomen doorheen de poort der levenden.

 

Daar werd Perpetua verwelkomt bij een catechumeen, Rusticus, die haar zeer genegen was. Zij scheen ontwaakt te zijn uit een slaap, zo lang had haar extase geduurd. Zij keek rondom haar en vroeg “ Wanneer zullen wij overgeleverd worden aan de stieren ?” Toen ze haar hadden verteld dat dit reeds gebeurd was, kon zij het niet geloven, en weigerde de evidentie ervan te aanvaarden totdat zij op haar kleding en haar lichaam de sporen zou zien van de beproeving. Dan riep ze haar broer en de catechumeen. Zij zei hen “Blijf standvastig in uw geloof, heb elkander lief. Laat ons lijden geen subject worden van ergernis voor u…”

 

Het volk vroeg dat de gewonden terug zouden gebracht worden in de arena, zodat zij het plezier zouden mogen ervaren van het zwaard dat de levende lichamen zou doorboren… De martelaars kwamen naar de plaats dat het volk wou. Zij gaven elkander een vredeskus om hun martelaarschap te vervolmaken, dit in overeenstemming met de ritus van het geloof. Allen bleven beweegloos tot de fatale klap.

(Matyrdom of Felicity and Perpetua, in the year 203, at Carthage, - Kopf-Krüger, pp.35-44)

 

Het bloed van de martelaren wordt geïdentificeerd met dat van Golgotha, en zo met de eucharistie wat de onthulling van de eeuwigheid inhoudt. De martelaar  wordt Eucharistie, wordt Christus. Dat is de reden waarom de relieken van de martelaars worden beschouwd als deel van de glorierijke kosmos, van de “wereld die komt”, en worden ingebouwd in de altaren waarop de eucharistie wordt gecelebreerd.

 

O gezegende martelaren, menselijke druiventrossen in Gods wijngaard,uw wijn onthult de Kerk… Wanneer heiligen zich klaar maken voor het banket van het lijden, drinken zij de drank die vergoten is op Golgotha en zo dringen zij binnen in de mysteries van Gods huis. Zo zingen wij , “Geprezen zij Christus die de martelaren  overstelpt met het bloed van Zijn zijde”.

Rabulas of Edessa, Hymn to the Martyrs (Bickell II,p.262

 

In de volgende passage van de brief, geschreven door Ignatios van Antiochië  aan de christenen van Rome - werd de bisschop van Antiochië naar de hoofdstad van het Keizerrijk geleid voor een plechtige executie, in het begin van de 2e eeuw. Bijna alle aspecten van “dood en verrijzenis” werden er bijeengebracht. De martelaar , ineengebogen voor de tanden van wilde dieren, gelijk granen van tarwe in de molen, werd een eucharistische aangelegenheid, hij deelt volledig in Christus’ goddelijk vlees, hij reproduceert in een bijna liturgische betekenis, het Lijden van de Gekruisigde, om zo omhooggeheven te worden tot de Glorierijke, en Zijn overwinningskracht aan te voelen. Victor, de veroveraar, was de naam gegeven aan elke martelaar. In Christus is de geest voor Ignatios, een stroom van levend water dat leidt tot de Vader. Hier is het lichaam niet langer ontbonden door ascese en spirituele ervaringen, maar alles tegelijk door menselijke geweld. De martelaar bespoedigt de wedergeboorte van het glorievolle lichaam.

 

Ik schrijf aan alle christenen om hen te vertellen dat ik  gaarne gedood wil worden voor God… Laat mij het voedsel van de beesten zijn want dank zij hen zal ik in staat zijn om God te vinden. Ik ben Gods tarwe en ik ben grond door de tanden van wilde beesten om zo Christus zuiver brood te worden…. In het lijden zal ik een vrijgemaakte zijn van Jezus Christus en zal ik opnieuw geboren worden in Hem, vrij…laat geen wezen, zichtbaar of onzichtbaar, mij behoeden voor de jaloersheid om Christus te vinden. Laat vuur en kruis, wilde dieren, martelingen,  verbrijzeling van mijn  gebeente, verminking van mijn  ledematen, het verbrijzelen van mijn ganse lichaam, de ergste aanvallen van de duivel  mij overkomen,  op voorwaarde dat ik Jezus Christus kan vinden. Mijn nieuwe geboorte is dicht bij de hand. Vergeef mij, broeders, hinder mij niet in het leven. Laat mij in het zuivere licht komen. Als ik dat punt zal hebben bereikt, zal ik een man zijn. Sta mij toe het Lijden van mijn God te reproduceren. Moge iedereen die God in zich draagt begrijpen wat ik verlang en medelijden met mij hebben, wetende wat het is dat mij beperkt  maakt… Mijn aardse verlangens zijn gekruisigd. Er is in mij geen enkel vuur meer om van aardse dingen te houden, alleen levend water dat opborrelt in mij, “Kom tot de Vader”… Het is het brood van God dat ik verlang, dat het vlees van Christus is…en als drinken verlang ik Zijn bloed, wat onvergankelijke liefde is.

Ignatios van Antiochië To the Romans, 4-7 (SC 10, pp130-137)

 

In het verslag van het martelaarschap van Policarpus, bisschop van Smyrna, in dezelfde periode wordt men aangegrepen door de hartelijke eenvoud van de man en de kracht van zijn voorbede. Hij verwelkomt de politieofficieren als buren door God naar hem toe gezonden. Hij bid niet voor hemzelf maar voor allen die hij ontmoette, goeden en slechten, en voor de universele Kerk.

 

Sedert zijn geweten  er bij betrokken werd, was hij doelbewust ongehoorzaam. Hij proclameerde kalm voor de magistraten en het volk dat Christus is de enige “Heer” is., namelijk God- is- mens geworden, en niet diegenen die de macht hebben, noch de sacrale macht van Rome. Daardoor  handhaafde hij de transcendentie van het bewustzijn, van de persoon die gemaakt is naar het beeld van God. Hij maakt het protest van Antigone en Socrates tot de zijne, maar dan wel in de vreugde van de verrijzenis. Hij relativeerde radicaal het politieke belang.

 

Daarvoor is de martelaar nog geen rebel. Gelijk Socrates, aanvaardde hij het vonnis van de magistraten en bad hij voor de Keizer. Door dit feit is hij een zegen voor de stad van de mens, en zonder het te verstoren verrijkte hij het met een compromisloze vrijheid.

 

Het einde van de passage neemt terug de identificering van het martelaarschap met de eucharistie op, het getuigenis van de zegen over de dood. Zich bewust zijnde dat de politieofficieren daar waren,ging  hij (Policarpus)met hen praten. Zij waren  verbaasd over zijn leeftijd en zijn kalmte . Zij hadden het dan ook moeilijk om deze man, die even oud was als zij,  te moeten aanhouden. Hij had hen bediend met evenveel voedsel en drank als ze wilden, en hij vroeg hen om de toestemming om één uur te mogen bidden, want dat verlangde hij. Zij stonden hem dat toe. En rechtopstaande begon hij te bidden.  Na twee uur kon hij nog niet stoppen, en deze die hem aanhoorden waren verbaasd, en velen hadden berouw dat ze zo een heilig en oud man moesten arresteren.

 

In zijn gebed bedacht hij alle mensen die hij ooit had ontmoet,voorname of obscure en de hele katholieke Kerk die verspreid is over de gehele wereld. Wanneer hij had beëindigd, kwam het ogenblik van vertrek aan. Zij zetten hem op een ezel en reden ermee naar de stad… Snel verzamelden zij rondom hem het materiaal dat zou dienen voor de brandstapel. Toen ze op het punt stonden om hem ook te nagelen, zei hij : Laat mij zoals ik ben. Hij die mij  de kracht geeft om het vuur te weerstaan zal  mij ook in staat stellen om trouw te zijn op de brandstapel.  Dienovereenkomstig nagelden zij hem niet aan de stapel vast, maar bonden hem vast. Met zijn handen  achter op de rug gelijk een ram dat gekozen wordt uit een grote kudde voor het offer… Hij richtte zijn ogen ten hemel en zei :

“ Heer, almachtige God, Vader van uw beminde Zoon Jezus Christus door wie wij de kennis van Uw Naam hebben verkregen, God…van  de ganse schepping. Ik zegen U omdat gij mij waardig hebt bevonden voor deze dag en dit uur. Om deel te mogen hebben aan het getal van Uw martelaren in de kelk van Christus, uitkijkend naar de verrijzenis van het lichaam en ziel in de volheid van de Heilige Geest… En ik prijs u voor alles, ik zegen u, ik verheerlijk u, door de hemelse hogepriester Jezus Christus uw welbeminde Zoon, door wie de glorie  tot u is met Hem en de Heilige Geest, nu en voor altijd.Amen “… In het midden van het vuur stond hij, niet gelijk brandend vlees, maar als gebakken brood.

Martyrdom of St. Policarpus, Bishop of Smyrna, 7,2-8,1;14,1-3;15,2 (SC 10,pp250,252,260,262,264.

 

De volgende dromen, die visioenen waren, toont de ziel van de martelaren die deelnemen aan de hemelse liturgie zoals ze beschreven is in de Apocalyps. De tuinen van het paradijs met de bladeren van de bomen zingend tot de zachte bries van de Geest; een tempel of een paleis met muren van licht; in het centrum van dit alles, de Oudere van dagen met wit haar maar met een stralend jong gezicht; het gelaat van Christus in de jeugd van de Geest; een kus van vrede; een mondvol voedsel geofferd door de herder;  het onuitsprekelijke parfum dat als voedsel is; zo vele symbolen van de mystieke staat van het martelaarschap te vergelijken met de actuele ervaring van de Eucharistie.

 

Perpetua’s visioen

 

Dan ging ik omhoog. In zag een enorme tuin. In het midden daarvan was een grote man, gekleed als een herder. Hij was bezig met schapen te melken. Rondom hem waren er duizenden mannen gekleed in het wit. Hij hief zijn hoofd omhoog, keek naar mij en zei : welkom mijn kind. “Hij riep mij toe en gaf mij een mondvol kaas die hij aan het klaarmaken was. Ik ontving het met  gevouwen handen. Ik at het op en allen zeiden : Amen” Bij het geluid van de stemmen ontwaakte ik met de smaak van een eigenaardige zoetheid in mijn mond. Ik vertelde ogenblikkelijk dit visioen aan mijn broeder (Saturnus), en wij begrepen dat het het martelaarschap was dat op ons wachtte.

 

Saturnus’ visioen

 

Ons martelaarschap was voorbij. Wij hadden ons lichaam achtergelaten. Vier engelen  brachten ons naar het Oosten, maar hun handen raakten ons niet aan….Wanneer we door de eerste sfeer gingen die de aarde omcirkelt, zagen wij een groot licht. Dan zei ik tot Perpetua, die aan mijn zijde was, “Dit is wat de Heer ons beloofd heeft”. Wij hadden een enorme open vlakte bereikt dat een tuin leek te zijn met oleanders en elke soort bloemen.  De bomen waren zo hoog als cypressen en hun bladeren zongen zonder ophouden.. Wij kwamen in een paleis waarvan de muren leken gemaakt van licht. Wij gingen binnen en hoorden een koor die aan het repeteren was, “Heilig, Heilig, Heilig”. In de hall zat een man gekleed in het wit. Hij had een jong gezicht en zijn haar leek zo wit als sneeuw. Aan iedere zijde stonden vier ouderlingen… We gingen voort met verbazing en kusten de Heer die ons liefkoosde met zijn hand. De ouderlingen zeiden tot ons, “sta op”. We gehoorzaamden en gaven elkander de vredeskus….. Wij herkenden vele van onze broeders, martelaren zoals wij. Als voedsel hadden wij een onuitsprekelijke parfum dat ons allen helemaal verzadigde.

Martyrdom of Felicity and Perpetua (Knopf- Krüger)

 

Bron : website van Myrobiblos – Kerk van Griekenland

Titel : Martyrdom : Death and resurrection

VBertaling : Kris Biesbroeck

Vertaling uit het engels : Kris Biesbroeck

 

12:05 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

22-12-10

Kerstmis

Kerstmis

 

 

 

Geboorte van Christus 25 december.jpg

 

Genealogie van Jezus Christus : zo begint het Evangelie. Maar wat betekent deze lange lijst van hebreeuwse namen ? Voor de Joden is het de noodzaak om de afkomst van de Messias van Koning David te onderlijnen. Een andere betekenis : in deze lijst staan moordenaars,  echtbrekers, bloedschenners. Indien Jezus wordt geboren in mijn ziel, dan wordt Hij geboren ondanks en doorheen de opeenstapeling van mijn zonden. Jezus  doordringt, vindt zijn weg doorheen mijn fouten, Hij overstijgt ze de één na de ander. Dit is zijn genealogie in mij. In deze doordringing  schittert zijn barmhartigheid, zijn  minzaamheid, ook zijn kracht. Maria, die het kind draagt in haar schoot, en Jozef laten zich inschrijven in Bethlehem. Het is niet te Rome, noch te Athene, noch te Jerusalem dat Jezus wilde geboren worden. Zo ook is voor ons het mysterie van de Geboorte slechts toegankelijk in het arme dorpje van Judea. Opgaan naar Bethlehem, burger worden van Bethlehem, de nederige geest van Bethlehem verwerven, niet bezitten.

De engelen zeggen niet eenvoudigweg dat de Redder is geboren. Zij zeggen : “Een Redder is U geboren”, Jezus wordt geboren voor elke herder. Zijn geboorte blijft voor elk van ons een zeer persoonlijke gebeurtenis; Jezus is een gave aan elke mens.

Er is geen plaats in de herberg, noch voor Maria die Jezus draagt, noch voor Jozef. Er is geen plaats in de herberg van de wereld voor de leerling van Jezus. Indien ik er in slaag om mij een plaats te bereiden, welke moeilijke gelegenheid! Wat is er gemeenschappelijk tussen de herberg en de kribbe ?

(Un moine de l’Eglise d’Orient “Jesus”

Nu blijft er ons alleen te weten hoe wij Christus kunnen laten komen in ons huis. Wij weten dat hij niet neerziet op een schamel huisje. Hij gaat zelfs bij de tollenaars wanneer zij Hem aanroepen met oprechte gevoelens. Meer nog, Hij komt aan de deur en klopt, zoals hij het zegt in de Apocalyps. Voor ons is Hij gekomen in een maagdelijke schoot en gevormd uit het bloed van de Maagd, Hij is op een wonderbare  wijze geboren. Voor ons ziet Hij niet neer op een kribbe  in een dierenstal waar hij wilde rusten in doeken gewikkeld. Hij zal ook onze armoedige hut niet verafschuwen indien wij hem met nederigheid bidden, want hij is barmhartig en hij houdt van de mensen, Hij verhoort de nederige smeekbeden. Hij verlaagt zichzelf tot aan onze nederigheid, laten wij ons voor zijn voeten werpen en hiermee de wijsheid van de wijzen navolgend. Laten wij neervallen aan de voeten van hem die niet meer in doeken gewikkeld is, maar die neerzit op de troon van glorie, met de vader en de Heilige Geest. In plaats van goud, wierook en myrrhe, laten wij hem ons nederig gebed toevertrouwen. En daar Hij zijn rust vindt in de christelijke naastenliefde, laten wij ons omgeven door naastenliefde, laten wij ons voorbereiden. Als wij onze hongerige broeder zien, laten wij hem te eten geven; als w<e hen zien die dorst hebben, laten wij hen te drinken geven; indien iemand naakt is, laten wij hem kleden; indien iemand reiziger is zonder dak boven het hoofd, laten wij hem opnemen in ons huis en geven wij hem hospitaliteit; indien iemand ziek is, laten wij hem bezoeken, troosten en hem dienen ; laten wij liefde betonen tegenover de gevangenen en dienen wij hen volgens onze middelen. In één woord, laten wij onze broeders liefhebben als onszelf.

(Tikhon ZADONSKY “Ascètes russes”)

 

2e homelie over Kerstmis

Wat hebben wij te zeggen,  Hoe moeten wij het zeggen ? Zo een wonder wekt verbazing in mij. De Oude van Dagen is een klein kind geworden. Diegene die troont op de verheven troon van de hemel is geboren in een kribbe. De ontastbare, de eenvoudige, de niet samengestelde, de on-lichamelijke is aangeraakt door mensenhanden. Diegene die de banden van de zonde heeft losgemaakt is met doeken omwikkeld, omdat Hij het zelf wilde. Hij heeft besloten om de slaafsheid te veranderen in eer, om de schande met glorie te omkleden, en om te tonen dat de grenzen van de vernedering deze zijn van kracht. Ziedaar waarom Hij mijn lichaam op zich heeft genomen : opdat ik het Woord waardig moge zijn. Hij neemt mijn vlees en geeft zijn Geest, Hij geeft en neemt, Hij bereid mij een levensschat voor. Hij heeft mijn vlees aangenomen om mij te heiligen; Hij geeft zijn Geest om mij te redden. Vandaag is de oude band losgemaakt, de Duivel  in verwarring gebracht, de demonen zijn op de vlucht geslagen, de dood vernietigd, het paradijs heropend, de vervloeking opgeheven, de zonde verworpen, de dwaling verworpen, en de waarheid komt terug. Het woord van godsvrucht is overal verspreid, het doorkruist de ganse wereld. De wijze van leven in de hemel is gepland op aarde, de Engelen zijn in communicatie met de mensen, de mensen praten ermee zonder enige vrees. Waarom : God is op aarde gekomen, de mens is binnengeleid in de hemel : dat is de grote verandering….

Wat valt er nog te zeggen ? hoe moet men spreken ? Ik zie een timmerman, een kribbe, een kind, doeken, een Maagd die berooid een kind baart. Alles is arm, alles ademt de armoede. Maar zie toch de rijkdom in deze armoede ! Terwijl hij rijk was heeft Hij zich voor ons arm gemaakt…O armoede, bron van onze rijkdom !

(Heilige Johannes Chrysostomos)

 

Over het leven in Christus.

Indien ik goed kon zijn, dan zou ik in mijn binnenste een plaats bereiden voor de Zoon van God, en de heer Jezus zou in mijn ziel een aangename woonplaats bereiden. Hij zou het versieren, hij zou er muren bouwen die tegen alle aanvallen bestand zijn en hoge torens, om in mij , indien ik het zou verdienen, een waardig verblijf voor hem en zijn Vader. Hij zou aldus mijn ziel verfraaien om ze bekwaam te maken voor zijn wijsheid, zijn wetenschap, voor gans zijn heiligheid, zodanig dat hij  er met Hem God de Vader zou doen binnentreden en er een woonplaats zou vinden, dat hij zelfs het voedsel zou nemen die hij zou hebben bereid. Om zijn genaden te ontvangen laten wij in onszelf een zuiver hart voorbereiden, opdat de Heer Jezus het waardig zou vinden om er zijn intrek te nemen.

(Origines (Alexandrië 185 – Césarée 253 env)

 

10:39 Gepost door kris in theologie | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |